Een vriend heeft me er attent op gemaakt . . .
E.A. Holmes

 

We weten allemaal hoezeer we op onze omgeving reageren, bijvoorbeeld, hoe gelukkig we zijn in aangenaam gezelschap, en hoe eenzaam we ons tussen vreemden voelen. Maar ik realiseerde me pas hoezeer onze omgeving op ons reageert toen een vriend – een grote zwarte bastaardhond – me er attent op maakte.

Op een bepaald moment liep ik langs hem, waarschijnlijk in gedachten verzonken met een frons op mijn gezicht, want toen ik hem naderde stond hij op en gromde.

Toen ik hem zag verdween de frons natuurlijk van mijn gezicht en in plaats daarvan moet iets wat op een glimlach leek zijn verschenen, want mijn vriend hield op met grommen en ging weer liggen.

Dit kleine voorval gaf me heel wat stof tot nadenken. Sommigen van ons denken dat het leven ons precies toebedeelt wat we verdienen, in de zin van een ‘goed’ of ‘slecht’ lot. Maar voor twee willekeurige personen schijnt er in feite geen vaste norm te bestaan voor wat een goed of een slecht lot is. Zet twee mensen in precies dezelfde omgeving en omstandigheden, en de een voelt zich misschien heel goed en de ander ellendig. Men kan iemand tussen dieven plaatsen en van tevoren weten dat hij zal worden beroofd; terwijl een ander dezelfde dieven misschien de vriendelijkste mensen ter wereld vindt.

We hebben het erover dat we mensen tegen de haren instrijken, maar we beïnvloeden onze omstandigheden voortdurend op de een of andere manier. Als we zouden leren om dingen op de juiste manier te benaderen, zouden we zeker tot de ontdekking komen dat er niet zoiets als een slecht lot bestaat, want door onze benadering zou de aard van de omstandigheden veranderen, precies zoals mijn vriend, de zwarte hond, van gedachten veranderde toen ik mijn gezichtsuitdrukking veranderde.

Misschien verklaart deze reactie van onze omstandigheden op ons veel meer dan we denken. Het lijkt bijna alsof ieder van ons zijn of haar eigen wereld schept overeenkomstig de manier waarop ieder van ons ernaar kijkt. Sommige mensen denken aan strijd, en zien de natuur daarom als ‘dood en verderf’; anderen hebben mededogen in hun hart, en zijn in staat te zien dat ieder leven afhankelijk is van andere levens. Sommigen hebben een onevenwichtig karakter, en zien het leven als een zinloze chaos; anderen hebben schoonheid voor ogen, en zien daarom in de hele schepping harmonie en juiste verhoudingen.

Een glimlach is als zonlicht, en op welke manier kan men beter iemand anders gezicht laten stralen als een zon dan door zelf stralen uit te zenden?

 

Uit het tijdschrift Sunrise mrt/apr 2006

© 2006 Theosophical University Press Agency