Bij de behandeling van psychische aandoeningen gingen de afgelopen
twintig à dertig jaar in de Verenigde Staten twee ontwikkelingen
een steeds grotere rol spelen: het indelen van patiënten in categorieën
door het raadplegen van tabellen met symptomen, en hen vervolgens met
medicijnen te behandelen. Deze biopsychologische benadering berust op
de theorie dat psychische afwijkingen worden veroorzaakt door chemische
afwijkingen in de hersenen die kunnen worden genezen door behandeling
met medicijnen die de chemische werking in de hersenen weer in hun normale
staat terugbrengen. Terwijl voorstanders beweren dat hun geneeswijzen
berusten op exacte wetenschap, zijn andere wetenschappers het hiermee
oneens en wijzen erop dat we nog geen grondig of voldoende ontwikkeld
inzicht hebben in de hersenen en de chemische werking daarvan om specifieke
fysiologische oorzaken van symptomen vast te stellen, of om daarop afgestemde
chemische geneeswijzen te bedenken. Omdat de biopsychologische behandelwijze
in brede kringen wordt erkend, is het belangrijk dat mensen die voor
zichzelf of iemand anders hulp zoeken zich bewust zijn van de beperkingen
ervan.
In de Verenigde Staten is het standaardinstrument voor de psychologische
diagnose het Diagnostic and Statistical Manual (DSM), dat bestaat
uit een rangschikking van aandoeningen onderverdeeld in categorieën
van symptomen. De vermelde symptomen zijn zo algemeen dat bij meer dan
60% van de Amerikanen een psychische aandoening zou kunnen worden vastgesteld,
en veel normaal menselijk gedrag en gevoel in toenemende mate als pathologisch
kan worden bestempeld. Officiële erkenning van deze aandoeningen
en hun diagnostische symptomen wordt verleend door stemmenmeerderheid
van een commissie van de American Psychiatric Association die deze periodiek
opnieuw bekijkt. Het is zowel een politiek als een wetenschappelijk
proces dat vaak gepaard gaat met een intensief lobbyen door diverse
partijen, zoals patiëntenorganisaties en farmaceutische bedrijven,
en ook met conflicten binnen de psychiatrische gemeenschap. Enkele aandoeningen
die als stoornis zijn opgenomen en vervolgens in latere edities van
het DSM niet meer voorkomen (bijv. homoseksualiteit en persoonlijkheidsstoornissen
waarbij men zichzelf tot last is) tonen de enorme invloed aan van sociale
en andere vooroordelen bij deze beslissingen. Zodra er een DSM-diagnose
is vastgesteld is er een enorme economische drang voor plaatselijke
gezondheidsorganisaties, andere verzekeraars en farmaceutische bedrijven
om artsen1 aan te moedigen medicijnen
voor te schrijven als de belangrijkste vorm van therapie. Op deze manier
besteden artsen heel weinig tijd aan elke patiënt, worden de kosten
van diagnostisch onderzoek tot een minimum beperkt en gaat de verkoop
van geneesmiddelen voor psychische aandoeningen omhoog. Verzekeringsmaatschappijen
zijn steeds minder bereid om psychische hulp te vergoeden, hoewel medicatie
zonder aanvullende therapie voor de patiënt op de lange duur waarschijnlijk
negatieve gevolgen heeft.
De aanzet tot een biopsychologische behandeling vormden de neuroleptica.
Het eerste neurolepticum, dat bestempeld werd als een ‘chemische
lobotomie’ toen lobotomie nog veelvuldig werd toegepast, werd
oorspronkelijk gebruikt om het gedrag van patiënten met psychische
kwalen onder controle te houden. De fabrikant ervan in de VS beweerde
echter dat het een ‘geneesmiddel’ was voor schizofrenie,
een bewering die in Europa of door de Franse uitvinders van het geneesmiddel
nog steeds niet wordt geaccepteerd. Hoewel neuroleptica veel ongewenste
aspecten van schizofrenie onderdrukken, zoals waanvoorstellingen en
hallucinaties, versterken ze in feite andere belangrijke symptomen zoals
lethargie en het in zichzelf gekeerd zijn. In de loop van de tijd werden
neuroleptica aan een steeds grotere groep mensen verstrekt – waaronder
jeugdige delinquenten – om hun gedrag onder controle te houden.
Er kwam een eind aan deze praktijk toen het parlement het gebruik ervan
beperkte tot patiënten met duidelijke psychiatrische indicaties.
De wetgevers handelden niet alleen in reactie op verklaringen van burgers,
maar ook op hartverscheurende verhalen van Sovjet-dissidenten die dit
medicijn van hun regering kregen als een manier om een afwijkende mening
‘chemisch onder controle te houden’.
Nadat de neuroleptica waren aanvaard en winstgevend bleken te zijn,
volgden andere soorten medicijnen waarvan wordt beweerd dat ze aandoeningen
genezen zoals depressie, hyperactiviteit, en een tweepolige stoornis,
door bepaalde chemische onevenwichtigheden in de hersenen te corrigeren.
Dat ze de chemie van de hersenen manipuleren staat buiten kijf, maar
het is nooit bewezen dat deze medicijnen veel anders doen dan karakteristieke
symptomen, die met de aandoeningen in verband worden gebracht, te maskeren.
Omdat ze de chemie van de hersenen veranderen, passen de hersenen hun
chemische werking weer aan en worden ervan afhankelijk. Over het feit
dat dergelijke medicijnen blijvende schade kunnen veroorzaken als ze
gedurende lange tijd worden gebruikt, of plotseling niet meer worden
ingenomen, wordt weinig gepubliceerd. Evenals de neuroleptica worden
enkele van de nieuwe medicijnen voorgeschreven aan een groeiend aantal
mensen dat niet ernstig psychisch ziek is, en ze worden vaak gepresenteerd
als een onschadelijke en betrekkelijk gemakkelijke oplossing voor hun
problemen, een idee dat veel mensen aantrekkelijk vinden.
Hoewel het biopsychologische model steeds meer steun geniet in psychiatrische
en medische kringen is er kritiek binnen de sector. Eén vorm
van kritiek betreft de verminderde aandacht voor fysiologische oorzaken
van psychische problemen. In A Dose of Sanity: Mind, Medicine and
Misdiagnosis (1966), legt psychiater en neuroloog Sydney Walker
III de nadruk erop dat het benoemen van een kwaal de oorzaak van de
symptomen niet wegneemt: Hij wijst erop dat ‘bij patiënten
die de ‘diagnose’ hebben gekregen van manische depressie,
psychische angst, ADHD, enz., geen diagnose is gesteld; en dat ze alleen
zijn beschreven; de indrukwekkende medische termen in het DSM verbergen
talloze medische problemen, waarvan vele zijn te genezen – en
vele gevaarlijk zijn als ze niet worden behandeld. De meeste van deze
problemen zijn verrassend gemakkelijk te ontdekken door gebruik te maken
van normale medische onderzoekmethoden, zorgvuldige ondervraging, en
een goede deductieve redenering’ (blz. 5, 8).
Dr. Walker vergelijkt hen die vertrouwen op het DSM met artsen die
bij een persoon die hoest de diagnose stelt van ‘hoestziekte’
en deze behandelt met een medicijn die de symptomen ervan maskeert zonder
te onderzoeken of het wordt veroorzaakt door een kou of tuberculose.
Infecties, toxiciteit, voedingstekorten, verkeerde medicijnen, endocriene
afwijkingen, slaapgebrek, problemen met het hart en de bloedsomloop,
kanker – in feite te veel lichamelijke kwalen om op te noemen
– kunnen symptomen veroorzaken zoals depressie, verwarring, boosheid
en ander ongecontroleerd gedrag, hyperactiviteit, gebrek aan concentratie,
lethargie en hallucinaties. Hij wijst er bijvoorbeeld op hoe oudere
patiënten die verward zijn of lijden aan geheugenverlies, vaak
zonder onderzoek worden weggestuurd met de mededeling dat ze lijden
aan ouderdomsdementie of Alzheimer, terwijl velen fysieke problemen
hebben die, als daarvan een diagnose werd gesteld en als deze werden
behandeld, na verloop van tijd zouden ophouden waardoor de symptomen
ervan misschien verdwijnen. Zijn stelregel: ondanks de onwil van de
verzekeraars om te betalen voor onderzoek zou men een ernstig symptoom
nooit moeten negeren, maar eerst moeten proberen de fysiologische oorzaak
te vinden door middel van een grondige deductieve diagnose door een
arts voordat men zijn toevlucht neemt tot louter psychologische diagnosen
en geneesmiddelen.
Een andere consequentie van het gebruik van geneesmiddelen als de geprefereerde
therapie is dat andere soorten behandeling buiten beschouwing worden
gelaten. Heel vaak worden aandoeningen zoals depressie of psychische
angst teweeggebracht door gebeurtenissen, menselijke verhoudingen, of
gedachtepatronen en handelwijzen. Door iets aan deze factoren te doen
– door wijzigingen aan te brengen in de omgeving, de relaties,
of de zienswijze, het gedrag of keuzes van de patiënt – kunnen
patiënten de problemen meestal oplossen en met hun leven in het
reine komen zonder medicijnen of door slechts minimaal en tijdelijk
medicijngebruik.2 Problemen en uitdagingen
maken een wezenlijk deel uit van het leven, en mensen komen voornamelijk
door deze moeilijke ervaringen tot ontwikkeling. De normale menselijke
gemoedstoestand bestaat niet uit een permanent tevreden, rustige, extraverte,
positieve instelling, en om mensen die worstelen met de dagelijkse ups
en downs van het leven te vertellen dat ze medicijnen moeten gebruiken
die ernstige bijwerkingen kunnen hebben, is uiteindelijk schadelijk
in plaats van nuttig. Onderzoek door de wereldgezondheidsorganisatie
en andere organisaties heeft aangetoond dat zelfs mensen met ernstige
aandoeningen – bijvoorbeeld schizofrenie – die niet met
zware psycho-farmacologische medicijnen zijn behandeld, een grote kans
hebben om binnen drie jaar een crisis geheel te boven te komen, terwijl
degenen die medicijnen zoals de neuroleptica werden voorgeschreven,
veel minder kans hebben om ooit weer normaal te functioneren.
Veel belangrijke problemen bij het behandelen met medicijnen kunnen
worden teruggevoerd op de farmaceutische industrie zelf. Door haar grote
financiële invloed in medische en academische kringen wordt het
voor hen moeilijk om deze producten objectief te bestuderen of ongunstige
bevindingen te publiceren. Omdat fabrikanten van geneesmiddelen vaak
bepalen hoe hun producten worden getest en welke informatie artsen en
het publiek krijgen, is objectieve wetenschappelijke informatie vaak
moeilijk te vinden. Volgens actueel neurofysiologisch onderzoek is er
onvoldoende bewijs om de theorie te staven dat het ontbreken van of
een teveel aan een bepaalde neurochemische stof een bepaalde aandoening
veroorzaakt: kennis over de werking van deze onlangs ontdekte
biochemische stoffen in de hersenen en in het hele lichaam verkeert
nog in een beginstadium. Er is even weinig bewijs dat verschillende
geneesmiddelen geestelijke ‘afwijkingen’ genezen, of dat
patiënten waarvan is vastgesteld dat ze een ernstige psychische
aandoening hebben voor de rest van hun leven psychofarmacologische geneesmiddelen
moeten innemen – zoals diabetici die insuline nodig hebben –
zoals zulke patiënten vaak te horen krijgen. In feite groeit het
bewijs voor het tegendeel.3
De geschiedenis van psychiatrische behandelingen in de twintigste eeuw
is grillig en soms schokkend. Ongetwijfeld werken verschillende behandelingen
voor sommige mensen wel goed, maar de meeste psychotherapeutische methoden,
waaronder biopsychologie, hebben geen goede wetenschappelijke onderbouwing,
hoewel ze vaak als zodanig worden gepresenteerd. In het algemeen zijn
psychologie en psychiatrie bekritiseerd omdat er te weinig wetenschappelijk
onderzoek is gedaan om de doelmatigheid van hun methoden vast te stellen
en omdat ze onderzoeksresultaten hebben genegeerd. Zoals Rom Harre het
uitdrukt:
Het is een opmerkelijk kenmerk van de heersende academische
psychologie dat ze, als enige onder de wetenschappen, bijna geheel
immuun is voor een kritische beoordeling van zichzelf. Methoden waarvan
al lang is bewezen dat ze ineffectief zijn, of erger, worden nog steeds
routinematig gebruikt door honderden, misschien wel duizenden mensen.
Bijna elk nummer van de standaardpsychologiebladen getuigt van een
conceptuele warboel die reeds lang aan het licht is gekomen.
– ‘Acts of Living’,
Science, 289 (25) Augustus 2000, blz. 1303
Zij die psychische hulp voor zichzelf of anderen zoeken doen er goed
aan voorzichtig te werk te gaan en zich terughoudend op te stellen.
Hoewel een groot aantal mensen door verschillende behandelingen zijn
geholpen, waaronder die met geneesmiddelen, hebben anderen zeer negatieve
ervaringen gehad. Een toenemend aantal blijkt niet genezen maar afhankelijk
van medicijnen of heeft last van bijwerkingen van geneesmiddelen die
hun levensproblemen vergroten. Net als in andere gevallen waar het een
zaak van de koper is om op zijn hoede te zijn, wordt de tijd die wordt
besteed aan iemands eigen onafhankelijke onderzoek naar de voor- en
nadelen van verschillende vormen van therapie vele malen beloond.
Noten
- In de meeste staten kunnen psychologen geen geneesmiddelen
voorschrijven, hoewel er een campagne gaande is die ernaar streeft
om deze wet in de hele Verenigde Staten te veranderen.
- Voor een bespreking van drie van de vele moderne benaderingen
waarbij wordt uitgegaan van de gehele mens, zie ‘Hoe
we onszelf kunnen helpen’ door Jean B. Crabbendam, Sunrise,
sept/okt 2002.
- Mad in America: Bad Science, Bad Medicine, and
the Enduring Mistreatment of the Mentally Ill [Krankzinnig in
Amerika: slechte wetenschap, slechte geneeskunde en de voortdurende
mishandeling van geesteszieken] door Robert Whitaker (2001) bevat
een ontnuchterend historisch overzicht van de behandeling van schizofrenie
in de VS sinds het koloniale tijdperk en de ontwikkeling van neuroleptica;
terwijl ook het Anti-Depressant Fact Book [Het boek met feiten
over kalmeringsmiddelen] door dr. Peter R. Breggin (2001) de eigenschappen
en gevaren van kalmeringsmiddelen, zoals librium, valium, zoloft,
paxil, celexa en luvox, bespreekt. Dr. Breggin is ook de auteur van
Talking Back to Prozac [Een weerwoord voor prozak] (1994),
Talking Back to Ritalin [Een weerwoord voor ritalin] (1998)
en Your Drug May Be Your Problem [Uw medicijn is misschien
wel uw probleem] (1999). Sydney Walker III geeft een kritische beoordeling
van hyperactiviteit als ‘ziekte’ in The Hyperactivity
Hoax [De misleiding rond hyperactiviteit] (1998).