Wat weten we en hoe weten we dat?
Harry Young

 

De kennis die we bezitten heeft alles te maken met herinnering. Zelfs het gevoel van onze eigen persoonlijke identiteit vertegenwoordigt verzamelingen individuele gedachten die we ons van moment tot moment herinneren. Dit houdt in dat veel van wat we weten, uiteindelijk voor ons verloren zal gaan, om te worden vervangen door nieuwe kennis, nieuwe herinneringen. Deze zullen op hun beurt ook worden vervangen: een eindeloze cyclus van vergeten en zich herinneren.

Het blijvende anker dat ons continuïteit verschaft maakt zich kenbaar als ons besef van individualiteit, het gevoel van ‘ik ben’, dat niet is veranderd sinds wij kinderen waren en zelfs niet zal veranderen op onze laatste dag in dit leven. In het hindoeïsme wordt het atman genoemd, en het is het deel van ons dat niet door een nieuwe herinnering kan worden vervangen, het deel dat weet en begrijpt en is gemaakt van materiaal dat niet kan worden vernietigd. Theosofisch gesproken vormt dit besef van een zelf, samen met spiritueel bewustzijn en denkvermogen, een drie-eenheid die de blijvende of ‘werkelijke’ mens is. We bezitten allemaal verschillende kennis – herinneringen aan plaatsen, mensen, omstandigheden en voorwerpen – omdat we allemaal verschillende dingen hebben gedaan. Maar het gevoel van individualiteit, van op zichzelf te bestaan, is voor jou hetzelfde als voor mij, en in feite voor elke persoon die ooit heeft geleefd. Het is een universeel besef, en volgens de getuigenis van de grootste geesten van de mensheid is wat we voelen een miniem deel van het bewustzijn van het oneindige universum. Soms voelen we ons ermee verbonden en dan zijn we tevreden en blij. Wanneer we onder druk staan of ons harde werk willen onderbreken, dan zoeken we daar ons heil om nieuwe energie te krijgen. Er bestaat geen vervangmiddel voor.

Veel van wat we denken te weten is wat anderen ons vertellen. Ik heb nooit door de ruimte gezweefd en geconstateerd dat Venus de planeet is die zich het dichtst bij de aarde bevindt. Maar astronomen zeggen dat het zo is en het is aan mij om ze al of niet te geloven. Hoeveel van ons wereldbeeld bestaat uit wat anderen ons vertellen, en hoeveel is gebaseerd op wat we zelf hebben waargenomen en geleerd? Wat belangrijker is, welke van deze keuzemogelijkheden laten we de grootste invloed uitoefenen op wat we denken, zeggen en doen? Ik heb veel mensen over reïncarnatie en karma horen spreken als feitelijkheden en vervolgens horen uitleggen hoe ze werken. Ik heb dat zelf ook gedaan. Maar weten we werkelijk waarover we spreken? De werking van karma kan worden gezien en heel gemakkelijk worden aangetoond, maar hoe is dit bij reïncarnatie? Wie van ons heeft in gedachten bewust het uitgebreide panorama van geleefde levens opnieuw afgespeeld en de tijd die tussen levens werd doorgebracht? Zouden we verstandelijk en emotioneel het vermogen hebben om de vreugde en pijn die we hebben ervaren te doorstaan, om daarna ongedeerd uit dit proces te komen en te zeggen dat we nu de waarheid over reïncarnatie kennen?

En toch is de constitutie van de mens verfijnd en volmaakt uitgebalanceerd, zodat elk deel de vibratie van de andere kan voelen. Onze eeuwigdurende aspecten gaan nooit slapen, maar zijn voortdurend actief en zich bewust, 24 uur per dag, 365 dagen per jaar, leven na leven – bestaande uit een cel of eenheid van bewustzijn die altijd heeft geschitterd en dit altijd zal doen. Dit is de bron die kracht geeft aan onze overtuigingen van spirituele waarheden.

Als een ervaring intens is, wordt deze bij ons ingebrand, en vaak voelen we dit als pijn. Wat we dan zelf ontdekken over de natuur en over hoe we functioneren is belangrijker dan de onbeduidende zaken waarvan we dagelijks kennisnemen, omdat de vrucht van de pijn een deel van ons wordt en van leven tot leven bij ons blijft. ‘Waar geen strijd is, is geen verdienste’, schreef H.P. Blavatsky in De Geheime Leer. Verdienste is een boeddhistisch denkbeeld, dat ruwweg betekent dat wat we voor onszelf hebben verzameld door toegewijde dienstverlening, lijden, of zelfopoffering ons van pas zal komen in dit of in toekomstige levens. Verdienste is een aardse beloning en komt ons alleen ‘uiterlijk’ ten goede. Om innerlijke, spirituele waarde te verkrijgen kan ze echter worden omgezet in ‘deugd’ door haar op te dragen aan anderen. De werkelijke waarde van een ervaring zal alleen bekend zijn aan onze innerlijke natuur, en het resultaat ervan zal zich vaak slechts zwakjes kenbaar maken in de vorm van een indruk, inzicht, inspiratie, of intuïtieve drang. Deze indrukken of neigingen zijn het resultaat van verdiensten die in ons zijn opgeslagen, afkomstig van mensenlevens van ervaringen in de fysieke rijken. We herinneren ons niet in detail iedere persoon die we hebben ontmoet, maar we herinneren ons wel indrukken die mensen bij ons achterlaten. Evenzo herinneren we ons niet bewust de details van de gebeurtenissen van levens geleden die eraan hebben bijgedragen om onze spirituele deugden te vormen (en die hebben we allemaal), maar we voelen wel hun kracht die herinneringen bij ons inprent als we op het punt staan ons in een soortgelijke situatie te begeven, hetzij als een intuïtieve inspiratie of als een boodschap van de stem van het geweten, met de belofte van een glimp van de waarheid als we zorgvuldig luisteren en vervolgens dienovereenkomstig handelen.

In De Sleutel tot de Theosofie, gaat Blavatsky uitvoerig in op enkele platonische ideeën over geheugen: het zich te binnen brengen (Engels: recollection), zegt ze, is het zich bewust herinneren, wat soms gemakkelijk is, en soms wordt teweeggebracht door ‘pijn en inspanning’; herinnering (Eng.: remembrance) is een onbewuste herinnering waarbij een voorwerp (schijnbaar) spontaan weer in het geheugen opkomt; reminiscentie (Eng.: reminiscence), daarentegen, is het ‘geheugen van de ziel’, ons besef dat we eerder hebben geleefd en opnieuw zullen leven, dat sommige ervaringen vertrouwd zijn, dat er meer in het leven is dan alleen de stoffelijke wereld. Alles wat we in dit leven ervaren wordt vastgelegd in onze innerlijke natuur, in ons spirituele geheugen, dat van leven tot leven voor ons beschikbaar is.

Daartegenover staat dat alle herinneringen aan ons huidige leven, en alle kennis die we erover hebben, uit ons denkvermogen zullen verdwijnen wanneer we sterven. Wat gebeurt er dan? Sommigen zouden zeggen dat herinneringen van het leven dat net is geëindigd niet worden vergeten door de persoon die zojuist is overleden. Mediums geven informatie door waarvan zij en de getroffen familieleden denken dat deze rechtstreeks van de overledene komt. Terwijl de feiten die worden onthuld over mensen, plaatsen, omstandigheden of voorwerpen inderdaad waar kunnen zijn, zijn er andere opvattingen over wat er plaatsvindt. De overledenen gaan na de dood door veel stadia en leggen lagen van bewustzijn af tot alleen de onsterfelijke aspecten overblijven om zo een gezegende rust te ervaren tussen levens, waarbij de spirituele aspiraties van het zojuist geleefde leven opnieuw worden beleefd en worden verfraaid. De lagere lagen van het bewustzijn, de substantie van aardse gedachten en herinneringen, blijven dicht bij het fysieke gebied hangen tot ze zelf uiteengaan of opnieuw tot leven komen door iemand die met hen in contact komt. Ze zijn net zo illusoir en bedrieglijk tijdens de dood als tijdens het leven.

Het lijkt er dus op dat ondanks onze nauwe verbondenheid met de gedachten die we in ons meedragen, zij ons niet toebehoren – we gebruiken en herinneren ze ons alleen maar een tijdje. Wat blijft en een deel van ons is, is de ervaring die we hadden toen die gedachten op ons werden afgedrukt. Het leiden van het leven zelf, waarbij we ons trouw overgeven aan de taken die zich ontvouwen in het dagelijkse karmische draaiboek, is voldoende om ons af te houden van bedrieglijke zijpaden. Om te proberen de waarheid te bereiken – het wat, waarom en hoe van het bestaan – vormt een eindeloze reis. Als we geduld hebben, komen waarheid en blijvende kennis onaangekondigd.

 

Uit het tijdschrift Sunrise sep/okt 2006

© 2006 Theosophical University Press Agency