De integratie van wetenschap en religie
Nancy Coker

 

Boekbespreking: De integratie van wetenschap en religie, Ken Wilber, Servire Uitgevers, Utrecht, 1998; 332 blz., isbn 9063255608, paperback. Momenteel is dit boek uitverkocht. Wel verkrijgbaar in het Engels: The Marriage of Sense and Soul: Integrating Science and Religion, Ken Wilber, Random House, New York, 1998; 225 blz., isbn 0375500545, gebonden.


Als men tegenwoordig interviews met natuurkundigen en ruimtebiologen beluistert, denkt men misschien dat het wetenschappelijke perspectief overeenkomt met het geestelijke perspectief dat de tijdloze wijsheidstraditie bezielt. Jammer genoeg is dit niet het geval, want ondanks de bereidheid om te zoeken naar buitenaardse levensvormen of meerdimensionale supersnaren-theorieën, wordt volgens de heersende denkwijze in de wetenschap bewustzijn nog steeds gedefinieerd als een bijverschijnsel van de stof in plaats van iets dat primair, oorzakelijk, en verbindend is. Hoewel onderlinge verbanden in de ecologie door de wetenschappelijke gemeenschap worden begrepen en erkend, en enkele biologen onderzoek doen naar tekenen van intelligentie in ‘verstandeloze’ wezens, worden gedachten over een geest of godheid als de bron van bewustzijn gewoonlijk afgedaan als irrelevant of naïef. Volgens de traditionele wetenschap die men aantreft op de meeste onderzoekslaboratoria, scholen en universiteiten, wordt het ware beeld van de werkelijkheid alleen bepaald door data die zijn verkregen door zintuiglijke waarneming – ieder ander perspectief is zo gemarginaliseerd en geringgeschat dat deze materialistische benadering grotendeels onbetwist is – zelfs al vinden veel mensen, misschien wel een meerderheid, dat ze niet een goed beeld geeft van het geheel. In De integratie van wetenschap en religie, probeert Ken Wilber de visie van wetenschap en die van religie te integreren. We zijn zeer verheugd over dit project in deze tijd waarin informatie die is verkregen door zintuiglijke waarneming zo luid en overtuigend wordt verkondigd, dat het moeilijk is om een wetenschappelijk aanvaardbaar forum te vinden om zelfs maar te discussiëren over haar waarde, laat staan haar oppergezag in twijfel te trekken. Spirituele ervaringen worden afgedaan als anekdoten, niet verifieerbaar, en een spiritueel perspectief wordt onnodig geacht om het hoe en waarom van het leven te verklaren.

De Grote Keten van het Zijn
(Uit Didacus Valades,
Rhetorica Christiana)

    Dit is niet altijd zo geweest. Een paar eeuwen geleden leefden onze voorouders in een levend heelal met innerlijke verbanden, en de Grote Keten van het Zijn werd door het overgrote deel van de mensheid onderschreven. Arthur Lovejoy schreef aan het begin van de vorige eeuw dat de Grote Keten van het Zijn ‘waarschijnlijk het meest wijd verspreide denkbeeld was over het grote wereldplan, over het patroon dat aangeeft hoe het heelal is samengesteld’ (The Great Chain of Being, blz. vii). Hij vond dit idee terug bij Plato en Aristoteles en verklaarde dat

tijdens de Middeleeuwen en tot het eind van de achttiende eeuw, veel filosofen, de meeste wetenschappers, en de meeste ontwikkelde mensen, zonder meer de gedachte moesten onderschrijven dat het heelal een ‘Grote Keten van het Zijn’ is, samengesteld uit een enorm, of – volgens de strikte maar zelden streng toegepaste logica van het beginsel van de continuïteit – uit een oneindig aantal niveaus die in hiërarchische volgorde variëren van de meest armzalige vormen van bestaan, die niet-bestaan nauwelijks te boven gaan, via ‘elke denkbare’ graad omhoog tot aan het ens perfectissimum – of, in een wat meer orthodoxe versie, tot het hoogst mogelijke soort schepsel, dat in waardigheid oneindig ver van het Absolute Wezen afstaat – en elk van deze verschilt van het niveau dat onmiddellijk daarboven en onmiddellijk daarbeneden staat door de ‘kleinst mogelijke’ graad van verschil.     – Op.cit., blz. 59

Deze structuur, soms de Hermetische Keten genoemd, heeft men ook wel afgebeeld als een levensladder of -trap, en eveneens als een web dat elk punt van leven op elk gebied van zijn verbindt. Wilber verklaart verder: ‘Volgens deze nagenoeg universele visie is de realiteit een rijkgeschakeerd weefsel van elkaar doordringende bestaans- of bewustzijnsniveaus, van de stof naar het lichaam, en vandaar naar het denken, naar de ziel en naar de zuivere geest. Elk hoofdniveau ‘omgeeft’ of ‘vouwt’ zijn ondergeschikte dimensies ‘in’ – een reeks van ‘nesten’ van Zijn – zodat elk ding en iedere gebeurtenis in het universum met al het overige is verweven’ (blz. 21). Voor Wilber lijkt deze Grote Keten meer op een Groot Nest, een meer organische metafoor voor een in wezen natuurlijk en levend proces. Hij licht de hiërarchie op de volgende manier toe:

Elk hoofdniveau in dit Grote Nest bezit, hoewel het ondergeschikte niveaus omsluit, manifeste hoedanigheden die niet op de lagere niveaus te vinden zijn. Zo omsluit de structuur van het levende dierlijke lichaam niet alleen materie, maar bovendien eraan toegevoegde gewaarwordingen, gevoelens en emoties (die niet in mineralen te vinden zijn). En hoewel de structuur van het menselijk denken ook lichamelijke gevoelens insluit, biedt het ook plaats aan hogere kenvermogens als de rede en de logica, die niet in planten en andere dieren aanwezig zijn. Hoewel de ziel het denken insluit, omvat zij ook transcendente kenvermogens en affecten, zoals de archetypische illuminatie en het visioen die in de ratio schitteren door afwezigheid. Enzovoort.     – blz. 23-4

Met andere woorden, elk hoger (hoofd- of manifesterend) zijnsniveau beschikt over de essentiële kenmerken van de lagere (ondergeschikte of voorafgaande) niveaus maar ontvouwt of brengt elementen voort die op die niveaus niet aanwezig zijn. ‘Elk zijnsniveau sluit zijn ondergeschikte niveaus in en stijgt erbovenuit’ (blz. 24).

Deze visie dat elk niveau in toenemende mate complexer wordt wanneer het boven alle lagere gebieden uitstijgt en deze omvat, ligt aan de basis van de theosofische filosofie, die de samenstelling van entiteiten als multidimensionaal omschrijft, met oneindige schakeringen van verschillende graden: ‘Ieder mens is een samengestelde entiteit. Er is een god in hem, een geestelijk ego, een menselijk ego, een dierlijke natuur, en het fysieke lichaam dat zo goed mogelijk de bundel energieën tot uitdrukking brengt die door en vanuit het binnenste van het aurische ei stromen. Elk van deze elementen is zelf een lerende entiteit op haar weg omhoog. Het zelfbewustzijn, het gevoel van een ego is er; maar daarbovenuit gaat het gevoel van kosmische eenheid, dat de sfeer en het bewustzijn is van de innerlijke god, een hemelse boeddha.’1

Wat is er gebeurd met deze grootse visie van onderling verbonden en onderling afhankelijk leven? De westerse wetenschap, die de overheersing van de beperkte christelijke religieuze opvatting van zich probeerde af te schudden en daarbij het materialisme omhelsde, viel op het Grote Nest en verpletterde het. Maar toch, hoe is het mogelijk dat zo’n in de kern van gezond verstand blijk gevende visie als de Grote Keten zijn betekenis verloor? Eén van de moeilijkheden had volgens Wilber betrekking op hoe het kwam dat het idee van de Grote Keten verkeerd werd begrepen. De wereld van vóór de Verlichting zag alles als een uitdrukking van het Zijn, maar deze visie bracht kunst, moraal, ethiek, wetenschap, religie, en wereldlijke gebeurtenissen bijeen in een exclusieve en vaak beklemmende wereldbeschouwing. Galileo ‘kon tegen het eind van de Middeleeuwen niet onbekommerd zijn telescoop hanteren en verslag doen van zijn observaties, aangezien kunst, ethiek en wetenschap allemaal ondergeschikt waren aan de Kerk, waarbij de kerkelijke moraal dicteerde wat de wetenschap wel of niet mocht doen’ (blz. 29). Kunstenaars waren niet vrij om uiting te geven aan hun creativiteit, mensen waren niet vrij om tussen verschillende kerken te kiezen, en wetenschappers konden niet vrijelijk hun onderzoek uitvoeren; hun werkgebieden werden door de Kerk strikt in de gaten gehouden en stonden onder het toezicht van de staat, die met de Kerk samenwerkte.

Het moderne tijdperk bood de mogelijkheid om een onderscheid te maken tussen deze verschillende arena’s: iedereen kon naar elke kerk of tempel gaan, of door een telescoop kijken zonder van ketterij of verraad te worden beschuldigd. Mensen waren vrij om kunst los te zien van ethiek, wetenschap los van religie, en filosofie los van beide. De positieve kant van het moderne wetenschappelijke perspectief is de mogelijkheid die het biedt om onderscheid te maken tussen de verschillende schakels van de Keten van het Zijn (wat ertoe heeft bijgedragen dat een veel democratischer, minder exclusieve en beklemmende manier van leven werd ingeluid), maar de negatieve kant is, dat het alleen de onderste schakel die door de zintuigen kunnen worden waargenomen en geverifieerd tot werkelijkheid heeft uitgeroepen. Over het instorten van het perspectief van de Grote Keten rond het eind van de 18de eeuw merkt Huston Smith op: ‘Waarom stortte de hiërarchische zienswijze toen in? Omdat ze de menselijke geschiedenis tot die tijd had onderdrukt, en omdat ze de hoofdtraditie van de mensheid vormde en bijna een volledige eenstemmigheid van de mens kon worden genoemd, moet de kracht die haar onderuithaalde heel sterk zijn geweest, en de moderne wetenschap is daarvoor de aangewezen kandidaat. . . . De moderne wetenschap heeft maar één ontologisch niveau nodig . . . [en] betwist daarom de opvatting dat er andere gebieden bestaan’ (Forgotten Truth: The Primordial Tradition, blz. 5-6).

De moderne wetenschap verwierp niet zozeer de geest, maar ze had geen innerlijke of metafysische gebieden nodig om haar werk te doen. Door alle subjectieve innerlijke processen als onbelangrijk af te doen was ‘de Geest gewoon een van de talloze slachtoffers’ (Wilber, blz. 219). Toen doorbraken in de techniek het hart en het denken van onderzoekers veroverden, leek de opvatting van een levend en onderling verbonden heelal niet langer relevant te zijn of, erger nog, bijgelovig. Neem de bekende uitspraak van de bioloog Richard Dawkins, ‘Geloof is de grote uitvlucht, het grote excuus om de noodzaak om te denken en bewijsmateriaal te evalueren te omzeilen. Geloof is ergens van overtuigd zijn ondanks het gebrek aan bewijs, of misschien zelfs daarom.’

‘Zo kwam het’, concludeert Wilber, ‘dat het moderne Westen de eerste grote beschaving in de geschiedenis van de menselijke soort werd die het Grote Nest van Zijn elk substantieel werkelijkheidsgehalte ontzegde’ (blz. 31). Die ontkenning veroorzaakte een grote en snelle verschuiving van onze opvatting over wat ‘werkelijk’ is, maar bij de mens verdween het universele en historische begrip van het Nest niet stilletjes of ongemerkt. Er zijn herhaaldelijk pogingen geweest om in de moderne wereld de geest opnieuw te introduceren. Wilber bespreekt de pogingen van de Romantiek, het Idealisme, en sommige scholen van het Postmodernisme om de wereld opnieuw voor te stellen met geest als haar kern. Geen van deze heeft geleid tot een nieuwe of andere ‘Verlichting’, en als inleiding voor suggesties die de huidige reductionistische wetenschappelijke zienswijze zouden kunnen veranderen, verklaart de auteur de gebreken en de zichzelf vaak tegensprekende zwakke punten die inherent zijn aan elke filosofie: en het belangrijkste punt is dat geen van deze perspectieven de empirische wetenschap ooit op haar eigen terrein heeft uitgedaagd. Om dit te doen, moet men de huidige wetenschappelijke methodologie begrijpen en deze dan gebruiken om het bestaan van geestelijke gebieden vast te stellen, of wat Wilber graag de waardesferen noemt – die verticale dimensies van diepte die ons leven waardevol maken.

De wetenschap, redeneert Wilber, denkt dat ze vrij is van waardeoordelen: ‘Ze vertelt ons wat is, in plaats van wat zou moeten zijn’, en beschrijft de wereld feitelijk zonder te interpreteren – daarvoor gebruiken we de waardesferen van filosofie, kunst, religie en ethiek. De wetenschap verricht haar wonderen ‘omdat zij gebruikmaakt van een gedegen methode voor het blootleggen van de waarheid. Een methode die experimenteel en empirisch is en stoelt op concrete bewijzen’ (blz. 9), en dit is het recept dat Wilber aan deze tijd voorlegt om werkelijke spirituele waarheden te onderzoeken en te bevestigen. De huidige wetenschap beweert misschien dat ze slechts objectieve data gebruikt, maar hij toont overtuigend aan dat ze bij het interpreteren van de data voortdurend afhankelijk is van verstandelijke processen en van de onbewezen vooronderstelling van het materialisme. Het is zowel naïef als verkeerd om aan te nemen dat de wetenschap slechts verslag uitbrengt van wat al in de materiële wereld bestaat, omdat ‘De wetenschap de empirisch waarneembare wereld benadert met een immens conceptueel apparaat dat van alles en nog wat omvat, van de absolute differentiaalrekening tot alle mogelijke intersubjectieve linguïstische symbolen. Dat zijn vrijwel allemaal volstrekt niet-empirische structuren die uitsluitend in de innerlijke ruimten worden gevonden’ (blz. 226). De wetenschap erkent dus de waarde van enkele innerlijke processen – maar alleen van die processen die haar eigen vooroordelen ondersteunen. Daarom moet ze om haar empirisme waar te maken ook de mogelijkheid erkennen dat er andere innerlijke toestanden zijn dan diegene waarvan ze gebruikmaakt, toestanden die empirisch (hoewel niet noodzakelijk fysiek) kunnen worden onderzocht en die door speciaal getrainde onderzoekers kunnen worden geëvalueerd.

We vragen niet aan seismologen om beweringen van hartspecialisten te evalueren of aan insectenkenners om de juistheid van wiskundige stellingen te toetsen. Elk onderzoeksgebied vereist een eigen specialistische opleiding, voert zijn eigen experimenten uit, en genereert zijn eigen gegevens die vervolgens door zijn eigen specialisten worden geïnterpreteerd. Als we dit in aanmerking nemen, moet ‘spiritualiteit de toets van het wetenschappelijk gezag kunnen doorstaan . . . door haar eigen methoden en denkwijzen, data en bewijzen, validaties en verificaties te verkondigen’ (blz. 215-6). H.P. Blavatsky die de theosofische filosofie meesterlijk verwoordt, zou daarmee hebben ingestemd. In De Geheime Leer schreef ze dat al duizenden generaties van zieners de spirituele tradities levend hebben gehouden

door op elk gebied van de natuur de oude tradities te toetsen, te onderzoeken en te controleren op basis van de onafhankelijke visioenen van grote adepten, dat wil zeggen mensen die hun fysieke, mentale, psychische en geestelijke gestel tot de hoogst mogelijke graad hebben ontwikkeld en vervolmaakt. Van geen adept werd het visioen aanvaard, voordat het was gecontroleerd en bevestigd door de visioenen van andere adepten – zó verkregen dat zij als op zichzelf staande bewijzen konden dienen – en door eeuwen van ondervinding.     – 1:300

De werkwijze om onze beweringen te baseren op ervaring en bewijsmateriaal is volgens Wilber de blijvende kracht van de wetenschap – dus waarom zouden we de spirituele dimensies niet wetenschappelijk onderzoeken? Empirisch bewijs is in de meest strikte zin dat wat is gebaseerd op experimenten en waarnemingen in plaats van op theorie. Op basis van de belangrijke gedachte dat alle kennis uiteindelijk door bewijsmateriaal en ervaring moet zijn onderbouwd, reduceren veel klassieke empiristen dit vitale inzicht tot de absurde opvatting dat alle ‘werkelijke’ kennis tot de objectieve zintuiglijke waarneming moet zijn beperkt. Maar werkelijk empirisme kan men niet beperken tot de stoffelijke natuur. Wilber benadrukt dat ‘als de empirische wetenschap de geldigheid van alle vormen van innerlijke kennisverwerving en wetenschap ontkent, zij daarmee ook haar eigen geldigheid afwijst, aangezien een groot deel daarvan berust op innerlijke structuren en innerlijke vormen van kennis die niet via de zintuigen zijn verworven, noch zich door de zintuigen laten verifiëren (zoals de logica en de wiskunde, om er slechts twee te noemen)’ (blz. 223). De wetenschap heeft in feite haar eigen principes genegeerd en is ‘metafysisch’ te werk gegaan door te ontkennen dat universeel erkende en ervaren spirituele of goddelijke toestanden op werkelijkheid berusten zonder daarvoor wetenschappelijk geldige experimenten uit te voeren.

Ook religies hebben volgens Wilber voor een deel de verbinding met hun toetsstenen verloren, omdat volgelingen te veel op verstandelijke gereedschappen vertrouwden, terwijl ‘Noch het zintuiglijk empirisme, noch de zuivere rede, noch de praktische rede, noch een combinatie hiervan bij machte is te schouwen in het rijk van de Geest’ (blz. 267). Het intellect kan de richting naar het spirituele aangeven, maar alleen spirituele ervaring is het uiteindelijke bewijs voor de realiteit ervan, evenals verstandelijke ervaring bewijs geeft voor het bestaan van het intellect. ‘Want de grootse en verborgen boodschap van de experimentele mystici overal ter wereld luidt, dat de Geest rechtstreeks kan worden waargenomen met het oog van contemplatie. Met het oog van contemplatie kan God worden gezien. Met het oog van contemplatie kunnen we zien hoe het innerlijke domein van de Kosmos zich in heel zijn stralende luister ontplooit’ (blz. 268-9).

Tenslotte geeft de auteur aan dat de wetenschap om het idee van de Grote Keten opnieuw tot een inspirerende kracht in ons leven te maken, moet leren om zowel de innerlijke als de uiterlijke gebieden van de menselijke ervaring te onderzoeken en te begrijpen, en dat de religie bereid moet zijn om meer naar spirituele ervaring te kijken en minder naar haar eigen dogma’s. Dit is misschien moeilijk voor de heersende religies, maar de grote spirituele leraren gaven ons geen stelsels van geloofsovertuigingen; in plaats daarvan vroegen ze ons te doen wat zij hebben gedaan.

Hun openbaringen, hun rechtstreekse spirituele ervaringen, waren géén mythologische uitspraken over een scheiding van de wateren van de Rode Zee, of over de beste manier om bonen te laten groeien, maar rechtstreekse waarnemingen van het Goddelijke (de Geest, de Leegte, God, het Absolute). In hun hoogste vorm hadden deze ervaringen te maken met de directe eenheid of zelfs identiteit van het individu en de Geest. Deze eenheid werd niet gezien als een mentaal geloof, maar rechtstreeks ervaren als het summum bonum (hoogste goed) van het bestaan. De directe verwerkelijking ervan ging gepaard met een machtige bevrijding, wedergeboorte, metanoia (bekering) of verlichting van de ziel die het geluk had in deze uitzonderlijke eenheid te worden ondergedompeld, een eenwording die de grondslag, het doel, de bron, en de verlossing van de hele wereld belichaamt.     – blz. 259

Wil een moderne wetenschap van de spiritualiteit totstandkomen, zegt hij, dan moeten alle aanspraken op waarheden aantoonbaar op werkelijke ervaring berusten. Daarom legt hij alle discussies over ‘mythologisch poëtische thema’s’ zoals de maagdelijke geboorte of de aarde die op de rug van een schildpad wordt gedragen, naast zich neer, niet omdat ze onwaar of onbelangrijk zijn, maar omdat zulke thema’s op basis van de huidige methodologie niet verifieerbaar zijn. Spiritualiteit, zo suggereert de auteur, is geest ontdaan van alle zuiver religieuze aangelegenheden.

In Mens, Vonk der Eeuwigheid zegt James Long iets soortgelijks: ‘als de aanhangers van een geloof steeds blijven vasthouden aan hun eigen speciale opvattingen van de waarheid, dan verliest deze na enige tijd haar vitaliteit; het geloof verliest zijn levende inspiratie en daardoor zijn vermogen om te helpen. . . . Volgens mij is het belangrijkste niet het vinden van de waarheid . . . maar het zoeken en het streven naar een steeds beter begrip ervan. Als ik een geloof moest hebben, zou het zijn: de absolute overtuiging dat de ziel binnen haar eigen bewustzijnsgebied vrijheid van onderzoek moet hebben’ (blz. 124, 77). De conclusie van De integratie van wetenschap en religie is dat zowel wetenschap als religie tijdloze spirituele ideeën moeten onderzoeken op een manier die de wetenschappelijke methoden erkent en benut, maar zonder tot materialisme of reductionisme te vervallen.


Noot

  1. G. de Purucker, Bron van het Occultisme, blz. 584.
 
 

Uit het tijdschrift Sunrise sept/okt 2004

© 2004 Theosophical University Press Agency