In die dagen werd Pwyll, koning van Dyfed, onder de krijgshaftige heersers
van het Eiland van de Machtigen in schoonheid en dapperheid door niemand
geëvenaard; en hij regeerde over een land, het lieflijkste ter
wereld, en de hemel weet of het nog door een ander te overtreffen zou
zijn. Er was geen volk dat vriendelijker of dapperder was dan zijn Dimetiërs,
noch in de drie Eilanden van de Machtigen, noch in de drie naburige
eilanden of in Ierland. Niemand aan het hof van de gekroonde koning
in Londen was waardiger dan Pwyll, afgezien van de koning zelf, of Taliesin,
het hoofd van de barden, of de grote druïden van Ynys Mon, of Teyrnion
Twrf Fliant, koning van Gwent; inderdaad, de vorsten van Dyfed werden
steeds gerekend tot de drie steunpilaren van de soevereiniteit van het
eiland Brittannië.
Over wat Pwyll allemaal overkwam vóór de dag dat hij in
Glyn Cuch ging jagen, weten we niets; die dag was de kiem en het begin
van al wat er over hem wordt verhaald. Niemand, die de geschiedenis
van het lot van de vorsten van Dyfed naar waarheid wilde vertellen,
zou daarom die jacht onvermeld laten.
Toen de ochtend begon te gloren verliet hij Llwyn Diarwyd met honderd
man van zijn teulu en een honderdtal honden. Vóór de dauw
was opgedroogd, joegen ze in Glyn Cuch op een prachtig hert met een
veeltakkig gewei; en toen Pwyll het zag, kreeg hij een intens verlangen
om het in te halen. Tot de schemering hield hij het in het oog; over
berg en wei, door het met riet begroeide veld en het varenrijke woud
galoppeerde het trots voor hem uit. Iedereen wist dat geen viervoetig
dier op het Eiland van de Machtigen, behalve Fflamwen Aden-Goleu, de
merrie van Twrf Fliant, Pwylls merrie Blodwen in snelheid evenaarde;
inderdaad, zij beide waren zusters, van één vader en moeder.
Zover men wist waren de mannen van de teulu de beste ruiters ter wereld,
en de honderd honden waren snelle en weergaloze jagers. Maar geen van
hen kon het hert inhalen en dit was reden tot grote verbazing bij de
hoofdman. De schemering daalde neer over de bomen, en een gloed van
goud, roze en saffraan bedekte de westelijke hemel; hij zag het hert
achter een bergrug langs gaan, op nauwelijks een boogschot vóór
hem. Onstuimig reed hij vooruit om het te achtervolgen; maar toen hij
in het dal daarachter kwam, was er geen spoor van het hert te zien.
Na een poosje hield hij zijn paard in, omdat hij niets vond en de honden
het spoor bijster waren. Hij gaf drie krachtige stoten op zijn hoorn,
maar kreeg geen ander antwoord dan het gegalm van de bergecho’s.
Hij bevond zich aan de oever van een langgerekt, schemerig meer in een
grote vallei; en het heldere water ervan kabbelde tussen het riet en
op de steentjes bij de voorhoeven van de merrie. Enkele vogels vlogen
door het halfduister, hun roep klonk schril en droefgeestig. Rond hem
liepen de honden heen en weer, in verwarring en onrustig jankend; het
was hem duidelijk dat hij noch zij de plek kenden, of er eerder in hun
leven waren geweest, of wisten hoe ze naar Llwyn Diarwyd konden terugkeren
als ze dat wilden.
Terwijl de echo’s van de hoorn tussen de bergen achter het meer
wegstierven, kwam er een geluid van de heuvel achter hem, dat op geblaf
leek, maar anders was dan elk blaffen dat hij ooit eerder had gehoord.
Hij draaide zich om, en plotseling sprong het hert uit het bosje in
de richting van het water; toen het Pwyll zag zwenkte het en vluchtte
voor hem uit langs de oever van het meer. Hij vergat alles in zijn verlangen
het in te halen; ogenblikkelijk was hij weg en de honden vlogen voor
hem uit. Tijdens het rijden hoorde hij het geblaf van de vreemde honden;
en eenmaal bereikte hem het geluid van een hoorn die heel anders klonk
dan iedere jachthoorn op het Eiland van de Machtigen; maar in zijn haast
en zijn vurige verlangen dichterbij het hert te komen, schonk hij daaraan
geen aandacht.
Hij naderde het nu; het scheen alsof een schemerig licht om zijn trotse
gewei en prachtige lichaam speelde. Aan zijn linkerhand was het meer,
en daarachter de ronde, eenzame woeste bergen; aan zijn rechterhand
rezen de donkere, rietbegroeide velden op tot de zoom van het bos. De
meute honden die hij had horen blaffen, kwam plotseling tussen de bomen
tevoorschijn en viel het hert aan. In de hele wereld was er geen meute
zoals deze, in die dagen niet en tegenwoordig zeker niet. Helder tekenden
de honden zich af tegen de schemer en het purper van de bosrand. Hun
lijven waren wit en lichtgevend als parels, maar witter dan welke parel
dan ook op de wereld. Hun rechteroren waren roder dan donkere rozen,
en fonkelden en brandden als robijnen waardoorheen de maan haar vreemde
en schitterende licht liet schijnen. En in hun blaffen klonk een wilde
melodie en droefheid door; in de drie Eilanden van de Machtigen was
nog nooit zo’n droef klinkend geluid gehoord.
Vóór ze het hert konden bereiken, bevond Pwyll zich midden
tussen hen in; hij joeg ze terug, en dreef zijn eigen honden op het
hert aan. Het stond in het water en was in het nauw gedreven; de voorste
van de Dimetische honden waren zo dichtbij het hert dat ze het hadden
kunnen bespringen. Hun aanvoerder ging zelf op het hert af, zo snel
hij kon. Hij keek in de beide ogen ervan en zag duidelijk dat het hert
geen gevaar verwachtte of angst daarvoor had. Hij hief zijn jachtspeer
op en stond op het punt hem te werpen; drie van zijn honden stonden
klaar om te springen. Maar vóór de speer loskwam uit zijn
hand en vóór de honden konden springen, hoorde hij een
geluid, dat hen plotseling deed stilstaan: zijn eigen naam werd drie
keer geroepen vanuit de bosrand achter hem. Tegelijkertijd daverde er
een zwaarmoedig gelach over het water, en het hert steeg op in de lucht
en bewoog zich schitterend door de donkere lucht, hoog boven het meer,
lichtgevend tegen de achtergrond van de verre, woeste, donkerpaarse
bergen daarachter – en was verdwenen.
Toen keerde Pwyll zich om, en zag een ruiter uit het bos komen die zelfs
door een blinde als een machtig koning zou zijn herkend. Zijn grote,
grijsbruine paard droeg hem ongehaast, met zijn hoeven plonzend door
het moerassige, rietbegroeide veld. Donker was de mantel die van zijn
schouders wapperde; als een stormwolk jagend door de nacht. Zijn borstspeld
was ingezet met diep flonkerende robijnen en saffieren; en zijn jachtmuts
met een purperen diamant, groter dan een kippenei, fonkelend en gloeiend
in het halfduister. Hij was streng en groot, sprak langzaam, en was
anders dan alle koningen van het Eiland van de Machtigen; want dat waren
knappe, trotse, goedlachse mannen met stralende ogen, maar hij zag eruit
alsof een grote taak en zorgen nooit van hem weken. Hij had echter de
waardigheid van de onsterfelijken, en men kon zien dat koningen zouden
gehoorzamen als hij bevelen gaf.
‘Ha, hoofdman!’ riep hij, ‘Hoe kon u zo onhoffelijk
zijn?’
‘Wees gegroet door hemel en mens’, zei Pwyll. ‘Ik
ben me niet bewust iets onhoffelijks te hebben gedaan. Ik joeg op mijn
eigen hert, in mijn eigen land.’
‘U was op hertenjacht in mijn land’, zei de ander; ‘en
mijn honden heeft u weggejaagd.’
Pwyll bedacht dat hoewel hij alle velden en bergen, alle meren en stromen,
bossen en dalen binnen de grenzen van Dyfed kende, hij nooit bergen
als deze had gezien, en evenmin kende hij dit meer en dit dal, zelfs
niet van horen zeggen. De plek was in zijn eigen koninkrijk niet bekend
en ook niet in enig land buiten zijn grenzen.
‘Hoofdman,’ zei hij, ‘hier zijn de regels van de hoffelijkheid
inderdaad overtreden. Ik zal snel naar Dyfed terugrijden en alle geschenken
zenden, die u als schadeloosstelling verlangt.’
‘Niemand die dit land binnenkomt, mag weer vertrekken zonder een
dienst te bewijzen’, zei de koning.
‘Voer in alle hoffelijkheid honderd goed gewapende mannen tegen
mij aan,’ zei Pwyll, ‘opdat ik kan uitproberen of ik hier
al of niet kan wegkomen. Dit is het minste wat u kunt doen. Maar hoe
de strijd ook afloopt, ik zal de geschenken zenden zodra ik in mijn
eigen hof terug ben.’
‘Geen sprake van’, zei de koning. ‘Dit land behoort
niet tot het Eiland van de Machtigen, noch tot een van de vier windstreken
van de wereld van de mensen. Als u denkt de weg naar Llwyn Diarwyd te
kunnen vinden, volg die dan.’
Pwyll begreep dat dit voor hem of voor zijn honden onmogelijk was.
‘Ik ben de weg kwijt’, zei hij. ‘In welk land ben
ik terechtgekomen?’
‘In Annwn, in de onderwereld. Arawn, de koning van Annwn ben ik.’
Pwyll wist nu dat hij de wereld van de mensen had verlaten en niet op
de gewone manier kon terugkeren. Hij begreep ook dat degene met wie
hij sprak tot het ras en het geslacht van de onsterfelijken behoorde.
‘Ik zal de dienst graag bewijzen’, zei hij. ‘Wat het
ook is, ik zal het als een eer beschouwen.’
‘Het is het doden van Hafgan, de zoon van Hunan, en zijn rijk
grenst aan het mijne’, zei de ander. ‘Sinds hij zich meester
maakte van de troon is er in Annwn geen vrede geweest.’
‘Vannacht zal ik tegen hem optrekken’, zei Pwyll. ‘En
ik zal niet rusten voor dit werk is volbracht.’
‘Geen sprake van’, zei Arawn. ‘Hafgan zal nooit door
iemand worden gedood, tenzij hij denkt dat ik hem heb gedood. Wanneer
u tegen hem optrekt, moet u mijn gedaante aannemen, en u moet mijn zwaard
gebruiken, anders kunt u hem niet van het leven beroven.’
‘Heer’, zei Pwyll; ‘geef mij uw uiterlijk, als dat
in uw vermogen ligt; en geef mij het zwaard om de proef te nemen, of
ik ermee kan omgaan of niet.’ Hij begreep dadelijk, dat weinigen
zo’n zwaard als dat van Arawn konden hanteren.
De koning trok het uit zijn schede; een groot, prachtig vlammend wapen,
groter dan enig zwaard in het Eiland van de Machtigen of in Ierland
of in de hele wereld, zover men wist. Pwyll nam het bij het gevest toen
Arawn het hem aanreikte; hij was een sterke man, en de beste van alle
zwaardvechters in Brittannië. Maar toen hij het zwaard aanpakte,
scheen het hem, dat er een trotse, heftige, ontembare geest in huisde;
het draaide en schudde in zijn hand; een grote vlam en gekrijs ontsnapten
eraan; heftig worstelend rukte het zich los, en in een oogwenk was het
uit zichzelf in zijn schede teruggekeerd.
‘Niemand kan het hanteren eer hij minstens een jaar en een dag
in Annwn heeft geregeerd’, zei de koning. ‘Vóór
die tijd kan niemand Hafgan met succes verslaan. Ook zal niemand succes
hebben, als hij in het strijdperk, nadat de eerste slag werd toegediend,
een verzoek van Hafgan inwilligt.’
‘Ik zal al zijn verzoeken afslaan’, zei Pwyll. ‘Zou
u me willen zeggen wat het doden van deze man zal opleveren?’
‘Wie hem doodt zal daarvan het grootste voordeel hebben’,
zei Arawn. ‘Hij die succes heeft, zal één worden
met de familie van onsterfelijken; vroeg of laat zal hij één
met hen worden. Hij zal een vrouw uit het land van de onsterfelijken
huwen en de Heuvel van de Onsterfelijken zal hem worden onthuld.’
Terwijl de koning nog sprak, vulden nevel en onsamenhangende klanken
het dal; en meer, bossen en heuvels en zelfs Arawn werden vager en vager,
zodat het Pwyll toescheen dat de nacht reeds was gevallen. Een menigte
opaalkleurige schimmen kwam stilletjes tevoorschijn uit de nevels en
bergen, al bewegend en golvend in hun onbestemde dans. Hij steeg af
van zijn witte Blodwen en liep halfdromend naar het grijsbruine paard.
De dansers wiegden en golfden rondom hem, en vulden de vallei met het
geluid van hun harpen. Eerst waren ze vaag en schemerig, ver weg en
statig; ze hadden de vormen van heuvels en bomen kunnen zijn, vaag zichtbaar
aan de horizon. Hun beweging werd sneller; ze kwamen dichterbij en namen
tere en stralende vormen aan en de kleuren van allerlei juwelen; hij
kon de koele, slaapverwekkende briesjes van hun wuivende armen voelen
op zijn gezicht en in zijn haar; hij merkte dat hij daardoor werd overgoten
met de dauw van vrede, slaap en vergetelheid. Een zacht ritmisch gezang
was van hen afkomstig; een zwierende muziek die hun vingers aan de snaren
ontlokten. Het klonk in zijn oren als het zachte gekabbel van het water
van een meer, tot gezicht en geheugen hem verlieten en hij onbewust
werd van de wereld en de hemel.
Toen besteeg de koning van Annwn Blodwen, riep Pwylls honden bij zich
en vertrok op weg naar Dyfed langs een smalle verborgen weg door de
bergen. Hij zou daar een jaar en een dag in het paleis van Arberth hebben
geregeerd zonder dat één van de Dimetiërs ook maar
droomde dat hij niet hun rechtmatige koning was. Maar wat Pwyll betreft,
hij onderging een wonderbaarlijke verandering. In plaats van de blauwe
mantel die hij had gedragen, droeg hij nu de donkere mantel van Arawn;
in plaats van de witte Blodwen, haar prachtige zadel en het paarse vierhoekige
zadelkleed met een gouden appel aan elke hoek, dienden hem het juweelloze
zadel en het grote, grijsbruine strijdros. Zijn gelaat veranderde en
werd donker en ernstig en bruingebaard. Zijn gelaatsuitdrukking, zijn
houding, optreden en gestalte veranderden, zodat niemand zou hebben
geweten dat hij Pwyll was en niet Arawn. Toen verliet de slaapwekkende
menigte hem en werd hij wakker.