Helen Keller omschreef zichzelf op zevenjarige leeftijd als een blind
en doof kind met een onontwaakte geest en zo gefrustreerd dat haar reacties
verward en vaak zeer heftig waren. Haar intelligentie vocht om tot geboorte
te komen; ze werd geholpen door een wijze en toegewijde lerares die
haar de weg wees om deze tot uitdrukking te brengen. Het resultaat was
een algehele gedaanteverandering en een edeler mens.
We kunnen ons voorstellen dat de mensheid in het verre verleden een
soortgelijke ervaring heeft ondergaan toen het denkvermogen nog niet
was begonnen te functioneren en de mensheid zijn zelfbewustzijn nog
niet had ontwikkeld. Het denkvermogen was er wel, maar het was latent,
slapend. Onlangs merkte een vriendin op dat het bekende beeld van Rodin,
‘de Denker’, voor haar de tijd symboliseerde waarin het
denkvermogen begon te ontwaken in de mens, en hij verbaasd en verbijsterd
ontdekte dat hij zich in een nieuwe wereld bevond, die hij net was binnengegaan.
In deze tijd is het een ander vermogen dat worstelt om tot geboorte
te komen; en naarmate het meer gaat overheersen voelen we ons door deze
innerlijke drang soms even verbijsterd en in verwarring als Helen Keller.
We worden onrustig en zijn van ons stuk gebracht, en verzetten ons misschien
blindelings tegen alle beperkingen, terwijl we in werkelijkheid op de
drempel staan van een ruimer begrip. Ik denk dat we wel zullen erkennen
dat veel ‘beperkingen’ voor ons eigen bestwil zijn; we moeten
slechts leren ze te onderscheiden, en ze uit de weg ruimen als ze op
dwalingen berusten of eenvoudig uit gewoonte worden instandgehouden,
en daarbij niet vergeten dat groei tijd kost.
Wat is dit nieuwe vermogen dat in ons wezen een actievere rol probeert
te spelen? Sommigen noemen het kosmisch of spiritueel bewustzijn, de
wijsheid van het hogere zelf, de innerlijke christos of het licht van
buddhi. Evenals het intellect manifesteert het zich in allerlei graden
en het omvat intuïtie, geestelijk inzicht en visie. Zoals onze
gedachten en overwegingen misleidend kunnen zijn, kan ook deze nieuwe
eigenschap dit zijn wanneer ze niet wordt begrepen. Helen Keller was
zo gelukkig een kundige lerares van hoge ethische standing te hebben
om haar jonge geest te trainen; maar wij moeten individueel kiezen of
we door ons ruimere innerlijke gezichtsveld en door onze toenemende
kracht ons zullen transformeren tot wijze en werkelijk ‘menselijke’
wezens, of dat we dit opkomende vermogen met zijn vele schakeringen
uitsluitend voor ons eigen welzijn zullen gebruiken.
Het zelfbewustzijn, dat zich samen met het denkvermogen ontwikkelde,
richtte de schijnwerper op het persoonlijke zelf; het geestelijke bewustzijn,
dat met intuïtie verschijnt, richt de schijnwerper op de mensheid
als geheel. De nadruk valt op broederschap, delen met anderen, op mededogen
en harmonie. Het betekent dat we bezig zijn te worden met op
de achtergrond niet de gedachte ‘voor mijzelf’, maar met
het duidelijke motief ‘voor het welzijn van allen’. In deze
subtiele omschakeling van het bewustzijn van het fysiek-menselijke naar
het menselijk-spirituele worden we als individuen sterker, en toch voelen
we een dwingende kracht om in harmonie te zijn met anderen. Het verlangen
naar nauwere broederlijke banden stroomt door mensenharten in de hele
wereld en wil niet genegeerd worden, want het is inherent aan de innerlijke
krachten die zich in ons beginnen te roeren. In ons pogen zo’n
wenselijk en vruchtbaar doel te bereiken, moeten we echter grote voorzichtigheid
betrachten om het individu te beschermen, want groei is een terrein
waarop alleen wijzelf en niemand anders de macht uitoefenen. Als we
erin slagen ‘eenheid in verscheidenheid’ tot stand te brengen,
zonder de waardigheid en betekenis van de enkeling uit het oog te verliezen,
zullen we tot de ontdekking komen dat we bezig zijn een geestelijk gerichte
beschaving op te bouwen die niet alleen de hoop biedt om te overleven,
maar ook de zekerheid van een verlichte vooruitgang.