De stad
Raymond Rugland

 

De dag is voorbij. Boven op deze heuvel laat ik mijn blik naar beneden afdwalen langs de lange helling tot waar deze de vallei bereikt. Ik omspan kilometers van de grote stad tot waar de mist, de zee, en de lucht één zijn. De schepen die voor anker liggen in de haven zijn aan het gezicht onttrokken. Het silhouet van de gebouwen wordt vaag en onduidelijk. De heuvels werpen geen schaduwen meer. Slierten rook die opstijgen worden door de nacht opgeslokt.

Wat het oog nu niet meer kan zien, wordt door de herinnering aangevuld. Er zijn allerlei taferelen – opgaan in de drukte van mensen die zich amuseren in het pretpark, kijken naar de klanten van een warenhuis, rijden met een bus naar het einde van de lijn. Jongens spelen baseball in de straat. Een knipperend licht in een donkere steeg met de boodschap – ‘Jezus redt zondaars’.

Is deze stad uniek? Er zijn pretparken in Londen, er zijn winkels en een winkelend publiek in Tokio, jongens spelen baseball in de straten van Chicago, en er zijn zendingsposten in San Francisco. In de duisternis neemt mijn verbeelding een grote vlucht.

Terwijl ik toekijk verschijnt er nog een volmaakte gelijkenis. Net zoals de sterren tevoorschijn zijn gekomen en de hemel verlichten, zo is er beneden een door mensen gemaakt universum aan lichten verschenen. Boven het eeuwige; beneden het kortstondige. Maar een deel van mij komt tegen deze redenering in opstand!

Ja, deze ene dag is voorbij! Maar wie kan meten wat deze stad heeft voortgebracht? Wie zal de hoop, de angst, de liefde, het verlangen van iedereen optellen? Wie weegt de gedachten – diep en blijvend, vergankelijk en onbewaakt? Wat is de waarde van elke menselijke cel in dit organisme? Hoeveel gedachten worden woorden, hoeveel gedachten worden daden? Hoe beïnvloedde elke ziel een ander? Hoe beïnvloedde een ieder het geheel?

De stad gaat gehuld in de nacht maar is niet verborgen. Elk lichtpuntje heeft haar bron. Bij dat vergankelijke licht, loopt een man door de straat. Een ander licht verlicht een boek. In neon knippert een naam of product. Er is licht bij ziekte. Dat licht wordt getemperd in de tegenwoordigheid van de dood. Helder en verblindend licht omringt festiviteiten. Er zijn kaarsen bij een altaar.

Sterren en planeten – jullie, die de eeuwigen zijn, wat is jullie boodschap? Willen jullie mij vertellen dat een kosmische geest de nevelvlekken in een spiraalvormige beweging bracht, dat deze de ellips en parabool uitdacht, en elk hemellichaam in beweging bracht? Moet ik jullie bedoeling in complexe formules integreren en differentiëren? Nee, dat niet. Mensen kijken naar de melkweg met hun denkvermogen. Uit jullie diepten zien ze het denkvermogen. En de God die mensen in jullie zien – dat is de visie van de mens die zou kunnen zijn. Niets meer.

Niet het denkvermogen maakt een stad, maar het hart. Dat hart is een bestemming die mensen samenbrengt. Als er bussen zijn, en voetpaden, gebouwen, schepen voor anker – en alles wat een wereldstad omvat – hebben die hun bestaan zodat mensen elkaar kunnen ontmoeten, kunnen samenwerken, en hun ervaringen met anderen kunnen delen. Mensen worden samengebracht – noem het een stad – omwille van hun ziel. In een stad is iedere straat en steeg een hemel en een hel. Er komen trotse en bescheiden, ambitieuze en volgzame, goed geklede en in vodden gehulde mensen. Maar niemand kan over een ander oordelen. Niemand is vervloekt. Niemand is ‘verlost’.

Deze dag is voorbij. De gebeurtenissen zijn opgetekend.

Wanneer de zon morgen opkomt, zullen de kleine lichten buigen voor een groter licht. Die zal op iedereen schijnen, die zal iedere ziel verlichten. De stad zal morgen baden in zijn licht, maar de zon zal niemand vragen wie hij is. Het licht geeft aan iedereen zonder onderscheid.

Medemensen van de stad (en van de wereld): We zijn verbonden door het hart van mededogen dat ons kent, ons begrijpt, ons aanvoelt, ons liefheeft, en ons richting geeft. Het kent al onze waarden en zwakheden. Het is om onze ziel te laten groeien dat we eenzaam zijn, dat we studeren, dat we in een tram rijden, of op een veranda staan, starend in de nacht.

 

Uit het tijdschrift Sunrise mrt/apr 2006

© 2006 Theosophical University Press Agency