Het principe van het negeren heeft iets fascinerends, want het bevat
een paradoxaal, bijna tegenstrijdig element: het is waarnemen maar niets
doen; weten maar doen alsof men niets weet; ergens van bewust zijn maar
dat niet laten blijken. Bepaalde verborgen motieven die in een situatie
spelen, die gewoonlijk een direct ingrijpen vereist, kunnen voeren tot
een opzettelijke passiviteit die een innerlijke activiteit verbergt.
Wie kinderen onder zijn hoede heeft gehad, kent de onschatbare waarde
van het negeren op het juiste moment – en omdat het element van
timing van belang is, kan het waarschijnlijk tot een kunst worden ontwikkeld:
een die waardevol en nuttig is, of een uiterst wrede.
Om te beginnen het voorbeeld van het negeren van wat een kind doet.
Goed gedrag negeren we niet – we erkennen dat en prijzen het zelfs,
maar in het geval van ongewenst gedrag heb ik me vaak afgevraagd wat
het geheim was: waarom het negeren zo doeltreffend was en in welke omstandigheden
en situaties. Ik kwam tot de slotsom dat we ons op deze maatregel verlaten
wanneer een kind iets doet alleen om onze aandacht te trekken –
een hoop herrie maken, of iets doen waarvan het heel goed weet dat dit
niet is toegestaan. Wij ouders gedragen ons plotseling niet zoals het
behoort, we zeggen niets, we doen niets, we zien eenvoudig niet wat
er gebeurt. Meestal zal het kind zijn onhebbelijkheid herhalen, meer
herrie maken, met zijn potlood nóg een kras op het behang maken,
en vol verwachting uitzien naar onze reactie. Maar als het stil blijft
– wat dan?
Iets in het kind wordt geprikkeld. Tot dan toe speelde de ouder als
het ware de rol van het geweten, was degene die corrigeerde, die maatregelen
nam. Dit ‘geweten’ van buitenaf fluistert nu zelfs geen
waarschuwing, het kind ondervindt geen correctie, er worden geen maatregelen
genomen. Het is interessant te zien hoe het kind begint na te denken
over dit vreemde verschijnsel. Iets in hem krijgt geleidelijk de overhand,
vertelt hem dat hij alleen staat. In zijn denken werkt het kind dit
natuurlijk niet welbewust uit, maar intuïtief voelt het het verschuiven
van het machtsevenwicht. Iedereen die de vaak verrassende gevolgen heeft
ervaren van dit negeren op het juiste moment (want ik zou de
laatste willen zijn om te propageren het kind toe te staan het huis
af te breken of alle muren te bekladden, terwijl wij erbij zitten te
‘negeren’) is waarschijnlijk onbewust getuige geweest van
het ontwaken van het geweten, de geboorte van dat element in het kind
dat min of meer gewillig de verantwoordelijkheid op zich neemt voor
wat het doet.
Maar als we een volwassene negeren, is dat vaak met een minder onzelfzuchtige
bedoeling; en we moeten goed op onszelf letten om er zeker van te zijn
dat we met opzet onze ogen sluiten om te kunnen helpen, en niet uit
zwakheid of omdat we niet willen zien. Ik ben er heel zeker van dat
wij allemaal, bij een of andere gelegenheid, er dankbaar voor waren
dat we als blijk van welwillendheid geen reactie kregen nadat we iets
hadden gezegd of gedaan waarover we ons later schaamden en waarvan we
dan spijt hadden. Dit vriendelijke negeren was nuttig omdat het ons
in dezelfde positie bracht als het kind: alleen zijn met onszelf, alleen
met dat deel van ons dat de verantwoordelijkheid op zich moet nemen
voor al ons doen en denken. Negeren op het verkeerde moment kan echter
heel onverstandig zijn; en wanneer dat met onvriendelijke bedoelingen
gebeurt, kan het anderen diep kwetsen.
Bij wat we dagelijks meemaken zijn ook omstandigheden die ons hevig
zouden treffen als we er te veel aandacht aan zouden schenken. Toch
zou het dwaas zijn om ze te negeren. Het gaat hier weer om de ‘kunst’
van het subtiele verschil tussen het over het hoofd zien in de zin van
niet zien, en het bewust negeren en dat betekent zien maar besluiten
niets te doen. Er zijn natuurlijk bepaalde situaties waarin we in actie
moeten komen, maar er zijn andere, misschien wel meer dan we zouden
denken, waarop we geen enkele positieve invloed kunnen hebben. Maar
hoe vaak staan we onszelf toe ons er vol angst en spanning over op te
winden! Toch is het onze verantwoordelijkheid ze waar te nemen en ervan
te leren, maar ook ze te negeren voorzover het onze eigen actieve betrokkenheid
betreft. Op de lange duur zal deze instelling ons niet alleen voordeel
brengen, omdat we onszelf niet hebben uitgeput door energie onnodig
en onproductief te verbruiken, maar we zullen ook het voordeel leren
kennen van het onafhankelijk en objectief waarnemen. Het is duidelijk
dat negeren ook werkelijk handelen inhoudt – handelen door niet
te handelen!
Er is een andere categorie – de minder prettige elementen in ons
eigen karakter – die zeer gebaat zou zijn bij eenzelfde heilzame
behandeling. Te zeggen dat we een tweevoudige natuur hebben, is een
sterke simplificatie van onze ingewikkelde aard, maar voor onze uiteenzetting
is dat voldoende. We voelen allemaal dat er een waarnemer in ons is,
een deel dat toeziet terwijl we door het leven gaan, en de dingen goed
of slecht doen, en goede, slechte, of neutrale gedachten hebben; een
deel in ons dat onze karaktertrekken waarneemt en ofwel daardoor is
geamuseerd of daarover teleurgesteld en soms zelfs vol afkeer is. We
kunnen verschillende dingen doen om de ongewenste kant van ons wezen
te verbeteren. Als we deze te streng disciplineren, proberen deze ‘met
geweld’ uit ons te verwijderen, is dit volgens mij geen verstandige
manier van handelen, omdat we ons dan niet de moeite geven de oorzaak
ervan op te sporen. Er staan op z’n minst nog twee andere wegen
voor ons open: de ene is uit te vinden wat er achter die negatieve neiging
zit, proberen te begrijpen waarom die er is, en dan te trachten om de
energie die erachter zit in betere banen te leiden, in waardevoller
richtingen. Dit loopt bijna parallel aan het afleiden van de aandacht
bij een kind. De andere manier is wijselijk negeren; ik ben ervan overtuigd
dat ook dit in zo’n geval vaak effectief is. Als we een tekortkoming
bestrijden, welk dan ook, verlagen we onszelf naar het niveau daarvan
en hebben er zodoende geen greep meer op. Hoe meer aandacht we eraan
schenken, des te sterker en hardnekkiger ze wordt. Maar als we het gebrek
zien zoals het is, weten waarom het er is – precies zoals we wisten
waarom het kind datgene deed wat wij negeerden – dan slaan we
er eenvoudig geen acht op, in plaats van ons daarover druk te maken.
Als we dan enige tijd later dat gebrek plotseling missen en het aandurven
om ernaar te zoeken, kan het zijn dat we iets verschrompelds vinden
wat we nauwelijks herkennen; door gebrek aan aandacht stierf het eenvoudig
een natuurlijke dood.
Er is veel in ons dat net is als een kind: soms willen we dingen doen
waarvan we weten dat het niet goed is, juist één stapje
van het pad afwijken om ‘te zien hoe dat is’ – terwijl
we al die tijd heel goed wisten wat er zou gebeuren: we zullen de verantwoordelijkheid
zelf moeten dragen; vroeg of laat zullen we de krassen op het behang
moeten verwijderen. Onderscheidingsvermogen en moed zijn nodig; gevoeligheid
en standvastigheid, gevoel voor humor en een vleugje wijsheid kunnen
niet worden gemist. Als het ons lukt om hiervan een beetje bijeen te
brengen, kunnen we op z’n minst studenten in de kunst van het
negeren worden genoemd.