Sinds de vroegste oudheid is de mens omschreven als de microkosmos,
het ‘kleine heelal’, waarin alle krachten en soorten materie
van het grotere heelal waarvan hij een intrinsiek deel is, zijn terug
te vinden. Verhalen over de goden, uit welk pantheon ook, verwijzen
evenzeer naar verschillende processen en krachten die in de mens aan
het werk zijn en zijn natuur samenstellen, als naar intelligenties en
krachten die zich buiten hem schijnen te bevinden. In de mythische geografie
van vele oude volkeren komen we de ‘reizen’ van helden-goden,
verlossers, en wereldleraren tegen die de tocht in kaart brengen die
iedereen ooit moet maken die het ware zelf wil vinden dat in zijn individuele
kosmos verborgen ligt.
Gedurende ontelbare millennia hebben mensen echter buiten zichzelf
naar de Grote Goden gezocht. Ze hebben geprobeerd om ze door symbolen,
verering, en gebeden tot leven te wekken. Ze hebben ver gereisd, maar
de draad die vlakbij is over het hoofd gezien, de draad die hen veilig
door het doolhof van menselijke zwakheden zal leiden naar de citadel
van de waarheid – hun eigen innerlijke god. Hoe merkwaardig is
de gewoonte van de natuur: terwijl de signalen slechts één
richting op wijzen – naar binnen – is het leven in al zijn
uitdrukkingsvormen, uiterlijk en innerlijk, het klaslokaal van de ziel.
Dat is de reden waarom men zowel vroeger als nu degene die de werkelijkheid
van de dingen wil leren kennen, vertelde dat de zoektocht binnenin moet
beginnen, en hem daarnaast aanmoedigde om naar buiten te kijken. Het
is misschien gemakkelijker om de geest zich te zien roeren in vormen
buiten zichzelf.
Reeds als kinderen en ook nog als volwassenen speuren we de wereld
af op zoek naar kennis totdat onze hersenen vol zitten met feiten. Maar
kennis en wijsheid zijn twee verschillende polen; en wie naar wijsheid
streeft moet zich opnieuw naar binnen keren. In de eerste stadia van
deze zelfopgelegde discipline moeten we leren een onderscheid te maken
tussen schijn en werkelijkheid, tussen de schaduw en dat wat de schaduw
werpt: de weerspiegeling van bladeren in het water en de bladeren zelf.
. . . En hoe zit het met de bladeren – de substantie waarvan ze
slechts de schaduw, de verschijningsvorm zijn?
Zo leren we dat er een verborgen oorzaak achter elk verschijnsel zit,
een natuurwet of ‘god’ als bron van elke beweging in de
kosmos. Maar hoeveel we ook ontdekken over de werkingen van deze ‘wetten’,
we kunnen het ritmische proces van oorzaak en gevolg, van actie en reactie,
dat eigen is aan ieder deeltje van de ruimte, niet afwenden. De klei
van de pottenbakker zal ronddraaien in overeenstemming met de wetten
die de rondgaande beweging van het wiel bepalen; iedere poging om een
pot te vormen op een manier die niet met die wetten overeenstemt, is
gedoemd te mislukken.
Tenslotte rijzen de dringende vragen van het hart: Wie ben ik? Waarom
ben ik hier en wat is mijn plaats in het grote levensplan? Het antwoord
zal nooit in boeken worden gevonden. Het is een ervaring die tot geboorte
komt in het hart, een spontane erkenning dat al het leven geest in actie
is – god of bewustzijn, de wil om zich te ontwikkelen, het goddelijke
of de goden – waarbij ieder van ons een dynamische vonk is die
voortdurend nieuwe manieren zoekt om te groeien.
We leren dat we meer dan ogen en oren, handen of zelfs hersenen zijn.
‘Dit zijn gereedschappen!’ zeggen we dan. ‘Waar is
de gebruiker ervan? Wie is de vakman?’ En terwijl de ene gedachte
op de andere volgt kijken we opnieuw naar de wereld buiten ons, naar
planeten en stenen, dieren en sterren. We zien dat ze van elkaar verschillen
maar dat ze onverbiddelijk met elkaar zijn verbonden, alle nemen samen
met ons deel aan de grote evolutieklim omhoog. Onze denk- en gevoelswereld
gaat meer betekenen dan een verzameling indrukken van kleuren, geluiden,
vormen en geuren: ieder van ons is in feite een ‘kleine kosmos’,
die met dezelfde stralende energie klopt die zonnen en kometen, atomen
en melkwegstelsels tot geboorte aanzet.
Nee, het is niet nodig om te zoeken naar het goddelijke, want het is
de essentie, de wortel, en het zaad van alle ‘goden’ in
de mens, de microkosmos, en eveneens daarbuiten, in de uitgestrekte
macrokosmos of het grotere heelal; en in de eb en vloed van leven daarvan
bewegen zich alle menigten godsvonken en hebben ze hun bestaan. Toen
de Ouden bergen ‘beklommen’ om te communiceren met hun goden,
ontdekten ze dat de bergen en de goden zich in henzelf bevinden. Ze
kwamen tot de ontdekking dat de vonk in hun ziel één is
met het vurige atoom van de Naamloze Godheid – en diegenen die
‘afdaalden’ keerden terug om hun goddelijk gesmede wijsheid
met hun medemensen te delen.