Nog steeds aan het dromen . . .
Sarah Belle Dougherty

 

Elkaar helpen en de dingen met elkaar delen, dat is broederschap.
     – Katherine Tingley

In januari vieren de Amerikanen Martin Luther King Dag, waarmee ze de Nobelprijswinnaar en zijn universele boodschap van rechtvaardigheid eren. Februari is de maand van de geschiedenis van de zwarte bevolkingsgroep. In deze tijd presenteren media en scholen in de VS verhalen over het beëindigen van de gelegaliseerde rassenscheiding in het Zuiden, over helden en schurken op het gebied van de burgerrechten, en over de strijd voor gelijke kansen. De nadruk ligt echter op het verleden. Maar hoe zijn de huidige omstandigheden? Veertig jaar lang heeft Jonathan Kozol, opvoeder, schrijver, en activist, de aandacht van het publiek gevraagd voor rassenscheiding en ongelijkheid in Amerikaanse scholen, in het bijzonder voor minderheden in de steden. Verschillende boeken van hem, zoals Savage Inequalities (1991), Ordinary Resurrections (2000), en The Shame of the Nation (2005), geven verslagen uit de eerste hand van de afschuwelijke omstandigheden die in veel scholen van bevolkingsgroepen met een laag inkomen zijn te vinden. Maar het meest belangrijke van zijn boeken is dat ze de menselijke factor van de betrokkenen belichten: naast statistieken en discussies zijn er interviews met leerlingen, leraren, schoolhoofden van scholen met veel segregatie en die dagelijks worstelen met smerige, vervallen, overvolle gebouwen; gebrek aan goede schoolboeken en voorzieningen; te veel ongeschoolde, onervaren leraren; en leerplannen die zulke geringe kansen bieden dat ouders uit de middenstand die voor hun eigen kinderen nooit zouden accepteren.

Heel weinig mensen van buiten de gemeenschappen van mensen met lage inkomens bezoeken deze scholen en buurten, of ontmoeten de kinderen, onderwijzers of ouders die daar komen. De berichtgeving van de media legt de nadruk op geweld, drugs, en onverantwoordelijk gedrag, demoniseert of romantiseert de armen als totaal verschillend van de doorsnee Amerikaan, een ‘gevaarlijke overdrijving’ die lijnrecht tegenover de ervaring van Kozol staat:

In het verleden verzetten invloedrijke en gerespecteerde intellectuelen zich nog krachtig tegen het op grote schaal drukken van een stempel op kinderen uit de binnenstad. De laatste jaren is veel van die weerstand weggevallen, en veel van die veronderstellingen over het ‘anders zijn’ worden bijna niet betwist. Sommige schrijvers stellen zelfs de vraag of de kinderen hier (in de Zuid-Bronx) niet een groep vormen die zo verschilt van de meeste andere kinderen, met een reeks problemen (of, zoals wordt gezegd, ‘aandoeningen’) die zo ingewikkeld, zo verontrustend, zo diep zijn, dat het geen ‘kinderen’ zijn in de zin zoals de meesten van ons dat woord gebruiken, maar dat het in feite ‘vroegrijpe volwassenen’ zijn, misschien wel vroegrijpe misdadigers, ‘roofdieren’, . . .

Maar hij is van mening dat, hoewel kinderen in arme gemeenschappen onder andere omstandigheden leven,

de gewone dingen waarnaar ze verlangen, en de dingen die ze grappig vinden, en de eindeloze verscheidenheid van dingen waarvan ze dromen, en de spelletjes die ze spelen, en de dieren die ze zouden willen hebben, en de dingen die ze graag eten, en de kleren die ze hadden willen kopen, niet zó veel verschillen – als men schijnt te denken – van dat waarmee de meeste kinderen in dit land blij zijn of waarvan ze dromen of waarnaar ze verlangen.
      – Ordinary Resurrections, blz. 116-17, 118

Wanneer we samen met Kozol scholen en gemeenschappen van mensen met een laag inkomen bezoeken en daar enkele mensen leren kennen, beginnen we duidelijk te begrijpen, in concrete menselijke termen, waarom er – na tientallen jaren van de ‘beweging voor gelijke burgerrechten’ en het voeren van beleid om dit tot stand te brengen – nog steeds gegronde redenen bestaan om te spreken over rassenscheiding, ongelijkheid en ongelijke kansen. Scholen zonder blanke leerlingen of leerlingen uit de middenklasse ontbreekt het maar al te vaak aan politieke invloed om betere voorzieningen te eisen, aan genoeg schoolboeken, stoelen en klaslokalen, kunst- en muziekprogramma’s, bibliotheken, betere leraren, verdere opleidingsmogelijkheden, en voor de meeste leerlingen aan voorbereiding om verder te kunnen komen dan de laagstbetaalde baantjes. Ouders in de Zuid-Bronx, een armenwijk van New York City, waar hij vaak komt, zien de opleidingskansen die hun kinderen hebben en weten

dat ‘wiskunde voor het bedrijfsleven’ niet hetzelfde is als rekenen en dat ‘op werk gericht onderwijs’ geen Europese geschiedenis of Engelse literatuur is. Ze weten dat de kinderen van de rijken in hun tienerjaren niet vaak cursussen volgen waar ze sollicitatiebrieven voor eenvoudig administratief werk leren typen; ze weten dat deze kinderen van de rijken te druk zijn met het ontwikkelen van schrijverskwaliteiten en het bijwerken van hun Franse uitspraak, en dat ze worden voorbereid voor de SATs [een soort Cito-toets]. Ze beginnen te begrijpen hoe voor sommige kinderen een structuur van mogelijkheden wordt geschapen, dat aan andere kinderen wordt onthouden. Naarmate de jaren verstrijken begrijpen ze ook hoe het ene kind de ene rol in het leven schijnt te hebben verdiend, en het andere kind een heel andere rol.
      – Op.cit., blz 99-101

Hij wijst erop hoe de uitgangspunten van veel van-school-naar-werk en andere commercieel gerichte leerplannen de arme kinderen die hij kent, benadelen:

het is redelijk ons af te vragen waarom wij worden aangespoord ‘deze’ kinderen op die heel bijzondere manier te bekijken. Waarom zien we Elio als een toekomstige werknemer van de laagste rang in plaats van hem net zo te bekijken als onze eigen kinderen en in hem misschien een toekomstige arts te zien of een danser, artiest, dichter, priester, psycholoog, leraar of wat hij ook maar zou willen worden? Waarom zouden we, wat dat betreft, niet naar hem kijken en het enige zien wat hij werkelijk is: een 7-jarig kind?

Pineapple en Elio moeten niet ‘voorbereid worden om mens te zijn’. Ze zijn compleet en goed zoals ze nu zijn; en hun kleine maar mystieke en interessante wezens zouden we moeten waarderen, zonder dat we berekenen hoe ze eens al of niet de economische belangen van iets of iemand kunnen dienen als ze 25 of 30 zijn. Mariposa is niet alleen maar 37 pond grondstof dat een bepaalde ‘bewerking’ en ‘afwerking’ moet ondergaan voordat ze naar de markt kan worden gebracht en als waardevol worden beschouwd. Ze is nu waardevol, en als ze door ziekte of een ongeluk zou sterven als ze 12 is, dan heeft haar zesde levensjaar daardoor niet minder betekenis. Maar we kunnen dat betekenisloos maken als we haar nu de essentiële waardigheid ontzeggen om te worden gezien en te worden gewaardeerd als de persoon die ze werkelijk is.
      – Op.cit., blz. 139-40

Kozol, die rechtvaardigheid nastreeft voor arme kinderen, legt de nadruk op twee belangrijke factoren. De eerste betreft het gelijkmaken van de uitgaven en de kansen voor jonge kinderen in scholen en buurten. ‘Hoe komt het’, vroeg een middelbareschoolleerling uit Los Angeles aan hem, ‘dat leerlingen die niet nodig hebben wat wij nodig hebben, zoveel meer krijgen? En dat wij die het veel harder nodig hebben, zoveel minder krijgen?’ (The Shame of the Nation, blz. 183) Er wordt door mensen die geen financiële zorgen hebben vaak beweerd dat meer geld niet de oplossing is bij het onderwijs van de armen, wat hem als zeer onoprecht voorkomt:

Vaak zijn er in een gezin twee tieners tegelijk in (privé)scholen; dus besteden ze elk jaar misschien meer dan $60.000 aan het onderwijs van hun kinderen. Maar nu ben ik hier op een avond te gast in hun huis, de maaltijd is voorbij en we drinken koffie, en deze heel aardige, over het algemeen verstandige en verfijnde bedachtzame jongeman kijkt me in de ogen en vraagt me of je werkelijk een betere opleiding voor kinderen van de armen kunt kopen.    – Op.cit., blz. 57

Volgens Kozol is de tweede belangrijke factor het opheffen van de rassenscheiding. Hoewel van 1965 tot 1990 de scholen in de VS iets meer integreerden en de kloof in examenresultaten minder werd, is sinds die tijd de rassenscheiding zozeer teruggekomen, dat zijn laatste boek de ondertiteling had ‘De Terugkeer van de Apartheid in de Amerikaanse Scholen’. Deze toestand krijgt zelden aandacht in de media of bij ‘toonaangevende cultuurcritici in onze noordelijke steden’, die niettemin de vroegere rassenscheiding in het Zuiden blijven afkeuren. Veel scholen gebruiken nu zelf misleidende, nietszeggende woorden, zoals een school in Kansas City met een ‘gemengd’ leerlingenbestand, gevormd uit 99,6% Afro-Amerikanen; of het schooldistrict in New York State dat ‘de verscheidenheid’ van zijn leerlingen en ‘de grote variatie’ in etnische achtergrond’ aanprijst, terwijl in die buurt 2800 zwarte en Latijns-Amerikaanse kinderen, één Aziatisch kind, en drie blanke zijn geregistreerd.

Rassenscheiding en de gevolgen daarvan zijn voor de leerlingen zelf zonneklaar. Jezebel, die naar een arme middelbare school met apartheid in Camden, New Jersey, gaat, vertelt over haar bezoek aan een vriendin uit een voorstad in de buurt:

Ik kom bij haar thuis en vergelijk wat zij op school doet met het werk dat ik doe. In elke klas in haar school in Cherry Hill beschikken ze over de boeken die ze nodig hebben voor dat niveau. Hier zit ik in groep elf. Ik heb gekozen voor Amerikaanse geschiedenis. Ik heb een boek voor groep acht. Dus vraag ik me af: ‘Zijn ze drie jaar knapper? Ben ik dom? Maar zo is het helemaal niet. Want wij zijn kinderen net als zij. We zijn niet anders. En, weet je, er zijn hier heel pientere kinderen.
      – Savage Inequalities, blz. 152

Kozol houdt vol dat betrokkenheid van ouders en bevolkingsgroepen uit de middenklasse het enige is wat de kwaliteit van het onderwijs aan lage-inkomens-leerlingen kan verbeteren. Leerlingen in Camden stelden zich voor wat er zou gebeuren als enkele kinderen uit de voorsteden hun school zouden bezoeken:

‘Zodra het werd aangekondigd, zouden ze de dingen veranderen’, antwoordde Luis. ‘Je zou heel snel vooruitgang zien. Ouders van blanke kinderen, met al hun geld, zouden zeggen, ‘Dit moet worden verbeterd, onze kinderen verdienen dat’. Ze zouden ons dus steunen, weet je, en de zaken zouden veranderen.’

‘Daar zou ik blij om zijn’, zei Jezebel, maar dat zouden ze nooit doen’.

‘Ze zullen zeggen’, zegt Luis, ‘dat hun kinderen hier onderwijs tekort zouden komen. En dat is op dit moment het geval. Ze zouden hier niet durven komen. Ze zouden denken dat het onderwijs minder goed zou zijn. Dat is ook zo. Maar het zou natuurlijker zijn om samen te zijn.’      – Op.cit., blz. 154-5

Deze leerlingen geloofden niet dat scholen met rassenscheiding ooit gelijkwaardig zouden kunnen zijn, maar zoals Jezebel zei: ‘zelfs als ze gelijkwaardig zouden zijn, zouden er nog altijd leerlingen zijn die denken, ‘Nou, als ik niet goed genoeg voor ze ben, als we dan toch apart moeten zijn – vooruit dan maar, ik ben nu eenmaal . . . minder.’ (op.cit.) Dit psychologische aspect komt ook duidelijk naar voren bij een uitwisseling van leerlingen van het voortgezet onderwijs in New York City:

‘Het is alsof je wordt weggestopt’, zei Isabel, een 15-jarig meisje dat ik enkele jaren geleden in Harlem ontmoette, toen ze mij probeerde uit te leggen hoe zij en haar klasgenoten de rassenkwestie in hun buurt en in hun scholen zagen. ‘Het is alsof je in een garage bent weggestopt waar ze iets neerzetten als ze er geen plaats voor hebben maar nog niet weten of ze het zullen weggooien, en dan hoeven ze er niet meer aan te denken’.

Ik vroeg haar of ze werkelijk dacht dat Amerika ‘geen plaats’ heeft voor haar en de andere kinderen van haar ras. ‘Je zou het zo kunnen zeggen’ zei een 16-jarig meisje naast haar. ‘Als de mensen in New York op een dag wakker zouden worden en hoorden dat we verdwenen waren, eenvoudig waren gestorven, of naar elders vertrokken, hoe zouden ze dat vinden?’

‘Hoe denk jij dat ze het zouden vinden?’ vroeg ik.

‘Ik denk dat ze opgelucht zouden zijn’, antwoordde dit meisje heel ernstig.
      – The Shame of the Nation, blz. 28-9

Soms betekent broederschap het delen, misschien zelfs het opofferen van iets van onze voorspoed en voorrechten, zodat anderen er ook van kunnen genieten. Maar andere mensen, vooral zij waarmee we weinig of geen contact hebben, kunnen ons heel abstract voorkomen:

Als we gedwongen zouden zijn deze kinderen elke dag vóór ons te zien, in de volheid van hun uiteenlopende gecompliceerde en diverse en voorzichtig tevoorschijn komende persoonlijkheden, en ook in hun jeugdige kwetsbaarheid, dan zou het moeilijker zijn deze mythe [dat er in Amerika niet genoeg geld is voor hun onderwijs] vol te houden. Hen op afstand houden is gemakkelijker.    – The Shame of the Nation, blz. 62

Martin Luther King droomde van ‘een prachtige symfonie van broederschap’ waarin alle kinderen gelijke kansen en vrijheid zouden hebben en naar het ‘gehalte van hun karakter’ zouden worden beoordeeld. Kozol vraagt ons hoeveel langer we ons nog met een goed geweten zullen tevredenstellen met alleen maar te dromen.

 

 

 
Andere artikelen over sociale en maatschappelijke onderwerpen: onderwijs
 

Uit het tijdschrift Sunrise mei/juni 2006

© 2006 Theosophical University Press Agency