1421: Het jaar waarin China de Nieuwe Wereld ontdekte
door Gavin Menzies, Ambo/Anthos uitgevers, Amsterdam, 2e druk, 2003;
416 blz., isbn 9026317743, paperback.
Oude zee- en landkaarten, verslagen uit de eerste hand over ontdekkingsreizen,
gezonken schepen, inschriften op gedenkplaten en relikwieën –
deze behoren allemaal tot de gegevens die worden gebruikt om aan te
tonen dat de Chinezen het grootste deel van de wereld verkenden en in
kaart brachten vóór de Europeanen de zeilen hesen. Menzies,
een gepensioneerd kapitein-luitenant-ter-zee van de Royal Navy, heeft
een passie voor oude land- en zeekaarten, en de tegenstrijdigheden die
hij vond op Europese kaarten van vóór Columbus spoorden
hem aan tot zijn onderzoek. Het boek is geschreven als een detectiveverhaal
en probeert de reis te reconstrueren die tussen 1421 en 1423 werd ondernomen
door een reusachtige Chinese vloot onder admiraal Zheng He, met enorme
schepen van 144 meter lang en 54 meter breed om schatten te vergaren.
Onderdeel van zijn opdracht was om ‘naar het einde van de aarde
zeilen en schatting innen bij de barbaren aan de overzijde van de oceanen’
(blz. 73) en ze onder het Chinese belastingstelsel te laten vallen,
en om bodemschatten op te sporen, nuttige planten te zoeken, astronomische
waarnemingen te doen, nauwkeurige kaarten samen te stellen, en een manier
te vinden om het zuidelijk halfrond te bevaren. In 1421 geeft
de schrijver het bewijsmateriaal voor de reconstructie van het verloop
van deze zesde en laatste grote reis.
Hoe kon het gebeuren dat zo’n gedenkwaardige gebeurtenis is vergeten?
In de loop van een aantal eeuwen hadden de Chinezen een grote militaire
en handelsvloot opgebouwd, en waren omstreeks 1400 de dominerende economische,
politieke, wetenschappelijke en maritieme macht in de landen rond de
Indische Oceaan. Toen keizer Zhu Di in 1402 aan de macht kwam, begon
hij een reeks ontzagwekkende projecten. Hij verplaatste de hoofdstad
van Nanjing naar Beijing, verlengde het Grote Kanaal tot de nieuwe hoofdstad,
bouwde de Verboden Stad, herstelde de Grote Muur, stichtte een academie
voor vreemde talen, riep 2180 geleerden bijeen om een encyclopedie van
4000 banden samen te stellen om alle bekende literatuur en kennis vast
te leggen, en gaf de aanzet voor een enorme toename van de scheepsbouw
met het doel opnieuw een handelsimperium te scheppen dat zich kon meten
met dat van de Tang dynastie 500 jaar daarvóór. Op de
Chinese Nieuwjaarsdag van 1421 werd zijn nieuwe hoofdstad met internationaal
vertoon ingewijd waarbij afgevaardigden uit 28 landen en de zoon en
kleinzoon van Tamerlane aanwezig waren. Maar binnen twee jaar stierf
Zhu Di als een gebroken man en liet een land achter dat gebukt ging
onder de economische en sociale lasten van zijn ambitieuze projecten.
Geleid door de mandarijnen verwierpen zijn zoon en kleinzoon zijn beleid
en veranderden radicaal van politiek. Zo ging China een periode in van
isolationisme en vreemdelingenhaat die eeuwen duurde. Zeehandel en reizen
overzee werden verboden, en op een bepaald moment was het verboden om
een vreemde taal te leren of vreemdelingen Chinees te leren. In 1644
werden alle verslagen van de reizen van Zheng He verbrand door de minister
van oorlog als ‘leugenachtige, overdreven beweringen over bizarre
zaken, die zich onttrekken aan de getuigenis van mensenogen en -oren’.
Zoals Menzies zegt, werd de herinnering eraan ‘in de daaropvolgende
decennia zo grondig geëlimineerd dat het leek alsof ze nooit hadden
plaatsgevonden’ (blz. 56, 57). Het enige overgebleven monument
van Zheng He, een gegraveerde steen die uitziet over de Yangtze, vertelt:
De keizer . . . heeft ons [Zheng He] en anderen [Zhou
Man, Hong Bao, Zhou Wen en Yang Qing] bevolen om aan het hoofd van
verscheidene tienduizenden officieren en keizerlijke manschappen uit
te varen in meer dan honderd schepen . . . om ver weg levende volkeren
vriendelijk te behandelen . . . Wij zijn naar westelijke streken gegaan
. . . samen meer dan drieduizend landen, grote en kleine. We hebben
meer dan honderdduizend li [veertigduizend zeemijlen] afgelegd over
enorme watervlakten. – blz. 323
Het grootste deel van het boek geeft bewijzen en argumenten voor een
Chinese verkenning, nog vóór Columbus, van Noord- en Zuid-Amerika,
Australië, de Stille Oceaan, West-Afrika en de streek rond Groenland,
IJsland, Noord-Siberië, waarbij de auteur zich vooral richt op
de reizen van 1421. Verscheidene Europese kaarten uit de 15de en 16de
eeuw, weergegeven in prachtige kleurreproducties, laten landen zien
die nog niet door Europeanen waren ‘ontdekt’. De wereldkaart
van 1428 en ook de daaropvolgende kaarten die in de eerste plaats door
de Portugezen werden gebruikt, lieten ook de belangrijkste rivieren
van de wereld zien lang voordat de Europeanen de zeilen hesen. Bijzonder
interessant zijn de verslagen van Europese ontdekkingsreizigers die
vermelden deze kaarten te hebben gebruikt. De kroniekschrijver uit 1482
van de eerste Europese reizen om Afrika heen vermeldt: ‘Dit is
de kaap zoals die is getekend op de planisfeer van Fra Mauro uit 1459’
(blz. 335). Toen de manschappen van Magellan bij het binnengaan van
de zee-engte die nu zijn naam draagt, dreigden met muiterij, vermeldde
zijn kroniekschrijver dat ‘De kapitein-generaal zei dat er een
andere Straat was die hieruit leidde [naar de Stille Oceaan] en zei
dat hij die goed kende en had gezien op een zeekaart van de koning van
Portugal’. En verder zei hij dat hij naderhand deze kaart had
laten zien aan een vorst in de Stille Oceaan (blz. 335). Ook James Cook
had tussen 1770 en 1780 toegang tot enkele van deze kaarten, waaronder
één van de Admiraliteit. Nadat zijn schip op een rif voor
de kust van Australië werd beschadigd, zeilde hij als eerste Europeaan
in die wateren rechtstreeks naar de enige haven in een kustlijn van
1000 mijl, en schreef: ‘Deze baai zal uitstekend dienst kunnen
doen als haven voor al onze doeleinden, al is hij niet zo groot als
mij was verteld’ (blz. 336). Toen hij bij zijn terugkeer beweerde
‘dat hij Australië had ontdekt, schreef kapitein Dalrymple,
het hoofd van de kaartenafdeling van de Britse admiraliteit, een verontwaardigde
protestbrief’ (blz. 388). De eerste Europeanen wisten dus niet
alleen dat ze geen ‘nieuwe’ landen ontdekten, maar ze waren
juist daarheen gezeild omdat de routes en de bestemmingen stonden aangegeven
op de nauwkeurige kaarten die ze hadden.

Menzies komt met bewijzen voor een allang bestaand contact tussen verschillende
continenten, waarbij hij zich concentreert op de rol die China daarin
speelt. Amerikaanse kalkoenen waren vóór 1492 via de Zijderoute
tot in Turkije gekomen, de kippen die in Midden- en Zuid-Amerika werden
aangetroffen zijn afkomstig uit Azië, de eerste Europeanen die
in Peru aankwamen troffen daar paarden aan, en er zijn minstens veertig
tekeningen van paarden gevonden in het midden van Noord-Amerika uit
de tijd van vóór Columbus. De eerste Europeanen vonden
ook:
rijstvelden – een niet inheems gewas in de
Amerika’s – in Mexico en Brazilië; katoen met chromosomen
die veel voorkomen in West Afrika op de Revillegado Eilanden; en kokosnoten
uit de zuidelijke Stille Oceaan in Puerto Rico en over de Landengte
van Darien tot aan de kust van de Stille Oceaan, suikerriet in plantages
langs de Amazone en de Orinoco, en bananen langs de zijrivieren van
de Amazone, waar ook Chinese wortelen werden geoogst. Tabak, zoete
aardappelen en maïs uit dezelfde streek werden geëxporteerd
naar zuidoost Azië en de Stille Oceaan. Al deze dieren en planten
bevestigen dat er vóór de tijd van Columbus zeereizen
naar en van Noord- en Zuid-Amerika werden gemaakt. –
blz. 412-13 (Engelstalige editie)
De Chinese aanwezigheid in de Amerika’s is voor veel geleerden
oud nieuws, want er zijn ‘meer dan duizend boeken met overweldigend
bewijsmateriaal van Chinese reizen vóór Columbus naar
de Amerika’s. Maar zoals de kenner George F. Carter opmerkte:
‘Sinologen en specialisten in Aziatische kunst zijn gewoonlijk
verbaasd over de overweldigende hoeveelheid overal aanwezige sporen
Chinese beïnvloeding van de indiaanse culturen. Amerikanisten zijn
blijkbaar onbekend met de Chinese literatuur waarin niet alleen op de
ontdekking, maar ook op de kolonisatie van Amerika wordt ingegaan’
(blz. 198). Zoals Menzies vaststelt: ‘Al deze onderzoeksresultaten
– scheepswrakken, bloedgroepen, architectuur, schilderingen, folkloristische
gebruiken, taalkunde, kleding, technologie, artefacten, verfstoffen,
planten en dieren die tussen China en Zuid-Amerika zijn uitgewisseld
– leveren samen een zeker bewijs voor belangrijke Chinese invloeden
langs de gehele kust van de Stille Oceaan van Midden- tot Zuid-Amerika,
en landinwaarts’ (blz. 193).
1421 brengt op een aantrekkelijke en boeiende wijze feiten
en anomalieën onder de aandacht van een breed publiek. Het versterkt
het bewijs van onderzoekers zoals Thor Hyerdahl, Barry Fell (die in
America B.C. en in later onderzoek bewijsmateriaal verschafte van Keltische,
Fenicische en oud Egyptische aanwezigheid in Noord-Amerika), en van
hen die bewijzen aanvoeren voor een vroeg Afrikaanse aanwezigheid in
het Caraïbische gebied. Jammer genoeg houdt de heersende opvatting
van Amerikaanse en Europese wetenschappers nog steeds hardnekkig vast
aan etnocentrische ideeën – bijvoorbeeld, dat geen enkele
cultuur de oceanen kon oversteken om te koloniseren en handel te drijven,
als de Europeanen dat niet konden – en aan theorieën die
lang voordat het nu beschikbare bewijsmateriaal er was, werden ontwikkeld.
Maar op dit onderzoeksterrein blijft het bewijsmateriaal zich snel opstapelen
en we kunnen uitzien naar spannende en mogelijk onverwachte ontwikkelingen.