Een brief in een vrouwenblad beschrijft een ervaring die een lezer
had toen ze sterk aan iets dacht waarvan ze erg graag wilde dat het
zou gebeuren. Tot haar ‘grote verbazing’ gebeurde datgene
waar ze aan dacht onmiddellijk! Velen van ons hebben precies het tegenovergestelde
ervaren. Hoewel we misschien heel erg hebben verlangd naar een begeerlijk
voorwerp of een begerenswaardige gebeurtenis, gingen deze wensen nooit
in vervulling.
We hebben het vaak over ‘wishful thinking’ alsof het iets
is dat als een gekleurde zeepbel uit ons denken zweeft en zich even
gemakkelijk in een schijnbare leegte oplost. Maar kunnen we onze gedachten,
onze wensen, en die voorbijsnellende beelden van door ons gevormde ideeën
die we dagdromen noemen, zo eenvoudig vergeten? Ze zijn goed, slecht
of neutraal en razen in en uit onze overvolle hersenen, schijnbaar vanuit
het niets en grotendeels niet door onszelf opgeroepen. Sommige schijnen
zelfs zo volkomen anders dan die waar we waarde aan hechten of die we
op prijs stellen, dat het voor ons moeilijk is te geloven dat we dergelijke
dingen werkelijk denken!
In The Vicar of Wakefield [Een roman geschreven in 1766 door
de Britse schrijver Oliver Goldsmith] stuitte ik op een relevante zin
over dit onderwerp:
Ieder mens heeft duizend
slechte gedachten die opkomen zonder dat hij het vermogen heeft ze
te onderdrukken. . . . omdat hij in zijn instemming slechts passief
is, kan hij evenmin verantwoordelijk worden gesteld voor zijn fouten
als de bestuurder van een stad zonder muren voor de bescherming die
hij verplicht is tegen een binnenvallend leger te bieden.
Maar zijn we in onze individuele denkwerelden werkelijk een ‘stad
zonder muren’? Zijn we passief in onze instemming en niet verantwoordelijk
voor die gedachten die uit het niets tot ons schijnen te komen en die
we als fouten herkennen – en die we toch nog steeds denken?
Er zijn mensen die vaak hevig verontrust zijn over hun, naar eigen zeggen,
vreselijke gedachten en niet weten hoe ze moeten optreden tegen hun
eigen individuele binnenvallende leger. Waarom zijn we altijd bereid
de erkenning te accepteren voor onze goede gedachten, maar zijn we niet
bereid enige affiniteit met de slechte toe te geven? Ze zijn allemaal
van ons in die zin dat we in ons iets hebben dat ermee verwant is: wat
vruchtbare grond waartoe ze zich voelen aangetrokken, waarin ze kunnen
wortelen en groeien. Ze ontstaan misschien niet in ons brein, maar wij
bepalen hoe we ze ontvangen en hoe we ze wegsturen.
Onze voorouders die hierover veel wisten, beweerden dat niets in dit
levende universum verwijderd of geneutraliseerd kan worden tot puur
niet-bestaan en dat zelfs gedachten, die evenzeer deel uitmaken van
de universele natuur, werkelijk bestaan, en onverwoestbaar en eeuwig
zijn. Menselijke gedachten vormen zo’n grote familie; is het dan
verwonderlijk dat veel van hen vreemdelingen lijken wanneer ze opnieuw
voor onze deur staan? Toch vinden we ze daar; en of we nu ouders of
alleen pleegouders zijn, we moeten iets met ze doen.
Wanneer we deze gedachten die tot ons komen weer laten gaan, wordt het
stempel van onze individualiteit erop afgedrukt. We geven ze een eigenschap
mee die ze niet hadden toen ze de eerste keer bij ons op bezoek kwamen.
Wanneer we ze op vleugels wegzenden zullen ze, als de stuwkracht zwak
is, niet dezelfde kracht hebben als gedachten die krachtig en energiek
aan ons bewustzijn ontspringen. Het is belangrijk te bedenken dat we,
hoewel we ze nooit kunnen volgen tot in het nieuwe mensenverblijf dat
ze misschien in zich zal opnemen, toch door de kwaliteit van onze afdruk
erop andere mensen op een of andere manier zullen beïnvloeden.
Wat is erger, kan men zich afvragen, alleen het koesteren van slechte
gedachten of in feite toelaten dat ze zich ontwikkelen tot slechte daden?
Misschien kunnen we de daad zelf beschouwen als het eind van een gedachte
die deze tot haar logische conclusie brengt. Haar energieën worden
dan gebruikt om op het uiterlijke bestaansgebied iets voort te brengen.
Elke gedachte is als een blauwdruk, en op het gebied van handeling worden
de blauwdrukken getest en hun waarde vastgesteld. Maar een gedachte
die vrij blijft als een reiziger in de ruimte, wordt niet beperkt door
zo’n belichaming en zou heel goed een duurzamer kracht kunnen
zijn dan een handeling. Het gevleugelde zaad zoekt die grond die het
meest geschikt is om tot ontwikkeling te komen en de gevleugelde gedachte
is niet anders.
Daarom is het heel goed mogelijk dat bij het uitzenden van een sterke
negatieve gedachte ons grootste kwaad is dat ze een ander menselijk
territorium kan binnendringen waar de bestuurder van de stad zonder
muren zo weinig innerlijke kracht heeft dat hij haar de toegang niet
kan weigeren en haar zwakjes welkom zal heten. De volgende passage uit
de Brieven van Lafcadio Hearn maakt dit punt heel duidelijk:
Het idee is dit: Wees niet boos of geef je niet heimelijk
over aan een slechte gedachte! Waarom? Omdat de boosheid of slechte
gedachte, hoewel geheim en niet gevolgd door actie, het heelal kan
ingaan als een onzichtbare invloed en daar kwaad kan veroorzaken.
Met andere woorden, een mens zou verantwoordelijk kunnen zijn voor
een moord die op grote afstand wordt begaan door iemand die hij niet
eens kent. Een zwakke, onevenwichtige geest die twijfelt tussen misdaad
en geweten, kan plotseling tot slechte daden worden aangezet door
de minieme druk van een onzichtbare invloed.
Als ons karakter sterk genoeg is kunnen we leren de ongewenste gedachten
eerlijk onder ogen te zien, ze te erkennen voor wat ze zijn en de affiniteit
te erkennen die we misschien eens met ze hebben gehad en ze vervolgens
gezuiverd en verbeterd wegsturen. We zouden ze moeten benaderen op dezelfde
wijze waarop we naar het verschijnsel van het kwaad in ons midden proberen
te kijken, ons bewust ervan zijn, het zien en het toch niet voelen.
Dit laatste zou op zichzelf al een soort aantrekkingskracht zijn.
Veel krachtiger dan negatief denken zijn die goede impulsen die voortvloeien
uit een altruïstische geest. Inspiraties van genialiteit, de meest
hoogstaande producten van menselijke creativiteit – ook deze komen
tot mensen met een denkvermogen dat onbevangen genoeg is om ze te bevatten
en door te zenden. Niets met een aardse kwaliteit kan de impuls van
een spirituele gedachte in bedwang houden. Ze flitst door ons bewustzijn.
We kunnen onmogelijk weten hoe ver en snel een schijnbaar onbetekenende
maar niettemin zuiver onzelfzuchtige gedachte kan reizen en aan iedereen
ten goede kan komen. Ze is veel krachtiger dan een aan de aarde gebonden
egoïstische impuls. Ze kan door haar spirituele aard – door
niets gehinderd of belemmerd – als een door ons denken voortgebrachte
goede fee, de hele aarde in ongeveer veertig minuten omsluiten’.
Zijn we in onze gedachten-relatie met de essentie van de mensheid niet
als de bloedlichaampjes in de menselijke bloedsomloop, en proberen we
niet altijd de grote eenheid van het ware hart van de mensheid binnen
te gaan? In de veelheid van cellen lijkt één celletje
alsof het niets is, en toch betekent het alles in zijn grotere samenhang,
want het samenstel van alle individuen bepaalt de totale kwaliteit van
het geheel.
Van leven naar leven beïnvloeden onze vroegere gedachten en daden
onze houding, wanneer we op het juiste moment voor de juiste moeilijkheden
worden geplaatst. Ons denken geeft op die manier werkelijk vorm aan
onze bestemming. En op grotere schaal is het aan ons om bij het uitzenden
van onze ‘binnendringers’ naar de grote stad zonder muren
van de mensheid, een spirituele en onzelfzuchtige kwaliteit te kiezen,
zodat onze bijdrage aan de groei van het hele systeem de best mogelijke
is.