Achter de sluiers van de natuur
Armin Zebrowski

 

Òf een geordend heelal, òf een chaos van verwardheid. Beslist een wereldorde. Of denk je dat de orde in jou overeenstemt met wanorde in het heelal?    – Marcus Aurelius

Hoe mooi en verheven is de wereld waarin we leven! Het licht van de ochtendzon raakt ons lichtjes aan en wekt in ons een diep gevoel van nederigheid tegenover de grootsheid van het leven. Planten, dieren, de nachtelijke hemel, een lange blik in de ogen van een vriend – hoe volmaakt brengen onze ogen schoonheid aan ons over, maar even gemakkelijk het tegenovergestelde ervan. Zo is het ook gesteld met onze oren, die de kakofonie van de stad kunnen overbrengen maar evengoed de zang van de merel of de harmonieën van een muzikaal genie die worden gespeeld door een virtuoos. Ook de tast-, smaak- en reukzintuigen stellen ons in staat de wereld op onze speciale menselijke manier te voelen, waar te nemen en te onderscheiden. Maar zijn ze niet ook onze grootste gevangenis waarin we vrijwillig en met genoegen verblijven?

We hebben onze zintuiglijke vermogens steeds verder geëvolueerd terwijl we op de planeet aarde ontwikkelingsronden volgden, en hebben zo bijna ons hele bewustzijn aan onze stoffelijke zintuigen gebonden. De vraag is: wat hebben we misschien opgegeven om dit te bereiken? Een antwoord brengt weer andere vragen mee: Wat is een steen, een appel, een planeet? Wat is het universum met al zijn aspecten en ontelbare massa’s manifestaties? Geven onze zintuigen aan dat dit de enige echte werkelijkheid is omdat het tastbaar is? En wie is de schepper ervan? In zulke vragen ligt het antwoord op de grootste vraag: Wat is de betekenis van ons leven – als die er al is? Iedere religie, filosofie en natuurwetenschap probeert deze vraag te beantwoorden.

De mensheid voelt intuïtief aan dat er in het moderne leven iets ontbreekt, dat een innerlijke leegte zich uitbreidt. Mensen proberen vaak indringende vragen en de daaruit voortvloeiende gevoelens van ontevredenheid te negeren door verhoogde zintuiglijke en lichamelijke activiteit, maar dit is alsof men probeert zijn dorst te lessen met zout water. Volgens de wijsheid van Gautama Boeddha is het tanha of trishna, de dorst naar leven en zintuiglijke waarnemingen, die ons aanzet om steeds weer te incarneren. Het boeddhisme beschouwt dit als de grondoorzaak van het lijden.

Wat voor antwoorden geven moderne wetenschappers op de vraag: Wat is de wereld? Aangespoord door de relativiteitstheorie van Albert Einstein en door de kwantummechanica, gepostuleerd door Werner Heisenberg, Paul Dirac en Erwin Schrödinger, vormden leidende natuurkundigen een krachtige stroming die op zoek ging naar een Theorie van Alles. Deze theorie is bedoeld om niet alleen een verklaring te geven voor ruimte en tijd, maar ook om alle verschijnselen te verklaren en te voorspellen. Ze omvat kwantumfysica, sterke en zwakke atoomkrachten, zwaartekracht, elektriciteit en magnetisme. Belangrijk is ook een verklaring van het ontstaan van het heelal.

Het meest geavanceerde onderzoek door natuurkundigen betreft op dit moment de M-theorie die een netwerk van verbanden beschrijft, zogenaamde dualiteiten, die de vijf onafhankelijke snaartheorieën en de elfdimensionale super-zwaartekracht verbinden. In The Universe in a Nutshell [Het heelal in een notendop] schrijft Stephen Hawking dat het inzicht in M-theorie nog verre van volledig is: ‘We zijn dichterbij deze doelstelling gekomen . . . , maar we kunnen de oorsprong van het heelal nog steeds niet verklaren.’ Ongetwijfeld heeft de wetenschap verreikend inzicht en geweldig grote kennis verkregen en technologische vooruitgang geboekt. Maar geeft ze wel echt antwoorden die zich op lange termijn zullen handhaven, antwoorden die zowel het hart als het verstand bevredigen?

Laten we het onderwerp bewustzijn eens nader beschouwen. Hoewel bewustzijn niet mathematisch of natuurkundig kan worden vastgesteld, wordt het nog altijd algemeen beschouwd als een stoffelijk neveneffect dat eindigt bij de dood. Niettemin hebben in de twintigste eeuw toonaangevende natuurkundigen zelf metafysische ideeën verdedigd die aan deze opvatting tegengesteld zijn. Zo heeft Max Planck in een interview in de Londense Observer gereageerd op de vraag of hij geloofde dat bewustzijn kon worden verklaard als een functie van de stof: ‘Nee, ik zie bewustzijn als essentieel. Ik zie de stof als afgeleid van bewustzijn. We kunnen het bewustzijn niet achterhalen. Alles waarover we praten, alles wat we als bestaand beschouwen, vooronderstelt bewustzijn.’1 Deze mening wordt gesteund door sommige wetenschappers die bewustzijn onderzoeken, zoals Stanislov Grof. Hij schrijft dat zulke studies ‘radicaal in strijd zijn met de meest fundamentele veronderstellingen van de materialistische wetenschap betreffende bewustzijn, de menselijke natuur en de aard van de werkelijkheid. Ze geven duidelijk aan dat bewustzijn geen product van de hersenen is, maar een hoofdelement van het bestaan, en dat het een essentiële rol speelt in de schepping van de wereld van verschijnselen’ (The Cosmic Game, blz. 3).

Op dit punt staan twee gedachtewerelden lijnrecht tegenover elkaar. Aan de ene kant vinden we de voornaamste heersende wetenschappelijke opvatting die zegt dat het heelal is ontstaan als gevolg van een Big Bang en dat het bestaat uit een reusachtige maar eindige hoeveelheid kwantums (en misschien snaren) die alle verschijnselen teweegbrengen, waaronder wijzelf en bewustzijn. Aan de andere kant staat het wereldbeeld van de occulte wetenschap en van veel spirituele tradities die de verschijnselenwereld aanvaarden als een product van bewustzijn en stellen dat bewustzijn en stof in essentie één zijn. Deze opvatting aanvaardt geen uiteindelijk begin of einde van het universum, maar stelt veeleer dat bestaande vormen afwisselend tijdvakken van manifestatie en van rust doormaken. Welke inzichten biedt deze archaïsche wetenschap ons die van belang kunnen zijn bij het vinden van antwoorden op de grote levensvragen?

Het occultisme heeft betrekking op de verborgen kanten van de functies en processen van de natuur en de mens. De leringen ervan zijn echter even moeilijk te begrijpen als de n-dimensionale ruimten en opgerolde dimensies van de tegenwoordige snaartheorieën. Toch kunnen we wel een ingang vinden als we proberen een nieuw continent van denken te betreden en ons te bevrijden van vooroordelen en dogma’s. De conclusies van de occulte wetenschap zijn het resultaat van duizenden jaren van onderzoek. Wijzen en zieners, meesters van het leven en wijsheid, hebben gedurende een groot aantal generaties ervaringen opgedaan, experimenten en onderzoek gedaan, en nagedacht om hun bevindingen te verzamelen en systematisch weer te geven. Zulke stelsels verschaffen nauwkeurige aanwijzingen hoe spirituele ervaringen kunnen worden teweeggebracht, en methoden herhaaldelijk kunnen worden bevestigd en vernieuwd. De resultaten van hun reizen naar andere sferen van bewustzijn en bestaan werden van de ene adept aan de andere adept doorgegeven om ze beschikbaar te stellen aan hen die zijn getraind om de innerlijke werelden te bestuderen, en om ze voor de mensheid veilig te stellen.

Volgens het occultisme wordt de fysieke natuur vanuit haar eigen innerlijke wezen voortgebracht. De materiële wereld is slechts een sluier, een manifestatie van innerlijke oorzaken en krachten. Wat we waarnemen weerspiegelt daarom een innerlijk universum dat voor onze zintuigen is verborgen. In feite beschrijft theosofie de hele kosmos als bewustzijn dat in vele vormen tot manifestatie komt om zich ten volle te ontwikkelen en tot uitdrukking te brengen. De kosmos is geordend in hiërarchieën die zich van binnen naar buiten ontvouwen en daarna aan het einde van een tijdperk van manifestatie worden ingerold. In de filosofie van de hindoes wordt dit proces weergegeven als Brahma die het heelal eerst uitademt en dan weer inademt, overeenkomstig de karmische noodzaak.

De periodieke terugkeer van alles wat is gemanifesteerd is een van de grote grondbeginselen van het bestaan. Het universum vloeit voort uit de Oorzaakloze Oorzaak, de transcendente oorsprong van alles wat bestaat, en wisselt tijdperken van activiteit af met tijdperken van ontbinding. Het punt van oorsprong en terugkeer is dat naamloze beginsel (waaraan verschillende namen zijn gegeven: tat, tao, enz.), de bron en het doel van het bestaan. Zoals Lao-tse (Laozi) in de Tao Te Ching heeft geschreven:

Het tao dat kan worden uitgesproken is niet het eeuwige tao.
Als er een naam aan wordt gegeven dan is het niet de eeuwige naam.
Wat geen naam heeft is de oorsprong van hemel en aarde.
Wat je met een naam kunt aanduiden is de moeder van tienduizend dingen.
Wie zijn begeerten altijd heeft overwonnen kan het onbeschrijflijke wonder waarnemen.
Wie nog begeerten heeft, kan de manifestaties waarnemen.
Deze beide komen voort uit dezelfde bron, maar verschillen van naam;
Beide zijn mysterieus.
Het mysterie van het mysterieuze
Is de poort naar elk onbeschrijflijk wonder.

Een hiermee vergelijkbare leer wordt door Krishna weergegeven in de Bhagavad Gita:

Het hele heelal is van mij doordrongen in mijn onzichtbare vorm; alle wezens bestaan in mij, maar ik besta niet in hen. Noch zijn alle wezens in mij; aanschouw dit, mijn goddelijk mysterie: zelf veroorzaak ik het bestaan van de wezens en ondersteun ik ze alle, maar ik verblijf niet in hen. . . . aan het einde van een kalpa [dag van Brahma] keren alle wezens in mijn stoffelijke natuur (prakriti) terug en aan het begin van een (andere) kalpa breng ik ze weer voort. Terwijl ik steun op mijn eigen prakriti, straal ik telkens weer deze hele menigte machteloze wezens uit, door de macht van mijn prakriti.    – Hoofdstuk 9

In het Westen wordt zo’n pantheïsme vaag begrepen als de goddelijke Geest die achter het universum staat. Deze Geest wordt beschouwd als onpersoonlijk en is een alomtegenwoordige kracht die in alle dingen actief is, en alle dingen zijn een deel ervan. Dit betekent niet dat iedere steen, plant of stoffelijk voorwerp een volledig ontwikkelde god is, maar dat de essentiële bewustzijn-energie-substantie van het heelal overal dezelfde is: in de steen, in de plant, in u en in mij, in de planeten en sterren. Dus Geest wordt gemanifesteerd in een oneindig aantal vormen, en u en ik en het heelal zijn Eén. Vanuit dit gezichtspunt is het stoffelijke heelal slechts een levend kledingstuk gemaakt van bewustzijn-leven-substantie, een ladder van bewustzijn of leven die zich naar binnen en naar buiten oneindig uitstrekt. In gedachte kunnen we deze ladder beklimmen: van het stoffelijke naar meer etherische, spirituele en goddelijke sferen en eindeloos verder.

Hoe prachtig is deze zienswijze in vergelijking met de gangbare veronderstelling dat het universum en de mensen misschien zijn geschapen uit niets en op een dag een onherroepelijke dood zullen sterven. Hoe zou een absoluut vacuüm, leegte, niets, deze prachtige kosmos kunnen voortbrengen? Dit is maar een theorie, hetzij opgesteld door wetenschappers of verkondigd door religieuze dogmatici. Daartegenover staan de tradities van de mensheid die leren dat een beginsel dat boven menselijke bespiegelingen staat de bron van al het bestaande is; dat het universum is geëmaneerd uit deze onnoembare eerste oorzaak; en dat wat lang tevoren al bestond zich opnieuw heeft belichaamd. Het universum belichaamt zich steeds weer, evenals alle andere dingen.

Waarom verschijnt het universum opnieuw? Dat komt door de goddelijke honger van het leven om zichzelf te leren kennen, om tot iets groters te groeien. Wij mensen kunnen naar de reden alleen maar gissen: ‘Ik weet niet waar het vandaan komt, het is de stamvader van de keizers’, zei Lao-tse. Alle dingen willen zich ontplooien en zelfbewust één worden met het Oneindige. Er ligt grote schoonheid in deze gedachte die oprijst vanuit de diepte in ons, dat wijzelf het Oneindige zijn en deel van het grote Al. Onze wens om te leven, te groeien, is dezelfde wens die het universum ertoe aanzet om opnieuw tot bestaan te komen.

Het hindoe-denkbeeld maya (illusie) benadrukt deze opvatting van de natuur. Het beschouwt alles wat we met onze fysieke zintuigen kunnen waarnemen als vergankelijk en daarom niet als de werkelijkheid van het bestaan. In die betekenis is ons fysieke lichaam een illusie, evenals de tafel die we aanraken. De appel die we eten, de smaak ervan, het hongergevoel dat door de appel wordt bevredigd – alles is eenvoudig zintuiglijke waarneming omgezet in elektromagnetische signalen die tenslotte door het waarnemend bewustzijn worden uitgelegd op grond van eerdere ervaringen. De harde rand van de tafel waartegen we onze knie stoten, de scherpe pijn, zijn gewoon zenuwsignalen die we interpreteren; de aanblik van de zonsopgang is alleen een interpretatie door de kegeltjescellen van de ogen, omgezet en omgevormd in de ijle stoffelijke werelden van het bewustzijn – misschien. Maar wat is dat lichaam dan feitelijk als het slechts een illusie is?

Het lichaam is – evenals ieder ander lichaam – een manifestatie van verdicht en in de stof gegoten bewustzijn. Het bestaat uit een enorme menigte kleinere bewustzijnscentra die we monaden kunnen noemen, de zielen van atomen, of levensatomen. De stoffelijke atomen zijn de lichamen van die levensatomen. Onder leiding van de spirituele essentie in ons brengen deze grote aantallen atoom-monaden gezamenlijk het fysieke lichaam voort. Wanneer het lichaam sterft, verdwijnt de vorm ervan. De levensatomen gaan vervolgens hun eigen weg in de natuurrijken, as tot as, stof tot stof. De eigenlijke mens, het bewustzijn dat het lichaam voortbracht, sterft niet; het trekt zich eenvoudig terug op een ander bestaansgebied. Het thuis van ons bewustzijn is het universum waarvan we allemaal kinderen zijn; de vormen zijn vergankelijke manifestaties op stoffelijke gebieden. Dit betekent dat we niet werkelijk kunnen sterven. We verlaten ons lichaam aan het einde van ons leven en laten de levensatomen los die het hebben opgebouwd; zo beginnen we aan onze lange reis door de innerlijke ruimten tot er een nieuwe oproep komt om te incarneren. We veranderen ons uiterlijk, maar dood in de betekenis van algehele vernietiging zonder terugkeer, bestaat niet.

Hoe kan dit etherische bewustzijn dan compacte materie worden – een steen of een stuk hout? Als we dit overdenken kunnen we het oude axioma toepassen ‘Zo boven, zo beneden; zo beneden, zo boven.’ Als we naar een atoom kijken, kunnen we zien dat het een naar verhouding grote ruimte inneemt, maar dat de kern en elektronen zelf erg weinig ruimte in beslag nemen. Minstens 99.9% van het atoomgewicht is in de kern geconcentreerd. Als we de kern zouden vergroten tot de omvang van een sinaasappel, zou de binnenste elektronenschil er mijlenver vandaan zijn. We komen tot de ontdekking dat zelfs substanties waarin de atomen erg dicht lijken te zijn samengepakt, weinig materie bevatten. De rest is – lege ruimte? Niet werkelijk. De veelvoudige ruimten van de ruimte zijn gevuld met het duizendvoudige bewustzijn dat elke plaats vult, en ook de verschillende manifestaties ervan die we met onze menselijke zintuigen of technologie (nog) niet kunnen waarnemen. Het universum is bewustzijn, vanbinnen en vanbuiten. Indien we vertrouwen op onze zintuiglijke waarnemingen, vergeten we het meest essentiële – het oorzakelijke monadische bewustzijn. Het is interessant dat onderlinge atomaire verhoudingen van massa en afmeting erg nauw overeenkomen met die van ons zonnestelsel. Onze zon vertegenwoordigt 99,8% van de massa in ons zonnestelsel, en de rest bestaat uit de planeten en interstellair stof. ‘Het ene atoom is even ver verwijderd van het andere als de maan van de aarde, of de ene ster van de andere’, zoals Emerson het beschreef.

Als we deze gedachtegang voortzetten, constateren we dat hoewel ons verstand de redenering kan volgen, het de nieuwe wereld die zich binnenin ons ontvouwt niet volledig kan doorgronden. Wanneer we het vertrouwde terrein van onze zintuiglijke waarnemingen verlaten, moeten we de wereld op een nieuwe manier leren beschouwen. Het occultisme stelt ons in staat achter de sluiers van de stof te kijken die onze zintuigen beperken en misleiden. Een van de belangrijkste grondstellingen ervan is dat het universum van binnen naar buiten tot aanzijn komt en dat het wezenlijke achter alles bewustzijn is, dat de andere fasen van het kosmische bestaan omvat die we leven en materie noemen. Dit bewustzijn bestaat in een oneindig aantal kleinere centra, in families of evolutionaire typen geordend. Daarom is alles in het heelal de individuele uitdrukking van een monade, en is in zijn diepste essentie identiek aan het heelal zelf. In de oude Veda’ s wordt het zo gezegd: Tat tvam asi – ‘Jij bent Dat, het onuitsprekelijke.’

Alle geheimen van de hemel liggen in ieder van ons verborgen. Het goddelijke en spirituele zelf in ons is het pad naar het hart van het heelal, omdat wijzelf in feite het heelal zijn. Dit is werkelijk occultisme dat ons eindeloze uitbreiding, ontwikkeling, evolutie en wijziging van ons bewustzijn belooft, steeds verder omhoog, tot het centrale zelf tenslotte het menselijke niveau ontgroeit om zijn reis te vervolgen in de (voor ons) goddelijke gebieden. Het roept onze adeldom wakker en stimuleert ons ook om moed te vatten en de reis te beginnen. Want kennis komt voort uit liefdevolle daden. De mysticus Jakob Böhme heeft geschreven: ‘Want het Boek waarin alle mysteries liggen besloten, is de mens zelf; hij is zelf het boek van het Wezen van alle wezens, als hij inziet dat hij de gelijkenis is van het Goddelijke. Het Grote Geheim ligt in hem; het onthullen ervan behoort alleen toe aan de Goddelijke Geest’ (Brief 9).

 

Noot

  1. The Observer, Londen, 25 jan. 1931.
 

Uit het tijdschrift Sunrise mrt/apr 2006

© 2006 Theosophical University Press Agency