Veel mensen die we ontmoeten zijn op zoek. Weinigen weten precies waarnaar
ze op zoek zijn, toch volgen ze, bewust of onbewust, een innerlijk verlangen.
De motieven achter deze drang liggen diep in ons verborgen, want hier
wordt niet bedoeld het najagen van wereldse dingen, maar de reis van
de menselijke pelgrim. We doelen hier op vragen die velen van ons stellen.
Is wat we in het dagelijkse leven ervaren het hele verhaal? Is het leven
zoals wij dat leiden het waard om geleefd te worden? Is de onrechtvaardigheid
en het lijden dat wijzelf en anderen voortdurend ervaren werkelijk nodig?
Wat is de zin van het leven, en vooral van dit leven? Alle religies
en tradities streven ernaar deze vragen te beantwoorden, en we vinden
aanwijzingen voor de antwoorden in elke cultuur die we onderzoeken.
Na zijn verlichting onder de bodhi-boom wees Boeddha Śākyamuni
de mensheid een weg om aan het lijden een einde te maken, een weg die
precies daar begint waar de meesten van ons zich op dit moment bevinden:
‘Het is moeilijk om een pijl van grote afstand door een sleutelgat
te schieten. Het is nog moeilijker de punt van een gespleten haar door
een andere gespleten haar te steken. Het moeilijkste is om in te zien
dat alles lijdt.’ In zijn eerste prediking, bekend als ‘het
in beweging zetten van het wiel van de Wet’, onderwees hij de
vier edele waarheden:
1. Er is lijden.
2. Het lijden heeft oorzaken.
3. De oorzaken van het lijden kunnen worden weggenomen.
4. Er zijn welomlijnde wegen om dit te doen.
Met het beschrijven van deze wegen gaf de Boeddha duidelijk een pad
aan dat ieder mens kan gaan, en zei:
Waarlijk, monniken, dit is de edele
wijsheid betreffende het lijden: Geboorte is lijden, oud worden is
lijden, ziekte is lijden, het sterven is lijden, samen zijn met mensen
van wie we niet houden is lijden, en gescheiden zijn van hen die we
liefhebben is lijden. En er niet in slagen te volbrengen wat we verlangen,
kortom, de vijf aspecten van onze levenservaring die ons aan het leven
binden, zijn op zichzelf lijden.
Dit is waarlijk de waarheid over de oorzaak van
het lijden. Het is deze hunkering naar het leven die voert tot onze
wedergeboorte, deze hunkering – samen met vreugde en verlangen
– die behagen schept in het leven, de dorst naar verlangens,
de hunkering om te worden en de hunkering om los te laten.
Waarlijk, monniken, dit is de edele wijsheid van
het beëindigen van het lijden, dat wordt bereikt door het verlangen
volledig op te geven; door afstand te doen van wereldse dingen, ze
te verzaken; door het afwijzen en zich bevrijden van dit hunkeren.
Dit, monniken, is inderdaad de edele waarheid betreffende het pad
dat voert naar de vernietiging van het lijden. Het is het Achtvoudige
Pad; het leert ons juist begrip, juiste instelling, juist spreken,
juist handelen, juiste manier om in zijn levensonderhoud te voorzien,
juiste inspanning, juiste herinnering, en juiste meditatie.
Boeddhisten proberen dit pad te volgen om geen verder persoonlijk karma
te scheppen en zodoende de noodzaak om te reïncarneren weg te nemen.
Maar deze exoterische interpretatie van de leer is uitsluitend gericht
op persoonlijke verlossing. Gautama Boeddha heeft ook een esoterische
kant van zijn leringen gegeven, die een beroep doet op ons meest innerlijke
ethische gevoel dat zegt dat de mensheid één entiteit
is. In Het Licht van Azië zegt Edwin Arnold het zo:
En in de middelste wake
Bereikte onze Heer abhijñā – een diepgaand inzicht
Dat verder reikt dan dit gebied, naar onnoembare sferen,
Stelsel na stelsel, ontelbare werelden en zonnen
Die in schitterende regelmaat bewegen, in gordel na gordel
Als delen verbonden, één en toch afzonderlijk, . .
. – Boek 6
En Arjuna, die met zijn geestelijk oog in een moment van verlichting
Krishṇa ziet, zegt in de Bhagavad-Gītā:
Ik zie, o God, in uw lichaam de goden
En allerlei wezens verzameld;
. . .
Ik zie u overal, oneindig in uw vormen;
Maar ik kan noch uw begin, noch uw midden,
Noch uw einde onderscheiden,
O Heer van alles, van wie de vorm het heelal is.
. . .
U bent de onveranderlijke, het hoogste voorwerp van kennis;
U bent de laatste rustplaats van allen;
U bent de onvergankelijke verdediger van de eeuwige wet;
U bent, geloof ik, de oorspronkelijke geest.
. . .
Deze ruimte tussen hemel en aarde
Is in alle richtingen alleen van u doordrongen.
– 11:15,16,18,20
De christelijke bijbel staat vol aanwijzingen over de weg naar God,
als we bereid zijn verder te kijken dan de kerkelijke, dogmatische interpretaties.
Uitspraken zoals ‘Ik ben de weg, de waarheid en het leven’,
of ‘Ik ben de deur: wanneer iemand door mij binnenkomt, zal hij
gered worden’ (Joh. 14:6, 10:9) slaan niet op de mens
Jezus, maar op ons eigen spirituele zelf, de innerlijke Christos, die
ons uit de wereld van lijden voert naar de wereld van hemelse vreugde.
Het Evangelie naar Mattheus laat ons zien hoe en waarom we
de hemel kunnen bereiken – niet een theologische hemel, maar bevrijding
van de kwellingen van het aardse leven. Hoofdstuk 13 spreekt over gelijkenissen
en maakt onderscheid tussen de massa en de discipelen die de innerlijke
of geheime wijsheid te horen krijgen:
De discipelen kwamen naar [Jezus] toe en vroegen:’
Waarom spreekt u in gelijkenissen tot hen? Hij antwoordde: ‘Jullie
mogen de geheimen van het koninkrijk van de hemel kennen, hun is dat
niet gegeven. Want wie heeft zal nog meer krijgen, en het zal overvloedig
zijn; maar wie niets heeft zal zelfs het laatste worden ontnomen.
Dit is de reden waarom ik in gelijkenissen tot hen spreek: omdat zij
ziende blind en horende doof zijn en niets begrijpen. . . . Want het
hart van dit volk is afgestompt, hun oren zijn doof en hun ogen houden
ze gesloten. Met hun ogen willen ze niets zien, met hun oren niets
horen, met hun hart niets begrijpen. Want anders zouden ze tot inkeer
komen en zou ik hen genezen.’ Gelukkig jullie ogen omdat ze
zien, en jullie oren omdat ze horen. Want ik verzeker jullie: vele
profeten en rechtvaardigen hebben ernaar verlangd te zien wat jullie
zien, en te horen wat jullie horen, maar ze kregen het niet te horen.’
– 13:10-17
In welk opzicht verschillen discipelen van anderen? Zij hebben hun
waardigheid getoond door hun leven te wijden aan hun innerlijke god
en zijn op die manier voortgeschreden op het pad. Alleen om deze reden
hebben ze ogen die zien en oren die de geheime wijsheid horen.
Het taoïsme, de oude Chinese filosofie, benadert het onderwerp
vanuit een andere invalshoek. Het verwijst ons naar de bron, het onpeilbare
begin dat elke speculatie tart:
Het tao of de weg dat kan worden beschreven is
niet de
absolute weg;
De naam die kan worden gegeven is niet de absolute naam.
Naamloos is het de bron van hemel en aarde;
Met een naam is het de moeder van alle dingen.
–
Tao Te Ching, 1
Dit tao is de oorsprong van al wat is en tegelijk het punt waarnaar
de ‘tienduizend dingen’ terugkeren aan het eind van elke
periode van manifestatie. Het is duidelijk dat alle wezens een gemeenschappelijke
oorsprong hebben. De mystieke verzen van Lao-tzu bevatten veel praktisch
advies over hoe we dichter bij de oorspronkelijke toestand kunnen komen
en zó het scheppen van nieuw lijden kunnen vermijden:
De hemel is eeuwig, en de aarde zeer oud.
Ze kunnen eeuwig zijn en lang duren
Omdat ze niet voor zichzelf bestaan,
En daarom lang blijven bestaan.
Daarom stellen de wijzen zich op de laatste plaats,
Maar blijken toch voorop te gaan.
Ze zijn onverschillig tegenover zichzelf,
En toch houden ze altijd stand.
Komt het niet doordat ze niet voor zichzelf leven
Dat ze voldoening vinden? –
7
De vijf kleuren verblinden de ogen;
De vijf muziektonen verdoven de oren;
De vijf smaken stompen de smaakzin af.
Rennen en jagen maken het denken dol.
Kostbare goederen houden hun bezitter alert.
Daarom schenken de wijzen liever voldoening
Aan het innerlijke zelf dan aan de uiterlijke zintuigen.
Zij aanvaarden het ene en verwerpen het andere. –
12
Tegelijkertijd herinnert het taoïsme ons onafgebroken eraan dat
wij onze eigen verlossing zijn.
Zij die anderen kennen, zijn wijs.
Zij die zichzelf kennen, zijn verlicht.
Zij die anderen overwinnen, moeten geweld gebruiken.
Zij die zichzelf overwinnen, hebben innerlijke kracht nodig.
– 33
We zouden eindeloos met zulke verwijzingen uit het werelddenken kunnen
doorgaan. Of we nu kijken naar oude of moderne culturen, ze kunnen ons
allemaal aangeven hoe we de weg naar de bron, naar God, naar het Hoogste
Wezen, kunnen vinden. Aan de ene kant verwijzen de leringen naar een
langzame, instinctmatige evolutie die in de hele natuur aan de gang
is, zonder zelfbewuste keuzemogelijkheden. Aan de andere kant verwijzen
ze naar een geheim mystiek pad van zelfgeleide evolutie dat zich op
een of ander moment aan ons voordoet en dat we kunnen besluiten te gaan
naar het hart van het universum. Zoals in Mattheus wordt gezegd:
zij die hun zoektocht nog niet bewust zijn begonnen, kunnen het niet
zien of horen; terwijl zij die zich laten leiden door hun dringend verlangen
naar antwoorden, naar meer kennis en wijsheid, als discipelen zullen
worden – hun ogen en oren zullen worden geopend.
Maar wat is het hart van het universum, en waarom zouden we dat willen
bereiken? Een van de meest verheffende grondbeginselen van het occultisme
is dat in onze kern alles één is. Als gastheer van bewustzijnspunten
of monaden zijn we in onze meest innerlijke essentie niet alleen met
elkaar verwant, maar elke monade vindt zijn oorsprong in het Hoogste
Wezen; ze leeft, beweegt en bestaat in het Ene dat alles te boven gaat.
U en ik zijn veelsoortig en verschillend in onze gemanifesteerde vorm,
maar in onze essentie zijn we één. Alles waar ons verlangen
naar uitgaat – kennis en vreugde, zuiver bewustzijn en volmaakt
begrip – is te vinden in deze innerlijke godheid. Uit deze hoge
bron bereiken niet alleen edele gevoelens ons hart, gemaskeerd en verduisterd
door ons ego, onze onvolkomen persoonlijkheid, maar ook het verlangen
naar ons geestelijk thuis komt uit deze bron.
En toch, hoe is dit geheime pad te vinden? De Brihad-āraṇyaka
Upanishad zegt er dit over:
Het oude en smalle pad dat heel
ver voert, is door mij bereikt, is door mij gevonden.
Langs dit pad trekken de wijzen, zij die Brahma
kennen, omhoog, naar de hemelwereld, bevrijd.
– 4.4.8
Dit
mystieke, verborgen pad begint precies waar we het het minst verwachten.
Met zijn oorsprong in het eeuwige daalt het af en raakt ons dagelijks
leven, en de bestemming ervan is de eeuwigheid zelf. We zouden niet
moeten streven naar een of andere ververwijderde, toekomstige inwijding;
nee, het pad begint hier, in het heden, vandaag, precies op dit moment,
telkens wanneer we gereed zijn ernaar uit te zien en het te gaan. We
kunnen de eerste stappen doen door in de loop van de dag trouw onze
verplichtingen na te komen. Telkens wanneer we bereid zijn om onbaatzuchtig
en in het belang van de mensheid te denken, te voelen en te handelen,
zetten we onze eerste stappen op wat op het eerste gezicht een bijna
onzichtbaar spoor lijkt, en elke keer dat we met succes ons lagere zelf
de baas zijn, doen we een stap vooruit. De leringen van het noordelijke
boeddhisme en die van de Vedānta van de hindoes vertellen ons
dat dit universum een reusachtig levend organisme is, en dat we daarin
leven en sterven met als doel onze innerlijke zintuigen te scherpen,
ons ethisch gevoel te verbeteren, en ons beperkte zelf te overwinnen.
Alleen door dat te doen kan ons bewustzijn geleidelijk edeler worden
en, in de verre toekomst, één-worden met het universele
bewustzijn – alwetend worden. Zo zal het ego-gerichte zelfbewustzijn
worden verheven tot een universeel niveau van ik-ben-bewustzijn; in
alchemistische termen, lood wordt goud, en het is de ‘steen der
wijzen’ die dit mogelijk maakt.
Wanneer we dit beseffen, kunnen we de Griekse spreuk ‘ken uzelf’
beter begrijpen en in ons dagelijks leven toepassen als gids bij ons
zoeken naar antwoorden op de vragen waarvoor we in het leven komen te
staan. Wat zijn we dan, als we niet een deel of uitdrukking, een weerspiegeling
of manifestatie, zijn van het innerlijke licht van universeel bewustzijn,
van de gelukzaligheid die we het hart van het universum kunnen noemen?
Door dit idee te aanvaarden erkennen we onze grote verantwoordelijkheid
tegenover alle wezens en dingen. We beseffen ook hoe belangrijk het
is om voor onszelf onaantastbare ethische opvattingen te ontwikkelen
en die te beproeven. We beseffen dat we tenslotte kinderen zijn van
dit universum, dat het ons ouderlijk huis is en dat het aan ieder van
ons is om onze weg terug te vinden naar dit onmetelijke huis van licht,
naar onze familie. Deze weg te gaan betekent onbaatzuchtig handelen;
het betekent een onafgebroken groei van ons bewustzijn en een grenzeloze
uitbreiding van ons begrip en mededogen. Met dit in gedachten spreken
de boeddhisten van de tathāgata’s, zij die ‘aldus
gekomen en aldus gegaan zijn’. Zij hebben het laatste stadium
van menselijke ontwikkeling bereikt en voltooid door het stille smalle
pad te volgen tot het eind om deel te worden van het universele zelf.
Zoals De Stem van de Stilte het uitdrukt:
De weg naar uiteindelijke vrijheid ligt in uw zelf.
Die weg begint en eindigt buiten het zelf.
. . .
Vreugde aan u, mensen van Myalba.
Een pelgrim is teruggekeerd ‘van de andere oever’.
Een nieuwe Arhan [verlosser van de mensheid] is geboren. . . .
Vrede aan alle wezens. – blz. 36, 69
Laten we bij het lezen van deze inspirerende woorden niet vergeten
dat ook deze arhans stap voor stap dit lange, steile en moeilijke pad
zijn gegaan dat wij in onze geestelijke visie voor ogen hebben. Zij
namen elk van die stappen in hun dagelijks leven. Deze arhans zijn onze
gidsen, de lampen die voor ons de weg verlichten. Ieder van ons is zijn
eigen weg, de weg die wij kunnen nemen in onze zelfgeleide evolutie
naar het hart van het universum.