De goden wachten – achter de coulissen
Eloise Hart

 

De heldere taal van de dichters uit de oudheid,
De prachtige geestelijke kennis van oude religies,
De Kracht, de Schoonheid en de Grootsheid
Die elkaar troffen in een vallei of op een berg met pijnbomen,
Of in een bos, bij een langzaam stromende beek, of bij een bron
   met kiezelstenen,
Of bij een kloof en vochtige diepten; deze zijn allemaal verdwenen;
Zij leven niet meer voort in ons geloof of denken;
Maar het hart heeft nog altijd een taal nodig; nog steeds
Brengt het oude instinct de oude namen in herinnering;
Geesten of goden die deze aarde plachten te delen
Met de mens als met een vriend; en ook nu
Brengt Jupiter alles wat groots is,
En brengt Venus alles wat mooi is.
     – Samuel Taylor Coleridge, ‘The Piccolomini’

Ja, er was een tijd waarin goden deze aarde deelden met de mens als vriend, een tijd waarin de mensen begrepen dat de hele kosmos wordt geleid, bestuurd en bezield door menigten intelligente wezens die werken als instrumenten van de karmische wet. Overal op de hele wereld brengen mythologieën de goden nabij door verhalen over hun relatie met de aarde en de stervelingen. Ook in heilige geschriften worden bijzonderheden gegeven over verschillende orden van goden. Bij christenen blijkt deze waarheid uit hun hemelse hiërarchie van oplopende orden van engelen, aartsengelen, vorsten, tronen, deugden, heerschappijen, cherubijnen, en serafijnen, waarbij ieder een rol speelt bij het ontwikkelen van en toezicht houden op het evolutionaire leven door de hele kosmos. Theosofie maakt gebruik van typerende en diepzinnige Sanskriettermen en vertelt over ruimhartige mahātma’s, ‘grote zelven’, die ook wel adepten of meesters worden genoemd. Deze oudere broeders waken over de menselijke vorderingen en werken onvermoeibaar om de mensheid te helpen, te beschermen en te verlichten. Verder gevorderd zijn de verschillende klassen van dhyāni-chohans, ‘heren van meditatie’. Deze spirituele wezens hebben hun menselijke evolutie gedurende de afgelopen perioden van planetaire ontwikkeling voltooid. Ze verblijven op de innerlijke gebieden van de kosmos en helpen bij de evolutie van alle levende wezens. Eén klasse, de mānasaputra’s of ‘zonen van het denkvermogen’, incarneerde miljoenen jaren geleden onder de vroege mensheid om ons verstand te verlichten, zodat we konden denken, gebruikmaken van onze verbeelding, begrijpen, keuzes maken, en de verantwoordelijkheid nemen voor onze beslissingen. Bovendien wekten ze in onze ziel het verlangen om als een god te worden, een verlangen dat leidt tot het besef dat god niet iemand buiten ons is, maar zich in onszelf bevindt. We hoeven ons slechts naar binnen te keren om de goddelijke kwaliteiten van waarheid, moed en liefde te vinden.

Boeddhistische geschriften beschrijven andere categorieën van verbazingwekkende wezens. Ze beschrijven hen aan de hand van de lichamen of ‘omhulsels’ die deze bewonen, en vertellen over dharmakāya’s, sambhogakāya’s en nirmānakāya’s. De dharmakāya’s, letterlijk ‘door waarheid gevormde lichamen’, zijn die verheven wezens die in een staat van zuiver bewustzijn verkeren en die één zijn met waarheid, rechtvaardigheid en gelukzaligheid. Zulke etherische gewaden worden aangenomen door nirvāṇī’s die het toppunt van menselijke volmaaktheid hebben bereikt, omdat ze alle gevoel van egoïsme hebben ‘opgebrand’ en zich van wereldse beperkingen en gehechtheden hebben bevrijd. Het tussenliggende omhulsel is sambhogakāya, dat ‘door geluk gevormd of participatielichaam’ wordt genoemd omdat de bewoners ervan in staat zijn deel te hebben aan de verheven wijsheid van de dharmakāya’s terwijl ze hun individuele zelfbewustzijn behouden en zo banden van sympathie onderhouden met de behoeften van de wereld. Het derde omhulsel – nirmāṇakāya, ‘transformatielichaam’ – maakt het deze klasse van wezens mogelijk om met de mensheid in contact te komen. Ze bestaan uit boeddha’s, bodhisattva’s en de verst ontwikkelden van de mensheid, en werken voortdurend eraan om ons spirituele bewustzijn op te wekken door inspiratie en innerlijke leiding. Op deze manier zijn grote werken van schoonheid ‘geschapen’ en zijn de waarheden die de basis vormen van religieuze, wetenschappelijke en filosofische stelsels aan de wereld gegeven.

Als we horen over het bestaan van deze edele en welwillende wezens gaan we ons afvragen hoe we hen kunnen benaderen, hun leiding kunnen ontvangen en kunnen worden zoals zij. We krijgen ongetwijfeld hun aandacht als we ons ertoe verbinden om anderen te helpen zoals de geliefde bodhisattva Kwan Yin deed:

   Nooit zal ik persoonlijke, individuele verlossing nastreven of aanvaarden; ik zal de uiteindelijke vrede nooit alleen binnengaan; maar altijd en overal zal ik leven voor en streven naar de bevrijding van elk schepsel in de hele wereld.

Elk besluit, elke gedachte en daad in deze edele poging opent de deuren naar ons spirituele inzicht. Het zal niet lang duren tot we beseffen dat we niet alleen zijn: we krijgen hulp. Engelen en goden zijn hier onder ons en ‘wachten achter de coulissen’ tot ze worden opgemerkt. Zoals ons denken bewust werd, ruimer werd, toen we beseften dat we in staat waren zo wijs als de goden te worden, evenzo komt onze spirituele natuur tot het inzicht dat we niet alleen kinderen van de goden zijn, maar dat wij zelf goden zijn. Omdat we een van de menigten goden zijn die deze aarde als vrienden delen, kunnen ook wij bijdragen aan wat goed en eerlijk is – zoals de dichter Coleridge ons in herinnering brengt.

 

Uit het tijdschrift Sunrise sep/okt 2005

© 2005 Theosophical University Press Agency