Dit is niet altijd zo geweest. Een paar eeuwen geleden
leefden onze voorouders in een levend heelal met innerlijke verbanden,
en de Grote Keten van het Zijn werd door het overgrote deel van de mensheid
onderschreven. Arthur Lovejoy schreef aan het begin van de vorige eeuw
dat de Grote Keten van het Zijn ‘waarschijnlijk het meest wijd
verspreide denkbeeld was over het grote wereldplan, over het patroon
dat aangeeft hoe het heelal is samengesteld’ (The Great Chain
of Being, blz. vii). Hij vond dit idee terug bij Plato en Aristoteles
en verklaarde dat
tijdens de Middeleeuwen en tot het eind van de achttiende
eeuw, veel filosofen, de meeste wetenschappers, en de meeste ontwikkelde
mensen, zonder meer de gedachte moesten onderschrijven dat het heelal
een ‘Grote Keten van het Zijn’ is, samengesteld uit een
enorm, of – volgens de strikte maar zelden streng toegepaste
logica van het beginsel van de continuïteit – uit een oneindig
aantal niveaus die in hiërarchische volgorde variëren van
de meest armzalige vormen van bestaan, die niet-bestaan nauwelijks
te boven gaan, via ‘elke denkbare’ graad omhoog tot aan
het ens perfectissimum – of, in een wat meer
orthodoxe versie, tot het hoogst mogelijke soort schepsel, dat in
waardigheid oneindig ver van het Absolute Wezen afstaat – en
elk van deze verschilt van het niveau dat onmiddellijk daarboven en
onmiddellijk daarbeneden staat door de ‘kleinst mogelijke’
graad van verschil. – Op.cit., blz. 59
Deze structuur, soms de Hermetische Keten genoemd, heeft men ook wel
afgebeeld als een levensladder of -trap, en eveneens als een web dat
elk punt van leven op elk gebied van zijn verbindt. Wilber verklaart
verder: ‘Volgens deze nagenoeg universele visie is de realiteit
een rijkgeschakeerd weefsel van elkaar doordringende bestaans- of bewustzijnsniveaus,
van de stof naar het lichaam, en vandaar naar het denken, naar de
ziel en naar de zuivere geest. Elk hoofdniveau ‘omgeeft’
of ‘vouwt’ zijn ondergeschikte dimensies ‘in’
– een reeks van ‘nesten’ van Zijn – zodat elk
ding en iedere gebeurtenis in het universum met al het overige is verweven’
(blz. 21). Voor Wilber lijkt deze Grote Keten meer op een Groot Nest,
een meer organische metafoor voor een in wezen natuurlijk en levend
proces. Hij licht de hiërarchie op de volgende manier toe:
Elk hoofdniveau in dit Grote Nest bezit, hoewel het
ondergeschikte niveaus omsluit, manifeste hoedanigheden die niet op
de lagere niveaus te vinden zijn. Zo omsluit de structuur van het
levende dierlijke lichaam niet alleen materie, maar bovendien
eraan toegevoegde gewaarwordingen, gevoelens en emoties (die
niet in mineralen te vinden zijn). En hoewel de structuur van het
menselijk denken ook lichamelijke gevoelens insluit,
biedt het ook plaats aan hogere kenvermogens als de rede
en de logica, die niet in planten en andere dieren aanwezig zijn.
Hoewel de ziel het denken insluit, omvat zij ook
transcendente kenvermogens en affecten, zoals de archetypische illuminatie
en het visioen die in de ratio schitteren door afwezigheid. Enzovoort.
– blz. 23-4
Met andere woorden, elk hoger (hoofd- of manifesterend) zijnsniveau
beschikt over de essentiële kenmerken van de lagere (ondergeschikte
of voorafgaande) niveaus maar ontvouwt of brengt elementen voort die
op die niveaus niet aanwezig zijn. ‘Elk zijnsniveau sluit
zijn ondergeschikte niveaus in en stijgt erbovenuit’
(blz. 24).
Deze visie dat elk niveau in toenemende mate complexer wordt wanneer
het boven alle lagere gebieden uitstijgt en deze omvat, ligt aan de
basis van de theosofische filosofie, die de samenstelling van entiteiten
als multidimensionaal omschrijft, met oneindige schakeringen van verschillende
graden: ‘Ieder mens is een samengestelde entiteit. Er is een god
in hem, een geestelijk ego, een menselijk ego, een dierlijke natuur,
en het fysieke lichaam dat zo goed mogelijk de bundel energieën
tot uitdrukking brengt die door en vanuit het binnenste van het aurische
ei stromen. Elk van deze elementen is zelf een lerende entiteit op haar
weg omhoog. Het zelfbewustzijn, het gevoel van een ego is er; maar daarbovenuit
gaat het gevoel van kosmische eenheid, dat de sfeer en het bewustzijn
is van de innerlijke god, een hemelse boeddha.’1
Wat is er gebeurd met deze grootse visie van onderling verbonden en
onderling afhankelijk leven? De westerse wetenschap, die de overheersing
van de beperkte christelijke religieuze opvatting van zich probeerde
af te schudden en daarbij het materialisme omhelsde, viel op het Grote
Nest en verpletterde het. Maar toch, hoe is het mogelijk dat zo’n
in de kern van gezond verstand blijk gevende visie als de Grote Keten
zijn betekenis verloor? Eén van de moeilijkheden had volgens
Wilber betrekking op hoe het kwam dat het idee van de Grote
Keten verkeerd werd begrepen. De wereld van vóór de Verlichting
zag alles als een uitdrukking van het Zijn, maar deze visie bracht kunst,
moraal, ethiek, wetenschap, religie, en wereldlijke gebeurtenissen bijeen
in een exclusieve en vaak beklemmende wereldbeschouwing. Galileo ‘kon
tegen het eind van de Middeleeuwen niet onbekommerd zijn telescoop hanteren
en verslag doen van zijn observaties, aangezien kunst, ethiek en wetenschap
allemaal ondergeschikt waren aan de Kerk, waarbij de kerkelijke moraal
dicteerde wat de wetenschap wel of niet mocht doen’ (blz. 29).
Kunstenaars waren niet vrij om uiting te geven aan hun creativiteit,
mensen waren niet vrij om tussen verschillende kerken te kiezen, en
wetenschappers konden niet vrijelijk hun onderzoek uitvoeren; hun werkgebieden
werden door de Kerk strikt in de gaten gehouden en stonden onder het
toezicht van de staat, die met de Kerk samenwerkte.
Het moderne tijdperk bood de mogelijkheid om een onderscheid te maken
tussen deze verschillende arena’s: iedereen kon naar elke kerk
of tempel gaan, of door een telescoop kijken zonder van ketterij of
verraad te worden beschuldigd. Mensen waren vrij om kunst los te zien
van ethiek, wetenschap los van religie, en filosofie los van beide.
De positieve kant van het moderne wetenschappelijke perspectief is de
mogelijkheid die het biedt om onderscheid te maken tussen de verschillende
schakels van de Keten van het Zijn (wat ertoe heeft bijgedragen dat
een veel democratischer, minder exclusieve en beklemmende manier van
leven werd ingeluid), maar de negatieve kant is, dat het alleen
de onderste schakel die door de zintuigen kunnen worden waargenomen
en geverifieerd tot werkelijkheid heeft uitgeroepen. Over het instorten
van het perspectief van de Grote Keten rond het eind van de 18de eeuw
merkt Huston Smith op: ‘Waarom stortte de hiërarchische zienswijze
toen in? Omdat ze de menselijke geschiedenis tot die tijd had onderdrukt,
en omdat ze de hoofdtraditie van de mensheid vormde en bijna een volledige
eenstemmigheid van de mens kon worden genoemd, moet de kracht die haar
onderuithaalde heel sterk zijn geweest, en de moderne wetenschap is
daarvoor de aangewezen kandidaat. . . . De moderne wetenschap heeft
maar één ontologisch niveau nodig . . . [en] betwist daarom
de opvatting dat er andere gebieden bestaan’ (Forgotten Truth:
The Primordial Tradition, blz. 5-6).
De moderne wetenschap verwierp niet zozeer de geest, maar ze had geen
innerlijke of metafysische gebieden nodig om haar werk te doen. Door
alle subjectieve innerlijke processen als onbelangrijk af te doen was
‘de Geest gewoon een van de talloze slachtoffers’ (Wilber,
blz. 219). Toen doorbraken in de techniek het hart en het denken van
onderzoekers veroverden, leek de opvatting van een levend en onderling
verbonden heelal niet langer relevant te zijn of, erger nog, bijgelovig.
Neem de bekende uitspraak van de bioloog Richard Dawkins, ‘Geloof
is de grote uitvlucht, het grote excuus om de noodzaak om te denken
en bewijsmateriaal te evalueren te omzeilen. Geloof is ergens van overtuigd
zijn ondanks het gebrek aan bewijs, of misschien zelfs daarom.’
‘Zo kwam het’, concludeert Wilber, ‘dat het moderne
Westen de eerste grote beschaving in de geschiedenis van de menselijke
soort werd die het Grote Nest van Zijn elk substantieel werkelijkheidsgehalte
ontzegde’ (blz. 31). Die ontkenning veroorzaakte een grote en
snelle verschuiving van onze opvatting over wat ‘werkelijk’
is, maar bij de mens verdween het universele en historische begrip van
het Nest niet stilletjes of ongemerkt. Er zijn herhaaldelijk pogingen
geweest om in de moderne wereld de geest opnieuw te introduceren. Wilber
bespreekt de pogingen van de Romantiek, het Idealisme, en sommige scholen
van het Postmodernisme om de wereld opnieuw voor te stellen met geest
als haar kern. Geen van deze heeft geleid tot een nieuwe of andere ‘Verlichting’,
en als inleiding voor suggesties die de huidige reductionistische wetenschappelijke
zienswijze zouden kunnen veranderen, verklaart de auteur de gebreken
en de zichzelf vaak tegensprekende zwakke punten die inherent zijn aan
elke filosofie: en het belangrijkste punt is dat geen van deze perspectieven
de empirische wetenschap ooit op haar eigen terrein heeft uitgedaagd.
Om dit te doen, moet men de huidige wetenschappelijke methodologie begrijpen
en deze dan gebruiken om het bestaan van geestelijke gebieden vast te
stellen, of wat Wilber graag de waardesferen noemt – die verticale
dimensies van diepte die ons leven waardevol maken.
De wetenschap, redeneert Wilber, denkt dat ze vrij is van waardeoordelen:
‘Ze vertelt ons wat is, in plaats van wat zou moeten
zijn’, en beschrijft de wereld feitelijk zonder te interpreteren
– daarvoor gebruiken we de waardesferen van filosofie, kunst,
religie en ethiek. De wetenschap verricht haar wonderen ‘omdat
zij gebruikmaakt van een gedegen methode voor het blootleggen van de
waarheid. Een methode die experimenteel en empirisch is en
stoelt op concrete bewijzen’ (blz. 9), en dit is het recept dat
Wilber aan deze tijd voorlegt om werkelijke spirituele waarheden te
onderzoeken en te bevestigen. De huidige wetenschap beweert misschien
dat ze slechts objectieve data gebruikt, maar hij toont overtuigend
aan dat ze bij het interpreteren van de data voortdurend afhankelijk
is van verstandelijke processen en van de onbewezen vooronderstelling
van het materialisme. Het is zowel naïef als verkeerd om aan te
nemen dat de wetenschap slechts verslag uitbrengt van wat al
in de materiële wereld bestaat, omdat ‘De wetenschap de empirisch
waarneembare wereld benadert met een immens conceptueel apparaat dat
van alles en nog wat omvat, van de absolute differentiaalrekening tot
alle mogelijke intersubjectieve linguïstische symbolen. Dat zijn
vrijwel allemaal volstrekt niet-empirische structuren die uitsluitend
in de innerlijke ruimten worden gevonden’ (blz. 226). De wetenschap
erkent dus de waarde van enkele innerlijke processen –
maar alleen van die processen die haar eigen vooroordelen ondersteunen.
Daarom moet ze om haar empirisme waar te maken ook de mogelijkheid
erkennen dat er andere innerlijke toestanden zijn dan diegene waarvan
ze gebruikmaakt, toestanden die empirisch (hoewel niet noodzakelijk
fysiek) kunnen worden onderzocht en die door speciaal getrainde onderzoekers
kunnen worden geëvalueerd.
We vragen niet aan seismologen om beweringen van hartspecialisten te
evalueren of aan insectenkenners om de juistheid van wiskundige stellingen
te toetsen. Elk onderzoeksgebied vereist een eigen specialistische opleiding,
voert zijn eigen experimenten uit, en genereert zijn eigen gegevens
die vervolgens door zijn eigen specialisten worden geïnterpreteerd.
Als we dit in aanmerking nemen, moet ‘spiritualiteit de toets
van het wetenschappelijk gezag kunnen doorstaan . . . door haar eigen
methoden en denkwijzen, data en bewijzen, validaties en verificaties
te verkondigen’ (blz. 215-6). H.P. Blavatsky die de theosofische
filosofie meesterlijk verwoordt, zou daarmee hebben ingestemd. In De
Geheime Leer schreef ze dat al duizenden generaties van zieners
de spirituele tradities levend hebben gehouden
door op elk gebied van de natuur de oude tradities
te toetsen, te onderzoeken en te controleren op basis van de onafhankelijke
visioenen van grote adepten, dat wil zeggen mensen die hun fysieke,
mentale, psychische en geestelijke gestel tot de hoogst mogelijke
graad hebben ontwikkeld en vervolmaakt. Van geen adept werd het visioen
aanvaard, voordat het was gecontroleerd en bevestigd door de visioenen
van andere adepten – zó verkregen dat zij als op zichzelf
staande bewijzen konden dienen – en door eeuwen van ondervinding.
– 1:300
De werkwijze om onze beweringen te baseren op ervaring en bewijsmateriaal
is volgens Wilber de blijvende kracht van de wetenschap – dus
waarom zouden we de spirituele dimensies niet wetenschappelijk onderzoeken?
Empirisch bewijs is in de meest strikte zin dat wat is gebaseerd op
experimenten en waarnemingen in plaats van op theorie. Op basis van
de belangrijke gedachte dat alle kennis uiteindelijk door bewijsmateriaal
en ervaring moet zijn onderbouwd, reduceren veel klassieke empiristen
dit vitale inzicht tot de absurde opvatting dat alle ‘werkelijke’
kennis tot de objectieve zintuiglijke waarneming moet zijn beperkt.
Maar werkelijk empirisme kan men niet beperken tot de stoffelijke natuur.
Wilber benadrukt dat ‘als de empirische wetenschap de geldigheid
van alle vormen van innerlijke kennisverwerving en wetenschap ontkent,
zij daarmee ook haar eigen geldigheid afwijst, aangezien een groot deel
daarvan berust op innerlijke structuren en innerlijke vormen van kennis
die niet via de zintuigen zijn verworven, noch zich door de
zintuigen laten verifiëren (zoals de logica en de wiskunde, om
er slechts twee te noemen)’ (blz. 223). De wetenschap heeft in
feite haar eigen principes genegeerd en is ‘metafysisch’
te werk gegaan door te ontkennen dat universeel erkende en ervaren spirituele
of goddelijke toestanden op werkelijkheid berusten zonder daarvoor wetenschappelijk
geldige experimenten uit te voeren.
Ook religies hebben volgens Wilber voor een deel de verbinding met
hun toetsstenen verloren, omdat volgelingen te veel op verstandelijke
gereedschappen vertrouwden, terwijl ‘Noch het zintuiglijk empirisme,
noch de zuivere rede, noch de praktische rede, noch een combinatie hiervan
bij machte is te schouwen in het rijk van de Geest’ (blz. 267).
Het intellect kan de richting naar het spirituele aangeven, maar alleen
spirituele ervaring is het uiteindelijke bewijs voor de realiteit ervan,
evenals verstandelijke ervaring bewijs geeft voor het bestaan van het
intellect. ‘Want de grootse en verborgen boodschap van de experimentele
mystici overal ter wereld luidt, dat de Geest rechtstreeks kan worden
waargenomen met het oog van contemplatie. Met het oog van contemplatie
kan God worden gezien. Met het oog van contemplatie kunnen we zien hoe
het innerlijke domein van de Kosmos zich in heel zijn stralende luister
ontplooit’ (blz. 268-9).
Tenslotte geeft de auteur aan dat de wetenschap om het idee van de
Grote Keten opnieuw tot een inspirerende kracht in ons leven te maken,
moet leren om zowel de innerlijke als de uiterlijke gebieden van de
menselijke ervaring te onderzoeken en te begrijpen, en dat de religie
bereid moet zijn om meer naar spirituele ervaring te kijken en minder
naar haar eigen dogma’s. Dit is misschien moeilijk voor de heersende
religies, maar de grote spirituele leraren gaven ons geen stelsels van
geloofsovertuigingen; in plaats daarvan vroegen ze ons te doen wat zij
hebben gedaan.
Hun openbaringen, hun rechtstreekse spirituele
ervaringen, waren géén mythologische uitspraken
over een scheiding van de wateren van de Rode Zee, of over de beste
manier om bonen te laten groeien, maar rechtstreekse waarnemingen
van het Goddelijke (de Geest, de Leegte, God, het Absolute). In hun
hoogste vorm hadden deze ervaringen te maken met de directe eenheid
of zelfs identiteit van het individu en de Geest. Deze eenheid werd
niet gezien als een mentaal geloof, maar rechtstreeks ervaren als
het summum bonum (hoogste goed) van het bestaan. De directe
verwerkelijking ervan ging gepaard met een machtige bevrijding,
wedergeboorte, metanoia (bekering) of verlichting van de
ziel die het geluk had in deze uitzonderlijke eenheid te worden ondergedompeld,
een eenwording die de grondslag, het doel, de bron, en de verlossing
van de hele wereld belichaamt. – blz. 259
Wil een moderne wetenschap van de spiritualiteit totstandkomen, zegt
hij, dan moeten alle aanspraken op waarheden aantoonbaar op werkelijke
ervaring berusten. Daarom legt hij alle discussies over ‘mythologisch
poëtische thema’s’ zoals de maagdelijke geboorte of
de aarde die op de rug van een schildpad wordt gedragen, naast zich
neer, niet omdat ze onwaar of onbelangrijk zijn, maar omdat zulke thema’s
op basis van de huidige methodologie niet verifieerbaar zijn. Spiritualiteit,
zo suggereert de auteur, is geest ontdaan van alle zuiver religieuze
aangelegenheden.
In Mens, Vonk der Eeuwigheid zegt James Long iets soortgelijks:
‘als de aanhangers van een geloof steeds blijven vasthouden aan
hun eigen speciale opvattingen van de waarheid, dan verliest deze na
enige tijd haar vitaliteit; het geloof verliest zijn levende inspiratie
en daardoor zijn vermogen om te helpen. . . . Volgens mij is het belangrijkste
niet het vinden van de waarheid . . . maar het zoeken en het streven
naar een steeds beter begrip ervan. Als ik een geloof moest hebben,
zou het zijn: de absolute overtuiging dat de ziel binnen haar eigen
bewustzijnsgebied vrijheid van onderzoek moet hebben’ (blz. 124,
77). De conclusie van De integratie van wetenschap en religie
is dat zowel wetenschap als religie tijdloze spirituele ideeën
moeten onderzoeken op een manier die de wetenschappelijke methoden erkent
en benut, maar zonder tot materialisme of reductionisme te vervallen.
Noot
- G. de Purucker, Bron van het
Occultisme, blz. 584.