[De cursief gedrukte delen van dit artikel zijn afkomstig
uit de interviews van cardioloog Pim van Lommel en zijn onderzoeksteam
met mensen die een bijna-doodervaring hebben gehad.]
Toen hij zijn onderzoek naar bijna-doodervaringen aan The Lancet
aanbood, kon Pim van Lommel niet vermoeden dat hij later één
van de meest besproken wetenschappers zou worden. Opeens wilde iedereen
meer weten over die man die zijn onderzoek naar zo’n esoterisch
onderwerp geplaatst wist te krijgen in zo’n toonaangevend medisch
vakblad. Toch verbaast het hem niet dat zijn publicatie in 2001 zoveel
stof heeft doen opwaaien. Niet eerder werd zo systematisch en uitgebreid
onderzoek gedaan naar de ervaringen van mensen die klinisch dood waren
verklaard en vervolgens weer terugkwamen in het leven. En niet eerder
werd duidelijk hoe eenduidig hun ervaringen zijn en welke consequenties
deze hebben voor ons denken over leven en dood.
Hij is er de man niet naar om naam en faam na te streven. Op deze mooie
zomerdag in zijn achtertuin, nabij Arnhem, straalt Van Lommel, 63 jaar,
vooral bescheidenheid uit en toont hij zich meer geïnteresseerd
in zijn gast en de ontwikkeling van Ode dan in zijn eigen verhaal.
Die nieuwsgierige houding had hem zo’n 35 jaar geleden –
toen Van Lommel werkzaam was als arts-assistent in het St. Antonius
ziekenhuis in Utrecht – op het spoor gebracht van een patiënt
die vertelde over zijn bijnadoodervaring. Hij was op slag gefascineerd.
Pas toen hij jaren later het boek Terugkeer uit de dood las,
waarin de Amerikaanse arts George Ritchie tot in detail zijn eigen bijna-doodervaring
beschrijft, herinnerde Van Lommel zich die patiënt weer. Hij vroeg
zich af of er meer mensen zouden rondlopen met dergelijke ervaringen.

Van Lommel besloot om voortaan al zijn patiënten – ook later
toen hij als cardioloog werkte in het Rijnstate Ziekenhuis in Arnhem
– te vragen of zij zich iets konden herinneren van de periode
tijdens hun hartstilstand. ‘Dan was het meestal ‘nee’
en soms ‘hoezo’? In het laatste geval liep mijn spreekuur
uit.’ In twee jaar tijd hoorde hij, tot zijn eigen verbazing,
verhalen van twaalf patiënten. Zijn wetenschappelijke nieuwsgierigheid
was gewekt. Die verhalen vormden het begin van een jarenlange studie.
‘Ik keek van bovenaf naar mijn eigen lichaam en zag dokters
en verplegers vechten voor mijn leven. Ik hoorde wat ze zeiden. Toen
kreeg ik een warm gevoel en ik kwam in een tunnel terecht. Aan het
einde van die tunnel was een fel, warm, wit, vibrerend licht. Het
was prachtig. Het gaf me een rustig en zelfverzekerd gevoel. Ik zweefde
ernaar toe. Het warme gevoel werd steeds sterker. Ik voelde me thuis,
geliefd, haast extatisch. Ik zag mijn leven aan mij voorbijflitsen.
Plots voelde ik weer de pijn van het ongeluk en schoot ik terug in
mijn lichaam. Ik was razend dat de dokters me hadden teruggehaald.’
Vrijwel iedere bijna-doodervaring is even prachtig. Mensen voelen zich
verbonden en gedragen. Ze doorgronden de werking van het universum.
Ze ervaren onvoorwaardelijke liefde en voelen zich vrij van de knellende
beslommeringen van het aardse bestaan. Geef mij zo’n ervaring!
Van Lommel moet lachen. ‘Het klinkt fantastisch, nietwaar? Toch
is het niet altijd even gemakkelijk om hiermee om te gaan. Als mensen
terugkomen, hebben ze vaak het gevoel een gevangenis in te moeten. Bovendien
kan het jaren duren voordat ze de inzichten die zij hebben opgedaan
kunnen of durven integreren in hun alledaagse leven.’
Toch overheersen de positieve ervaringen. Een bijna-doodervaring is
volgens de meesten een schitterende gebeurtenis die hun leven sterk
verrijkt. Van Lommel: ‘Het belangrijkste dat mensen eraan overhouden,
is dat ze niet meer bang zijn voor de dood. Ze hebben namelijk ervaren
dat hun bewustzijn doorgaat, dat er continuïteit is. Hun leven
en hun identiteit eindigen niet wanneer het lichaam sterft. Ze hebben
het gevoel alsof ze een jas uittrekken – meer niet.’
Dat klinkt misschien als de taal van iemand die zich iets te veel op
de new-age-afdeling van de boekhandel heeft gewaagd. Maar bijna-doodervaringen
zijn – zo is de ervaring van Van Lommel – helemaal niet
voorbehouden aan de gemeenschap van ‘spirituele mensen’.
Ze komen net zoveel voor bij mensen die hier vooraf zeer skeptisch tegenover
hebben gestaan.
‘Ik kwam ‘los’ van mijn lichaam en zweefde
erin en eromheen. Ik had mijn ogen dicht, maar toch kon ik de slaapkamer
en mijn lichaam zien. Opeens kon ik honderdduizend keer sneller –
en veel helderder - ‘denken’ dan normaal gesproken mogelijk
is voor een mens. Op dat moment besefte en accepteerde ik dat ik was
gestorven. Het werd tijd om verder te gaan. Het was een volstrekt
vredig gevoel – zonder angst of pijn. Er kwamen helemaal geen
emoties bij kijken.’
Het opmerkelijkste, zegt Van Lommel, is dat zijn patiënten dergelijke
verruimde bewustzijnservaringen hebben, terwijl de hersenen geen enkele
activiteit meer vertonen. Volgens de huidige kennis in de medische wetenschap
is dat onmogelijk. Omdat het onder wetenschappers algemeen wordt aanvaard
dat het bewustzijn in de hersenen zetelt, ontstaat nu dus het raadsel
hoe mensen bewustzijn kunnen ervaren, terwijl zij tijdens hun hartstilstand
(een klinische dood) bewusteloos zijn.
Na al die jaren van intensieve studie spreekt Van Lommel nog steeds
met eerbied over het wonder van de bijna-doodervaring. ‘Op dat
moment zijn deze mensen niet alleen bewust; ze hebben zelfs een ruimer
bewustzijn dan ze ooit hebben gehad. Ze kunnen zeer helder nadenken,
hebben herinneringen tot aan hun vroegste jeugd en ervaren een grote
mate van verbondenheid met alles en iedereen om hen heen. En dat terwijl
er geen enkele activiteit in de hersenen is!’
Dit roept, ook bij Van Lommel, existentiële vragen op. Hij somt
op: ‘Wat is bewustzijn en waar is het gelokaliseerd? Bestaat er
nog wel een ‘ik’? Wat is mijn identiteit en waar bevindt
die identiteit zich? Wat is het dat waarneemt als ik mijn lichaam daar
beneden op de operatietafel zie liggen? Wat is leven? Wat is dood?’
‘Het lichaam dat ik op het bed zag liggen, was het mijne,
maar ik wist dat de tijd om te gaan nog niet was gekomen. Mijn tijd
op aarde was nog niet voorbij; er was nog een bestemming.’
Om anderen te overtuigen van de nieuwe inzichten, moest Van Lommel
eerst aantonen dat het verruimde bewustzijn zich inderdaad tijdens de
periode van hersendood afspeelt. Dat bleek niet moeilijk. Niet zelden
blijken patiënten in staat nauwkeurig te beschrijven wat er tijdens
hun hartstilstand is gebeurd. Ze weten bijvoorbeeld feilloos waar de
verpleegster hun kunstgebit heeft neergelegd, of wat artsen en familieleden
tijdens de reanimatie tegen elkaar hebben gezegd. Hoe kan iemand zoiets
weten als de hersenen op die momenten niet actief waren?
Niettemin zijn er wetenschappers die blijven ontkennen dat de hersenen
tijdens de reanimatie geen enkele activiteit vertonen. Van Lommel dient
hen van repliek en doceert: ‘Wanneer het hart niet meer klopt,
stopt de bloedstroom binnen een seconde. Na zesenhalve seconde beginnen
de EEG-activiteiten te veranderen als gevolg van zuurstoftekort. Na
vijftien seconden ontstaat er een rechte, vlakke lijn en dan is de elektrische
activiteit in de hersenschors volledig verdwenen. De hersenstam kunnen
we niet meten, maar tijdens dierproeven is aangetoond dat ook daar dan
geen activiteit meer is. Je kunt overigens ook aantonen dat de hersenstam
is uitgevallen, omdat deze onze basisreflexen regelt. De pupilreactie
en worgreflex zijn bijvoorbeeld uitgevallen. Je kunt iemand zo een buis
in de keel duwen. Ook het ademhalingscentrum is uitgevallen. Als de
persoon na vijf tot tien minuten niet is gereanimeerd, raken de hersencellen
onherstelbaar beschadigd.’ Van Lommel wil het maar duidelijk gezegd
hebben: bijna-doodervaringen vinden plaats op het moment dat lichaam
en hersenen niet meer functioneren.
Zijn bevindingen over het bewustzijn, beseft hij, staan haaks op de
wetenschappelijke consensus. Des te opmerkelijker is het dat een gerenommeerd
wetenschappelijk vakblad als The Lancet bereid was zijn artikel
te plaatsen. Dat ging overigens niet zonder slag of stoot. Van Lommel,
grinnikend: ‘Er gingen maanden overheen voordat ik het groene
licht kreeg. En toen moest het ineens af, binnen een dag.’
Hij kan er inmiddels om lachen, want hij weet hoe gevoelig zijn conclusies
kunnen liggen. Allereerst heeft Van Lommel vragen opgeroepen over wat
‘dood’ nu eigenlijk betekent: ‘Tot nu toe betekende
‘dood’ gewoon het einde van bewustzijn, van identiteit,
van leven.’ Dat beeld heeft hij dus gekanteld, zoals hij ook een
mythe over bijna-doodervaringen heeft ontzenuwd. ‘Voorheen werden
deze ervaringen toegeschreven aan fysiologische, psychologische, farmacologische
of religieuze zaken. Dus: zuurstoftekort, het vrijkomen van endorfine,
blokkades van receptoren, doodsangst, hallucinaties, religieuze verwachtingspatronen
of een combinatie van deze factoren. Maar uit ons onderzoek blijkt dat
geen van deze factoren bepaalde of iemand wel of geen bijna-doodervaring
heeft.’
‘Deze ervaring is een zegen voor me, want nu weet ik zeker
dat lichaam en ziel afzonderlijke dingen zijn en dat er leven is na
de dood. Ik ben er nu van overtuigd dat het bewustzijn na de dood
blijft bestaan. De dood is geen dood, maar een andere vorm van leven.’
Volgens Van Lommel zijn de hersenen geen producenten van bewustzijn
en geen opslagplaats van herinneringen. Van Lommel wijst erop dat hersenonderzoekers
Simon Berkovich en Herms Romijn hebben berekend, dat het voor de hersenen
onmogelijk is om alles op te slaan wat je in je leven denkt en meemaakt.
Je hersenen zouden hiervoor een verwerkingssnelheid van 1024
bits per seconde nodig hebben. Een uur televisiekijken zou al te veel
zijn. ‘Wanneer je díe hoeveelheid informatie – met
de associatieve gedachten die je daarbij produceert – zou willen
opslaan,’ zegt Van Lommel, ‘dan zijn je hersenen ongeveer
vol. Anatomisch en functioneel is het gewoon onmogelijk voor de hersenen
om zo’n verwerkingssnelheid te hebben.’
De hersenen zijn dus vooral ontvangers en zenders van informatie. ‘Je
kunt hersenen vergelijken met een televisietoestel dat afstemt op specifieke
elektromagnetische golven en deze omzet in beeld en geluid. Ons waakbewustzijn,
het bewustzijn dat wij tijdens onze dagelijkse activiteiten hebben,
reduceert alle informatie die er is tot één enkel feit
dat wij als “realiteit” ervaren. Tijdens bijna-doodervaringen
worden mensen echter niet beperkt door hun lichaam of hun waakbewustzijn,
waardoor zij veel meer realiteiten ervaren.’
Dat verklaart ook waarom mensen na een bijna-doodervaring soms grote
moeite hebben weer te functioneren in hun dagelijkse omgeving. De meesten
behouden nog een tijd lang de gevoeligheid om op verschillende kanalen
tegelijk af te stemmen, waardoor een ritje in het openbaar vervoer al
een overweldigende ervaring kan zijn: alle informatie van alle medepassagiers
komt op alle kanalen binnen. Van Lommel: ‘Deze mensen zijn heldervoelend,
helderhorend en hebben geregeld voorspellende gevoelens.’
Bijna-doodervaringen zijn volgens Van Lommel alleen te verklaren als
je ervan uitgaat, dat er een continuïteit van bewustzijn is en
dat het bewustzijn zich, compleet met al onze ervaringen en herinneringen,
buiten de hersenen bevinden. Over de vraag wáár
het bewustzijn zich dan bevindt, kan Van Lommel alleen maar speculeren.
‘Ik vermoed dat er een dimensie is waar deze informatie ligt opgeslagen
– een soort collectief bewustzijnsveld waarop wij afstemmen om
toegang te krijgen tot onze identiteit en onze herinneringen.’
Door middel van zo’n collectief informatieveld zijn wij niet
alleen verbonden met onze eigen informatie, maar ook met die van anderen
en zelfs met informatie uit het verleden en de toekomst. ‘Er zijn
mensen die tijdens een bijna-doodervaring de toekomst zien’, weet
Van Lommel. ‘Zo was er een man die zijn toekomstige gezin zag.
Jaren later bevond hij zich in de situatie die hij tijdens zijn bijna-doodervaring
had gezien. Ik vermoed dat een déjà vu ook zo
werkt.’ Tijdens bijna-doodervaringen kunnen mensen ook contact
maken met overledenen, zelfs als ze deze persoon niet kennen.
‘Ik zag een man die me liefhebbend aankeek, maar ik kende
hem niet. Pas later, op haar sterfbed, biechtte mijn moeder op dat
ik uit een buitenechtelijke relatie was geboren, dat mijn vader een
jood was die gedeporteerd en vermoord was in de Tweede Wereldoorlog.
Mijn moeder liet me een foto van hem zien. De onbekende man die ik
jaren eerder bij mijn bijna-doodervaring had gezien, bleek mijn biologische
vader te zijn.’
Als de hersenen niet in staat zijn zoveel informatie op te slaan, zullen
zij dus afstemmen en decoderen. Maar hoe ‘weten’ de hersenen
dan op welke informatie zij moeten afstemmen? Hoe kan het dat iemand
afstemt op zijn eigen herinneringen en niet op die van een ander? Het
antwoord van Van Lommel is verrassend kort en simpel: ‘DNA. En
dan met name het zogeheten junk-DNA, zo’n 95 procent
van het totaal, waarvan wij de functie nog niet kennen.’ Hij vermoedt
dat het DNA, dat uniek is voor ieder mens en ieder organisme, werkt
als een ontvangstapparaat, een soort tolk, tussen de informatievelden
en het organisme.
Niet alleen de hersencellen, maar alle cellen in ons hele lichaam zouden
gebruikmaken van het DNA om af te stemmen op informatie die de cel aanzet
tot actie. Dat cellen hiervoor gebruikmaken van een informatieveld dat
buiten tijd en ruimte staat, werd eerder aangetoond door Cleve Backster.
Hij zette witte bloedlichaampjes uit wangslijmvlies van een proefpersoon
op kweek. Vervolgens plaatste hij de proefpersoon tien kilometer verderop
achter een beeldscherm, waar hij afwisselend mooie, vreselijke en seksuele
beelden te zien kreeg. Die beelden veranderden niet alleen de huidweerstand
van de proefpersoon, maar veroorzaakten tegelijk een meetbare reactie
in de op kweek gezette cellen, kilometers verderop in het laboratorium.
De gedachte dat DNA werkt als ontvangstapparaat om de mens af te stemmen
op zijn specifieke bewustzijnsvelden, plaatst de discussie over orgaantransplantatie
in een nieuw licht. Want stel: u krijgt een nieuw hart. Het DNA van
dat hart zal zich richten op het bewustzijnsveld van de donor, niet
op dat van de ontvanger. Krijgt u dan misschien opeens heel andere informatie
binnen? Ja, weet Van Lommel: ‘Er zijn verhalen bekend van mensen
die, na een orgaandonatie, heel andere verlangens en leefpatronen ontwikkelden.
Zo is er het verhaal van een balletdanseres die ineens motor wilde rijden
en junk food wilde eten.’ Dergelijke voorvallen zijn
onder meer gedocumenteerd door Claire Sylvia (in haar boek Met hart
en ziel) en Paul Pearsall (Het geheugen van het hart).
Van Lommel wil mensen niet onnodig bang maken, benadrukt hij, maar hij
meent dat de gevolgen van het vervangen van een orgaan groter kunnen
zijn dan vaak wordt aangenomen.
‘Ik zag niet alleen wat ik had gedaan, maar ook hoe anderen
daardoor waren beïnvloed. Blijkbaar verdwijnen zelfs je gedachten
niet. . . Terwijl mijn leven aan me voorbijtrok, lag voortdurend de
nadruk op het belang van liefde.’
Het cliché is waar: mensen zien hun leven aan zich voorbijtrekken.
In deze terugblik of panorama krijgen mensen inzicht in de consequenties
van hun handelingen. Zo kunnen zij bijvoorbeeld zichzelf op 4-jarige
leeftijd zien, terwijl zij het speelgoed van hun zusje afpakken, waarbij
ze haar verdriet voelen. Van Lommel: ‘Het is op dat moment alsof
je de gedachten van de ander in je hebt. Je krijgt inzicht in wat voor
invloed jouw gedachten, woorden en daden op jezelf en de ander hadden.
Elke gedachte die we hebben, blijkt dus een vorm van energie die eeuwig
blijft bestaan.’
Volgens mensen die zo’n levensterugblik hebben meegemaakt, gaat
het niet zozeer om de daad die je verricht, maar om de intentie
erachter. ‘Als je iets doet omdat je graag aardig gevonden wilt
worden, is je intentie niet zuiver en je daad dus ook niet.’ Dan
buigt Van Lommel voorover, om er zeker van te zijn dat zijn woorden
zullen overkomen: ‘Het is uiterst indringend te ervaren dat alles
wat je aan een ander hebt gegeven bij jezelf terugkomt. Niemand ontkomt
aan de consequenties van zijn gedachten. Dat is ontzettend confronterend.
Mensen ervaren soms dat ze iets nooit meer kunnen goedmaken. Anderen
komen terug en gaan meteen mensen bellen om hun verontschuldiging aan
te bieden voor iets dat ze twintig jaar geleden hebben gedaan.’
Dus toch een laatste oordeel? Van Lommel is beslist: ‘Zeker niet.
Niemand wordt veroordeeld. Het is een inzichtervaring. De meeste mensen
maken de terugblik mee in de aanwezigheid van een wezen van licht. Dat
wezen is volstrekt liefdevol, volledig accepterend, zonder oordeel,
maar met volledig inzicht. De terugblik verandert het levensinzicht
van mensen. Ze krijgen andere waarden. Ze voelen dat ze één
zijn met de natuur en de aarde. Er is geen verschil meer tussen de ander
en henzelf. Het gaat niet om macht, uiterlijk, mooie auto’s, kleren,
een jong lijf. Het gaat om heel andere dingen: liefde voor jezelf, de
natuur, je medemens. De boodschap is zo oud als de wereld, maar nu hebben
ze het zelf ervaren en nu moeten ze ernaar gaan leven.’
Na een korte pauze zegt hij dan, peinzend: ‘Het is haast angstig
te beseffen dat elke gedachte effect heeft. Als je dát tot je
laat doordringen. . . We beïnvloeden onszelf, elkaar en de natuur
met iedere gedachte, positief of negatief.’
Moet je bijna dood zijn geweest om die levenslessen te leren? Nee,
meent Van Lommel, die zelf nooit een bijna-doodervaring heeft gehad.
Zelf heeft hij dankzij zijn onderzoek zoveel waardevolle lessen geleerd,
dat hij in 1992 zijn carrière als cardioloog heeft beëindigd
om zich volledig te kunnen wijden aan verder onderzoek en nieuwe publicaties
en lezingen over dit onderwerp. Hij heeft Stichting Merkawah opgericht,
die mensen met een bijna-doodervaring voorlichting en begeleiding biedt.
‘Door ermee bezig te zijn en ervoor open te staan, is mijn leven
veranderd’, zegt Van Lommel. ‘Ik zie nu in dat alles voortkomt
uit bewustzijn. Ik begrijp beter dat je je eigen realiteit creëert
op basis van het bewustzijn dat je hebt en de intentie van waaruit je
leeft. Ik begrijp dat bewustzijn de basis is van leven, en dat het in
het leven vooral gaat om compassie, empathie en liefde.’
Meer informatie over Stichting Merkawah: www.merkawah.nl.