Het Pad – Zelfgeleide evolutie
Armin Zebrowski

 

Veel mensen die we ontmoeten zijn op zoek. Weinigen weten precies waarnaar ze op zoek zijn, toch volgen ze, bewust of onbewust, een innerlijk verlangen. De motieven achter deze drang liggen diep in ons verborgen, want hier wordt niet bedoeld het najagen van wereldse dingen, maar de reis van de menselijke pelgrim. We doelen hier op vragen die velen van ons stellen. Is wat we in het dagelijkse leven ervaren het hele verhaal? Is het leven zoals wij dat leiden het waard om geleefd te worden? Is de onrechtvaardigheid en het lijden dat wijzelf en anderen voortdurend ervaren werkelijk nodig? Wat is de zin van het leven, en vooral van dit leven? Alle religies en tradities streven ernaar deze vragen te beantwoorden, en we vinden aanwijzingen voor de antwoorden in elke cultuur die we onderzoeken.

Na zijn verlichting onder de bodhi-boom wees Boeddha Śākyamuni de mensheid een weg om aan het lijden een einde te maken, een weg die precies daar begint waar de meesten van ons zich op dit moment bevinden: ‘Het is moeilijk om een pijl van grote afstand door een sleutelgat te schieten. Het is nog moeilijker de punt van een gespleten haar door een andere gespleten haar te steken. Het moeilijkste is om in te zien dat alles lijdt.’ In zijn eerste prediking, bekend als ‘het in beweging zetten van het wiel van de Wet’, onderwees hij de vier edele waarheden:

1. Er is lijden.
2. Het lijden heeft oorzaken.
3. De oorzaken van het lijden kunnen worden weggenomen.
4. Er zijn welomlijnde wegen om dit te doen.

Met het beschrijven van deze wegen gaf de Boeddha duidelijk een pad aan dat ieder mens kan gaan, en zei:

   Waarlijk, monniken, dit is de edele wijsheid betreffende het lijden: Geboorte is lijden, oud worden is lijden, ziekte is lijden, het sterven is lijden, samen zijn met mensen van wie we niet houden is lijden, en gescheiden zijn van hen die we liefhebben is lijden. En er niet in slagen te volbrengen wat we verlangen, kortom, de vijf aspecten van onze levenservaring die ons aan het leven binden, zijn op zichzelf lijden.
   Dit is waarlijk de waarheid over de oorzaak van het lijden. Het is deze hunkering naar het leven die voert tot onze wedergeboorte, deze hunkering – samen met vreugde en verlangen – die behagen schept in het leven, de dorst naar verlangens, de hunkering om te worden en de hunkering om los te laten.
   Waarlijk, monniken, dit is de edele wijsheid van het beëindigen van het lijden, dat wordt bereikt door het verlangen volledig op te geven; door afstand te doen van wereldse dingen, ze te verzaken; door het afwijzen en zich bevrijden van dit hunkeren. Dit, monniken, is inderdaad de edele waarheid betreffende het pad dat voert naar de vernietiging van het lijden. Het is het Achtvoudige Pad; het leert ons juist begrip, juiste instelling, juist spreken, juist handelen, juiste manier om in zijn levensonderhoud te voorzien, juiste inspanning, juiste herinnering, en juiste meditatie.

Boeddhisten proberen dit pad te volgen om geen verder persoonlijk karma te scheppen en zodoende de noodzaak om te reïncarneren weg te nemen. Maar deze exoterische interpretatie van de leer is uitsluitend gericht op persoonlijke verlossing. Gautama Boeddha heeft ook een esoterische kant van zijn leringen gegeven, die een beroep doet op ons meest innerlijke ethische gevoel dat zegt dat de mensheid één entiteit is. In Het Licht van Azië zegt Edwin Arnold het zo:

En in de middelste wake
Bereikte onze Heer abhijñā – een diepgaand inzicht
Dat verder reikt dan dit gebied, naar onnoembare sferen,
Stelsel na stelsel, ontelbare werelden en zonnen
Die in schitterende regelmaat bewegen, in gordel na gordel
Als delen verbonden, één en toch afzonderlijk, . . .     – Boek 6

En Arjuna, die met zijn geestelijk oog in een moment van verlichting Krishṇa ziet, zegt in de Bhagavad-Gītā:

Ik zie, o God, in uw lichaam de goden
En allerlei wezens verzameld;
. . .
Ik zie u overal, oneindig in uw vormen;
Maar ik kan noch uw begin, noch uw midden,
Noch uw einde onderscheiden,
O Heer van alles, van wie de vorm het heelal is.
. . .
U bent de onveranderlijke, het hoogste voorwerp van kennis;
U bent de laatste rustplaats van allen;
U bent de onvergankelijke verdediger van de eeuwige wet;
U bent, geloof ik, de oorspronkelijke geest.
. . .
Deze ruimte tussen hemel en aarde
Is in alle richtingen alleen van u doordrongen.
– 11:15,16,18,20

De christelijke bijbel staat vol aanwijzingen over de weg naar God, als we bereid zijn verder te kijken dan de kerkelijke, dogmatische interpretaties. Uitspraken zoals ‘Ik ben de weg, de waarheid en het leven’, of ‘Ik ben de deur: wanneer iemand door mij binnenkomt, zal hij gered worden’ (Joh. 14:6, 10:9) slaan niet op de mens Jezus, maar op ons eigen spirituele zelf, de innerlijke Christos, die ons uit de wereld van lijden voert naar de wereld van hemelse vreugde. Het Evangelie naar Mattheus laat ons zien hoe en waarom we de hemel kunnen bereiken – niet een theologische hemel, maar bevrijding van de kwellingen van het aardse leven. Hoofdstuk 13 spreekt over gelijkenissen en maakt onderscheid tussen de massa en de discipelen die de innerlijke of geheime wijsheid te horen krijgen:

De discipelen kwamen naar [Jezus] toe en vroegen:’ Waarom spreekt u in gelijkenissen tot hen? Hij antwoordde: ‘Jullie mogen de geheimen van het koninkrijk van de hemel kennen, hun is dat niet gegeven. Want wie heeft zal nog meer krijgen, en het zal overvloedig zijn; maar wie niets heeft zal zelfs het laatste worden ontnomen. Dit is de reden waarom ik in gelijkenissen tot hen spreek: omdat zij ziende blind en horende doof zijn en niets begrijpen. . . . Want het hart van dit volk is afgestompt, hun oren zijn doof en hun ogen houden ze gesloten. Met hun ogen willen ze niets zien, met hun oren niets horen, met hun hart niets begrijpen. Want anders zouden ze tot inkeer komen en zou ik hen genezen.’ Gelukkig jullie ogen omdat ze zien, en jullie oren omdat ze horen. Want ik verzeker jullie: vele profeten en rechtvaardigen hebben ernaar verlangd te zien wat jullie zien, en te horen wat jullie horen, maar ze kregen het niet te horen.’
      – 13:10-17

In welk opzicht verschillen discipelen van anderen? Zij hebben hun waardigheid getoond door hun leven te wijden aan hun innerlijke god en zijn op die manier voortgeschreden op het pad. Alleen om deze reden hebben ze ogen die zien en oren die de geheime wijsheid horen.

Het taoïsme, de oude Chinese filosofie, benadert het onderwerp vanuit een andere invalshoek. Het verwijst ons naar de bron, het onpeilbare begin dat elke speculatie tart:

Het tao of de weg dat kan worden beschreven is niet de
    absolute weg;
De naam die kan worden gegeven is niet de absolute naam.
Naamloos is het de bron van hemel en aarde;
Met een naam is het de moeder van alle dingen.
           – Tao Te Ching, 1

Dit tao is de oorsprong van al wat is en tegelijk het punt waarnaar de ‘tienduizend dingen’ terugkeren aan het eind van elke periode van manifestatie. Het is duidelijk dat alle wezens een gemeenschappelijke oorsprong hebben. De mystieke verzen van Lao-tzu bevatten veel praktisch advies over hoe we dichter bij de oorspronkelijke toestand kunnen komen en zó het scheppen van nieuw lijden kunnen vermijden:

De hemel is eeuwig, en de aarde zeer oud.
Ze kunnen eeuwig zijn en lang duren
Omdat ze niet voor zichzelf bestaan,
En daarom lang blijven bestaan.
Daarom stellen de wijzen zich op de laatste plaats,
Maar blijken toch voorop te gaan.
Ze zijn onverschillig tegenover zichzelf,
En toch houden ze altijd stand.
Komt het niet doordat ze niet voor zichzelf leven
Dat ze voldoening vinden?       – 7

De vijf kleuren verblinden de ogen;
De vijf muziektonen verdoven de oren;
De vijf smaken stompen de smaakzin af.
Rennen en jagen maken het denken dol.
Kostbare goederen houden hun bezitter alert.
Daarom schenken de wijzen liever voldoening
Aan het innerlijke zelf dan aan de uiterlijke zintuigen.
Zij aanvaarden het ene en verwerpen het andere.      – 12

Tegelijkertijd herinnert het taoïsme ons onafgebroken eraan dat wij onze eigen verlossing zijn.

Zij die anderen kennen, zijn wijs.
Zij die zichzelf kennen, zijn verlicht.
Zij die anderen overwinnen, moeten geweld gebruiken.
Zij die zichzelf overwinnen, hebben innerlijke kracht nodig.     – 33

We zouden eindeloos met zulke verwijzingen uit het werelddenken kunnen doorgaan. Of we nu kijken naar oude of moderne culturen, ze kunnen ons allemaal aangeven hoe we de weg naar de bron, naar God, naar het Hoogste Wezen, kunnen vinden. Aan de ene kant verwijzen de leringen naar een langzame, instinctmatige evolutie die in de hele natuur aan de gang is, zonder zelfbewuste keuzemogelijkheden. Aan de andere kant verwijzen ze naar een geheim mystiek pad van zelfgeleide evolutie dat zich op een of ander moment aan ons voordoet en dat we kunnen besluiten te gaan naar het hart van het universum. Zoals in Mattheus wordt gezegd: zij die hun zoektocht nog niet bewust zijn begonnen, kunnen het niet zien of horen; terwijl zij die zich laten leiden door hun dringend verlangen naar antwoorden, naar meer kennis en wijsheid, als discipelen zullen worden – hun ogen en oren zullen worden geopend.

Maar wat is het hart van het universum, en waarom zouden we dat willen bereiken? Een van de meest verheffende grondbeginselen van het occultisme is dat in onze kern alles één is. Als gastheer van bewustzijnspunten of monaden zijn we in onze meest innerlijke essentie niet alleen met elkaar verwant, maar elke monade vindt zijn oorsprong in het Hoogste Wezen; ze leeft, beweegt en bestaat in het Ene dat alles te boven gaat. U en ik zijn veelsoortig en verschillend in onze gemanifesteerde vorm, maar in onze essentie zijn we één. Alles waar ons verlangen naar uitgaat – kennis en vreugde, zuiver bewustzijn en volmaakt begrip – is te vinden in deze innerlijke godheid. Uit deze hoge bron bereiken niet alleen edele gevoelens ons hart, gemaskeerd en verduisterd door ons ego, onze onvolkomen persoonlijkheid, maar ook het verlangen naar ons geestelijk thuis komt uit deze bron.

En toch, hoe is dit geheime pad te vinden? De Brihad-āraṇyaka Upanishad zegt er dit over:

   Het oude en smalle pad dat heel ver voert, is door mij bereikt, is door mij gevonden.
   Langs dit pad trekken de wijzen, zij die Brahma kennen, omhoog, naar de hemelwereld, bevrijd.     – 4.4.8

Dit mystieke, verborgen pad begint precies waar we het het minst verwachten. Met zijn oorsprong in het eeuwige daalt het af en raakt ons dagelijks leven, en de bestemming ervan is de eeuwigheid zelf. We zouden niet moeten streven naar een of andere ververwijderde, toekomstige inwijding; nee, het pad begint hier, in het heden, vandaag, precies op dit moment, telkens wanneer we gereed zijn ernaar uit te zien en het te gaan. We kunnen de eerste stappen doen door in de loop van de dag trouw onze verplichtingen na te komen. Telkens wanneer we bereid zijn om onbaatzuchtig en in het belang van de mensheid te denken, te voelen en te handelen, zetten we onze eerste stappen op wat op het eerste gezicht een bijna onzichtbaar spoor lijkt, en elke keer dat we met succes ons lagere zelf de baas zijn, doen we een stap vooruit. De leringen van het noordelijke boeddhisme en die van de Vedānta van de hindoes vertellen ons dat dit universum een reusachtig levend organisme is, en dat we daarin leven en sterven met als doel onze innerlijke zintuigen te scherpen, ons ethisch gevoel te verbeteren, en ons beperkte zelf te overwinnen. Alleen door dat te doen kan ons bewustzijn geleidelijk edeler worden en, in de verre toekomst, één-worden met het universele bewustzijn – alwetend worden. Zo zal het ego-gerichte zelfbewustzijn worden verheven tot een universeel niveau van ik-ben-bewustzijn; in alchemistische termen, lood wordt goud, en het is de ‘steen der wijzen’ die dit mogelijk maakt.

Wanneer we dit beseffen, kunnen we de Griekse spreuk ‘ken uzelf’ beter begrijpen en in ons dagelijks leven toepassen als gids bij ons zoeken naar antwoorden op de vragen waarvoor we in het leven komen te staan. Wat zijn we dan, als we niet een deel of uitdrukking, een weerspiegeling of manifestatie, zijn van het innerlijke licht van universeel bewustzijn, van de gelukzaligheid die we het hart van het universum kunnen noemen?

Door dit idee te aanvaarden erkennen we onze grote verantwoordelijkheid tegenover alle wezens en dingen. We beseffen ook hoe belangrijk het is om voor onszelf onaantastbare ethische opvattingen te ontwikkelen en die te beproeven. We beseffen dat we tenslotte kinderen zijn van dit universum, dat het ons ouderlijk huis is en dat het aan ieder van ons is om onze weg terug te vinden naar dit onmetelijke huis van licht, naar onze familie. Deze weg te gaan betekent onbaatzuchtig handelen; het betekent een onafgebroken groei van ons bewustzijn en een grenzeloze uitbreiding van ons begrip en mededogen. Met dit in gedachten spreken de boeddhisten van de tathāgata’s, zij die ‘aldus gekomen en aldus gegaan zijn’. Zij hebben het laatste stadium van menselijke ontwikkeling bereikt en voltooid door het stille smalle pad te volgen tot het eind om deel te worden van het universele zelf. Zoals De Stem van de Stilte het uitdrukt:

De weg naar uiteindelijke vrijheid ligt in uw zelf.
Die weg begint en eindigt buiten het zelf.
. . .
Vreugde aan u, mensen van Myalba.
Een pelgrim is teruggekeerd ‘van de andere oever’.
Een nieuwe Arhan [verlosser van de mensheid] is geboren. . . .
Vrede aan alle wezens.    – blz. 36, 69

Laten we bij het lezen van deze inspirerende woorden niet vergeten dat ook deze arhans stap voor stap dit lange, steile en moeilijke pad zijn gegaan dat wij in onze geestelijke visie voor ogen hebben. Zij namen elk van die stappen in hun dagelijks leven. Deze arhans zijn onze gidsen, de lampen die voor ons de weg verlichten. Ieder van ons is zijn eigen weg, de weg die wij kunnen nemen in onze zelfgeleide evolutie naar het hart van het universum.

 
 

Uit het tijdschrift Sunrise sep/okt 2005

© 2005 Theosophical University Press Agency