Wie zijn de eenzamen?
Elizabeth Duffie

   
 

We leven in een tijd van snelle communicatie en worden ogenblikkelijk betrokken bij alles wat dichtbij en ver weg gebeurt, zodat de toeschouwer in zijn stoel of de invalide getuige kunnen zijn van, en tot op zekere hoogte deel kunnen hebben aan, de gebeurtenissen die aan het andere eind van de wereld plaatsvinden. We leven in een tijd dat we elkaars noden beter kennen; een tijd waarin wordt gepoogd de kloof te overbruggen, ontstaan door economische en culturele verschillen die er tussen de verschillende bevolkingsgroepen en landen bestaan. Maar helaas leven we ook in een tijd van eenzaamheid, vooral bij ouderen, een zo om zich heen grijpende eenzaamheid dat ze in onze grote steden de plaats schijnt in te nemen die eens een hongersnood innam.

Na gesprekken met mannen en vrouwen uit verschillende milieus, met allerlei opvattingen en van alle leeftijden, beseffen we al gauw dat dit gevoel niet hoeft te ontstaan door een bepaalde omgeving of door het alleen wonen; evenmin blijft het beperkt tot een bepaalde levenswijze of persoonlijke omstandigheden. Het schijnt veeleer te wijten te zijn aan een duidelijke of verborgen karaktertrek van het individu zelf. Wie kent niet ‘het zwarte schaap’ in een grote en overigens gezellige familie, dat door een gevoel van verlatenheid wordt gekweld, alsof hij alleen op de wereld is? Hele gezinnen, opgenomen in het rumoerige onpersoonlijke wezen van een huizenblok in een grote stad, kunnen eenzaam zijn. Het is ook mogelijk dat iemand die veel persoonlijke contacten heeft en veel bezoek ontvangt, bekent ‘alleen’ te zijn.

Ieder van ons heeft in een of andere periode eenzaamheid ondervonden. Misschien is dit het geval wanneer onze diepste gedachten zozeer ons eigen bezit schijnen te zijn, dat we ze aan niemand anders kunnen toevertrouwen. In plaats daarvan trekken we als het ware een muur op tussen onszelf en anderen, en vechten het uit in eenzame afzondering. Allerlei omstandigheden kunnen ons in zo’n toestand brengen. We kunnen een onbeantwoorde liefde hebben, of een geheim dat we niet met anderen kunnen of durven delen, of we kunnen zo’n andere betekenis aan het leven hechten dan de mensen die we kennen, dat we in een andere wereld schijnen te leven. Als bijvoorbeeld onze vrienden en kennissen een levensbeschouwing hebben die is gebaseerd op materiële successen en prestaties, op het verwerven van rijkdom en macht, dan is er, als wij aan deze dingen niet meer zoveel waarde hechten, weinig gespreksstof en lijkt het of we alleen staan. Zonder het zich te realiseren, isoleren sommige intellectueel begaafden zich, doordat ze iedereen, van wie het intellect niet op hetzelfde plan staat, afweren. Omgekeerd voelen handarbeiders zich vaak buitengesloten als ze tussen meer ontwikkelde mensen wonen.

In Engeland, bijvoorbeeld, constateerden interviewers dat er onder ‘kantoormensen’ een duidelijk gevoel van superioriteit bestaat ten opzichte van hun met de hand werkende medemensen, hoewel ze allen met elkaar in dezelfde wijk woonden. In plaats van te zoeken naar een filosofie op basis van algemene menselijkheid en dienstbaarheid aan de gemeenschap, waren velen uitsluitend eropuit hun eigen positie te handhaven, zelfs in die mate dat ze apart wilden wonen – in blokken voor handarbeiders en niet-handarbeiders – om ervoor te zorgen dat hun kinderen niet zouden omgaan met kinderen van wie de ouders op een lagere sociale trap stonden.

Aan de andere kant komen we ‘zonderlingen’ tegen die zich volkomen uit het normale leven terugtrekken. Men kan ze vinden, zoals een krant opmerkte, ‘in alle streken van het platteland waar ze in schuren en grotten en meer van dergelijke plaatsen leven en geen vlieg kwaad doen’. Na een bezoek aan twee oude dames die in zo’n schuur huisden, was het commentaar van de verslaggever, een inspecteur voor de volksgezondheid: ‘Het gesprek was filosofisch, het ontbrak hen niet aan gezond verstand, en er waren geen pijnlijke stiltes. Zij weten precies wat ze van het leven verlangen en zelden heb ik mensen ontmoet die meer tevreden zijn. . . . De vraag is of dit een slechter leven is dan in een kelder in een Londense achterbuurt?’

Ook leiden niet alle gepensioneerden een leeg bestaan. Ondanks dat hun eens grote gezin is teruggebracht tot ‘wij tweeën’ of ‘ik alleen’, blijven velen midden in het leven staan. Ook als ze alleen wonen, voelen ze zich niet verlaten. Waarom is hun geval zo anders? Als we een onderzoek instellen, vinden we in hen een voortdurende stroom van belangstelling voor iedereen, van de postbode tot de winkeliers waar ze hun dagelijkse boodschappen doen en de kinderen die ze toewuiven of waarmee ze praten in hun eigen straat. Voor hen heeft het begrip ‘mijn gezin’ zich verruimd tot alle mensen die ze elke dag ontmoeten. Het is deze oprechte genegenheid voor anderen en niets meer of minder, die hen gelukkig maakt.

Een middel om onze oude dag in de richting van die gezegende toestand te sturen is misschien door bewust belangstelling te hebben voor het gezin – dit geldt voor ons allemaal als we een gezin hebben – maar ook door zich sterker bewust te worden van het grotere gezin om ons heen, vóór we geheel alleen achterblijven en denken overbodig te zijn. Het gebeurt nogal eens dat gezinnen er prat op gaan dat ze zo’n besloten eenheid zijn en weinig met hun buren te maken hebben. Ze beweren met een zekere mate van trots dat ze, afgezien van nu en dan een ‘goedemorgen’ of ‘goedemiddag’ verder niets afweten van de zaken van hun buren, noch van hun leven en interesses, hun beproevingen en verdriet, en ze willen dat ook niet. Is het dan te verwonderen dat deze onafhankelijke mensen, als voor hen de dag van het ‘helemaal alleen zijn’ aanbreekt, jaren van eenzaamheid tegemoet gaan? We kunnen niet jarenlang onze buren zien als nummers of als ‘bomen die wandelen’ en dan, als we hen plotseling nodig hebben, verwachten dat ze aan de deur van ons eenzame huis zullen aankloppen en bereid zullen zijn dit nieuwe leven met ons te delen. Wordt vriendschap niet het meest waardevolle bezit in het leven genoemd? En wat is vriendschap anders dan een uitbreiding van de liefdevolle belangstelling die we zo vanzelfsprekend voor ‘ons gezin’ voelen?

Er wordt beweerd dat eenzaamheid slechts een mentale illusie is en dat het in de eerste plaats nodig is ons innerlijke bewustzijn te leren kennen en daarmee ‘bevriend te raken’. Is dit de juiste benadering? Als alleen het verstand en allerlei daarmee samenhangende vermogens van belang waren, was de puzzel gemakkelijk op te lossen door verstandelijk de goede richting in te slaan. Maar de dagelijkse praktijk van mensen die we kennen heeft ons al geleerd dat er meer aan vast zit. We ontmoeten mensen van wie de vaardigheden, academisch of anderszins, precies met de onze overeenstemmen, maar wie zal beweren dat ze daardoor degenen zijn die we tot onze vrienden zullen rekenen? Ik werk misschien met mijn handen en mijn vriend met zijn hoofd of omgekeerd, maar als we ons beiden op het gebied bewegen van gedeelde menselijke ervaring, op het terrein van het hart, dan bewandelen we een veel bredere, meer universele brug van begrip dan mogelijk is door louter gemeenschappelijke interesses en talenten.

Ligt daar niet ons antwoord? Als menselijke familie zijn we onderling verschillend, maar we vormen een eenheid. Het is onze opdracht te proberen deze eenheid in onze dagelijkse contacten met anderen te verwerkelijken; doen we dit niet, dan verhogen we eenvoudig de druk van vreemde, door onszelf opgetrokken scheidsmuren. Zo zonderen we ons voortdurend en onbewust af door wat we bezitten – aan goederen, positie, talenten – terwijl in werkelijkheid alleen van belang is wat we zijn en wat we worden. Als ons streven erop gericht is ons bewust te blijven van de fundamentele eenheid van het leven, dan beginnen we een brug te bouwen voor een tweerichtingsverkeer, die de menselijke harten zal verbinden door vriendschap en wederzijdse hulpvaardigheid. Als ieder van ons in deze spirituele zin een bruggenbouwer is geworden, zal ‘eenzaamheid’ een verouderd woord zijn, dat te maken had met een minder gelukkig en minder begripvol verleden.

 
     
 

Andere artikelen over broederschap

Andere artikelen over psychologie en psychiatrie

Andere artikelen over ouderdom

 
     
 

Uit het tijdschrift Sunrise mei/juni 2006

© 2006 Theosophical University Press Agency