Wat is de wil en wie of wat gebruikt de wil? Volgens het woordenboek
is de wil een mentaal vermogen dat bewust wordt gebruikt om te besluiten
op welke manier men zal handelen. In de filosofie wordt de wil beschreven
als een vermogen om te kiezen waarbij de mens, gebruikmakend van zijn
vrijheid van handelen, de mogelijkheid heeft om beslissingen te nemen.
In de theosofie wordt de wil omschreven als een neutrale kracht die
door het denkvermogen kan worden gebruikt voor goede of slechte doeleinden.
Hij behoort tot het gebied van bewustzijn en intelligentie waar we kwaliteiten
zoals altruïsme, mededogen, liefde en vergevensgezindheid aantreffen.
In theosofische literatuur wordt de wil niet beperkt tot alleen de mens,
maar bevindt deze zich overal in het heelal. De wil is een kracht van
de hogere geestelijke vermogens, en om er een beter begrip van te krijgen,
moeten we andere vermogens zoals intelligentie, verlangen, verbeeldingskracht
en discipline onderzoeken.
Wij, en alles om ons heen, hebben een goddelijk erfgoed. De oude wijsheid
vertelt ons dat het absolute zich periodiek differentieert en dat het
gedifferentieerde periodiek in zichzelf terugtrekt. Het maakt daarvoor
gebruik van de goddelijke wil. Alles in de kosmos beschikt in potentie
over de vermogens van het absolute, maar op verschillende niveaus. Vrije
wil bestaat voor elke monade in het oneindige, hoe groot of klein deze
ook is. Een monade is een bewustzijnscentrum, een onsterfelijke emanatie
vanuit het hart van het heelal. Volgens deze zienswijze is het heelal
bezield bewustzijn, en is bewustzijn alomtegenwoordig.
Als we kijken naar het kleinste levende organisme staan we verbaasd
over het levensraadsel. Zelfs een microscopisch kleine hoeveelheid protoplasma
vertoont groei, voortplanting, beweging, en kan zich voeden. Daarmee
vergeleken is de mens een complex wezen, en de enige manier om het levensraadsel
op te lossen is door onszelf te onderzoeken en te aanschouwen hoe ver
de wil in ons bewustzijn doordringt en hoe hij zich aan onze innerlijke
zintuigen kenbaar maakt. Wanneer we onszelf onderzoeken, ontdekken we
dat we niet slechts wezens van vlees en bloed zijn, maar ook een ‘samenstelling
van begeerten, hartstochten, belangen, stemmingen, meningen, vooroordelen,
beoordelingen van anderen, voorkeuren en aversies . . .’ Deze
samengestelde bundel van kwaliteiten hoort bij het vergankelijke zelf.
Maar als we onszelf verder onderzoeken, ontdekken we een onsterfelijk
zelf in ons dat ‘zuiver is, zonder hartstocht, en alles rechtvaardig
overweegt, voor wie er geen . . . heden is met zijn waanvoorstellingen,
onjuistheden en halve waarheden; dat niets persoonlijks kent in de zin
van zich tegenover het geheel van verbonden persoonlijkheden te stellen;
dat de waarheid in één oogopslag ziet, in plaats van ernaar
te streven haar door middel van logica te bereiken . . .’1
Het vergankelijke en het onsterfelijke bewustzijn van de mens hebben
beide een vrije wil, want eigenlijk zijn ze geen twee verschillende
entiteiten maar één monade. We kunnen de vrije wil zien
als de hoeveelheid geestelijke kracht en verstandelijk begrip die de
evoluerende monade zich door innerlijke groei heeft eigen gemaakt. Deze
hoeveelheid kan worden vergroot, en de monade kan haar toekomst veranderen
door ervoor te kiezen haar toekomstige gedrag aan te passen.
Het oude Hermetische gezegde: ‘Achter de wil staat de begeerte’,
duidt erop dat de wil een kracht is die door begeerte in beweging wordt
gezet. Begeerte staat centraal in de constitutie van de mens, en afhankelijk
van de hoeveelheid geestelijke ontwikkeling die de monade heeft doorgemaakt,
kan de begeerte opstijgen naar het geestelijke of afdalen naar het dierlijke.
Bijvoorbeeld: begeerte is in dieren een instinctieve kracht omdat ze
nog niet voldoende zelfbewustzijn hebben ontwikkeld, terwijl ze in de
mens een intuïtieve of verstandelijke kracht kan zijn. De meeste
mensen schijnen te leven in en naar hun begeerten, en verwarren die
vaak met de wil. Begeerte verandert voortdurend en is onstabiel, terwijl
de wil constant en stabiel is, een spirituele kracht in ons wezen. In
ons dagelijks leven hebben we vaak niet genoeg wilskracht om een week
lang één pad te volgen, laat staan een jaar. Onze wil
slaapt en ons denkvermogen is zwak door gebrek aan training. We steunen
gewoonlijk te veel op hulp van buitenaf met als gevolg dat ons innerlijke
zelf of onze geest geen kans krijgt om tevoorschijn te komen en zich
te verheffen. Om in het leven succes te boeken zou het verstandig zijn
onderscheid te maken tussen begeerte en wil, en om de wil de leiding
over onze inspanningen te geven.
Zowel wil als begeerte zijn creatieve krachten; ze vormen ons en onze
omgeving. We vormen ons overeenkomstig het beeld van onze begeerten,
maar door onze wil te gebruiken zouden we ons kunnen vormen naar het
beeld van het goddelijke. We hebben een tweevoudige plicht: ten eerste
om onze wil te wekken en sterker te maken door hem te temmen en te gebruiken
en hem de absolute leiding in het lichaam te geven; en ten tweede om
onze begeerte te zuiveren. Om dit te bereiken hebben we twee werktuigen
nodig: kennis en de wil. Kennis geeft ons een basis voor groei en het
bereiken van wijsheid; en als de wil onzelfzuchtig wordt gebruikt, stimuleert
hij geestelijke groei.
De kloof tussen mensen en goden bestaat uit het verschil in ontwikkeling
van het bewustzijn. Kunnen wij de goden navolgen? Ja, want Jezus, Boeddha,
Pythagoras, Apollonius van Tyana en anderen hebben daarmee een begin
gemaakt. Wat houdt ons tegen om aan hen gelijk te worden? Boeddhisten
zeggen dat onwetendheid de wortel van alle kwaad is, terwijl theosofen
zelfzucht als bron daarvan aanwijzen. Om de goden na te volgen moeten
we zowel de wereld als onszelf leren begrijpen zoals ze zijn en moeten
we leren onszelf te vergeten, te leven voor anderen, en onze wil in
te zetten voor het verbeteren van het welzijn van de mensheid. Onzelfzuchtigheid
zou met onderscheidingsvermogen en een gevoel voor rechtvaardigheid
moeten worden beoefend. Een zware taak, zal men zeggen, die in één
leven nauwelijks haalbaar lijkt, maar de moeilijkheid ervan zou geen
excuus moeten zijn om niet te proberen het pad van juiste gedachten,
juiste gevoelens en juiste handelingen te volgen. Op deze manier zullen
we na verloop van tijd meer kennis verwerven over wat we zijn, over
ons bewustzijn en onze toekomst.
Naast de wil en begeerte beschikken we over andere belangrijke vermogens
zoals verbeeldingskracht en discipline. De verbeelding is een vermogen
dat, wanneer het door de wil wordt gebruikt, creatieve krachten opwekt
en wat door deze wordt voortgebracht. Pythagoras noemde de verbeeldingskracht
de herinnering van onze vroegere levens. Ze kan worden gebruikt voor
het vergeestelijken, maar ook voor het verstoffelijken, van beelden
die in het denkvermogen zijn gevormd, om de gevolgen teweeg te brengen
die we verlangen, goede of slechte. Ze kan ons overheersen en ons binden
aan de illusies die we hebben gecreëerd, of als we dit vermogen
gericht gebruiken en weerstand kunnen bieden aan haar fantastische ingevingen,
een krachtig instrument worden om ons leven en onze bestemming vorm
te geven.
Ik denk dat tweederde van onze kwalen en angsten voortkomen uit onze
verbeelding. We hebben een goddelijk erfgoed en kunnen het goddelijke
dat in ons is naar buiten brengen door altruïstisch te leven. Zoals
G. de Purucker zei, ‘Liefde is het cement van het heelal; ze houdt
alle dingen op hun plaats en onder haar eeuwige hoede; haar werkelijke
aard is hemelse vrede, haar kenmerk is kosmische harmonie die alle dingen
doordringt, die grenzeloos, onvergankelijk, oneindig, eeuwig is. Ze
is overal en is het hart van het hart van al wat is.’ (Levensvragen,
blz. 111). De droom van broederlijke liefde is niet nieuw; door de eeuwen
heen hebben mensen geprobeerd om deze tot stand te brengen. Jezus en
Boeddha hebben het geprobeerd, tegenwoordig proberen mensen het, en
ik ben ervan overtuigd dat er broederschap onder de mensen zal komen,
want ‘Waar een wil is, is een weg.’ Zoals Teilhard de Chardin
opmerkte: ‘Op een dag, wanneer we de ether, de wind, de getijden
en de zwaartekracht hebben bedwongen, zullen we . . . de energieën
van liefde gaan aanwenden. Dan zal op die dag voor de tweede keer in
de geschiedenis van de wereld de mens het vuur hebben ontdekt.’
Discipline is een woord dat we associëren met training in zelfbeheersing
en is iets dat we zien als een beperking van onze vrijheid; maar zoals
Swami Ranganathananda opmerkte, ‘De slaaf stoort zich aan discipline,
de vrije mens verwelkomt echter elke gelegenheid tot zelfdiscipline.
. . . [Ze] is de weg om wilskracht te krijgen, ruimdenkende sympathie,
een edel karakter en daardoor in alle opzichten een sociale en geestelijke
doelmatigheid’ (The Message of the Upanishads, blz. 202).
Discipline bevrijdt ons uit de slavernij van onze begeerten, en is essentieel
voor menselijke groei:
Waak over je gedachten
straks worden ze je woorden
waak over je woorden
straks worden ze je daden
waak over je daden
straks worden ze je gewoonten
waak over je gewoonten
straks worden ze je karakter
waak over je karakter,
straks wordt het je bestemming.
De wil is werkelijk overal en door iedereen te gebruiken, en we moeten
leren er verstandig mee om te gaan en onze begeerten te beheersen. Wie
is eigenlijk verantwoordelijk voor hoe we leven en wie we zijn? Niemand
anders dan wijzelf.
Er wordt overal van ons verlangd dat we een verheven ethiek volgen,
omdat dit echte goedheid in de wereld zal brengen en de goddelijke eigenschappen
van de mens zal stimuleren en ontwikkelen. Preken zijn goed voor het
uur of half uur dat men zit te luisteren, maar in de leringen van de
Ouden – het leiden van een zuiver leven en het ontwikkelen van
de wilskracht – ligt de sleutel tot het absolute. Toen ik ruim
25 jaar geleden in Nederland kwam wonen, kreeg ik een verjaarskaart
met de woorden, ‘Het belangrijkste in het leven is niet waar we
ons bevinden, maar in welke richting we gaan.’ De wil heeft veel
te maken met de richting die we in ons leven opgaan. We hebben een vrije
wil en moeten waken over onze begeerten door onze verbeeldingskracht
te gebruiken voor altruïsme en broederlijke liefde, want de verbeeldingskracht
en de wil kunnen samen voor iedereen een betere toekomst scheppen.
Noot:
- C.C. Massey, ‘True And False Personality’
(De echte en onechte persoonlijkheid), The Theosophist 1:6,
blz. 140.