Theosophical University Press Agency

pagina achteruit Inhoudsopgave pagina vooruit

Slachtoffers van woorden

[‘Victims of words’, The Theosophist, februari 1884, blz. 117; CW 6:141-3]

Het is een cliché geworden dat we vaker het slachtoffer zijn van woorden dan van feiten. Men heeft beweerd dat de Theosophical Society atheïsme en materialisme verkondigt, omdat het filosofische stelsel waaraan de oprichters van de Society en veel van hun medestudenten zijn toegewijd, weigert om wat gewoonlijk een ‘persoonlijke God’ wordt genoemd, te erkennen. We hebben beweerd en blijven tot onze sterfdag beweren dat een wezen dat de hele reeks associaties of, in meer geleerde taal, connotaties van het woord ‘God’ bezit, in het heelal of daarbuiten nergens bestaat – als er al zoiets als een daarbuiten mogelijk zou zijn. Dit is de negatieve kant van onze kennis. De positieve kant ervan kan worden geformuleerd in de woorden van de Upanishad: ‘Dat waaruit alle bestaansvormen emaneren, waarin ze leven en waarin ze terugkeren en worden opgenomen is brahman.’1 Wanneer brahman wordt gezien als de oorsprong van de substantie van het heelal, is het, zoals in deze kolommen al vaak is gezegd, mulaprakriti – een term die door de armoede van de Engelse metafysische woordenschat, vertaald is met ‘ongedifferentieerde kosmische stof’. Er is ook gezegd dat de differentiatie van mulaprakriti oneindig veel bestaansvormen voortbrengt. We worden ervan beschuldigd dat de hele godsidee in onze filosofische overtuigingen ontbreekt. Deze gedachte is ontstaan omdat men dit ene woord ‘differentiatie’ verkeerd begrijpt. Dit heeft tot veel discussie geleid. Onze tegenstanders beweren:

1. Taittiriya Upanishad, 3:1:3.

Brahman, de mulaprakriti, zou zich differentiëren, zoals stof, waarvan we een fysieke voorstelling hebben, om het zichtbare heelal te vormen. Daarom is brahman aan verandering onderhevig en bestaat tijdens kosmische activiteit alleen in latente toestand. Daarom is hun [onze] filosofie slechts het evangelie van de apotheose van dode ruwe stof en zijn ze subtiele materialisten.

Maar onze critici moeten bedenken dat mulaprakriti of brahman absoluut subjectief is, en daarom moet het woord ‘differentiatie’ in zuiver subjectieve of, zoals het gewoonlijk wordt genoemd, spirituele zin worden geïnterpreteerd voordat de betekenis ervan goed kan worden begrepen. Men moet geen moment denken dat mulaprakriti of brahman (parabrahman) ooit een verandering (parinama) van substantie kan ondergaan. Ze is de absolute wijsheid, de enige werkelijkheid, de eeuwige godheid – om het woord van zijn alledaagse betekenis los te maken. Met de differentiatie van mulaprakriti wordt bedoeld dat de oorspronkelijke essentie van alle bestaansvormen (asat) door haar wordt uitgestraald, en wanneer deze door haar wordt uitgestraald wordt ze het centrum van energie waaruit door geleidelijke en systematische processen van emanatie of differentiatie het heelal, zoals we dat waarnemen, tot bestaan komt. Uit het onvermogen van onze tegenstanders om deze diep metafysische gedachte te begrijpen, vloeit alle kwaadsprekerij voort.

Brahman is het heilige der heiligen, en we kunnen dit niet belasteren door het te beperken door onze eindige denkbeelden. Het is, zoals de vedische rishi’s het bezongen, suddhi apapaviddha, het vlekkeloze ene element, onaangetast door enige verandering van omstandigheden. We voelen de verhevenheid van het denkbeeld zo sterk, en het staat zo ver boven het hoogste wat we ons kunnen indenken, dat we te zeer met ontzag vervuld zijn om het tot voorwerp van discussie te maken. De brahmavadi’s van weleer hebben het prachtig bezongen:

Yato vacho nivartante
Aprapya manasa saha1

1. Op.cit., 2:9:1.

‘[Brahman is iets] waarvoor woorden tekortschieten [om het te beschrijven], omdat ze door het denken niet worden gevonden.’

Yas chandratarake tisthan
Yas chandratarakad antarah1

1. Brihadaranyaka Upanishad, 3:7:11.

‘[Brahman is iets] wat maan en sterren doordringt, en toch van maan en sterren verschilt.’

Het is niet zo’n absurditeit als een buitenkosmische godheid. Het is als de ruimte waarin een zichtbaar voorwerp ligt. De ruimte bevindt zich in het object en verschilt er toch van, hoewel de geest van het voorwerp niets anders dan de ruimte is.

Hieruit volgt duidelijk dat ‘mulaprakriti’ zich nooit differentieert maar dat ze alleen haar eerstgeborene, mahattattva, de sefira van de kabbalisten, emaneert of uitstraalt. Als men zorgvuldig de betekenis van het Sanskrietwoord srishti zou overdenken, zou dit punt volkomen duidelijk worden. Dit woord wordt gewoonlijk vertaald met ‘schepping’, maar, zoals alle sanskritisten weten, de wortel srj, waaruit dat woord is afgeleid, betekent ‘afwerpen’ en niet ‘scheppen’.

Dit is onze godheid ‘het onuitsprekelijke’, en zonder naam. Als onze broeders na deze uitleg toegelaten willen worden tot de grote oude tempel waarin we eerbied betonen, dan zijn ze welkom. Maar degenen die na deze uiteenzetting onze opvattingen nog steeds verkeerd begrijpen, hebben we niets meer te zeggen.


H.P. Blavatsky: Geselecteerde artikelen, Deel 2: 1882 – 1887, blz. 379-81
isbn 9789491433177, paperback, eerste druk 2016, bestel boek

© 2016 Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag