Op een oud stuk Chinees porselein staat dit eenvoudige inschrift:
‘De bloem gaat open, en zie! een nieuw jaar.’ Wanneer Thoreau
in een van zijn dagboeken zijn gedachten hierover laat gaan, schrijft
hij: ‘Hoe vaak zijn er bloemen opengegaan en is er een nieuw jaar
begonnen . . . Hoe oud is de lente, een verschijnsel dat toch zo nieuw
is!’ Ja, hoe oud? Jaar na jaar zien we uit naar haar komst, want
de kracht ervan wordt diepgevoeld. Al sinds lang vervlogen eeuwen wordt
dit jaargetijde als heilig beschouwd, want de overgang van duisternis
en kou naar het opkomende getij van licht en warmte en vreugde brengt
iets tot geboorte in de mens, een geestelijke vernieuwing.
Als we over de ouderdom van onze aarde nadenken en vooral over die
van de beschavingen die verder teruggaan dan we met het verstand kunnen
bevatten, hoe ontelbaar veel lentes zijn er dan niet verschenen sinds
de planeet haar jaarlijkse rondgang om de zon maakt. Is het niet verbazingwekkend
dat dit jaargetijde altijd dezelfde frisheid, dezelfde ongereptheid
met zich meebrengt? Wat zou dit vibrerende leven anders kunnen zijn
dan de goddelijke kracht die alle dingen bezielt, de soevereiniteit
van de geest, zonder welke er in het geheel geen leven zou zijn? Dit
goddelijke aspect schikt alles tot een harmonieus geheel en geeft aan
elk gebeuren en iedere entiteit een gelijkwaardige plaats in de kosmos.
‘De bloem gaat open, en zie! een nieuw jaar.’ – geeft
dit niet in enkele woorden een beeld van de lente? Het is zo vertrouwd,
zo’n gewone gebeurtenis, en toch is de invloed ervan kosmisch.
De bloem is de bekroning van de groei van de plant, maar kunnen we zeggen
dat al deze weelderige schoonheid slechts is geschapen om het leven
door te geven in het zaad? We hoeven er alleen maar aan te denken hoe
noodzakelijk bloemen zijn voor ons welzijn, niet alleen in praktische
zin, maar ook om onze ziel te verheffen en te voeden. Is er een overtuigender
bewijs van het goddelijke dan deze dappere boodschappers uit die schitterende
gebieden van de natuur, meesterwerken van kleur, vorm, geur en precisie;
hun basispatroon is eenvoudig, maar ze zijn oneindig gevarieerd. Alleen
al over het wonder van de bloemen kunnen we ons blijven verbazen. Tennyson
dacht dat als hij zou kunnen begrijpen wat een bloem is ‘als geheel,
met wortel en al’, hij zou weten wat God en de mens is.
Achter de uiterlijke pracht van het voorjaar en de ontroering van de
wedergeboorte van het leven ligt de gedachte dat er achter de schermen
intelligente krachten werken die de oorzaak ervan zijn dat de seizoenen
elk op zijn beurt feilloos en consequent uitdrukking geven aan hun essentiële
natuur. Elke tijd van het jaar heeft zijn schoonheid, zijn mysterie.
Niet alleen hebben de jaargetijden hun tegenhanger in de levenscyclus
van de mens en in de kringloop van elke dag, maar de krachten die ze
openbaren maken deel uit van ons eigen innerlijke bestaan. Jeugd en
adolescentie horen bij de lente; volwassenheid bij de overvloed van
de zomer; de milde wijsheid van de latere jaren bij de rijpheid en volle
ontwikkeling van de herfst die, naarmate de cyclus vordert, leidt tot
het zich terugtrekken van het bewustzijn, wat vergelijkbaar is met de
manier waarop de bomen hun sappen terugtrekken in de winter. De manier
waarop de dag zich ontvouwt laat een nauw verband zien tussen de dageraad
en de lente, het middaguur en de zomer, de schemering en de herfst,
de nacht en de winter. Heel suggestief is vooral het verband tussen
dageraad en lente, want de geboorte van elke dag brengt nieuwe kansen
om opnieuw te beginnen. Het is een uiterst mystieke en vredige tijd,
waarin het licht van de vroege ochtend de duisternis verdrijft.
Tussen de mens en de natuur bestaat een eeuwige band. Door zorgvuldig
waar te nemen leren we dat we oneindige nog niet verkende gebieden van
geestelijke wonderen in ons hebben. Een onbeschrijflijke grootsheid
is daar – in ons is de dageraad en de schemering, de kracht van
de lente, de majesteit van zonnen. Naargelang we ons openstellen voor
hogere invloeden, ontsluiten we die diepere gebieden in ons, want de
levengevende kracht van het goddelijke is altijd aanwezig, de belofte
van de lente leeft eeuwig in het hart van de mens. Elk leven is als
het opengaan van een bloem.