Isis ontsluierd
Een sleutel tot de mysteries van oude en moderne
wetenschap en religie

H.P. Blavatsky

isbn 9789070328771, gebonden, eerste druk 2010, bestel boek

© 2010  Theosophical University Press Agency, Den Haag

 

      Inhoudsopgave     

 

12. Conclusies en voorbeelden


Mijn grote edele hoofdstad, mijn prachtig versierde Daitu!
En u, mijn koel, heerlijk zomerverblijf, mijn Shangtu-Keibung! . . .
Helaas voor mijn bekende naam als heerser over de wereld!
Helaas voor mijn Daitu, zetel van heiligheid, groots werk van de onsterfelijke Kublai!
Alles, alles is mij ontnomen!’
     – kolonel H. Yule, The Book of Ser Marco Polo, ed. 1875, deel 1, blz. 2961

Wat de dingen betreft die u anderen hoort zeggen, die het grote publiek ervan willen overtuigen dat de ziel, als ze eenmaal van het lichaam is bevrijd, niet lijdt . . . of bewust is – ik weet dat u te goed bekend bent met leringen die we van onze voorouders en in de heilige feesten van Dionysus hebben ontvangen om deze te geloven; want de mystieke symbolen zijn ons die tot de ‘Broederschap’ behoren welbekend.
      – Plutarchus, Ethica, Troostbrief aan zijn vrouw

Het raadsel van het leven is de mens. Magie, of beter gezegd wijsheid, is de kennis die zich heeft ontwikkeld uit de vermogens van het innerlijke wezen van de mens; die krachten zijn goddelijke emanaties, zoals intuïtie het begrijpen van hun oorsprong, en inwijding het ons vertrouwd maken met die kennis is. . . . We beginnen met instinct, het einde is alwetendheid.    – A. Wilder

Hij die weet heeft macht.    – Brahmaanse boek van inwijding

Het zou van weinig onderscheidingsvermogen bij ons getuigen als we dachten dat naast de metafysici, of mystici van de een of andere soort, ook anderen ons in dit werk tot hier hebben gevolgd. Als dit toch zo is, dan willen we hen beslist aanraden zich de moeite te besparen dit hoofdstuk te lezen, want hoewel er niets wordt gezegd dat niet volkomen waar is, zouden ze niet nalaten zelfs het minst verbazingwekkende verhaal, hoe goed onderbouwd ook, voor volstrekt onwaar te houden.

Om de beginselen van de natuurwetten te begrijpen die bij de verschillende verschijnselen die hierna worden beschreven een rol spelen, moet de lezer de grondstellingen van de oosterse filosofie die we één voor één hebben toegelicht, in gedachten houden. Laten we ze kort samenvatten:

1. Er bestaan geen wonderen. Alles wat er gebeurt is het gevolg van een eeuwige, onveranderlijke, altijd werkende wet. Een schijnbaar wonder is slechts de werking van krachten die in strijd zijn met wat dr. W.B. Carpenter, frs – een man van grote geleerdheid maar weinig kennis – ‘de duidelijk vastgestelde wetten van de natuur’ noemt. Zoals velen van zijn soort, ziet dr. Carpenter over het hoofd dat er wetten kunnen bestaan die ooit ‘bekend’ zijn geweest, maar de wetenschap nu onbekend zijn.

2. De natuur is drie-enig: er is een zichtbare, objectieve natuur; een onzichtbare daarin aanwezige leven schenkende natuur, het exacte model van eerstgenoemde en het levensbeginsel daarvan; en boven deze twee staat de geest, de bron van alle krachten, als enige eeuwig en onverwoestbaar. De lagere twee veranderen voortdurend, de derde hogere niet.

3. Ook de mens is drie-enig: hij heeft zijn objectieve, fysieke lichaam; zijn leven schenkende astrale lichaam (of ziel) – de werkelijke mens; en deze twee worden overschaduwd en verlicht door de derde – de soeverein, de onsterfelijke geest. Als de werkelijke mens erin slaagt op te gaan in de geest, wordt hij een onsterfelijke entiteit.

4. De magie als wetenschap is de kennis van deze beginselen, en van de manier waarop het individu de alwetendheid en almacht van de geest en zijn beheersing over de natuurkrachten kan verkrijgen terwijl hij nog in het lichaam is. De magie als kunst is het toepassen van deze kennis in de praktijk.

5. Geheime kennis die verkeerd wordt toegepast, is tovenarij; ten goede gebruikt is het echte magie of wijsheid.

6. Mediumschap is het tegenovergestelde van adeptschap; het medium is het passieve werktuig van invloeden van buitenaf, de adept heeft een actieve beheersing over zichzelf en over alle lagere krachten.

7. Omdat alles wat ooit heeft bestaan, bestaat, of zal bestaan, wordt opgetekend in het astrale licht, het register van het onzichtbare heelal, kan de ingewijde adept, door gebruik te maken van de zienersblik van zijn eigen geest, alles weten wat bekend is geweest, of kan worden gekend.

8. De mensenrassen verschillen in spirituele gaven evenals in kleur, gestalte of andere uiterlijke eigenschappen; bij sommige volkeren komt van nature het zienerschap het meest voor, bij andere het mediumschap. Sommige geven zich over aan tovenarij, en dragen de geheime regels om haar in praktijk te brengen over van generatie op generatie, met als gevolg een meer of minder groot scala van paranormale verschijnselen.

9. Eén aspect van magische vaardigheid is het vrijwillig en bewust terugtrekken van de innerlijke mens (het astrale lichaam) uit de uitwendige mens (het fysieke lichaam). Bij sommige mediums komt dit terugtrekken voor, maar dan is het onbewust en onvrijwillig. Bij laatstgenoemden is het lichaam op zo’n moment min of meer cataleptisch, maar bij de adept zou men het afwezig zijn van het astrale lichaam niet opmerken, want de fysieke zintuigen zijn alert, en hij schijnt alleen in gedachten verzonken te zijn – ‘in diep gepeins’.

Tijd noch ruimte belemmert de bewegingen van het rondzwervende astrale lichaam. De thaumaturg, die goed thuis is in de occulte wetenschap, kan zichzelf (d.w.z. zijn fysieke lichaam) schijnbaar laten verdwijnen, of in schijn elke vorm aannemen die hij wenst. Hij kan zijn astrale lichaam zichtbaar maken, of er telkens een andere gedaante aan geven. In beide gevallen zullen deze resultaten worden bereikt door gelijktijdig teweeggebrachte mesmerische hallucinatie van de zintuigen van iedereen die ervan getuige is. Deze hallucinatie is zo volmaakt dat het slachtoffer ervan zijn leven zou willen verwedden dat hij iets werkelijks heeft gezien, terwijl het slechts een beeld in zijn eigen bewustzijn is dat de onweerstaanbare wil van de mesmerist daarop heeft afgedrukt.

Maar terwijl het astrale lichaam overal heen kan gaan, door elk obstakel heen kan dringen en op elke afstand van het fysieke lichaam kan worden gezien, is laatstgenoemde afhankelijk van de gewone manieren van vervoer. Men kan het onder bepaalde magnetische omstandigheden laten zweven, maar het kan alleen op de normale manier van de ene plaats naar de andere gaan. Daarom hechten we geen geloof aan alle verhalen over het door de lucht vliegen van mediums in hun lichaam, want dat zou een wonder zijn, en wonderen erkennen we niet. Inerte stof kan in bepaalde gevallen en onder bepaalde omstandigheden misschien worden ontbonden, door muren heen worden gevoerd en weer in elkaar worden gezet, maar levende dierlijke organismen kunnen dat niet.

Swedenborgianen geloven – en de esoterische wetenschap onderwijst – dat het vaak voorkomt dat het levende lichaam door de ziel wordt verlaten, en dat we dagelijks bij verschillende rangen en standen zulke levende lijken tegenkomen. Verschillende oorzaken, zoals overweldigende schrik, verdriet, wanhoop en een hevige ziekteaanval, of buitensporige wellust, kunnen dit teweegbrengen. Het lege lijk kan dan in beslag worden genomen en worden bewoond door het astrale lichaam van een adept in de tovenarij, of door een elementaar (een aan de aarde gebonden ontlichaamde, menselijke ziel), of, heel zelden, door een elementaal. Een adept in de witte magie heeft natuurlijk datzelfde vermogen, maar tenzij hij een heel bijzonder en verheven doel dient te bereiken, zal hij nooit erin toestemmen zich te bezoedelen door het lichaam van een onzuiver mens binnen te gaan. Bij krankzinnigheid is het astrale lichaam van de lijder óf halfverlamd, verbijsterd, en onderworpen aan de invloed van elke voorbijkomende geest van iedere soort, óf het is voorgoed vertrokken, en dan wordt het lichaam in bezit genomen door een vampierachtige entiteit die haar eigen uiteenvallen nabij is, en zich wanhopig vastklemt aan de aarde, waarvan ze de zinnelijke genoegens door dit middel nog enige tijd langer kan genieten.

10. De hoeksteen van de magie is een nauwkeurige, praktische kennis van magnetisme en elektriciteit, hun eigenschappen, onderlinge samenhang en vermogens. Een goede bekendheid met hun werkingen in en op het dierenrijk en de mens is daarbij vooral noodzakelijk. Veel mineralen hebben occulte eigenschappen die even vreemd zijn als die van de magneet, die alle beoefenaren van de magie moeten kennen, en waarvan de zogenaamd exacte wetenschap geheel onwetend is. Ook planten bezitten opzienbarend veel van zulke mystieke eigenschappen; de geheimen van de droom- en toverkruiden zijn alleen voor de Europese wetenschap verloren gegaan, en, het is zinloos het te zeggen, zijn haar, op enkele opvallende uitzonderingen na, zoals opium en hasjiesj, niet bekend. Niettemin wordt de psychische werking, zelfs van deze enkele planten, op het menselijk lichaam beschouwd als het bewijs van een tijdelijke geestelijke gestoordheid. De vrouwen in Thessalië en Epirus, de vrouwelijke hiërofanten van de rituelen van Sabazius, namen met de val van hun heiligdommen hun geheimen niet mee in het graf. Ze worden nog bewaard, en zij die de aard van Soma kennen, kennen ook de eigenschappen van andere planten.

Om dit alles in enkele woorden samen te vatten: magie is spirituele wijsheid: de natuur is de stoffelijke bondgenoot, leerling en dienaar van de magiër. Eén gemeenschappelijk levensbeginsel doordringt alles, en dit kan door de vervolmaakte menselijke wil worden beheerst. De adept kan de werking van de natuurkrachten in planten en dieren op bovennatuurlijke wijze versterken. Zulke experimenten houden niet het belemmeren maar het stimuleren van de natuur in; de voorwaarden voor een intensievere werking van de levenskracht worden geschapen.

De adept kan de zintuiglijke gewaarwordingen van andere personen die geen adept zijn, beheersen, en de gesteldheid van hun fysieke en astrale lichamen veranderen; hij kan ook de geesten van de elementen beheersen en gebruiken zoals hij verkiest. Hij kan de onsterfelijke geest van geen enkel mens beheersen, levend of dood, want al deze geesten zijn vonken van de goddelijke essentie, en kunnen niet door iets van buitenaf worden overheerst.

Er bestaan twee soorten zienerschap: het zienerschap van de ziel en dat van de geest. Het zienerschap van de Pythia van de oudheid en dat van de hedendaagse gemesmeriseerde proefpersoon verschillen alleen in de kunstmatige methoden die worden gebruikt om de toestand van helderziendheid teweeg te brengen. Omdat de visioenen van beiden echter afhankelijk zijn van de meerdere of mindere scherpte van de zintuigen van het astrale lichaam, verschillen ze sterk van de volmaakte, alwetende, spirituele toestand, want de waarnemer kan op zijn best slechts glimpjes van de waarheid te zien krijgen omdat de fysieke natuur tussen beide een sluier plaatst. Het astrale beginsel, of denkvermogen, dat door de hindoeyogi jivatman wordt genoemd, is de bewuste ziel, die onze fysieke hersenen, waarmee ze onlosmakelijk is verbonden, beheerst, terwijl ze op haar beurt daardoor evenzeer wordt belemmerd. Dit is het ego, het verstandelijke levensbeginsel van de mens, zijn bewuste entiteit. Zolang het zich nog in het stoffelijke lichaam bevindt, hangen de duidelijkheid en juistheid van zijn spirituele visioenen af van zijn nauwe of minder nauwe band met zijn hogere beginsel. Wanneer deze band zodanig is dat de meest etherische delen van de zielenessentie onafhankelijk kunnen werken van haar grovere delen en van de hersenen, kan het ego feilloos begrijpen wat het ziet; alleen dan is het de zuivere, redelijke, zich van het hogere bewuste ziel. Die toestand staat in India bekend als samadhi, het is de hoogste staat van spiritualiteit die op aarde voor de mens mogelijk is. Fakirs proberen zo’n toestand te bereiken door gedurende hun religieuze oefeningen uren achtereen hun adem in te houden, en noemen deze oefening dama-sadhana. De hindoetermen pranayama, pratyahara en dharana hebben betrekking op verschillende psychische toestanden, en tonen aan hoeveel geschikter het Sanskriet, en zelfs het moderne Hindi, is om de verschijnselen die men bij het bestuderen van deze tak van de psychologie tegenkomt duidelijk te omschrijven, dan de talen van jongere volkeren voor wie het nog niet nodig was dat soort termen te bedenken om hun ervaringen te beschrijven.

Als het lichaam zich in de staat van dharana bevindt – een totale verlamming van het fysieke gestel – kan de ziel van de helderziende zich vrijmaken en de dingen subjectief waarnemen. Omdat het bewustzijn in de hersenen levend en actief is, zullen deze beelden van verleden, heden en toekomst evenwel gekleurd zijn door de aardse waarnemingen van de objectieve wereld; de fysieke herinnering en verbeelding zullen een duidelijk zien in de weg staan. Maar de adept-ziener weet hoe hij de mechanische werking van de hersenen kan uitschakelen. Wat hij ziet zal zo duidelijk zijn als de waarheid zelf, niet gekleurd en niet verdraaid, terwijl de helderziende, die niet in staat is de trillingen van de astrale golven te beheersen, door middel van de hersenen slechts min of meer verstoorde beelden zal waarnemen. De ziener kan flikkerende schaduwen nooit voor werkelijkheden aanzien, want, omdat zijn geheugen even volkomen aan zijn wil is onderworpen als de rest van het lichaam, ontvangt hij de indrukken rechtstreeks vanuit zijn geest. Tussen zijn subjectieve en zijn objectieve zelf ligt geen belemmerende tussenstof. Dit is het echte spirituele zienerschap, waarin, om een uitdrukking van Plato te gebruiken, de ziel boven alle lagere goedheid wordt uitgetild. Dan bereiken we ‘wat verheven is, wat eenvoudig, zuiver en onveranderlijk, zonder vorm, kleur of menselijke eigenschappen is: de God – onze nous [geest]’.

Dit is de toestand die zieners zoals Plotinus en Apollonius de ‘vereniging met de godheid’ hebben genoemd, die de yogi’s van de oudheid Isvara2 noemden, en die nu samadhi wordt genoemd; maar deze toestand staat even ver boven de tegenwoordige helderziendheid als de sterren boven de glimwormen. Plotinus was, zoals bekend, zijn leven lang een helderziende ziener, en toch had hij zich, zoals hij zelf aan Porphyrius heeft bekend, in de 66 jaar van zijn leven maar vier keer met zijn god verenigd.

Ammonius Saccas, de ‘door de goden onderwezene’, beweert dat het enige vermogen dat rechtstreeks het voorspellen en in de toekomst zien belet, herinnering is, en Olympiodorus noemt het fantasie. Hij zegt:

De fantasie is een belemmering voor onze verstandelijke denkbeelden; en wanneer we worden beroerd door de inspirerende invloed van de godheid, houdt de energie van enthousiasme dus op zodra de fantasie tussenbeide komt, want enthousiasme en fantasie zijn met elkaar in strijd. Als men zou vragen of de ziel zonder de fantasie kan werken, dan is ons antwoord dat haar gewaarwording van algemene beginselen bewijst dat ze daartoe in staat is. Ze heeft dus gewaarwordingen, onafhankelijk van de fantasie. Maar wanneer de ziel actief is, gaat dat gepaard met fantasie, zoals een storm iemand achternazit die op zee zeilt.3

Bovendien heeft een medium óf een intelligentie van buitenaf – hetzij een geest of een levende mesmerist – nodig om zijn fysieke en verstandelijke vermogens te overmeesteren, óf een kunstmatig middel om trance teweeg te brengen. Een adept, en zelfs een eenvoudige fakir, heeft slechts enkele minuten van ‘zelfbespiegeling’ nodig. De koperen zuilen in de tempel van Salomo, de gouden bellen en granaatappels van Aäron, de Jupiter Capitolinus van Augustus die rondom behangen was met harmonische klokjes,4 en de koperen klankschalen uit de mysteriën voor het aanroepen van de Kore,5 dienden alle als zulke kunstmatige hulpmiddelen.6 Hetzelfde geldt voor de koperen klankschalen van Salomo, waar een dubbele rij van 200 granaatappels omheen hing, die als klepels in de holle zuilen dienstdeden. De priesteressen van Noord-Duitsland konden onder leiding van hiërofanten alleen onder het geraas van onstuimige wateren voorspellingen doen. Ze hypnotiseerden zich door geconcentreerd te staren naar de draaikolken die zich op de snelle stroom van de rivier vormden. Zo lezen we dat Jozef, de zoon van Jacob, met behulp van zijn zilveren waarzegbeker, die een heel heldere bodem moet hebben gehad, goddelijke inspiratie zocht. De priesteressen van Dodona plaatsten zich onder de oude eik van Zeus (de Pelasgische, niet de Olympische god), en luisterden aandachtig naar het ritselen van de heilige bladeren, terwijl anderen hun aandacht concentreerden op het zachte gemurmel van de koude bron die vanonder zijn wortels tevoorschijn sprong.7 Maar de adept heeft zo’n hulp van buitenaf niet nodig; het uitoefenen van alleen al zijn wilskracht is meer dan voldoende.

De Atharva-Veda leert dat het uitoefenen van zo’n wilskracht de hoogste vorm van gebed is, en ogenblikkelijk wordt beantwoord. Iets wat men verlangt, wordt verwezenlijkt evenredig aan de kracht van de aspiratie, en deze wordt op haar beurt afgemeten aan de innerlijke zuiverheid.

Enkele van deze edeler Vedanta-voorschriften met betrekking tot de ziel en de mystieke vermogens van de mens zijn onlangs door een hindoegeleerde meegedeeld in een Engels tijdschrift. Hij schrijft het volgende:

De Sankhya zegt dat de ziel [d.w.z. het astrale lichaam] de volgende vermogens heeft: inkrimpen tot een kleine massa die overal in kan doordringen; uitzetten tot een reusachtig lichaam; heel licht worden (langs een zonnestraal opstijgen naar de zonneschijf); organen bezitten die tot op onbeperkte afstand kunnen reiken, zodat men bijvoorbeeld met zijn vingertop de maan kan aanraken; een onweerstaanbare wil (bijvoorbeeld om even gemakkelijk in de aarde te kunnen zinken als in water); de heerschappij over alle levende en levenloze dingen; het vermogen de loop van de natuur te wijzigen, en om elke wens in vervulling te doen gaan.

Vervolgens geeft hij de respectieve namen van die vermogens:

Die vermogens worden genoemd: 1. animan; 2. mahiman; 3. laghiman; 4. gariman; 5. prapti; 6. prakamya; 7. vasitva; 8. isitva, of goddelijke kracht. Het vijfde is het voorspellen van toekomstige gebeurtenissen, het verstaan van talen die men niet kent, het genezen van ziekten, het raden van onuitgesproken gedachten, het begrijpen van de taal van het hart. Het zesde is het vermogen om ouderdom te veranderen in jeugd. Het zevende is het vermogen om mensen en dieren te mesmeriseren en te doen gehoorzamen; het is het vermogen om hartstochten en emoties te bedwingen. Het achtste vermogen is de spirituele toestand; de afwezigheid van de bovengenoemde zeven vermogens toont aan dat de yogi in deze toestand vervuld is van God.

Er waren geen geschriften, openbaar of geheim, die men als zo gezaghebbend, of zozeer als het laatste woord, beschouwde als de leer van de ziel. Sommige rishi’s schijnen de grootste nadruk op deze bovenzinnelijke bron van kennis te hebben gelegd.8

Sinds de grijze oudheid is de mensheid als geheel altijd overtuigd geweest van het bestaan van een persoonlijke spirituele entiteit binnen de persoonlijke fysieke mens. Deze innerlijke entiteit was min of meer goddelijk, naarmate ze dichter bij de top – christos – stond. Hoe hechter de band was, des te verhevener was het lot van de mens, en des te ongevaarlijker waren de uiterlijke omstandigheden. Dit geloof is geen fanatisme of bijgeloof, maar alleen een altijd aanwezig instinctief besef van de nabijheid van een andere spirituele en onzichtbare wereld, die, al is ze subjectief voor de zintuigen van de uiterlijke mens, volmaakt objectief is voor het innerlijke ego. Verder geloofden ze dat er uiterlijke en innerlijke omstandigheden bestaan die de vastberadenheid van onze wil tot handelen beïnvloeden. Ze verwierpen het fatalisme, want dit houdt het blindelings volgen van een nog blindere kracht in. Maar ze geloofden wel in de lotsbestemming die ieder mens van geboorte tot dood, draadje na draadje, om zich heen weeft, zoals een spin haar web; deze lotsbestemming wordt geleid óf door die tegenwoordigheid die sommigen de beschermengel noemen, óf door de ons meer vertrouwde astrale, innerlijke mens, die maar al te vaak de boze genius is van de mens van vlees. Beide beïnvloeden de uiterlijke mens, maar een van de twee moet de overhand krijgen; vanaf het eerste begin van de onzichtbare strijd komt de strenge, onverbiddelijke wet van compensatie tussenbeide, neemt haar loop en volgt nauwkeurig de wisselvalligheden van de strijd. Wanneer de laatste draad is geweven, en de mens schijnbaar verstrikt is in het netwerk van zijn eigen daden, dan bevindt hij zich geheel onder de heerschappij van het door hemzelf gemaakte lot. Dit hecht hem dan vast als een onbeweeglijke schelp aan de onwrikbare rots, of voert hem mee als een veertje in een wervelwind die door zijn eigen daden is teweeggebracht.

De grootste filosofen van de oudheid vonden het niet onredelijk of vreemd dat ‘zielen tot zielen kwamen om aan hen, soms door brieven of door een enkele aanraking, gedachten over toekomstige dingen mee te delen, of hen door een enkele blik gebeurtenissen uit het verleden te openbaren of toekomstige aan te kondigen’, zoals Ammonius ons vertelt. Lamprias en anderen waren bovendien van mening dat als de onbelichaamde geesten of zielen op aarde konden neerdalen, en beschermers van sterfelijke mensen worden,

we die zielen die nog in het lichaam zijn, het vermogen waardoor ze toekomstige gebeurtenissen te weten kunnen komen en aankondigen, niet moeten proberen te ontzeggen. Het is niet waarschijnlijk dat de ziel pas na van het lichaam te zijn gescheiden de gave krijgt om te voorspellen, die ze vóór die tijd niet bezat. We kunnen veeleer de conclusie trekken dat ze al die vermogens reeds tijdens haar vereniging met het lichaam, zij het minder volmaakt, bezat. . . . Want, zoals de zon niet alleen schijnt wanneer hij vanachter de wolken tevoorschijn komt, maar altijd straalt en alleen door dampen wazig en verduisterd leek, zo krijgt de ziel het vermogen om in de toekomst te zien niet alleen wanneer ze uit het lichaam treedt als vanuit een wolk, maar heeft dit altijd bezeten, zij het ook afgezwakt door haar banden met het aardse.9

Een bekend voorbeeld van een aspect van dit vermogen van de ziel, of het astrale lichaam, om zich te manifesteren, is het verschijnsel van de zogenaamde geest-hand. In tegenwoordigheid van bepaalde mediums ontwikkelen deze schijnbaar losse ledematen zich geleidelijk uit een lichtgevende nevelvlek, nemen een potlood op, schrijven boodschappen, en lossen zich dan voor de ogen van de getuigen weer op. Veel van dat soort gevallen zijn door heel competente en betrouwbare personen opgetekend. Deze verschijnselen zijn echt, en moeten serieus worden onderzocht. Maar men heeft soms valse ‘spookhanden’ voor echte aangezien. In Dresden hebben we eens een hand en arm gezien, die waren gemaakt voor bedrog, met heel vernuftig geplaatste veren waardoor het mechaniek de bewegingen van een natuurlijke arm volmaakt kon nabootsen, terwijl men de buitenkant nauwkeurig zou moeten onderzoeken om te ontdekken dat het iets kunstmatigs was. Het oneerlijke medium trekt, als hij dit gebruikt, zijn eigen arm uit zijn mouw, en vervangt die door de kunstarm; hij kan het dan laten voorkomen alsof zijn beide handen op de tafel rusten, terwijl in feite één ervan de aanwezigen aanraakt, zich vertoont, op de meubels klopt, en andere verschijnselen teweegbrengt.

De mediums die werkelijke manifestaties teweegbrengen, zijn in de regel het minst in staat ze te begrijpen of te verklaren. Tot degenen die heel verstandig over deze lichtende handen hebben geschreven, behoort dr. Francis Gerry Fairfield, schrijver van Ten Years with Spiritual Mediums, van wiens pen een artikel staat in het nummer van 19 juli 1877 van The Library Table. Hoewel hijzelf een medium is, verzet hij zich toch krachtig tegen de spiritistische theorie. Bij het bespreken van het onderwerp ‘spookhand’ verklaart hij dat

de schrijver hiervan persoonlijk getuige is geweest onder door hemzelf gestelde proefvoorwaarden, in zijn eigen kamer, bij vol daglicht, waarbij het medium op een sofa zat op 1,5 à 2,5 meter afstand van de tafel waarboven de verschijning [de hand] zwevend verscheen. Toen de polen van een hoefijzervormige magneet tegen de hand werden gehouden, begon die zichtbaar te trillen, terwijl het medium hevige stuiptrekkingen kreeg; een vrij duidelijk bewijs dat de kracht die het verschijnsel teweegbracht in zijn eigen zenuwstelsel werd opgewekt.

De conclusie van dr. Fairfield dat de zwevende spookhand een emanatie vanuit het medium is, is logisch en juist. De proef met de hoefijzervormige magneet bewijst op wetenschappelijke wijze wat elke kabbalist op gezag van zowel de ervaring als de filosofie zou bevestigen. De ‘kracht die het verschijnsel teweegbrengt’ is de wil van het medium, die wordt uitgeoefend zonder dat de uiterlijke mens zich ervan bewust is; deze is tijdelijk halfverlamd en in een cataleptische toestand. De spookhand is een uitwerping van het innerlijke of astrale lid van de mens. Dit is dat werkelijke zelf waarvan de chirurg de ledematen niet kan amputeren, maar die achterblijven wanneer het uitwendige omhulsel wordt afgeworpen, en (ondanks alle daartegen ingebrachte theorieën van blootgelegde of samengedrukte zenuweinden) alle gevoelens hebben die vroeger door de fysieke delen werden waargenomen. Dit is dat spirituele (astrale) lichaam dat ‘ongeschonden tevoorschijn wordt geroepen’. Het is zinloos te beweren dat het geest-handen zijn, want zelfs als we erkennen dat op elke seance allerlei soorten menselijke geesten tot het medium worden aangetrokken en dat ze enkele manifestaties leiden en teweegbrengen, moeten ze om handen of gezichten zichtbaar te maken, toch gebruikmaken óf van de astrale ledematen van het medium, óf van de materialen die de elementalen hun verschaffen, óf van de gezamenlijke aurische emanaties van alle aanwezige personen. Zuivere geesten willen en kunnen zich niet objectief vertonen; diegenen die dat wel doen zijn geen zuivere, maar elementaire en onzuivere geesten. Wee het medium dat aan zulke geesten ten prooi valt!

Hetzelfde beginsel dat ten grondslag ligt aan het onbewust uitwerpen van een spookledemaat door het cataleptische medium, is ook van toepassing op het uittreden van zijn gehele ‘dubbel’ of astrale lichaam. Het kan door de wil van het eigen innerlijke zelf van het medium worden teruggetrokken, zonder dat hij in zijn fysieke hersenen enige herinnering van zo’n voornemen behoudt – dat is één aspect van het tweevoudige vermogen van de mens. Het kan ook worden teweeggebracht door elementaren en elementalen, waarmee hij als mesmerische proefpersoon in verbinding kan staan. Dr. Fairfield heeft in zijn boek gelijk als hij het standpunt inneemt dat mediums gewoonlijk ziekelijk, en vaak, zo niet meestal, de kinderen of nauwe verwanten van mediums zijn. Maar hij heeft het helemaal mis als hij alle paranormale verschijnselen aan ziekelijke fysiologische omstandigheden toeschrijft. De adepten in de oosterse magie zijn zonder uitzondering mentaal en lichamelijk volkomen gezond, en in feite is het voor alle anderen onmogelijk om vrijwillig en onafhankelijk verschijnselen teweeg te brengen. We hebben er velen gekend, en geen van hen was ziek. De adept blijft volledig bewust, vertoont geen verandering van lichaamstemperatuur of andere tekenen van ziekelijkheid, heeft geen bepaalde ‘omstandigheden’ nodig, maar kan zijn wonderen overal verrichten; en in plaats van passief en aan een invloed van buitenaf onderworpen te zijn, beheerst hij de krachten met ijzeren wil. Maar op een andere plaats hebben we al aangetoond dat het medium en de adept zo tegenovergesteld zijn als twee polen. We zullen hier alleen nog eraan toevoegen dat lichaam, ziel en geest van de adept alle drie bewust zijn en in harmonie werken, en dat het lichaam van het medium een trage massa is, en dat zijn ziel zelfs in een droom vertrokken kan zijn terwijl haar woning door een ander wordt bezet.

Een adept kan niet alleen een hand, een voet of een ander deel van zijn lichaam projecteren en zichtbaar maken, maar het hele lichaam. We hebben dit een van hen in het volle daglicht zien doen, terwijl zijn handen en voeten werden vastgehouden door een sceptische vriend, die hij wilde verrassen.10 Langzamerhand vloeide het gehele astrale lichaam als een nevelige wolk eruit, tot er twee gedaanten voor ons stonden, waarvan de tweede een exacte kopie was van de eerste, alleen wat schimmiger.

Het medium hoeft helemaal geen wilskracht uit te oefenen. Het is voldoende dat zij of hij weet wat de onderzoekers verlangen. De ‘geestelijke’ entiteit van het medium zal, als ze niet door andere geesten wordt bezeten, buiten de wil of het bewustzijn van het fysieke wezen met even grote zekerheid handelen als in het lichaam gedurende een toestand van somnambulisme. Haar waarnemingen, zowel de uiterlijke als innerlijke, zullen scherper en veel verfijnder zijn, precies zoals met de slaapwandelaar het geval is. Dit is de oorzaak dat ‘de gematerialiseerde gedaante soms meer weet dan het medium’,11 want het verstandelijke waarnemingsvermogen van de astrale entiteit staat naar verhouding hoger dan het lichamelijke verstand van het medium in zijn normale toestand, omdat de geestelijke entiteit verfijnder is dan hijzelf. In het algemeen zal men zien dat het medium koud is, de pols zal merkbaar zijn veranderd, en op de verschijnselen volgt een toestand van zenuwuitputting, die klungelig en zonder onderscheid aan ontlichaamde geesten wordt toegeschreven, terwijl misschien slechts een derde van die verschijnselen door deze geesten, een ander derde door elementalen, en de rest door de astrale dubbelganger van het medium zelf wordt teweeggebracht.

Maar het is onze vaste overtuiging dat de meeste fysieke manifestaties, dat wil zeggen die waarvoor geen intelligentie of groot onderscheidingsvermogen nodig is en daar ook geen blijk van geven, door de scin-lecca (het dubbel) van het medium mechanisch worden teweeggebracht, zoals iemand tijdens een diepe slaap schijnbaar wakker is en dingen doet waaraan hij geen herinnering behoudt. De zuiver subjectieve verschijnselen zijn slechts in enkele gevallen aan de werking van het persoonlijke astrale lichaam toe te schrijven. Ze zijn meestal, afhankelijk van de ethische, verstandelijke en fysieke zuiverheid van het medium, het werk van de elementaire of soms van heel zuivere menselijke geesten. Elementalen hebben niets te maken met subjectieve manifestaties. In zeldzame gevallen is het de goddelijke geest van het medium zelf dat ze leidt en teweegbrengt.

Zoals Babu Pyarichanda Mitra in een brief aan Alexander Calder, voorzitter van de National Association of Spiritualists, schrijft:

een geest is een essentie of kracht, en heeft hij geen vorm . . . Het denkbeeld van een vorm houdt reeds ‘materialisatie’ in. De geesten [astrale zielen, zouden wij zeggen] . . . kunnen een tijd lang een vorm aannemen, maar ze hebben die niet voortdurend. Hoe stoffelijker onze ziel is, des te stoffelijker is onze opvatting van geesten.12

Epimenides, de Orphikos, stond bekend om zijn ‘heilige en wonderbaarlijke karakter’, en om het vermogen van zijn ziel om haar lichaam te verlaten ‘zo lang en zo vaak ze dat wenste’. Er zijn tientallen filosofen uit de oudheid die hebben bevestigd dat dit mogelijk is. Apollonius kon zijn lichaam elk ogenblik verlaten, maar men moet niet vergeten dat Apollonius een adept – een ‘magiër’ – was. Als hij eenvoudig een medium was geweest, dan had hij zulke dingen niet naar wens kunnen doen. Empedocles van Agrigentum, de pythagorische wonderdoener, had niet bepaalde omstandigheden nodig om een waterhoos die boven de stad was losgebarsten te laten ophouden. En evenmin om een vrouw weer tot leven te brengen, zoals hij heeft gedaan. Apollonius maakte geen gebruik van een donker gemaakte kamer om zijn vermogen tot levitatie te vertonen. Na plotseling voor de ogen van Domitianus en een hele menigte getuigen (vele duizenden) in de lucht te zijn verdwenen, verscheen hij een uur later in de grot van Puteoli. Een onderzoek zou echter hebben aangetoond dat zijn fysieke lichaam onzichtbaar was geworden door het akasa eromheen samen te trekken, zodat hij onopgemerkt zich naar de één of andere veilige schuilplaats in de buurt kon begeven, en zijn astrale lichaam, die de man zelf leek te zijn, een uur later in Puteoli aan zijn vrienden kon verschijnen.

En Simon Magus wachtte ook niet tot hij in trance was om voor de ogen van de apostelen en vele getuigen door de lucht weg te vliegen. ‘Er zijn geen bezweringen en ceremoniën voor nodig; het maken van cirkels en wierook branden is niets dan onzin en goochelarij’, zegt Paracelsus. De menselijke geest

is zo groots dat geen mens die in woorden kan uitdrukken; zoals God zelf eeuwig en onveranderlijk is, zo is het menselijke bewustzijn dat ook. Als we de vermogens ervan goed begrepen, zou niets op aarde voor ons onmogelijk zijn. Door te vertrouwen op onze wilskracht wordt de verbeelding versterkt en ontwikkeld. Vertrouwen moet de verbeelding versterken, want vertrouwen schenkt wilskracht.

In Asiatic Researches wordt, op basis van het verhaal van Turner, schrijver van The Embassy to Thibet en zelf een ooggetuige, een uitzonderlijke beschrijving gegeven van het persoonlijke onderhoud in 1783 – waarnaar in deel 1 kort is verwezen – van een Engelse ambassadeur met een gereïncarneerde boeddha die op dat moment een kind van 18 maanden was. De voorzichtige bewoordingen van een scepticus die bang is door het publiek te worden uitgelachen, verbergen de verbazing van de getuige die tegelijkertijd de feiten zo getrouw mogelijk wil weergeven. De kleine lama ontving de ambassadeur en zijn gevolg met zo’n natuurlijke en ongedwongen waardigheid en decorum dat ze aanhoudend versteld stonden. De manier van doen van dit kind, zegt de schrijver, was die van een oude filosoof, ernstig en bedaard en buitengewoon hoffelijk. Hij wilde de jonge lama laten begrijpen hoezeer de gouverneur-generaal van Galagata (Calcutta), de paleizenstad, en het Indiase volk overmand werden door verdriet toen hij stierf, en hoe groot de vreugde was toen ze vernamen dat hij weer in een jong nieuw lichaam was opgestaan; bij dat compliment keek de jonge lama hem en zijn gevolg aan met een blik van bijzondere voldoening, en onthaalde hen hoffelijk op gebakjes op een gouden schaal:

De ambassadeur sprak vervolgens de hoop van de gouverneur-generaal uit dat de lama nog lang de wereld met zijn tegenwoordigheid zal verlichten, en dat de vriendschap die tot nu toe tussen hen had bestaan, nog hechter zal worden gesmeed, ten bate en voordele van de verstandige volgelingen van de lama . . . dit alles maakte dat het schepseltje de spreker vastberaden aankeek, vriendelijk boog en knikte – en nog eens boog en knikte – alsof hij elk woord dat werd gesproken, begreep en goedkeurde.13

En of hij het begreep! Als het kind zich tijdens de ontvangst op de meest natuurlijke en waardige wijze gedroeg, en, ‘toen hun theekopjes leeg waren, onrustig werd, zijn hoofd in zijn nek wierp, zijn voorhoofd fronste en aldoor geluiden bleef maken, tot ze weer werden gevuld’, waarom zou het dan niet evengoed kunnen begrijpen wat er tegen hem werd gezegd?

Jaren geleden trok een klein reisgezelschap moeizaam van Kashmir naar Leh, een stad in Ladakh (Centraal-Tibet). Onder onze gidsen was een Tartaarse sjamaan, een heel mysterieuze figuur die een beetje Russisch en helemaal geen Engels sprak, en die toch kans zag zich met ons te onderhouden, en van groot nut bleek te zijn. Toen hij vernomen had dat sommigen van ons gezelschap Russen waren, dacht hij dat onze bescherming almachtig was, en hem in staat zou stellen veilig naar zijn familie in Siberië terug te keren, vanwaar hij ongeveer 20 jaar geleden om onbekende redenen, naar hij ons vertelde, via Kyakhta en de grote Gobi-woestijn naar het land van de Chakhars was gevlucht.14 Omdat voor hem een persoonlijk belang op het spel stond, voelden we ons veilig onder zijn hoede. Laten we de situatie kort toelichten: onze metgezellen hadden het onverstandige plan opgevat om in verschillende vermommingen Tibet binnen te dringen, terwijl geen van hen de taal van dat land sprak, al dacht een van hen, een zekere K., die wat Kazan-Tartaars had geleerd, dat hij dat wel kon. Omdat we dit slechts terloops vermelden, kunnen we er meteen aan toevoegen dat twee van hen, de gebroeders N., heel beleefd naar de grens werden teruggebracht, vóór ze 25 km in het vreemde land van Oost Bod hadden afgelegd, en K., een voormalig Luthers predikant, kon zelfs niet proberen om zijn ellendige dorp bij Leh te verlaten, omdat hij al vanaf de eerste dag met hevige koorts in bed lag, en via Kashmir naar Lahore moest terugkeren. Maar één door hem bijgewoond voorval betekende voor hem evenveel als het zien van de reïncarnatie van Boeddha zelf. Hij had door een oude Russische zendeling, in wie hij meer vertrouwen dacht te kunnen hebben dan in abbé Huc, van dit ‘wonder’ gehoord, en jarenlang had hij de wens deze ‘grote heidense goochelarij’, zoals hij het noemde, te ontmaskeren. K. was een positivist, en ging nogal prat op zijn anti-filosofische nieuwe leer. Maar zijn positivisme was gedoemd de doodsteek te krijgen.

Om enkele dagen te rusten stopten we op ongeveer vier dagreizen van Islamabad bij een onbetekenend dorp van leem, waarvan de enige goede eigenschap zijn prachtige meer was. Onze reisgenoten hadden zich tijdelijk van ons gescheiden, en het dorpje zou onze ontmoetingsplaats zijn. Daar vernamen we van onze sjamaan dat een groot gezelschap lamaïstische ‘heiligen’ op een pelgrimstocht naar verschillende heiligdommen zijn intrek had genomen in een oude rotstempel, en daar een tijdelijke vihara had gevestigd. Hij voegde eraan toe dat, omdat de ‘drie eerbiedwaardigen’15 met hen mee zouden reizen, de heilige bhikshu’s (monniken) de grootste wonderen konden teweegbrengen. Enthousiast over het vooruitzicht dit eeuwenoude bedrog te ontmaskeren, ging K. onmiddellijk eropuit om hen een bezoek te brengen, en vanaf dat moment bestonden er tussen de beide kampen heel vriendschappelijke betrekkingen.

De vihara lag op een afgelegen, heel fantastische plaats, veilig voor alle indringers. Ondanks de veelvuldige attenties, geschenken en verzoeken van K. weigerde het hoofd, die pase-budhu (een asceet van grote heiligheid) was, het wonder van de ‘incarnatie’ te laten zien, tot hem een bepaalde talisman werd getoond, die de schrijfster in haar bezit had.16 Toen hij die echter had gezien, trof hij onmiddellijk de nodige voorbereidingen; men haalde bij een moeder, een arme vrouw uit de buurt, een kind van 3 of 4 maanden oud. Allereerst eiste men van K. dat hij een eed zou afleggen om 7 jaar lang niets bekend te maken van wat hij zou zien of horen. De talisman is een gewone agaat of kornalijn, die bij de Tibetanen en anderen bekendstaat onder de naam a-yu, en van nature heel mysterieuze eigenschappen bezit of die heeft verkregen. Er bovenop is een driehoek gegraveerd, waarin een paar mystieke woorden staan.17

Er gingen verschillende dagen voorbij vóór alles klaar was, en intussen gebeurde er niets geheimzinnigs, behalve dat men op verzoek van een bhikshu spookachtige gezichten vanuit het spiegelgladde oppervlak van het meer naar ons liet loeren, toen we aan de oever zaten bij de deur van de vihara. Eén daarvan was het gezicht van K.’s zuster, die hij gezond en wel thuis had achtergelaten, maar die, zoals we later hoorden, enige tijd vóór we aan deze reis waren begonnen, was overleden. Eerst greep die aanblik hem aan, maar hij riep zijn scepsis te hulp, en stelde zich gerust met behulp van theorieën over schaduwen van wolken, weerspiegelingen van boomtakken, enz., waarop mensen van zijn soort zich meestal beroepen.

Op de afgesproken middag werd de baby naar de vihara gebracht, en in de hal of ontvangkamer gelaten, want K. mocht het tijdelijke heiligdom niet verder binnengaan. Het kind werd toen midden op de vloer op een stuk tapijt neergezet, en toen iedereen die niet tot het gezelschap behoorde, was weggestuurd, werden twee ‘bedelmonniken’ bij de ingang geplaatst om indringers buiten te houden. Toen gingen alle lama’s met hun rug tegen de granieten muur op de grond zitten, zodat allen door een ruimte van minstens 3 meter van het kind waren gescheiden. Het hoofd, voor wie door de dienstdoende lama een vierkant stuk leer was uitgespreid, ging zelf in de verste hoek zitten. Alleen K. ging dichtbij het kind zitten, en sloeg alle bewegingen met bijzondere belangstelling gade. De enige voorwaarde die men ons had gesteld was dat we een strikt stilzwijgen zouden bewaren, en geduldig het verdere verloop zouden afwachten. Fel zonlicht scheen door de open deur naar binnen. Geleidelijk verzonk de ‘overste’ in wat een toestand van diepe meditatie scheen te zijn, terwijl de anderen, na een korte invocatie met zachte stem, plotseling zwegen, en eruitzagen alsof ze geheel versteend waren. Het was drukkend stil; het kraaien van het kind was het enige geluid dat men hoorde. Nadat we daar enkele ogenblikken hadden gezeten, hielden de bewegingen van de ledematen van het kind plotseling op, en zijn lichaam scheen stijf te worden. K. lette nauwkeurig op elke beweging, en wij beiden overtuigden ons door een snelle blik dat alle aanwezigen bewegingloos zaten. De overste had zijn blik op de grond gericht, en keek zelfs niet naar het kind; bleek en bewegingloos leek hij meer op een bronzen beeld van een mediterende talapoin dan op een levend wezen. Tot onze grote ontzetting zagen we plotseling dat het kind niet zelf opstond, maar als het ware met geweld in een zittende houding werd gerukt! Nog enkele rukken, en de vier maanden oude baby stond, als een door verborgen draden in beweging gebrachte automaat, op zijn benen! Denk u eens in hoe ontzet we waren en hoe verschrikt K. was. Niemand had een hand uitgestoken, een beweging gemaakt of een woord gesproken – en ook al was hij nog maar een baby, toch stond hij rechtop, vastberaden als een man!

De rest van het verhaal zullen we overnemen uit een kopie van aantekeningen die door K. diezelfde avond over dit onderwerp werden gemaakt, en die hij ons gaf voor het geval deze haar bestemming niet zou bereiken, of de schrijver zelf niet erin zou slagen nog meer te zien.

Na een minuut of twee aarzelen draaide de baby zijn hoofd om, en keek me met een verstandige uitdrukking aan, die eenvoudig schrikwekkend was! Ik kreeg er rillingen van. Ik kneep me in mijn handen, en beet mijn lippen bijna tot bloedens om zeker ervan te zijn dat ik niet droomde. Maar dit was pas het begin. Het verbazingwekkende schepseltje zette, naar ik me verbeeldde, twee stappen naar me toe, nam zijn zittende houding weer aan, en herhaalde, zonder zijn ogen van de mijne af te houden, zin voor zin, in wat ik voor Tibetaans hield, de woorden die, zoals men mij vooraf had gezegd, gewoonlijk bij de incarnaties van Boeddha worden gesproken, beginnende met: ‘Ik ben Boeddha; ik ben de oude lama; ik ben zijn geest in een nieuw lichaam’, enz. Ik voelde werkelijk angst; mijn haren rezen te berge, en mijn bloed stolde. Ik had geen woord kunnen spreken, al had het me het leven gekost. Hier was geen bedrog, geen buiksprekerij in het spel. De lippen van het kind bewogen, en de ogen schenen tot in mijn ziel door te dringen met een uitdrukking die me deed denken dat het het gezicht van de overste zelf was, dat het zijn ogen waren en zijn blik waarnaar ik staarde. Het was alsof zijn geest het kleine lichaam was binnengegaan, en door het doorschijnende masker van het gezicht van de baby naar me keek. Ik voelde me duizelig worden in mijn hoofd. Het kind stak zijn handje naar me uit, en legde het in mijn hand. Ik deinste terug, alsof ik door een gloeiende kool was aangeraakt, en, niet in staat het toneel langer te verdragen, bedekte ik mijn gezicht met mijn handen. Dit duurde maar een moment, maar toen ik ze weer wegnam, was de kleine acteur weer een kraaiende baby geworden, en zette even later, op zijn rug liggend, een luide keel op. De overste was weer in zijn normale toestand, en men begon weer te praten.

Pas na een reeks van soortgelijke experimenten, verspreid over tien dagen, besefte ik dat ik het ongelooflijke, verbazingwekkende verschijnsel had gezien dat sommige reizigers hebben beschreven, maar dat ik altijd als bedrog had betiteld. Ondanks mijn scherpe ondervraging bleven veel vragen onbeantwoord, hoewel de overste één stukje informatie losliet dat als van grote betekenis moet worden beschouwd. ‘Wat zou er zijn gebeurd’, vroeg ik door bemiddeling van de sjamaan, ‘als ik het kind, terwijl het sprak, in een ogenblik van krankzinnige angst had gedood, omdat ik dacht dat het de ‘duivel’ was?’ Hij antwoordde dat, als de slag niet onmiddellijk dodelijk was geweest, alleen het kind zou zijn gedood. ‘Maar’, zo vroeg ik verder, ‘stel dat hij zo vlug was geweest als een bliksemflits?’ ‘In dat geval’, was het antwoord, ‘zou u ook mij hebben gedood’.

In Japan en Siam bestaan twee priesterorden, waarvan de ene openbaar is en zich met het volk bezighoudt, en de andere strikt geheim. De priesters van laatstgenoemde orde ziet men nooit; hun bestaan is slechts aan enkele leden van de plaatselijke bevolking bekend, nooit aan vreemdelingen. Ze vertonen hun vermogens nooit in het openbaar, en ook niet in het geheim behalve bij zeldzame gelegenheden van groot belang; de ceremoniën vinden dan plaats in onderaardse of op een andere manier ontoegankelijke tempels, en in tegenwoordigheid van enkele uitverkorenen die voor hun geheimhouding instaan. Tot zulke gelegenheden behoren sterfgevallen in de koninklijke familie, of van hoogwaardigheidsbekleders die lid zijn van de orde. Een van de vreemdste en indrukwekkendste demonstraties van de vermogens van deze magiërs is het onttrekken van de astrale ziel aan de gecremeerde overblijfselen van mensen, een ceremonie die eveneens plaatsvindt in sommige belangrijke lamakloosters in Tibet en Mongolië.

In Siam, Japan en Groot-Tartarije is het de gewoonte om uit de as van gecremeerde personen medaillons, beeldjes en afgodsbeeldjes te maken:18 de as wordt met water tot een pasta gemengd, en na in de gewenste vorm te zijn gekneed, gebakken en verguld. Het lamaklooster van Ou-Tay in de provincie Shan-Si, in Mongolië, staat daarom het meest bekend; rijke mensen sturen de beenderen van hun gestorven familieleden daarheen om te worden gemalen en vormgegeven. Als de adept in de magie het terugtrekken van de astrale ziel van de overledene wil vergemakkelijken, die volgens hen anders voor onbeperkte tijd in de as in een verdoofde toestand zou kunnen blijven, volgt hij de volgende werkwijze: Het heilige stof wordt op een hoop gelegd op een sterk gemagnetiseerde metalen plaat zo groot als een menselijk lichaam. De adept verspreidt het dan langzaam en voorzichtig met de talapat nang19, een waaier met een bijzondere vorm waarop bepaalde tekens staan, en mompelt tegelijkertijd een bezweringsformule. De as wordt al snel als het ware doortrokken van leven, en spreidt zich geleidelijk uit in een dunne laag, die de contouren van het lichaam vóór de crematie aanneemt. Dan begint er geleidelijk een soort witachtige damp op te stijgen, die na enige tijd een verticale kolom vormt, zich verdicht, en ten slotte wordt veranderd in het ‘dubbel’, of de etherische, astrale tegenhanger van de dode, die op zijn beurt in het niets oplost, en uit het gezicht van stervelingen verdwijnt.20

De ‘magiërs’ van Kashmir, Tibet, Mongolië en Groot-Tartarije zijn te bekend om besproken te hoeven worden. Als ze goochelaars zouden zijn, dan dagen we de bekwaamste Europese en Amerikaanse goochelaars uit om hen te evenaren als ze dat kunnen.

Als de wetenschappers al niet in staat zijn het balsemen van mummies van de Egyptenaren na te doen, hoeveel groter zou dan hun verwondering zijn, als ze, zoals wij, dode lichamen zagen, die door een alchemistische bewerking zo goed zijn bewaard dat ze er na verloop van eeuwen nog uitzien alsof de personen slechts slapen. De gelaatskleur was nog even fris, de huid even elastisch, de ogen even natuurlijk en schitterend, alsof ze in de volle bloei van gezondheid verkeerden, en de levensraderen slechts een moment tevoren tot stilstand waren gekomen. De lijken van sommige heel beroemde personen liggen in kostbare mausoleums op katafalken, soms met verguldsel of zelfs met platen van echt goud bedekt; hun favoriete wapens, spulletjes en voorwerpen voor dagelijks gebruik liggen om hen heen, en een gevolg van bedienden – jonge jongens en meisjes in de bloei van hun leven, maar toch lijken die evenals die van hun meesters bewaard zijn gebleven – staat als het ware gereed om hen te dienen zodra een beroep op hen wordt gedaan. Men zegt dat er in het klooster van Groot Kuren, en in één dat op de heilige berg (Bogdo-Ula) ligt, verschillende van dat soort graven zijn, die door alle veroverende horden die door deze landen zijn getrokken, zijn ontzien. Abbé Huc hoorde over het bestaan ervan, maar heeft er nooit één gezien, want alle vreemdelingen worden geweerd, en zendelingen en Europese reizigers die niet over de vereiste bescherming beschikken, zijn de laatsten aan wie men zou toestaan de heilige plaatsen te naderen. Hucs bewering dat de graven van Tartaarse heersers omringd zijn met kinderen ‘die gedwongen werden zoveel kwik te slikken tot ze stikten’, waardoor ‘de kleur en frisheid van de slachtoffers zo goed worden bewaard dat ze levend schijnen’, is een van die nutteloze zendelingen-praatjes die alleen aan de meest onwetenden die op basis van horen zeggen iets geloven, kunnen worden verkocht. Boeddhisten hebben nooit mensen of dieren geofferd. Het is volkomen in strijd met de beginselen van hun religie, en geen lamaïst werd ooit daarvan beschuldigd. Als een rijk man in gezelschap wilde worden begraven, werden door het hele land boden gezonden naar de lama’s die verantwoordelijk waren voor het balsemen; en kinderen die zopas een natuurlijke dood waren gestorven, werden voor dat doel uitgekozen. Arme ouders waren maar al te blij hun overleden kinderen op die tot de verbeelding sprekende manier te kunnen behouden, in plaats van ze aan ontbinding en wilde dieren over te laten.

Toen abbé Huc na zijn terugkeer uit Tibet in Parijs woonde, vertelde hij aan Arsenieff, een Rus, enkele niet in publicaties beschreven wonderen, waaronder het volgende merkwaardige feit waarvan hij tijdens zijn lange verblijf in het klooster van Kumbum getuige was geweest. Op een dag toen hij met een van de lama’s praatte, hield deze plotseling op met spreken, en nam de oplettende houding aan van iemand die luistert naar een boodschap die hem wordt meegedeeld, hoewel Huc geen woord hoorde. ‘Dan moet ik gaan’, zei de lama plotseling, als in antwoord op de boodschap.

‘Waarheen?’ vroeg de verbaasde ‘lama van Jehovah’ (Huc). ‘En met wie spreekt u?’

‘Naar het klooster van . . .’ , was het kalme antwoord. ‘De shaberon heeft me nodig; hij was het die me vroeg te komen.’

Dit klooster lag op een afstand van vele dagen reizen van dat van Kumbum, waarin het gesprek plaatsvond. Maar wat Huc het meest scheen te verwonderen, was dat de lama, in plaats van op reis te gaan, eenvoudig naar een koepelkamer ging op het dak van het huis waarin ze woonden, en een andere lama, na enkele woorden met hem te hebben gewisseld, hen langs een ladder naar het terras volgde, tussen hen in ging staan, en zijn collega insloot. Na enkele ogenblikken van meditatie wendde hij zich daarop tot Huc, glimlachte, en deelde de gast mee, dat ‘hij was vertrokken’.

‘Maar hoe heeft hij dat kunnen doen? U heeft hem immers opgesloten, en de kamer heeft geen uitgang?’ drong de missionaris aan.

‘Wat zou hij aan een deur hebben?’ antwoordde de bewaker. ‘Hijzelf is vertrokken, hij heeft zijn lichaam niet nodig, en heeft dat dus onder mijn hoede achtergelaten.’

Huc was, ondanks de wonderen waarvan hij gedurende zijn gevaarlijke reis getuige was geweest, van mening dat beide lama’s hem hadden misleid. Maar toen hij zijn vriend, met wie hij zich geregeld onderhield, drie dagen lang niet had gezien, informeerde hij naar hem, en vernam dat hij ’s avonds zou terugkomen. Bij zonsondergang, juist toen de ‘andere lama’s’ zich gereedmaakten om naar bed te gaan, hoorde Huc de stem van zijn afwezige vriend als uit de wolken zijn metgezel toeroepen om de deur voor hem open te maken. Toen hij opkeek, zag hij het silhouet van de ‘reiziger’ achter het traliewerk van de kamer waarin hij opgesloten was geweest. Toen hij naar beneden was gekomen, ging hij onmiddellijk naar de hoofdlama van Kumbum, en deelde hem bepaalde berichten en ‘bevelen’ mee uit de plaats waarvan hij ‘beweerde’ zojuist te zijn teruggekomen. Het lukte Huc niet om méér over zijn luchtreis van hem te weten komen. Maar hij heeft altijd gedacht, zei hij, dat deze ‘schijnvertoning’ iets te maken had met de onmiddellijke, bijzondere voorbereidingen voor de beleefde uitwijzing van de beide missionarissen, hijzelf en pater Gabet, naar Chogor-tan, een plaats die bij Kumbum hoorde. Gezien de schaamteloze nieuwsgierigheid en onbescheidenheid van de brutale missionaris, kan dat vermoeden wel eens juist zijn geweest.

Als de abbé met de oosterse filosofie goed bekend was geweest, dan zou hij niet veel moeite hebben gehad om het vliegen van het astrale lichaam van de lama naar het verafgelegen klooster terwijl zijn fysieke omhulsel achterbleef, of het voeren van een gesprek met de shaberon dat voor hemzelf onhoorbaar was, te begrijpen. De recente experimenten in Amerika met de telefoon, waarop we in hoofdstuk 5 van deel 1 zinspeelden, maar die sinds die bladzijden zijn gedrukt zeer zijn verbeterd, bewijzen dat de menselijke stem en de geluiden van instrumentale muziek via een telegraafdraad over grote afstand kunnen worden overgebracht. De hermetische filosofen leerden, zoals we hebben gezien, dat als een vlam uit het gezicht verdwijnt dit niet betekent dat ze werkelijk is gedoofd. Ze is alleen overgegaan van de zichtbare naar de onzichtbare wereld, en kan worden waargenomen door het innerlijke gezichtsvermogen dat is afgestemd op de dingen van dat andere en meer werkelijke heelal. Diezelfde regel geldt voor geluid. Terwijl het fysieke oor de trillingen van de atmosfeer onderscheidt tot een bepaald punt dat nog niet definitief is vastgesteld, maar dat van persoon tot persoon verschilt, kan de adept die zijn innerlijke gehoor heeft ontwikkeld, dit geluid opvangen bij dit verdwijnpunt en zijn trillingen in het astrale licht onbeperkt horen. Hij heeft geen draden nodig, geen oorschelpen of klankborden; zijn wilskracht is voldoende. Omdat hij met de geest hoort, vormen tijd en afstand geen belemmering, en hij kan zich met evenveel gemak met een andere adept aan de andere kant van de wereld onderhouden als wanneer ze zich in dezelfde kamer bevonden.

Gelukkig kunnen we ter bevestiging van onze bewering talloze getuigen aanvoeren die, zonder ook maar adept te zijn, toch het geluid van muziek in de lucht en van de menselijke stem hebben gehoord, terwijl instrument of spreker zich op duizenden kilometers afstand bevonden van de plaats waar we zaten. Ze hoorden dan in feite innerlijk, al dachten ze dat ze alleen hun fysieke gehoorzintuigen gebruikten. De adept had hun, eenvoudig door zijn wilskracht aan te wenden, een moment lang dezelfde waarneming van de geest van geluid gegeven als hijzelf voortdurend heeft.

Konden de wetenschappers maar ertoe worden gebracht de oude filosofie van de drie-eenheid van alle natuurkrachten te onderzoeken in plaats van haar te bespotten, dan zouden ze met sprongen vooruitgaan naar de verblindende waarheid, in plaats van zoals nu als slakken te kruipen. Prof. Tyndalls experimenten voor de kust van South Foreland bij Dover in 1875 hebben alle vroegere theorieën over het overbrengen van geluid vrijwel omvergeworpen, en zijn experimenten met gevoelige vlammen brengen hem tot op de drempel van de geheime wetenschap. Eén stap verder, en hij zou begrijpen hoe adepten zich op grote afstanden met elkaar kunnen onderhouden. Maar die stap zal niet worden gedaan. Over zijn sensitieve – in werkelijkheid magische – vlam zegt hij:

De geringste tik op een ververwijderd aambeeld vermindert haar hoogte tot zeven duim. Schudt men met een bos sleutels, dan raakt de vlam hevig in beroering, en laat een luid geraas horen. Het laten vallen van een kwartje in een hand die reeds geld bevat, doet de vlam naar beneden duiken. Het kraken van schoenen brengt haar in hevige beroering. Het kreukelen of scheuren van een stuk papier, of het ritselen van een zijden japon, heeft hetzelfde gevolg. In antwoord op elke tik van een horloge dat erbij wordt gehouden, krimpt ze en raast. Het opwinden van een horloge veroorzaakt ook beroering. Op een afstand van 30 meter kunnen we naar die vlam fluiten, en haar doen krimpen en razen. Bij het opzeggen van een gedeelte uit de Faerie Queene, ontleedt en onderscheidt de vlam de verschillende geluiden van mijn stem, merkt sommige op door een lichte knik, andere door een diepere buiging, terwijl ze op weer andere met hevige beroering reageert.21

Dat zijn de wonderen van de moderne natuurwetenschap, maar wat een apparatuur, koolzuurgas en lichtgas, Amerikaanse en Canadese fluiten, trompetten, gongs en bellen zijn daarvoor nodig! De arme heidenen beschikken niet over zo’n lading hulpmiddelen, maar kunnen niettemin – zal de Europese wetenschap het geloven? – precies dezelfde verschijnselen teweegbrengen. In één geval, toen men bij een belangrijke gelegenheid een ‘orakel’ nodig had, hebben we de mogelijkheid ingezien van iets wat we vroeger altijd hevig hadden ontkend, namelijk dat een eenvoudige bedelmonnik zonder enige apparatuur een gevoelige vlam door te flikkeren antwoorden liet geven. Een vuur werd aangestoken van takken van de Beal-boom, waarop enkele offerkruiden werden gestrooid. De bedelmonnik zat er dichtbij, bewegingloos, in contemplatie verdiept. Tussen de vragen door brandde het vuur zwak, en leek bijna uit te gaan; maar als de vragen werden gesteld, schoten de vlammen razend de lucht in, flikkerden, bogen, en lieten vurige tongen opflakkeren naar het oosten, westen, noorden of zuiden; en elke beweging had haar specifieke betekenis in een code van tekens die goed werd begrepen. Van tijd tot tijd zonk de vlam tot aan de grond, en de tongen van de vlam speelden in alle richtingen langs het gras; dan verdween ze plotseling en liet slechts een hoop gloeiende sintels achter. Toen het onderhoud met de vuurgeesten was afgelopen, liep de bhikshu (bedelmonnik) naar het bos waar hij woonde, terwijl hij voortdurend een klagend, eentonig lied zong, op het ritme waarvan de gevoelige vlam de maat hield, niet, zoals die van Prof. Tyndall toen hij de Faerie Queene las, met eenvoudige bewegingen, maar met een wonderbaarlijk gemoduleerd sissen en razen, tot hij uit het gezicht was. Daarop verdween ze, alsof haar leven zelf was uitgeblust, en liet de verwonderde toeschouwers een laag as achter.

Zowel in West- en Oost-Tibet, als in elke andere plaats waar het boeddhisme de overhand heeft, bestaan evenals in het brahmanisme twee verschillende religies – de geheime filosofie en de volksreligie. Eerstgenoemde is de religie van de volgelingen van de leer van de Sautrantika-sekte.22 Ze houden zich strikt aan de geest van de oorspronkelijke leringen van de Boeddha, die de noodzaak laten zien van intuïtief waarnemen en alle daaruit voortvloeiende conclusies. Ze maken hun opvattingen niet bekend, en staan ook niet toe dat ze openbaar worden gemaakt.

‘Alles wat is samengesteld is vergankelijk’, waren de laatste woorden die door de lippen van de stervende Gautama werden uitgesproken, toen hij zich onder de sala-boom gereedmaakte om nirvana in te gaan. ‘Geest is de enige, elementaire, oorspronkelijke eenheid, en elk van zijn stralen is onsterfelijk, oneindig en onvernietigbaar. Pas op voor de begoochelingen van de stof.’ Het boeddhisme werd door Dharma-Asoka wijd en zijd in Azië, en zelfs nog verder, verbreid. Hij was de kleinzoon van de wonderdoener Chandragupta, de beroemde koning, die de Punjab van de Macedoniërs verloste – als die al ooit in de Punjab zijn geweest – en Megasthenes aan zijn hof in Pataliputra ontving. Dharma-Asoka was de grootste koning van de Maurya-dynastie. Van een roekeloze losbol en atheïst, was hij priyadarsin, de ‘geliefde van de goden’, geworden; de zuiverheid van zijn menslievende opvattingen zijn nooit door enige aardse heerser overtroffen. Zijn nagedachtenis is in het hart van de boeddhisten eeuwenlang blijven voortleven, en is vereeuwigd in de humane edicten die in verschillende volkstalen op de zuilen en rotsen van Allahabad, Delhi, Gujarat, Peshawar, Orissa en andere plaatsen zijn gegraveerd.23 Zijn beroemde grootvader had heel India onder zijn machtige scepter verenigd. Toen de naga’s, of slangenaanbidders van Kashmir, waren bekeerd door de inspanningen van de apostelen die door de Sthavira’s van het derde concilie waren uitgezonden, verbreidde de religie van Gautama zich als een lopend vuurtje. Gandhara, Kabul en zelfs veel van de satrapen van Alexander de Grote namen de nieuwe filosofie aan. Omdat van alle vormen van het boeddhisme dat van Nepal het minst van de oorspronkelijke oude religie schijnt te zijn afgeweken, kan worden aangetoond dat het lamaïsme van Tartarije, Mongolië en Tibet, dat rechtstreeks uit dat land afkomstig is, het zuiverste boeddhisme is, want we herhalen dat het lamaisme in strikte zin slechts uit uiterlijke rituelen bestaat.

De upasaka’s en upasika’s, of mannen en vrouwen die half-monnik of -non en half-leek zijn, moeten zich, evenals de lama-monniken zelf, strikt houden aan Boeddha’s voorschriften, en moeten evenzeer meipo en alle paranormale verschijnselen bestuderen. Wie zich aan een van de ‘vijf zonden’ schuldig maakt, verliest elk recht om met de vrome gemeenschap samen te komen. De belangrijkste daarvan is geen enkele opvatting te vervloeken, want de vloek keert terug tot hem die hem uit, en vaak tot zijn onschuldige familieleden die dezelfde atmosfeer inademen als hij. Elkaar en zelfs onze bitterste vijanden lief te hebben; ons leven op te offeren, zelfs voor dieren; ons dan ook te onthouden van verdedigingswapens; de grootste overwinning te behalen door zichzelf te overwinnen; alle ondeugden te vermijden; alle deugden, vooral bescheidenheid en mildheid, te beoefenen; gehoorzaam te zijn aan zijn superieuren; zijn ouders, oude mensen, wijzen, deugdzame en heilige mensen lief te hebben en te respecteren; aan mensen en dieren voedsel, onderdak en hulp te bieden; voor het gemak van reizigers langs de wegen bomen te planten en bronnen te graven – dat zijn de morele plichten van boeddhisten. Elke ani of bhikshuni (non) is aan deze wetten onderworpen.

Tal van boeddhistische en lamaïstische heiligen waren bekend om hun onovertroffen heilige levenswandel en hun ‘wonderen’. Zo stond Tissu – de spirituele leraar van de keizer – die Kublai-Khan, de Nadir-Shah, inzegende, wijd en zijd bekend om zowel de bijzondere heiligheid van zijn leven als de vele wonderen die hij verrichtte. Maar hij verrichtte niet alleen maar nutteloze wonderen, maar deed meer dan dat. Tissu zuiverde zijn religie volledig; men zegt dat hij Kublai heeft gedwongen om in één enkele provincie van Zuid-Mongolië 500.000 onechte monniken uit de kloosters te verdrijven, die van hun beroep een voorwendsel maakten om in ondeugd en luiheid te leven. Toen kregen de lamaïsten hun grote hervormer, de shaberon Tsong-kha-pa, over wie werd gezegd dat hij (in de 14de eeuw) onbevlekt is ontvangen door zijn moeder, een maagd uit Koko-nor en die ook een wonderdoenster was. De heilige boom van Kumbum, de boom met de 10.000 afbeeldingen, die door de ontaarding van het ware geloof verschillende eeuwen niet meer had gebloeid, schoot nu nieuw loof, en bloeide volgens de legende krachtiger dan ooit vanuit het haar van deze avatara van Boeddha. Dezelfde overlevering laat hem (Tsong-kha-pa) in 1419 naar de hemel opstijgen. In tegenstelling tot de overheersende opvatting zijn weinig van deze heilige hubilgans, of shaberons, reïncarnaties.

Veel lamakloosters bevatten scholen voor magie, maar de beroemdste is de kloosterschool van Shu-tukt met meer dan 30.000 monniken; dit lamaklooster vormt een heel stadje. Sommige nonnen bezitten verbazingwekkende psychische vermogens. We hebben enkele van deze vrouwen ontmoet, die op weg waren van Lhasa naar Kandy, het Rome van het boeddhisme, met zijn miraculeuze heiligdommen en zijn relikwieën van Gautama. Om ontmoetingen met moslims en andere sekten te voorkomen, reizen ze alleen ’s nachts, ongewapend, en zonder enige angst voor wilde dieren, want deze zullen hen geen kwaad doen. Bij het eerste gloren van de dageraad nemen ze hun toevlucht in grotten en vihara’s, die door hun geloofsgenoten op daarop afgestemde afstanden voor hen zijn ingericht; want hoewel het boeddhisme een toevluchtsoord heeft gevonden in Ceylon, en er in naam maar weinig mensen in Brits-Indië zijn die zich zo noemen, zijn er toch tal van geheime byauds (broederschappen) en boeddhistische vihara’s, en voelt elke jain zich verplicht om boeddhisten en lamaïsten zonder onderscheid te helpen.

Op onze speurtocht naar occulte verschijnselen, waarbij we uitzagen naar bijzondere vertoningen, werd een van de interessantste die we hebben gezien, teweeggebracht door een van deze arme reizende bhikshu’s. Het gebeurde jaren geleden toen al zulke manifestaties nieuw waren voor de schrijfster. Een boeddhistische kennis, een mysticus die in Kashmir uit Kutchi-ouders was geboren, maar zich tot het boeddhistische lamaïsme had bekeerd en meestal in Lhasa woont, nam ons mee om de pelgrims te bezoeken.

‘Waarom draagt u die bos dode planten met u mee?’ vroeg een van de bhikshuni’s, een uitgemergelde, lange, oudere vrouw, terwijl ze op een grote bos mooie, frisse, heerlijk ruikende bloemen in de hand van de schrijfster wees.

‘Dood?’ zeiden we vragend. ‘Ze zijn net in de tuin geplukt!’

‘En toch zijn ze dood’, antwoordde ze ernstig. ‘Is niet het geboren worden in deze wereld sterven? Kijk eens hoe deze kruiden eruitzien wanneer ze leven in de wereld van het eeuwige licht, in de tuinen van onze gezegende Foh!’

Zonder de plaats te verlaten waar ze op de grond zat, nam de ani een bloem uit de bos, legde die in haar schoot, en begon, zo leek het, handen vol onzichtbaar materiaal vanuit de omringende atmosfeer bijeen te brengen. Na korte tijd werd er heel, heel vaag een wolkje damp zichtbaar, en dit nam langzamerhand vorm en kleur aan, totdat er midden in de lucht zwevend een kopie verscheen van de bloem die we haar hadden gegeven. Ze was in al haar kleuren en blaadjes getrouw aan het origineel, en lag eveneens op haar kant, maar ze was duizendmaal schitterender van tint en intenser van schoonheid, zoals de luisterrijke menselijke geest veel mooier is dan zijn fysieke omhulsel. Op die manier reproduceerde ze bloem na bloem tot de kleinste kruiden toe, liet ze verdwijnen, en weer verschijnen als we erom vroegen of zelfs alleen maar aan dachten. We kozen een roos in volle bloei, hielden haar op armslengte van ons af, en na enkele minuten verschenen onze arm, hand en de bloem, tot in elk detail volmaakt, in de lege ruimte weerspiegeld, op ongeveer 2 meter van waar we zaten. Maar terwijl de bloem oneindig veel mooier en even etherisch als de andere geest-bloemen scheen, zagen de arm en de hand er slechts uit als een weerkaatsing in een spiegel; zelfs een grote vlek op de onderarm, die daar was achtergelaten door een stuk vochtige aarde dat aan een van de wortels had vastgezeten, was zichtbaar. Later hoorden we hoe dat kwam.

Dr. Francis J. Victor Broussais sprak ongeveer 50 jaar geleden een grote waarheid uit toen hij zei: ‘Als het mesmerisme echt bestaat, zou de geneeskunde een aanfluiting zijn.’ Het mesmerisme bestaat echt, zodat we de geleerde Fransman wat de rest betreft niet zullen tegenspreken. Het mesmerisme is, zoals we hebben aangetoond, de hoeksteen van de magie. Het is voor iedereen zinloos om te proberen de theorie of praktijk van laatstgenoemde te begrijpen, vóór hij het grondbeginsel van magnetische aantrekking en afstoting in de hele natuur, heeft ingezien.

Veel vormen van zogenaamd volksbijgeloof zijn slechts bewijzen voor een instinctief besef van deze wet. Een onontwikkeld volk leert door de ervaring van vele generaties dat bepaalde verschijnselen steeds onder dezelfde omstandigheden plaatsvinden; ze scheppen dan deze omstandigheden, en verkrijgen de verwachte resultaten. Omdat ze de wetten niet kennen, verklaren ze het feit langs bovennatuurlijke weg; immers de ervaring is hun enige leermeester geweest.

In India, in Rusland en in enkele andere landen heeft men een instinctieve afkeer van het stappen op iemands schaduw, vooral als hij rood haar heeft, en in het eerstgenoemde land is de lokale bevolking heel terughoudend om mensen van een ander ras een hand te geven. Dit zijn geen zinloze hersenspinsels. Ieder mens straalt een magnetische uitwaseming of aura uit, en iemand kan fysiek volkomen gezond zijn, terwijl tegelijkertijd zijn uitwaseming toch bij anderen, die gevoelig zijn voor zulke subtiele invloeden, ziekte kan veroorzaken. Dr. Esdaile en andere mesmeristen hebben ons langgeleden al meegedeeld dat oosterlingen, vooral hindoes, gevoeliger zijn dan de blanke rassen. De experimenten van baron Reichenbach – en ervaringen over de hele wereld – bewijzen dat deze magnetische uitwasemingen het krachtigst zijn aan de uiteinden van de ledematen. Therapeutische behandelingen bewijzen dit, en dus worden antipathieke magnetische aandoeningen het gemakkelijkst overgebracht door het geven van een hand, zodat de hindoes er verstandig aan doen hun oude ‘bijgeloof’, dat aan Manu is ontleend, voortdurend in gedachten te houden.

Het magnetisme van een roodharige wordt, zoals we hebben ontdekt, bij bijna alle volkeren instinctief gevreesd. We zouden spreekwoorden kunnen aanhalen uit het Russisch, Perzisch, Georgisch, Hindi, Frans, Turks en zelfs uit het Duits, om aan te tonen dat het volk denkt dat verraad en andere ondeugden gepaard gaan met een rossig uiterlijk. Wanneer een mens aan de zon is blootgesteld, zorgt het magnetisme van dat lichtgevende hemellichaam ervoor dat zijn emanaties naar de schaduw worden geprojecteerd, en de verhoogde moleculaire activiteit ontwikkelt meer elektriciteit. Iemand die een antipathie tegen iemand anders koestert – al is misschien geen van beiden zich daarvan bewust – doet er verstandig aan niet door zijn schaduw te lopen. Voorzichtige artsen wassen hun handen na het behandelen van elke patiënt; waarom beschuldigt men hen dan niet evengoed als de hindoes van bijgeloof? De kiemen van ziekten zijn, zoals de ervaring in Europa bewijst, onzichtbaar, maar daarom niet minder werkelijk. De ervaring in het Oosten heeft al honderd eeuwen lang bewezen dat de kiemen van morele besmetting zich aan plaatsen hechten, en dat onzuiver magnetisme door aanraking kan worden overgedragen.

Een ander geloof dat in sommige delen van Rusland, vooral in Georgië (de Kaukasus), en in India wijdverbreid is, is dat wanneer het lichaam van een verdronken persoon niet op een andere manier kan worden gevonden, en men een kledingstuk van hem in het water werpt, dit zal drijven tot vlak boven de plaats van het lijk, en dan zinken. We hebben zelfs gezien dat het experiment succesvol werd uitgevoerd met het heilige koord van een brahmaan. Het dreef heen en weer, en in de rondte alsof het iets zocht, tot het plotseling ongeveer 50 meter recht vooruitschoot en zonk; en precies op die plaats visten de duikers het lichaam op. We treffen dit ‘bijgeloof’ zelfs in Amerika aan. Een Pittsburgse krant, van zeer recente datum, beschrijft het vinden van het lijk van een jonge jongen, Reed genaamd, in de Monongahela op een soortgelijke manier. Toen alle andere middelen waren mislukt, zegt de krant,

werd van een merkwaardig bijgeloof gebruikgemaakt. Een hemd van de jongen werd in de rivier gegooid op de plek waar hij kopje onder was gegaan, dreef, naar men zegt, een tijdje aan de oppervlakte, en zonk ten slotte op een plaats die de rustplaats van het lijk bleek te zijn, dat toen werd opgehaald. Het geloof dat het hemd van een verdronken persoon, wanneer het in het water wordt gegooid, het lijk zal volgen, is zeer verbreid, hoe dwaas het ook lijkt.

Dit verschijnsel wordt verklaard door de wet van de krachtige aantrekking die er bestaat tussen het menselijk lichaam en de voorwerpen die het lang heeft gedragen. Het oudste kledingstuk is het beste voor de proef, een nieuw is onbruikbaar.

Sinds onheuglijke tijden hebben Russische meisjes van stad en land de gewoonte gehad om in de maand mei op Trinitatis kransen van groene bladeren, die ieder meisje zelf moet maken, in de rivier te werpen, en zo het orakel te raadplegen. Zinkt de krans, dan is dat een teken dat het meisje binnenkort ongehuwd zal sterven; blijft ze drijven, dan zal ze trouwen; wanneer dit zal plaatsvinden hangt af van het aantal verzen dat ze tijdens het experiment kan opzeggen. We kunnen bevestigen dat ons persoonlijk verschillende gevallen bekend zijn; twee daarvan betroffen goede vriendinnen van ons, bij wie de doodsvoorspelling uitkwam, en de meisjes binnen twaalf maanden stierven. Ongetwijfeld zou het resultaat hetzelfde zijn wanneer het op een andere dag dan Trinitatis werd geprobeerd. Het zinken van de krans moet daaraan worden toegeschreven dat de krans doortrokken is van het ongezonde magnetisme van een gestel dat de kiemen van een vroegtijdige dood in zich draagt; zo’n magnetisme betreft een aantrekkingskracht tot de aarde op de bodem van de rivier. De rest laten we graag aan de vrienden van het toeval over.

Dezelfde algemene opmerking dat bijgeloof een wetenschappelijke grondslag heeft, is van toepassing op de door fakirs en goochelaars teweeggebrachte verschijnselen, die sceptici onder de algemene categorie bedrog rangschikken. En toch is er voor een nauwkeurige waarnemer, zelfs al is hij niet-ingewijd, een enorm verschil te zien tussen de kimiya (verschijnsel) van een fakir, de batte-baji (goochelarij) van een bedrieger, en de dodenbezwering van een jadugar of sahir, die door de plaatselijke bevolking zo wordt gevreesd en veracht. Dit verschil dat voor de sceptische Europeaan onwaarneembaar – zelfs onbegrijpelijk – is, wordt door elke hindoe instinctief gevoeld, ongeacht of hij tot een hoge of lage kaste behoort, ontwikkeld of dom is. De kangalin, of heks, die haar vreselijke abhichar (mesmerische vermogens) gebruikt om kwaad te doen, kan elk ogenblik de dood verwachten, want elke hindoe acht het geoorloofd haar te doden; een hukka-baj of goochelaar dient tot vermaak. Voor een slangenbezweerder met zijn ba-ini vol giftige slangen is men minder bang, want zijn vermogen om te betoveren strekt zich slechts uit tot dieren en reptielen; hij is niet in staat mensen te betoveren, of te volbrengen wat de Indiërs mantra phenkna noemen: door magie een betovering over mensen werpen. Maar voor de yogi’s, de sannyasins, de heilige mannen, die door mentale en fysieke oefening enorme psychische vermogens verwerven, ligt de zaak heel anders. Sommige van deze mannen worden door de hindoes als halfgoden beschouwd. Europeanen kunnen deze vermogens slechts zelden en bij hoge uitzondering beoordelen.

De Britse bewoner die op de maidans en op openbare plaatsen de voor hem angstaanjagende, weerzinwekkende mensen heeft gezien die roerloos zitten in de zichzelf opgelegde kwelling van de urdhvabahu, met de armen maandenlang – zelfs jaren – boven het hoofd, moet niet denken dat dit de wonderdoende fakirs zijn. De verschijnselen van laatstgenoemden kan men alleen te zien krijgen door de vriendelijke aanbeveling van een brahmaan, of onder bijzonder gunstige omstandigheden. Zulke mannen zijn even weinig toegankelijk als de echte nautch-meisjes, over wie alle reizigers spreken, maar die maar heel weinigen werkelijk hebben gezien, omdat ze uitsluitend de pagoden toebehoren.

Het is heel vreemd dat er ondanks de duizenden reizigers en miljoenen Europeanen die in India zijn geweest en het in alle richtingen hebben doorkruist, nog zo weinig over dat land en de omliggende landen bekend is. Misschien hebben sommige lezers de neiging de juistheid van onze bewering niet alleen te betwijfelen maar haar zelfs openlijk tegen te spreken. Ongetwijfeld zal men ons antwoorden dat alles wat men over India zou willen weten, al bekend is. In feite hebben we zelf een keer dit antwoord gekregen. Dat in India wonende Engelsen hiernaar geen onderzoek instellen is niet vreemd, want, zoals een Britse officier een keer tegen ons zei: ‘de hogere kringen beschouwen het als niet beschaafd om belangstelling te tonen voor de hindoes of hun zaken, of zelfs alleen maar verwonderd te zijn of informatie te verlangen als ze in dat land iets vreemds zouden zien’. Maar het verwondert ons echt dat zelfs reizigers dit interessante gebied niet beter hebben onderzocht. Nog geen 50 jaar geleden hebben twee moedige Britse officieren die op tijgerjacht waren en daarbij in de wildernis van de Blauwe of Nilgiri heuvels in Zuid-Hindoestan doordrongen, een vreemd volk ontdekt, dat wat uiterlijk en taal betreft volkomen verschilde van alle andere hindoevolkeren. Vele min of meer absurde gissingen werden over hen gemaakt, en de zendelingen, die altijd alert zijn om alle dingen onder de zon in verband te brengen met de Bijbel, gingen zelfs zover om te opperen dat dit volk een van de verloren stammen van Israël was, en baseerden hun belachelijke hypothese op hun zeer blanke huidskleur en ‘uitgesproken joodse gelaatstrekken’. Dit laatste is volkomen onjuist, want de Toda’s, zoals ze worden genoemd, vertonen niet de geringste gelijkenis met het joodse type, noch in gelaatstrekken, noch in gestalte, noch in taal of manier van doen. De Toda’s lijken sterk op elkaar en, zoals een vriend van ons het uitdrukte, de knapsten lijken in majesteit en uiterlijke schoonheid meer op het beeld van de Griekse Zeus dan wat hij ooit bij mensen had gezien.

Sinds die ontdekking zijn er 50 jaar voorbijgegaan, maar hoewel er sindsdien op die heuvels steden zijn gebouwd, en Europeanen het land zijn binnengetrokken, is men over de Toda’s niet méér te weten gekomen dan in het begin. Onder de dwaze geruchten die over dit volk in omloop zijn, zijn de meest onzinnige die over hun aantal en dat ze polyandrie in praktijk brengen. De algemene opinie over hen is dat hun aantal als gevolg van laatstgenoemde gewoonte tot enkele honderden families is ingekrompen, en dat het volk snel uitsterft. We hadden een goede gelegenheid veel over hen te weten te komen, en verklaren daarom uitdrukkelijk dat de Toda’s geen polyandrie in praktijk brengen en ook niet zo gering in aantal zijn als men denkt. We kunnen aantonen dat niemand ooit kinderen van hen heeft gezien. Die welke men in hun gezelschap misschien heeft gezien, behoorden tot de Badaga’s, een hindoestam die wat ras, huidskleur en taal betreft volkomen van de Toda’s verschilt, en waartoe de meest rechtstreekse ‘vereerders’ van dit bijzondere volk behoren. We zeggen vereerders, want de Badaga’s kleden, voeden en bedienen de Toda’s, en beschouwen elke Toda nadrukkelijk als een godheid. Ze zijn reuzen van gestalte, blank zoals Europeanen met enorm lang, gewoonlijk bruin, golvend haar en baard, dat vanaf hun geboorte nooit door een scheermes is aangeraakt. Knap als een standbeeld van Phidias of Praxiteles, zit de Toda de hele dag, zonder iets te doen, zoals sommige reizigers, die wel eens een blik op hen hebben geworpen, bevestigen. Uit de vele tegenstrijdige meningen en mededelingen die we van de bewoners van Ootacamund en andere nieuwe plaatsjes van de beschaafde wereld die in de Nilgiriheuvels verspreid liggen, zelf hebben vernomen, selecteren we de volgende:

Ze gebruiken nooit water, ze zijn uitzonderlijk knap en edel van uiterlijk, maar bijzonder vuil; in tegenstelling tot alle andere Indiërs hebben ze minachting voor juwelen, en dragen nooit iets anders dan een groot zwart gewaad of een deken van één of andere soort wol, met een gekleurde streep onderaan; ze drinken nooit iets anders dan zuivere melk; ze hebben kudden vee maar eten hun vlees niet, en laten hun dieren niet ploegen of werken; ze kopen en verkopen niet; de Badaga’s voeden en kleden hen; ze gebruiken noch dragen ooit wapens, zelfs geen gewone stok; de Toda’s kunnen niet lezen en willen niets leren. Ze zijn de wanhoop van de zendelingen, en hebben kennelijk geen enkele soort religie, behalve de verering van zichzelf als de Heren van de Schepping.24

We zullen proberen enkele van deze meningen recht te zetten, voor zover we daartoe in staat zijn door wat we hebben vernomen van een zeer heilige figuur, een brahmaan-goeroe, voor wie we grote eerbied hebben.

Niemand heeft ooit meer dan vijf of zes van hen tegelijk gezien; ze praten niet met vreemdelingen, en geen reiziger is ooit in hun vreemde, lange en lage hutten geweest, die kennelijk geen ramen of schoorsteen hebben en maar één deur; niemand heeft ooit de begrafenis van een Toda gezien, of heel oude mensen onder hen; ook krijgen ze nooit cholera, terwijl tijdens zulke periodieke epidemieën om hen heen duizenden mensen sterven; en tot slot, hoewel het hele land rondom vol tijgers en andere wilde dieren is, heeft men nooit gehoord dat een tijger, een slang of enig ander wild beest uit die streek een Toda of een stuk vee van hen iets heeft aangedaan, hoewel ze, zoals we hierboven zeiden, zelfs nooit van een stok gebruikmaken.

Bovendien trouwen de Toda’s in het geheel niet. Ze lijken gering in aantal te zijn, omdat niemand ooit de gelegenheid heeft gehad of zal krijgen ze te tellen; zodra hun afzondering door de vloedgolf van beschaving werd ontwijd – wat misschien wel aan hun eigen zorgeloosheid was te danken – begonnen de Toda’s te verhuizen naar andere even onbekende en nog ontoegankelijker streken dan de Nilgiri-bergen vroeger waren geweest; ze zijn niet uit Toda-moeders geboren, en ook niet van Toda-afkomst; ze zijn de kinderen van een bepaalde heel exclusieve sekte, en sinds hun jeugd voor bijzondere religieuze doeleinden afgezonderd. Zo’n kind wordt herkend aan een bijzondere huidskleur en enkele andere tekenen, en staat vanaf zijn geboorte bekend als wat gewoonlijk een Toda wordt genoemd. Om de drie jaar moeten ze zich allen gedurende een bepaalde tijd naar een bepaalde plaats begeven, waar ze allen moeten samenkomen; hun ‘vuil’ is slechts een uiterlijke gedaante, zoals een sannyasin die in het openbaar aanneemt gevolg gevend aan zijn gelofte; hun vee is voor het grootste deel aan heilige doeleinden gewijd, en, hoewel hun plaatsen van eredienst nooit door de voeten van niet-ingewijden zijn betreden, bestaan ze toch en evenaren misschien de prachtigste aan Europeanen bekende pagoden – gopura’s. De Badaga’s zijn hun speciale vazallen, en vereren hen, zoals terecht is gezegd, als halfgoden; want door hun geboorte en mysterieuze vermogens verdienen ze die eer.

De lezer kan er zeker van zijn dat alle berichten over hen die in strijd zijn met het weinige dat hierboven is gezegd, onjuist zijn. Geen zendeling zal ooit een van hen met zijn lokaas vangen, en geen Badaga zal hen verraden, al werd hij aan stukken gesneden. Ze zijn een volk dat een bepaald edel doel vervult, en waarvan de geheimen onschendbaar zijn.

Bovendien zijn de Toda’s niet de enige van dat soort mysterieuze stammen in India. We hebben er in een eerder hoofdstuk verschillende genoemd, maar hoeveel meer zijn er daarnaast nog die ongenoemd zullen blijven, niet worden herkend, maar er toch altijd zijn!

Wat nu over het sjamanisme algemeen bekend is, is maar heel weinig; en dat is evenals de andere niet-christelijke religies verdraaid. Het wordt zonder enige reden het Mongoolse ‘heidendom’ genoemd, want het is een van de oudste Indiase religies. Het is verering van geesten, of het geloof dat de ziel onsterfelijk is, dat ze nog dezelfde mens is die ze op aarde was, ook al heeft haar lichaam zijn objectieve vorm verloren, en al heeft de mens zijn fysieke aard voor een spirituele verwisseld. In zijn huidige vorm is het een tak van de oorspronkelijke theürgie, en een praktische versmelting van de zichtbare en onzichtbare wereld. Steeds wanneer een aardbewoner met zijn onzichtbare broeders in contact wil komen, moet hij zich aan hen gelijkmaken; d.w.z. hij ontmoet deze wezens halverwege, verkrijgt van hen een voorraad spirituele essentie, geeft hun op zijn beurt een deel van zijn fysieke natuur, en stelt hen op die manier soms in staat in halfobjectieve gedaante te verschijnen. Deze tijdelijke uitwisseling van naturen wordt theürgie genoemd. Sjamanen worden tovenaars genoemd, omdat men zegt dat ze de ‘geesten’ van de doden oproepen met het doel ze te bezweren. Het echte sjamanisme, waarvan de opvallende kenmerken in India in de tijd van Megasthenes (300 v.Chr.) de overhand hadden, kan evenmin worden beoordeeld naar zijn ontaarde afstammelingen onder de sjamanen in Siberië, als de religie van Gautama Boeddha kan worden verklaard aan de hand van het fetisjisme van sommige van zijn volgelingen in Siam en Birma. Het heeft zijn toevlucht genomen tot de belangrijkste kloosters van Mongolië en Tibet, en daar wordt het sjamanisme, als we het zo moeten noemen, beoefend tot de uiterste grenzen die aan het verkeer tussen mens en ‘geest’ zijn gesteld. De religie van de lama’s heeft de oorspronkelijke wetenschap van de magie trouw bewaard, en weet nu nog even grootse dingen te verrichten als in de tijd van Kublai-Khan en zijn baronnen. De oude mystieke formule van koning Songtsen Gampo, het Aum mani padme hum,25 verricht zijn wonderen nu nog evengoed als in de 7de eeuw. Avalokitesvara, de hoogste van de drie bodhisattva’s en de beschermheilige van Tibet, werpt zijn schaduw, volledig zichtbaar voor de gelovigen, over het door hem gestichte lamaklooster van Ganden; en de lichtende gestalte van Tsong-kha-pa spreekt, in de vorm van een vurig wolkje dat zich losmaakt uit de dansende zonnestralen, een belangrijke bijeenkomst van duizenden lama’s toe, terwijl zijn stem van boven neerdaalt, als het fluisteren van een briesje in het gebladerte. Onmiddellijk daarna, zeggen de Tibetanen, verdwijnt de prachtige verschijning tussen de schaduwen van de heilige bomen in het park van het klooster.

In Garma-Kian (het moeder-klooster) gaat het gerucht dat slechte, onontwikkelde geesten op bepaalde dagen gedwongen worden te verschijnen, en verslag te doen van hun slechte daden; ze worden dan door de lamaïstische adepten gedwongen het kwaad dat ze stervelingen hebben aangedaan te herstellen. Dit is wat Huc naïef ‘het belichamen van kwade geesten’ noemt, d.w.z. duivels. Werd aan de sceptici uit verschillende Europese landen toegestaan kennis te nemen van de dagelijks in Muru26 en in de ‘stad van geesten’ gedrukte verslagen over de haast zakelijke omgang die tussen de lama’s en de onzichtbare wereld plaatsvindt, dan zouden ze zeker meer belangstelling tonen voor de verschijnselen die in de spiritistische tijdschriften zo triomfantelijk worden beschreven. In Buddha-la, of beter gezegd Potala (Boeddha’s berg), in het belangrijkste van de vele duizenden lamakloosters in dat land, ziet men de scepter van de bodhisattva geheel los in de lucht zweven, en met zijn bewegingen de daden van de gemeenschap regelen. Als een lama in tegenwoordigheid van de overste van het klooster ter verantwoording wordt geroepen, weet hij van tevoren dat het nutteloos is iets onwaars te zeggen; de ‘regelaar van de rechtvaardigheid’ (de scepter) is er, en de golvende beweging ervan beslist onmiddellijk en feilloos, goedkeurend of anderszins, of hij schuldig is. We beweren niet dat we persoonlijk van dit alles getuige zijn geweest; zulke aanspraken willen we niet maken. Laat het met betrekking tot al deze verschijnselen voldoende zijn te zeggen dat wat we niet met onze eigen ogen hebben gezien, voor ons zo bewezen is dat we voor de echtheid ervan instaan.

Een aantal lama’s in Sikkim brengen door magische krachten meipo – ‘wonderen’ – teweeg. De overleden patriarch van Mongolië, Gegen Chutuktu, die verblijf hield in Urga, een waar paradijs, was de 16de incarnatie van Gautama, en dus een bodhisattva. Hij had de naam over vermogens te beschikken die zelfs voor de wonderdoeners van het land van wonderen bij uitstek, fenomenaal waren. Laat niemand denken dat men die vermogens zonder moeite ontwikkelt. De levens van de meeste van die heiligen – die ten onrechte luie zwervers, bedriegers en bedelaars worden genoemd, en van wie men denkt dat ze hun leven doorbrengen met het uitbuiten van de goedgelovigheid van hun slachtoffers – zijn op zichzelf al wonderen. Wonderen, omdat ze laten zien wat een vastberaden wil en volmaakte zuiverheid van leven en doel kunnen volbrengen, en aan welke mate van bovennatuurlijke ascese een menselijk lichaam kan worden blootgesteld, terwijl het toch in leven blijft en een hoge leeftijd bereikt. Geen christen-kluizenaar heeft ooit gedroomd van zo’n verfijnde kloosterdiscipline; en de woning in de lucht van een Simeon de Styliet lijkt wel kinderspel vergeleken bij de vindingen van fakir en boeddhist om de wil te beproeven. Maar de theoretische bestudering van de magie is één ding, en de mogelijkheid om haar in praktijk te brengen is iets heel anders. In Drepung, de Mongoolse school waar meer dan 300 magiërs (sorciers, zoals de Franse missionarissen hen noemen) les geven aan ongeveer tweemaal zoveel leerlingen tussen 12 en 20 jaar, moeten laatstgenoemden vele jaren op hun laatste inwijding wachten. Niet één op de honderd bereikt het hoogste doel, en uit de vele duizenden lama’s die bijna een hele stad van vrijstaande gebouwen eromheen bewonen, worden niet meer dan 2 procent wonderdoeners. Men kan alle regels van de 108 delen van de Kanjur27 uit het hoofd leren, en toch maar een armzalige praktische magiër zijn. Er is maar één ding dat er met zekerheid toe leidt, en op die bijzondere studie wijst meer dan één hermetische schrijver. Eén van hen, de Arabische alchemist Alipili, zegt het volgende:

Ik waarschuw u, wie u ook bent, die wil doordringen in de binnenste delen van de natuur; als u wat u zoekt niet binnenin u vindt, dan zult u het nooit buiten u vinden. Als u de voortreffelijkheid van uw eigen huis niet kent, waarom zoekt u dan naar de voortreffelijkheid van andere dingen? . . . O mens, ken uzelf; in u ligt de schat der schatten verborgen.28

In een andere alchemistische verhandeling, De manna benedicto,29 drukt de schrijver zijn denkbeelden over de steen der wijzen in de volgende woorden uit:

Om bepaalde redenen is het mijn bedoeling niet te veel te zeggen over dit onderwerp, dat toch op één ding neerkomt, dat al te duidelijk is beschreven; . . . want de gegeven beschrijving laat zoveel magische en natuurlijke manieren zien om ervan [de steen] gebruik te maken, waarvan velen die hem bezaten nooit hebben geweten of gehoord, en die van dien aard zijn dat ze, toen ik ze zag, mijn knieën deden beven en mijn hart schokken, en ik bij de aanblik ervan versteld stond!

Elke neofiet heeft min of meer zo’n gevoel gehad; maar als hij dat eenmaal te boven is gekomen, is hij een adept.

In de kloosters van Tashi-Lhunpo en Si-Dzang worden deze vermogens, die in iedereen aanwezig zijn maar door zo weinigen worden benut, tot hun uiterste perfectie ontwikkeld. Wie heeft in India nooit gehoord van de Panchen Rimpoche, de Chutuktu van de hoofdstad van Hoog Tibet? Zijn broederschap van Khe-lan was in het hele land beroemd, en een van de bekendste ‘broeders’ was een Peh-ling (een Engelsman), die op een dag in het begin van de 19de eeuw als een volmaakte boeddhist uit het Westen was gekomen, en na een voorbereiding van een maand tot de Khe-lans werd toegelaten. Hij sprak alle talen waaronder het Tibetaans, en kende alle kunsten en wetenschappen, zegt de overlevering. Op grond van zijn heiligheid en de door hem teweeggebrachte verschijnselen werd hij na een verblijf van slechts enkele jaren tot shaberon uitgeroepen. Zijn nagedachtenis leeft tot op de dag van vandaag onder de Tibetanen voort, maar zijn echte naam is een geheim dat alleen aan de shaberons bekend is.

Het grootste meipo, dat het voorwerp van de ambitie van alle toegewijde boeddhisten zou zijn, was en is nog steeds het vermogen om door de lucht te wandelen. De beroemde koning van Siam, Pia Metak, een Chinees, was bekend om zijn toewijding en geleerdheid. Maar hij verkreeg deze ‘bovennatuurlijke gave’ pas nadat hij zich onder de rechtstreekse leiding van een priester van Gautama-Boeddha had geplaatst. Crawfurd en Finlayson volgden tijdens hun verblijf in Siam met grote belangstelling de pogingen van enkele Siamese edelen om dit vermogen te verwerven.30

In China, Siam, Tartarije, Tibet, Kashmir en Brits-Indië zijn vele verschillende sekten waarvan de leden hun leven wijden aan het ontwikkelen van zogenaamde ‘bovennatuurlijke krachten’. Bij het bespreken van één zo’n sekte, de Taossé, zegt Semedo:

Ze beweren dat men door middel van bepaalde oefeningen en meditaties zijn jeugd zal terugkrijgen, en anderen erin zullen slagen Shen-hsien te worden, d.w z. ‘aardse gelukkigen’, in welke toestand alle wensen worden vervuld, terwijl ze het vermogen hebben zich vlug en gemakkelijk van de ene naar de andere plek, hoe ver weg ook, te verplaatsen.31

Dit vermogen slaat slechts op de projectie van de astrale entiteit, min of meer in de vorm van een lichaam, en zeker niet op de verplaatsing van het lichaam. Dit verschijnsel is evenmin een wonder als wanneer iemands beeld in een spiegel wordt weerkaatst. Niemand kan in zo’n spiegelbeeld een stofdeeltje ontdekken, en toch staat daar ons dubbel, en geeft getrouw zelfs elk afzonderlijk haartje op ons hoofd weer. Indien door die eenvoudige wet van weerkaatsing ons dubbel in een spiegel kan worden gezien, hoeveel treffender is dan het bewijs voor het bestaan ervan dat door de fotografie wordt geleverd! Dat onze natuurkundigen nog niet het middel hebben gevonden om foto’s anders dan op korte afstand te nemen, is geen reden dat dit onmogelijk is voor hen die het middel daartoe hebben gevonden in de kracht van de menselijke wil zelf, wanneer die van aardse belangen is bevrijd.32 Onze gedachten zijn stof, zegt de wetenschap; elke kracht brengt een grotere of kleinere verstoring in de atmosferische golven teweeg. Omdat ieder mens – evenals elk ander levend en zelfs inert voorwerp – een aura van zijn eigen emanaties om zich heen heeft, en bovendien door een geringe inspanning in staat is zich in zijn verbeelding te verplaatsen waarheen hij wil, waarom zou het dan wetenschappelijk onmogelijk zijn dat zijn denken – geregeld, versterkt en geleid door die krachtige magiër, de ontwikkelde wil – tijdelijk een lichamelijke vorm aanneemt, en als een getrouw dubbel van het origineel verschijnt aan wie ze wil? Is die mogelijkheid in de huidige staat van de wetenschap ondenkbaarder dan de foto of telegraaf minder dan 40 jaar geleden was, of de telefoon minder dan 14 maanden geleden?

Wanneer een gevoelig gemaakte plaat de schaduw van onze gezichten zo nauwkeurig kan grijpen, dan moet die schaduw of weerspiegeling, al kunnen we haar niet waarnemen, toch iets substantieels zijn. En als we met behulp van optische instrumenten ons beeld op soms wel enkele honderden meters afstand op een witte muur kunnen projecteren, dan bestaat er geen enkele reden waarom de adepten, de alchemisten, de geleerden in de geheime kunst, niet al zouden hebben uitgevonden wat de wetenschappers nu nog ontkennen, maar waarvan ze misschien morgen al de waarheid zullen ontdekken, namelijk om in een oogwenk hun astrale lichaam elektrisch duizenden kilometers de ruimte in te zenden, terwijl ze hun stoffelijke schil achterlaten met een zekere hoeveelheid dierlijk levensbeginsel om het fysieke leven gaande te houden, en in hun spirituele, etherische lichaam even veilig en verstandig te kunnen handelen als wanneer ze met een vleselijke bedekking bekleed zijn? Er bestaat een hogere vorm van elektriciteit dan de fysieke waarmee de onderzoekers bekend zijn; duizenden werkingen van laatstgenoemde zijn nog voor het oog van de hedendaagse natuurkundige verborgen, en niemand kan zeggen waar haar mogelijkheden ophouden.

Schott verklaart dat ‘in de oude Chinese opvatting – en vooral in die van de Tao-Kiao [Taossé] sekte – met Sian, of Shen-hsien, personen worden bedoeld die zich in de bergen terugtrekken om het leven van kluizenaars te leiden, en die door hun ascetische leefwijze, of door de kracht van tovermiddelen en elixirs, wonderbaarlijke gaven en aardse onsterfelijkheid[?] hebben verworven’.33 Dit is overdreven, zo niet geheel en al onjuist. Ze beweren slechts in staat te zijn het menselijk leven te verlengen, en als we het getuigenis van mensen mogen geloven, dan kunnen ze dat ook. Het getuigenis van Marco Polo in de 13de eeuw wordt in onze tijd bevestigd. Hij zegt namelijk:

Er bestaat een andere categorie mensen, die chughi [yogi] worden genoemd, die eigenlijk abraiamanen [brahmanen?] heten, en die bijzonder lang leven; ieder van hen leeft wel 150-200 jaar. Ze eten heel weinig, hoofdzakelijk rijst en melk. En deze mensen nuttigen een heel vreemde drank . . . een drankje van zwavel en kwikzilver door elkaar, en dit drinken ze twee keer per maand . . . Dit geeft hun naar ze beweren een lang leven, en ze zijn gewend dit drankje vanaf hun jeugd te gebruiken.34

Bernier beweert volgens kolonel Yule dat de yogi’s heel handig zijn in het bereiden van kwikzilver; ze doen dit ‘zo bijzonder goed dat het lichaam, door elke ochtend een of twee korrels te gebruiken, weer volmaakt gezond wordt’,35 en voegt eraan toe dat de mercurius vitae van Paracelsus een samenstelling was waarin antimonium en kwikzilver voorkwamen.36 Dit is, op zijn minst gezegd, een heel onnauwkeurige bewering, en we zullen uiteenzetten wat we ervan weten.

De hoge ouderdom van sommige lama’s en talapoins (monniken) is spreekwoordelijk, en het is algemeen bekend dat ze de één of andere samenstelling gebruiken, die ‘het oude bloed hernieuwt’, zoals ze het noemen. Evenzo was het onder alchemisten een erkend feit dat een oordeelkundige toediening ‘van een aura van zilver de gezondheid herstelt, en het leven zelf wonderbaarlijk verlengt’. Maar we zijn volkomen bereid om de beweringen tegen te spreken, van zowel Bernier als kol. Yule die hem citeert, dat de yogi’s en alchemisten gebruikmaakten van mercurius of kwikzilver. De yogi’s maakten in de tijd van Marco Polo, en ook nog in onze huidige tijd, gebruik van wat er misschien als kwikzilver uitziet, maar het niet is. Paracelsus, de alchemisten en andere mystici, verstonden onder mercurius vitae de levende geest van zilver, de aura van zilver en niet het kwikzilver; en deze aura is beslist niet het bij onze artsen en apothekers bekende kwikzilver. Er kan geen twijfel aan bestaan dat de beschuldiging dat Paracelsus het gebruik van kwikzilver in de medische praktijk heeft ingevoerd, volkomen onjuist is. Geen kwik, ongeacht of het bereid is door een middeleeuws vuurfilosoof of door iemand uit onze tijd die zich een arts noemt, kan het lichaam volmaakte gezondheid teruggeven, of heeft dat ooit gedaan. Alleen een onvervalste charlatan zal ooit van zo’n middel gebruikmaken. Velen zijn dan ook van mening dat Paracelsus’ vijanden zo’n belachelijke leugen hebben bedacht, juist met de kwade bedoeling hem in de ogen van het nageslacht als een kwakzalver voor te stellen.

De yogi’s uit de oudheid, en ook de hedendaagse lama’s en talapoins gebruiken een ingrediënt met heel weinig zwavel en een melkachtig sap dat ze uit een geneeskrachtige plant halen. Ze zijn ongetwijfeld in het bezit van enkele verbazingwekkende geheimen, want we hebben hen de hardnekkigste wonden in een paar dagen zien genezen, en gebroken beenderen weer voor gebruik geschikt zien maken in evenveel uren als het dagen zou duren bij de gewone medische behandeling. Een vreselijke koorts die de schrijfster na een overstroming van de Irrawaddyrivier bij Rangoon opdeed, werd in enkele uren genezen door het sap van een plant die, als we ons niet vergissen, kukushan wordt genoemd, en toch zijn er misschien duizenden bewoners van die streek die de krachten ervan niet kennen, en aan koorts zijn gestorven. Dit was als beloning voor een onbeduidende gunst die we een eenvoudige bedelmonnik hadden bewezen, een dienst die de lezer niet veel zal interesseren.

We hebben ook van een bepaald soort water gehoord, dat ab-i-hayat heet, en dat volgens het volksbijgeloof verborgen is voor alle sterfelijke ogen, behalve voor die van de heilige sannyasin; de bron zelf staat bekend als de ab-i-haiwan-i. Het is echter meer dan waarschijnlijk dat de talapoins zullen weigeren hun geheimen mee te delen, zelfs aan wetenschappers en zendelingen; want deze geneesmiddelen moeten worden gebruikt ten bate van de mensheid, en nooit om geld te verdienen.37

Op de grote feesten van de hindoepagoden, op huwelijksfeesten van rijke mensen van hoge kaste, overal waar grote menigten bijeen zijn, vinden de Europeanen guni’s of slangenbezweerders, fakirs-mesmeristen, wonderdoende sannyasins en zogenaamde ‘goochelaars’. Het is gemakkelijk erom te lachen, maar heel wat moeilijker, en voor de wetenschap onmogelijk, het te verklaren. De Britse bewoners van India en de reizigers geven de voorkeur aan de eerste oplossing. Maar laat iemand eens aan een van die ongelovige Thomassen vragen hoe de volgende resultaten, die ze niet ontkennen en ook niet kunnen ontkennen, worden teweeggebracht? Als grote aantallen guni’s en fakirs verschijnen met hun lichamen omkronkeld door cobra’s-de-capello, hun armen versierd met armbanden van coralillo’s – kleine slangetjes die in enkele seconden een gewisse dood teweegbrengen – en hun schouders met halskettingen van trigonocephali, de vreselijkste vijand van de blote voeten van de hindoes, waarvan de beet dodelijk is als een bliksemflits, dan glimlacht de scepticus, en begint hij u ernstig uiteen te zetten dat deze reptielen, na in een cataleptische verdoving te zijn gebracht, alle door de guni van hun giftanden zijn ontdaan. Ze zijn onschadelijk, zodat het belachelijk is er bang voor te zijn.’ ‘Wil de sahib een van mijn nags strelen?’ vroeg eens een guni, de heer naderend die met ons sprak, en die een half uur lang zijn toehoorders met zijn herpetologische kennis had gekleineerd. De dappere strijder sprong vlug achteruit – zijn benen bleken niet minder lenig dan zijn tong – en het boze antwoord van kapitein B. zou door ons nauwelijks in druk kunnen worden vereeuwigd. Alleen de angstaanjagende lijfwacht van de guni beschermde hem tegen een groot pak slaag. Bovendien hoeft u slechts een kik te geven, en elke slangenbezweerder van beroep zal voor een halve roepie in enkele ogenblikken talloze ongetemde slangen van de giftigste soorten rondom zich laten kruipen, naar zich toe lokken, oppakken en om zijn lichaam laten kronkelen. Tweemaal stond een slang in de buurt van Trincomalee op het punt de schrijfster te bijten – één keer was ze bijna op zijn staart gaan zitten – maar na een snel fluitsignaal van de guni, die we hadden ingehuurd om ons te begeleiden, hield hij beide keren in op nauwelijks enkele centimeters van ons lichaam, als door de bliksem tegengehouden, en liet zijn dreigende kop langzaam op de grond zakken, en bleef, onder de betovering van de kilna38, stijf en onbeweeglijk als een dode tak.

Is er één Europese goochelaar, dierentemmer of zelfs mesmerist die het waagt slechts eenmaal een experiment te herhalen waarvan men in India dagelijks getuige kan zijn, als men weet waar men naartoe moet gaan om het te zien? Er is in de wereld niets woesters dan een Bengaalse koningstijger. Eens was de hele bevolking van een dorpje dat niet ver van Dakka aan de rand van een bos ligt, bij het aanbreken van de dag in paniek geraakt door het verschijnen van een enorme tijgerin. Deze wilde dieren verlaten hun holen normaal alleen ’s nachts, als ze op jacht en op zoek naar water gaan. Maar deze ongebruikelijke gebeurtenis was te danken aan het feit dat het beest een moeder was. Ze was beroofd van haar twee welpen die door een moedige jager waren meegenomen, en was naar hen op zoek. Twee mannen en een kind had ze al tot slachtoffer gemaakt, toen een oude fakir die zijn dagelijkse ronde maakte, uit de poort van de pagode naar buiten kwam, de situatie overzag en ogenblikkelijk begreep. Onder het opzeggen van een mantra ging hij recht op het beest af, dat met vlammende ogen en schuimende bek bij een boom ineendook, klaar voor een nieuw slachtoffer. Toen hij op ongeveer 3 meter van de tijgerin was, begon hij, zonder op te houden met zijn zangerige gebed waarvan geen leek de woorden begrijpt, het beest stelselmatig te mesmeriseren, voor zover we het begrepen; hij maakte strijkbewegingen. Men hoorde toen een verschrikkelijk gebrul, waardoor alle omstanders koude rillingen kregen. Dit lange, woeste, langgerekte gebrul ging geleidelijk over in een reeks klagelijke, gebroken snikken, alsof de beroofde moeder haar klachten uitte, en toen deed het beest, tot schrik van de menigte die in bomen en huizen een toevlucht had gezocht, een geweldige sprong – bovenop de heilige, dachten ze. Ze vergisten zich; ze lag in het stof rollend en kronkelend aan zijn voeten. Nog enkele ogenblikken, en toen bleef ze bewegingloos liggen, met haar reusachtige kop op haar voorpoten, en haar met bloed doorlopen maar nu zachtmoedige ogen strak op de fakir gericht. De heilige man van gebeden ging toen naast de tijgerin zitten, en streek teder over haar gestreepte huid, en klopte haar op de rug, totdat haar gekreun al zwakker en zwakker werd, en een half uur later het hele dorp om deze groep heen stond; het hoofd van de fakir lag op de rug van de tijgerin als op een kussen, zijn rechterhand op haar kop en zijn linker op het gras onder de verschrikkelijke bek, waaruit de lange rode tong tevoorschijn kwam en hem zachtjes likte.

Dit is de manier waarop de fakirs in India wilde dieren temmen. Kunnen Europese temmers met hun gloeiende ijzeren staven hetzelfde bereiken? Natuurlijk bezitten niet alle fakirs zo’n kracht; er zijn er betrekkelijk weinig. En toch is het feitelijke aantal groot. Hoe ze in de pagoden in dit vermogen worden geoefend, zal eeuwig geheim blijven voor iedereen, behalve voor de brahmanen en de adepten in occulte mysteriën. De tot nu toe als fabels beschouwde verhalen over het betoveren van wilde dieren door Krishna en Orpheus, worden dus in onze tijd bevestigd. Er is één feit dat onweerlegbaar blijft. Er is in India geen enkele Europeaan die ooit in het afgesloten heiligdom binnen de pagoden heeft kunnen doordringen, of zich ooit erop heeft beroemd dat hij dat heeft gedaan. Geen gezag of geld heeft ooit een brahmaan ertoe kunnen bewegen een niet-ingewijde vreemdeling de drempel van de besloten ruimte te laten overschrijden. Bij zo’n gelegenheid zijn gezag te laten gelden, zou gelijkstaan met het gooien van een aangestoken lont in een kruitmagazijn. De milde, geduldige, lijdzame hindoes, van wie de apathie juist de Britten ervoor heeft behoed in 1857 uit het land te worden verdreven, zouden bij zo’n ontheiliging hun honderden miljoenen gelovigen als één man in opstand doen komen en alle christenen zonder onderscheid van sekte of kaste uitroeien. De East-India Company wist dit heel goed, en baseerde haar sterke positie op de vriendschap met de brahmanen, en op het verlenen van geldelijke steun aan de pagoden, en de Britse regering is even voorzichtig als haar voorgangster. De kasten, en door zich niet te bemoeien met de heersende religies, verzekeren haar in India van haar betrekkelijke gezag. Maar we moeten nog eens terugkomen op het sjamanisme, die vreemde, meest geminachte van alle nog bestaande religies – de ‘geestenverering’.

De volgelingen ervan hebben geen altaren of afgodsbeelden, en op gezag van een sjamaanse priester kunnen we meedelen dat hun echte rituelen, die ze maar eens per jaar, op de kortste winterdag, moeten houden, niet kunnen plaatsvinden in aanwezigheid van iemand die niet van hun geloof is. Daarom zijn we ervan overtuigd dat alle tot nu toe in het Asiatic Journal en andere Europese werken gegeven beschrijvingen niets dan gissingen zijn. De Russen, die door hun voortdurende omgang met de sjamanen in Siberië en Tartarije het beste over hun religie zouden kunnen oordelen, zijn over deze mensen niets te weten gekomen behalve dat ze persoonlijk heel bedreven zijn in wat volgens de Russen niet veel meer is dan handige goochelarij. Veel Russische bewoners van Siberië zijn echter vast overtuigd van de ‘bovennatuurlijke’ vermogens van de sjamanen. Hun religieuze bijeenkomsten houden ze altijd in een open ruimte, of op een hoge berg of in de verborgen diepten van een bos; hierin doen ze ons denken aan de oude druïdische rituelen. Hun ceremoniën ter gelegenheid van geboorten, sterfgevallen en huwelijken zijn slechts ondergeschikte gedeelten van hun eredienst. Ze omvatten offeranden, het besprenkelen van het vuur met sterkedrank en melk, en vreemdsoortige gezangen, of beter gezegd magische bezweringen, die door de dienstdoende sjamaan worden ingezet en met een koor van de aanwezige personen worden afgesloten.

De vele koperen en ijzeren belletjes die ze op het priesterkleed van hertenhuid39, of van de vacht van een ander dier dat magnetisch zou zijn, dragen, dienen om de kwaadaardige luchtgeesten te verdrijven, een bijgeloof dat ze gemeen hebben met alle volkeren van de oudheid, waaronder de Romeinen en zelfs de joden, getuige hun gouden belletjes. Om dezelfde reden hebben de sjamanen ook ijzeren staven die met belletjes bedekt zijn. Wanneer na bepaalde ceremoniën het verlangde kritieke stadium is bereikt, ‘de geest heeft gesproken’, en de priester (die zowel een man als een vrouw kan zijn) zijn overweldigende invloed voelt, wordt de hand van de sjamaan door een of andere occulte kracht naar het uiteinde van de staf getrokken, die gewoonlijk vol staat met hiërogliefen. Met de palm van de hand erop rustend, wordt hij dan tot aanzienlijke hoogte in de lucht geheven, waar hij enige tijd blijft. Soms maakt hij een sprong naar een bijzondere hoogte, en doet dan, afhankelijk van de geest die hem beheerst – want hij is vaak slechts een onverantwoordelijk medium – voorspellingen, en beschrijft toekomstige gebeurtenissen. Op die manier voorspelde een sjamaan in 1847 in een verafgelegen gedeelte van Siberië in detail het verloop van de Krimoorlog. De bijzonderheden van die voorspelling, die door de aanwezigen nauwkeurig waren opgeschreven, kwamen zes jaar daarna volkomen uit. Hoewel ze gewoonlijk zelfs niet van de term astronomie hebben gehoord, laat staan dat ze die wetenschap hebben bestudeerd, voorspellen ze vaak eclipsen en andere astronomische verschijnselen. Raadpleegt men hen over diefstallen en moorden, dan wijzen ze onveranderlijk de schuldigen aan.

De Siberische sjamanen zijn allen onontwikkeld en ongeletterd. De Tartaarse en Tibetaanse, die gering in aantal zijn, zijn op hun eigen manier meestal geleerde mensen die zich niet zullen laten beheersen door welke soort geesten ook. Eerstgenoemden zijn mediums in de volle betekenis van het woord, laatstgenoemden ‘magiërs’. Het is niet verbazingwekkend dat vrome en bijgelovige mensen, als ze zo’n kritieke bewustzijnstoestand hebben gezien, verklaren dat de sjamaan door de duivel is bezeten. Evenals bij de korybantijnse en bacchantische razernij van de oude Grieken, uit de kritieke toestand van de ‘geest’ van de sjamaan zich in wild dansen en wilde gebaren. Langzamerhand voelen de toeschouwers het verlangen in zich opkomen hem na te volgen; gegrepen door een onweerstaanbare drang, dansen ze, en raken op hun beurt in extase; en zij die zich bij het koor beginnen aan te sluiten, nemen langzamerhand ook onbewust deel aan de gebaren, tot ze uitgeput, en vaak stervende, op de grond neervallen.

‘O, jonge maagd, een god heeft bezit van u genomen! Het is Pan, of Hekate, of een van de eerbiedwaardige korybanten, of Cybele, die u zo opgewonden maakt!’ zegt het koor tegen Phaedra in de Hippolytus (141ev) van Euripides. Deze vorm van psychische epidemie is sinds de middeleeuwen zo goed bekend dat het onnodig is om er voorbeelden van te citeren. De chorea sancti viti is een historisch feit, en verspreidde zich over heel Duitsland. Paracelsus heeft tal van personen die door zo’n ‘geest van navolging’ waren bezeten, genezen. Maar hij was een kabbalist, en werd daarom door zijn vijanden ervan beschuldigd dat hij de duivels had uitgebannen door de kracht van een nog sterkere demon, die hij bij zich zou dragen in het handvat van zijn zwaard. De christelijke rechters uit die verschrikkelijke tijd hebben er een beter en zekerder middel op gevonden. Voltaire deelt mee dat tussen 1598 en 1600 in het district Jura door een vrome rechter meer dan 600 weerwolven ter dood zijn gebracht.

Maar terwijl de ongeletterde sjamaan een slachtoffer is, en in zijn kritieke bewustzijnstoestand soms de aanwezigen in de gedaante van verschillende dieren ziet, en hen vaak in zijn hallucinatie laat delen, drijft zijn broedersjamaan, die in de mysteriën van de Tibetaanse priesterscholen is onderwezen, de elementaar – die de hallucinatie evengoed kan teweegbrengen als een levende mesmerist – niet uit met behulp van een sterkere demon maar eenvoudig door zijn kennis van de aard van de onzichtbare vijand. In gevallen waarin wetenschappers er niet in zijn geslaagd, zoals bij de Cévennois, zou een sjamaan of lama al snel een einde aan de epidemie hebben gemaakt.

We hebben gesproken over een soort kornalijnsteen die we in ons bezit hebben, en die zo’n onverwachte en gunstige uitwerking had op de beslissing van de sjamaan. Elke sjamaan heeft zo’n talisman, die hij aan een koord onder zijn linkerarm draagt.

‘Waar dient deze voor, en welke krachten heeft hij?’ was de vaak aan onze gids gestelde vraag. Hij gaf daarop nooit een rechtstreeks antwoord, maar vermeed elke opheldering en beloofde dat zodra zich een gelegenheid voordeed en we alleen waren, hij de steen zou vragen zelf te antwoorden. Met die vage hoop werden we aan de vindingrijkheid van onze eigen verbeeldingskracht overgelaten.

Maar de dag waarop de steen ‘sprak’ kwam heel gauw. Het gebeurde in de meest kritieke uren van ons leven, op een moment dat de zwerversaard van een reiziger de schrijfster naar verafgelegen streken had gevoerd, waar beschaving onbekend is, en de veiligheid nog geen uur kan worden gegararandeerd. Op een middag, toen alle mannen en vrouwen de yurta (Tartaarse tent), die ons meer dan twee maanden tot verblijfplaats had gediend, hadden verlaten om de ceremonie bij te wonen van de lamaistische uitdrijving van een tshoutgour40, die ervan werd beschuldigd alle meubelen en aardewerk van een familie, die op een afstand van ongeveer twee mijl woonde, te breken en te laten verdwijnen, herinnerde ik de sjamaan, die in deze akelige woestijnen onze enige beschermer was geworden, aan zijn belofte. Hij zuchtte en aarzelde, maar verliet na een kort stilzwijgen zijn plaats op de schapenvacht, ging naar buiten, hing een verdroogde geitenkop met zijn uitstekende horens op een houten pin, en liet vervolgens het vilten gordijn van de tent zakken met de opmerking dat nu geen levende ziel naar binnen zou durven komen, want de geitenkop was een teken dat hij ‘aan het werk’ was.

Daarna stak hij zijn hand in zijn boezem en haalde het steentje, ongeveer ter grootte van een walnoot, tevoorschijn; na het voorzichtig te hebben uitgepakt, scheen hij het in te slikken. Na enkele ogenblikken verstijfden zijn ledematen, verstarde zijn lichaam en viel hij neer, koud en bewegingloos als een lijk. Als bij elke vraag die werd gesteld zijn lippen niet enigszins vertrokken, zou het schouwspel gênant, zelfs angstaanjagend zijn geweest. De zon ging onder, en hadden de uitgaande sintels midden in de tent niet geflikkerd, dan zou er behalve de drukkende stilte die er heerste ook nog volkomen duisternis zijn geweest. We zijn in de prairies van het Westen en in de grenzeloze steppen van Zuid-Rusland geweest, maar niets is vergelijkbaar met de stilte bij zonsondergang in de zandwoestijnen van Mongolië, zelfs niet de dorre eenzaamheid van de woestijnen in Afrika, hoewel eerstgenoemde gedeeltelijk bewoond zijn, en de laatste geen enkel teken van leven vertonen. Toch was de schrijfster daar alleen met wat niet veel meer leek dan een lijk dat op de grond lag. Gelukkig duurde die toestand niet lang.

‘Mahandu!’ riep een stem, die scheen te komen uit het binnenste van de aarde, waarop de sjamaan lag uitgestrekt. ‘Vrede zij met u . . . wat wilt u dat ik voor u doe?’

Hoe verbazingwekkend het feit ook leek, we waren er toch geheel op voorbereid, want we hadden andere sjamanen soortgelijke dingen zien doen. ‘Wie u ook bent’, zo zeiden we in gedachten, ‘ga naar K–––, en probeer de gedachte van die persoon hierheen te brengen. Bekijk wat die ander doet, en zeg . . . wat wij doen, en hoe het ons gaat.’

‘Ik ben er’, antwoordde dezelfde stem. ‘De oude dame (cucoana)41 zit in de tuin . . . ze zet haar bril op, en leest een brief.’

‘De inhoud ervan, en snel’, was de haastig gegeven opdracht, terwijl we snel potlood en papier pakten. De inhoud werd ons langzaam meegedeeld, als wilde de onzichtbare tegenwoordigheid ons onder het dicteren tijd geven om de woorden fonetisch op te schrijven, want we herkenden de Walachijse taal, die we overigens niet kenden. Op die manier werd een hele bladzijde gevuld.

‘Kijk naar het westen . . . naar de derde paal van de yurta’, sprak de Tartaar met zijn gebruikelijke stem, al klonk ze hol, en alsof ze van ver kwam. ‘Dit is haar gedachte.’

Toen leek het bovenlijf van de sjamaan zich met een stuiptrekkende beweging te verheffen, en zijn hoofd viel log neer op mijn voeten, die hij met beide handen vastgreep. De toestand werd steeds minder prettig, maar de nieuwsgierigheid bleek een goede bondgenoot te zijn van de moed. In de westelijke hoek stond levensecht, maar flikkerend, onbestendig en nevelachtig, de gestalte van een dierbare oude vriendin, een Roemeense dame uit Walachije, een mysticus van nature, maar iemand die beslist niet geloofde in dit soort occulte verschijnselen.

‘Haar gedachte is hier, maar haar lichaam ligt bewusteloos. We konden haar niet op een andere manier hier brengen’, zei de stem.

We spraken de verschijning toe, en smeekten haar te antwoorden, maar alles tevergeefs. De gelaatstrekken bewogen, en de gestalte maakte gebaren alsof ze bang was en hevige pijn leed, maar er kwam geen geluid van de schaduwachtige lippen; alleen dachten we – misschien was het verbeelding – dat we, als van ver weg, de Roemeense woorden hoorden: ‘non se póte’ (het kan niet).

Meer dan twee uur lang werden ons sterke, ondubbelzinnige bewijzen geleverd dat de astrale ziel van de sjamaan reisde op bevel van onze onuitgesproken wens. Tien maanden later ontvingen we een brief van onze Walachijse vriendin in antwoord op de onze, waarin we de bladzijde uit het notitieboek hadden ingesloten met de vraag wat ze die dag had gedaan, en met een volledige beschrijving van het hele toneel. Ze schreef dat ze die ochtend42 in de tuin zat, en prozaïsch bezig was met het koken van wat in te maken vruchten; de haar gezonden brief was woord voor woord een kopie van de brief die ze van haar broer had ontvangen; plotseling – door de warmte, dacht ze – viel ze flauw en herinnerde zich duidelijk dat ze droomde dat ze de schrijfster zag op een eenzame plek, die ze nauwkeurig beschreef, zittend in een ‘zigeunertent’, zoals ze het uitdrukte. ‘Voortaan’, voegde ze eraan toe, ‘kan ik niet meer twijfelen!’

Maar ons experiment kreeg nog een beter bewijs. We hadden het innerlijke ego van de sjamaan gestuurd naar dezelfde eerder in dit hoofdstuk genoemde vriend, de kutchi van Lhasa, die voortdurend heen en weer reist naar Brits-Indië. We weten dat hij op de hoogte was gebracht van onze kritieke toestand in de woestijn, want enkele uren later kwam er hulp en werden we gered door een groep van 25 ruiters die van hun hoofdman opdracht hadden gekregen ons te zoeken op de plaats waar we ons bevonden, en die geen levend mens met gewone gaven had kunnen weten. Het hoofd van dit escorte was een shaberon, een ‘adept’, die we nooit eerder hadden gezien, en ook daarna niet meer zagen, want hij verliet nooit zijn süme (klooster), en we werden er niet toegelaten. Maar hij was een persoonlijke vriend van de kutchi.

Het bovenstaande zal bij de gewone lezer natuurlijk niets dan ongeloof wekken. Maar we schrijven voor hen die willen geloven, die, evenals wij, de onbeperkte vermogens en mogelijkheden van de menselijke astrale ziel begrijpen en kennen. We geloven graag, ja we weten, dat de ‘geestelijke dubbelganger’ van de sjamaan in dit geval niet op zichzelf handelde, want hij was geen adept, maar eenvoudig een medium. Volgens een van zijn geliefde uitdrukkingen verscheen, zodra hij de steen in zijn mond nam, ‘zijn vader, trok hem uit zijn huid, en nam hem op zijn verzoek overal naartoe, waarheen hij maar wilde’.

Iemand die alleen getuige is geweest van de scheikundige, optische, mechanische en vingervlugheidsvertoningen van onze Europese goochelaars, zal verbaasd staan van de geïmproviseerde openluchtdemonstraties van hindoes, om nog maar niet te spreken van fakirs. De demonstraties van alleen bedrieglijke behendigheid vermelden we niet, want deze worden door Houdin en anderen ver overtroffen; ook houden we ons niet bezig met trucs waarbij bondgenoten te pas kunnen komen, ongeacht of men van hen gebruikmaakt of niet. Het is zonder meer waar dat onervaren reizigers dit enorm overdrijven, vooral als ze veel verbeeldingskracht bezitten. Maar onze opmerking is gebaseerd op een soort verschijnselen dat door geen van de bekende hypothesen kan worden verklaard. Een heer die in India heeft gewoond, zegt hierover:

Ik heb gezien dat een man een aantal ballen, die vanaf één genummerd waren, in de lucht wierp. Terwijl elk van de ballen de lucht inging – en daarbij was geen sprake van misleiding – zag men hem duidelijk in de lucht; hij werd kleiner en kleiner, tot hij helemaal uit het gezicht verdween. Toen ze alle – 20 of meer – in de lucht waren, vroeg de goochelaar beleefd, welke bal men wilde zien, en riep dan nr. 1, nr. 15, enz., overeenkomstig de wens van de toeschouwers, waarna de gevraagde bal vanaf grote afstand met een klap voor zijn voeten viel . . . Deze mensen dragen maar heel weinig kleren, en gebruiken duidelijk geen enkel hulpmiddel. Ook heb ik ze drie verschillende, gekleurde poeders zien doorslikken, waarna ze hun hoofd achterover gooien en ze de poeders naspoelen met water, dat volgens de plaatselijke gewoonte in een voortdurende stroom wordt gedronken uit een lota, of koperen pot, die op armslengte van de lippen wordt gehouden, en ik heb ze zien doorgaan met drinken tot het opgezwollen lichaam geen druppel meer kan bevatten, en het water uit de lippen overloopt. Na het water uit hun mond te hebben gespoten, spuwden die kerels toen de drie poeders droog en onvermengd op een schoon vel papier uit.43

In het oostelijke deel van Turkije en Perzië wonen sinds onheuglijke tijden de krijgshaftige stammen van Koerdistan. Dit volk van zuiver Indo-Europese oorsprong en zonder een druppel Semitisch bloed (al schijnen sommige etnologen hierover anders te denken), verenigt ondanks hun roversaard de mystiek van de hindoe en de praktijken van de Assyrisch-Chaldeeuwse magiërs in zich, en heeft grote stukken van hun grondgebied in bezit genomen die ze niet zullen afstaan om Turkije, of zelfs heel Europa, een plezier te doen.44 In naam zijn het moslims van de sekte van Omar, maar hun rituelen en leringen zijn zuiver magisch. Zelfs zij die christelijke nestorianen zijn, zijn slechts christenen in naam. De Kaldany, die bijna 100.000 man tellen, zijn met hun twee patriarchen onbetwistbaar eerder manicheeërs dan nestorianen. Velen van hen zijn yezidi.

Een van deze stammen staat bekend om zijn voorkeur voor de vuurdienst. Bij zonsopgang en zonsondergang stijgen de ruiters af, richten zich naar de zon, en prevelen een gebed, terwijl ze bij elke nieuwe maan de hele nacht door mysterieuze rituelen verrichten. Ze hebben voor dit doel een aparte tent bestemd, waarvan de dikke, zwarte wollen stof versierd is met vreemde tekens die in helrood en geel zijn aangebracht. In het midden is een soort altaar geplaatst met daaromheen drie koperen banden waaraan veel ringen met touwen van kameelhaar zijn opgehangen, die iedere gelovige tijdens de ceremonie met zijn rechterhand vasthoudt. Op het altaar brandt een merkwaardige, ouderwetse zilveren lamp – misschien een relikwie die in de ruïnes van Persepolis is gevonden.45 Deze lamp met drie pitten bestaat uit een langwerpig reservoir met een handvat eraan, en is blijkbaar een soort Egyptische graflamp, die ooit in grote aantallen in de onderaardse grotten van Memphis werd gevonden, als we Kircher mogen geloven.46 Ze wordt van het eind naar het midden toe breder, en haar bovenste deel heeft de vorm van een hart; de openingen voor de pitten vormen een driehoek, en haar centrale deel is bedekt met een omgekeerde heliotroop die vastzit aan een gracieus gebogen steel die uit het handvat van de lamp steekt. Deze versiering wijst duidelijk op de oorsprong van de lamp. Het was een van de bij de zonnedienst gebruikte gewijde vaten. De Grieken gaven de heliotroop haar naam op grond van haar vreemde neiging om zich altijd naar de zon te wenden. De magiërs van de oudheid hebben haar bij hun eredienst gebruikt; en wie weet of Darius niet de heilige rituelen heeft verricht waarbij haar drievoudige licht op het gelaat van de koning-hiërofant scheen!

We noemen deze lamp omdat daarmee een vreemd verhaal samenhangt. Wat de Koerden tijdens hun nachtelijke rituelen van maanverering doen weten we slechts van horen zeggen, want ze houden het zorgvuldig verborgen, en geen vreemdeling zou tot de ceremonie kunnen worden toegelaten om ervan getuige te zijn. Maar elke stam heeft één oude man, en soms verschillende, die als ‘heiligen’ worden beschouwd, die het verleden kennen en de geheimen van de toekomst kunnen onthullen. Deze worden zeer vereerd, en bij diefstal, moord of gevaar roept men voor informatie vaak hun hulp in.

Terwijl we van de ene stam naar de andere reisden, brachten we enige tijd in het gezelschap van deze Koerden door. Omdat het niet ons doel is onze eigen levensgeschiedenis te beschrijven, laten we alle details weg die niet rechtstreeks met een occult feit te maken hebben; en dan nog kunnen we er slechts enkele vermelden. We zullen dus eenvoudig meedelen dat een heel kostbaar zadel, een karpet en twee rijk met goud beslagen en gegraveerde Circassische dolken uit de tent waren gestolen, en dat de Koerden, met het stamhoofd voorop, waren gekomen om bij de naam van Allah te getuigen dat de schuldige niet tot hun stam kon behoren. We geloofden het, want dit komt nooit voor bij deze Aziatische nomadenstammen, die even beroemd zijn om de eerbied waarmee ze hun gasten behandelen, als om het gemak waarmee ze hen plunderen en soms vermoorden als ze eenmaal de grens van hun aoul (dorp) zijn gepasseerd.

Een tot onze karavaan behorende Georgiër deed toen het voorstel om het licht van de kudian (tovenaar) van hun stam te raadplegen. Dit werd met grote geheimzinnigheid en plechtigheid geregeld, en de tijd van het onderhoud werd vastgesteld op middernacht, als het volle maan zou zijn. Op genoemd uur werden we naar de bovenbeschreven tent geleid.

In het gewelfde dak van de tent was een groot gat, of vierkante opening, aangebracht, waardoor de schitterende stralen van de maan loodrecht naar binnen schenen en zich met de flikkerende, driedubbele vlam van het lampje vermengden. Na enkele minuten bezweringen die, zo leek het, tot de maan werden gericht, haalde de bezweerder, een oude en reusachtig grote man, van wie de piramidevormige tulband de top van de tent aanraakte, een ronde spiegel tevoorschijn van de soort die als ‘Perzische spiegels’ bekendstaat. Na het deksel eraf te hebben gedraaid, blies hij er meer dan tien minuten op, en wreef met een bundel kruiden de damp van het glas af, terwijl hij steeds met zachte stem bezweringen prevelde. Het glas werd na elke keer wrijven helderder, totdat het kristal ervan in alle richtingen schitterende fosforische stralen leek uit te zenden. Ten slotte was de bewerking voltooid, en bleef de oude man met de spiegel in zijn hand zo onbeweeglijk als een standbeeld. ‘Kijk, Hanoum . . . kijk rustig’, fluisterde hij, terwijl zijn lippen nauwelijks bewogen. Waar eerst niets anders werd weerkaatst dan het schitterende gelaat van de volle maan, begonnen schaduwen en donkere vlekken te komen. Nog een paar seconden, en daar verschenen het bekende zadel, het karpet en de dolken, die uit een diep, helder water naar boven leken te komen, en steeds duidelijker werden omlijnd. Daarop verscheen er een nog donkerder schaduw die boven deze voorwerpen zweefde, zich geleidelijk verdichtte, en vervolgens werd, zoals aan het smalle uiteinde van een telescoop, de volledige figuur van een man zichtbaar, die eroverheen gebogen lag.

‘Ik ken hem!’ riep de schrijfster uit. ‘Het is de Tartaar die gisteravond bij ons kwam om zijn muilezel te koop aan te bieden!’

Het beeld verdween, als bij toverslag. De oude man knikte bevestigend, maar bleef onbeweeglijk. Daarop prevelde hij weer enkele vreemde woorden, en begon plotseling te zingen. Het was een langzame, eentonige melodie, maar nadat hij enkele verzen in dezelfde onbekende taal had gezongen zonder het ritme of de melodie te veranderen, sprak hij bij wijze van recitatie in zijn gebroken Russisch de volgende woorden:

‘Hanoum, kijk nu goed, of we hem vangen. Het lot van de rover zullen we vannacht te weten komen’, enz.

Dezelfde schaduwen begonnen op te komen, en toen zagen we, bijna zonder overgang, de man in een plas bloed op zijn rug over het zadel heen liggen, terwijl twee andere mannen op een afstand weggaloppeerden. Door afgrijzen bevangen, en walgend van het zien van dit beeld, wilden we niet nog méér zien. De oude man verliet de tent, riep enkele Koerden die buiten stonden, en scheen hun bevelen te geven. Twee minuten later galoppeerde een dozijn ruiters in volle vaart de helling van de berg af, waarop we waren gelegerd.

Vroeg in de ochtend kwamen ze met de verloren voorwerpen terug. Het zadel was geheel met geronnen bloed bedekt, en natuurlijk aan hen achtergelaten. Het verhaal dat ze vertelden was dat ze, toen ze in het zicht van de vluchteling kwamen, achter de top van een verafgelegen heuvel twee ruiters zagen verdwijnen, en toen ze dichterbij kwamen, vonden ze de Tartaarse dief dood op de gestolen goederen liggen, precies zoals we hem in de magische spiegel hadden gezien. Hij was vermoord door de twee bandieten, die bij hun plan om hem te beroven kennelijk waren gestoord door het plotseling verschijnen van de door de oude Koerd uitgezonden groep.

Door de oosterse ‘wijzen’ worden heel opmerkelijke resultaten bereikt, eenvoudig door met goede of kwade bedoelingen op iemand te ademen. Dit is zuiver mesmerisme; bij de Perzische derwisjen die het toepassen wordt het dierlijk magnetisme vaak versterkt door dat van de elementen. Ze denken dat er altijd gevaar in schuilt als iemand toevallig met zijn neus in een bepaalde wind staat; en velen van hen die ‘geleerd’ zijn in occulte zaken kunnen nooit ertoe worden gebracht bij zonsondergang een bepaalde kant op te gaan, als de wind daarvandaan komt. We hebben een oude Pers uit Bakoe47 aan de Kaspische zee gekend die de weinig benijdenswaardige reputatie had dat hij de mensen betoverde door de van pas komende hulp van die wind die in die stad maar al te vaak waait, zoals de Perzische naam ervan zelf aangeeft.48 Als een slachtoffer dat de toorn van de oude duivel had gewekt, toevallig tegen deze wind in liep, verscheen hij als bij toverslag, stak vlug de weg over, en ademde hem in het gezicht. Vanaf dat moment werd het slachtoffer door allerlei rampen getroffen – hij stond onder de betovering van het ‘boze oog’.

Het gebruikmaken van de menselijke adem door tovenaars, als hulpmiddel om hun snode plannen uit te voeren, wordt treffend geïllustreerd door verschillende afschuwelijke in de Franse annalen opgetekende gevallen, vooral die van verschillende katholieke priesters. Dit soort tovenarij was al in de vroegste oudheid bekend. Keizer Constantijn vaardigde de strengste straffen uit tegen degenen die tovenarij toepasten om de kuisheid geweld aan te doen en ongeoorloofde hartstocht op te wekken.49 Augustinus waarschuwt ertegen (De stad van God); Hiëronymus, Gregorius van Nazianze en veel andere kerkelijke autoriteiten veroordeelden dat misdrijf, dat bij de geestelijken niet ongebruikelijk was. Basset50 vertelt het geval van de pastoor van Peifane, die door tovenarij de ondergang veroorzaakte van een zeer gerespecteerde, deugdzame vrouw in zijn parochie, de eigenares van die plaats, en daarvoor op last van het parlement van Grenoble levend werd verbrand. In 1611 werd een priester, Gaufridy genaamd, op last van het parlement van de Provence verbrand wegens het verleiden van een biechtelinge, Madelaine de la Palud, door op haar te blazen, en op die manier bij haar een extatische zondige liefde voor hem op te wekken.

Bovenstaande gevallen worden geciteerd in het officiële verslag over de beruchte pater Girard, een jezuïetenpriester met grote invloed, die in 1731 voor het parlement van Aix in Frankrijk terechtstond wegens het verleiden van zijn parochielid Mej. Catherine Cadière, uit Toulon, en wegens bepaalde weerzinwekkende misdaden in verband daarmee. De aanklacht luidde dat het misdrijf was teweeggebracht door gebruik te maken van tovenarij. Mej. Cadière was een jongedame, die bekendstond om haar schoonheid, vroomheid en bijzondere deugdzaamheid. Ze vervulde haar religieuze plichten heel ernstig, en dit werd de oorzaak van haar ondergang. Pater Girard liet zijn oog op haar vallen, en zijn invloed leidde tot haar val. Door zijn schijnbaar grote heiligheid won hij het vertrouwen van het meisje en haar familie, en blies op een dag onder het één of andere voorwendsel op haar. Het meisje kreeg onmiddellijk een hevige hartstochtelijke liefde voor hem. Ook had ze extatische visioenen van religieuze aard, stigmata, of bloedige tekens van het lijden van Christus, en hysterische stuiptrekkingen. Toen de langgezochte gelegenheid om zich met zijn boetelinge af te zonderen zich eindelijk voordeed, blies de jezuïet nogmaals op haar, en vóór het meisje weer bij zinnen kwam, had hij zijn doel bereikt. Door sofisterij en het opwekken van haar godsdienstijver, hield hij deze ongeoorloofde relatie maandenlang vol, zonder dat ze vermoedde dat ze iets verkeerds had gedaan. Ten slotte werden haar echter de ogen geopend, haar ouders werden ingelicht, en de priester werd voor de rechter gedaagd. Het vonnis werd 12 oktober 1731 uitgesproken. Van de 25 rechters stemden er 12 voor om hem naar de brandstapel te sturen. De misdadige priester werd met alle macht door de Sociëteit van Jezus verdedigd, en men zegt dat een miljoen franc is uitgegeven om te proberen het bij het proces naar voren gebrachte bewijs te verzwijgen. De feiten zijn echter gedrukt in een nu zeldzaam boek (in 5 delen, 16mo), getiteld: Recueil Général des Pièces contenues au Procèz du Père Jean-Baptiste Girard, Jésuite, etc. etc.51

We hebben opgemerkt dat het lichaam van Mej. Cadière, terwijl ze onder de betovering van pater Girard stond en een ongeoorloofde relatie met hem had, gemerkt was met de stigmata van het lijden van Christus, namelijk de bloedende wonden van dorens op haar voorhoofd, van spijkers op haar handen en voeten, en van een speerstoot in haar zijde. We moeten hieraan toevoegen dat dezelfde tekens te zien waren op de lichamen van zes andere boetelingen van deze priester, namelijk van de dames Guyol, Laugier, Grodier, Allemande, Batarelle en Reboul. In feite werd er vaak gezegd dat pater Girards knappe parochieleden wonderbaarlijk veel leden aan extases en stigmata! Voeg hieraan nog toe dat ook bij de boven besproken pater Gaufridy door getuigenis van een arts is bewezen dat Mej. De la Palud hetzelfde is overkomen, dan hebben we hier feiten die de aandacht waard zijn van allen (in het bijzonder van spiritisten) die denken dat deze stigmata door zuivere geesten worden teweeggebracht. Wanneer we de tussenkomst van de duivel uitsluiten, die we in een ander hoofdstuk rustig hebben begraven, dan vermoeden we dat de katholieken ondanks al hun onfeilbaarheid moeite zullen hebben om onderscheid te maken tussen de stigmata van de tovenaars en die welke door tussenkomst van de Heilige Geest of van engelen worden voortgebracht. De kerkelijke verslagen staan vol voorbeelden van zogenaamde duivelse imitaties van deze tekens van heiligheid, maar, zoals we al zeiden, van de duivel is hier geen sprake.

Zij die ons tot hier hebben gevolgd, zullen natuurlijk vragen welk praktisch doel dit boek wil bereiken; er is veel gezegd over magie en haar vermogens, en over het feit dat ze al in de verre oudheid werd bedreven. Willen we beweren dat de occulte wetenschappen over de hele wereld moeten worden bestudeerd en in praktijk gebracht? Zouden we het moderne spiritisme willen vervangen door de oude magie? Geen van beide; die vervanging zou niet kunnen plaatsvinden, en die studie zou niet algemeen kunnen worden ondernomen zonder dat de kans ontstond op enorme gevaren voor de maatschappij. Op dit ogenblik is een bekende spiritist en spreker over mesmerisme gevangengenomen die ervan wordt beschuldigd dat hij een door hem gehypnotiseerde proefpersoon heeft verkracht. Een tovenaar is een vijand van de maatschappij, en het mesmerisme kan heel gemakkelijk worden veranderd in de ergste vorm van tovenarij.

We zouden noch wetenschappers noch theologen noch spiritisten tot praktische magiërs willen maken, maar we zouden hen allen willen laten beseffen dat er al vóór deze moderne tijd echte wetenschap, diepzinnige religie en echte paranormale verschijnselen zijn geweest. We zouden willen dat allen die een stem hebben in de opvoeding van het volk, eerst weten, en dan onderwijzen, dat de veiligste gidsen naar menselijk geluk en verlichting die geschriften zijn die vanuit de vroegste oudheid tot ons zijn gekomen, en dat in die landen waar de mensen hun voorschriften als leefregel hebben aanvaard, edeler spirituele aspiraties en gemiddeld een hogere ethiek heersen. We zouden willen dat iedereen beseft dat ieder mens over magische, d.w.z. spirituele, vermogens beschikt, en zouden willen dat de weinigen die zich geroepen voelen om te onderwijzen ze praktisch gaan gebruiken, en bereid zijn de prijs van discipline en zelfoverwinning, die de ontwikkeling daarvan vereist, te betalen.

Veel mensen zijn opgestaan die een glimp van de waarheid zagen, en zich verbeeldden dat ze de hele waarheid zagen. Zulke mensen zijn niet erin geslaagd al het goede te volbrengen dat ze hadden kunnen en probeerden te doen, want ijdelheid heeft ertoe geleid dat ze hun persoonlijkheid zo overmatig op de voorgrond stelden dat deze tussen hun volgelingen en de hele waarheid die erachter lag in kwam te staan. De wereld heeft geen sektarische kerk nodig, ongeacht of die van Boeddha, Jezus, Mohammed, Swedenborg, Calvijn of iemand anders is. Omdat er slechts één waarheid is, heeft de mens slechts één kerk nodig, de tempel van God binnenin ons, die ommuurd is door stof, maar doordringbaar voor iedereen die de weg kan vinden; wie zuiver van hart is ziet God.

De drie-eenheid van de natuur is het slot van de magie, de drie-eenheid van de mens de sleutel die erop past. Binnen het eerbiedwaardige terrein van het heiligdom had en heeft het allerhoogste geen naam. Het is ondenkbaar en onuitsprekelijk, en toch vindt ieder mens zijn god in zichzelf. ‘Wie bent u, schoon wezen?’ vraagt de ontlichaamde ziel in de Khordah-Avesta bij de poorten van het paradijs. ‘Ik ben, o ziel, uw goede en zuivere gedachten, uw werken en uw goede wet . . . uw engel . . . en uw god.’52 Dan wordt de mens, of de ziel, weer met zichzelf verenigd, want deze ‘zoon van God’ is één met hem; hij is zijn eigen middelaar, de god van zijn menselijke ziel en zijn ‘rechtvaardiger’. ‘Omdat God zich niet onmiddellijk aan de mens openbaart, is de geest zijn tolk’, zegt Plato in het Gastmaal.53

Bovendien zijn er veel goede redenen waarom de magie, afgezien van haar algemene filosofie, in Europa en Amerika bijna niet kan worden bestudeerd. Omdat de magie nu eenmaal is wat ze is, namelijk de moeilijkste wetenschap om langs experimentele weg te leren, ligt het zich eigen maken ervan feitelijk buiten bereik van de meeste blanken, ongeacht of ze het in hun eigen land of in het Oosten proberen. Waarschijnlijk is niet één op een miljoen mensen van Europees bloed fysiek, ethisch of psychisch geschikt een praktische magiër te worden, en men zou er niet één op de 10 miljoen vinden die alle drie deze eigenschappen bezit die voor het werk nodig zijn. Beschaafde volkeren missen, zowel mentaal als fysiek, het uitzonderlijke uithoudingsvermogen dat de oosterlingen bezitten, en de gunstige aangeboren karaktertrekken van de oosterling missen ze volledig. De hindoe, de Arabier, de Tibetaan krijgt door overerving een intuïtief besef van de mogelijkheden van de occulte natuurkrachten wanneer die onderworpen worden aan de menselijke wil, en in hen zijn zowel de fysieke als de spirituele zintuigen veel verfijnder ontwikkeld dan in de westerse rassen. Ondanks het opmerkelijke verschil in dikte tussen de schedel van een Europeaan en van een zuidelijke hindoe, dat zuiver het klimatologische gevolg is van de intensiteit van de zonnestralen, spelen psychische beginselen daarbij geen rol. Bovendien zouden zich ontzaglijke moeilijkheden voordoen bij het oefenen ervan, als we het zo mogen uitdrukken. Besmet door eeuwen van dogmatisch bijgeloof, door een onuitroeibaar, hoewel geheel ongegrond, gevoel van superioriteit tegenover hen die de Engelsen zo minachtend ‘nikkers’ noemen, zou de blanke Europeaan zich eigenlijk niet aan de praktische leiding van een kopt, een brahmaan of een lama kunnen onderwerpen. Om neofiet te worden, moet men bereid zijn zich met hart en ziel aan de bestudering van de mystieke wetenschappen te wijden. De magie, de veeleisendste van alle meesteressen, duldt geen rivalen. In de magie is, in tegenstelling tot andere wetenschappen, theoretische kennis van formules zonder mentale vaardigheden of zielenkrachten volkomen nutteloos. De geest moet de strijdlust van wat losweg het ontwikkelde verstand wordt genoemd, volledig aan zich onderworpen houden, totdat feiten de koude sofisterij van de mens hebben overwonnen.

Het best voorbereid om het occultisme te waarderen zijn de spiritisten, hoewel ze tot nu toe uit vooroordeel de bitterste tegenstanders zijn geweest van het bekendmaken ervan aan het grote publiek. Ondanks alle dwaze ontkenningen en beschuldigingen zijn hun verschijnselen echt. En ondanks al hun eigen beweringen worden ze ook door henzelf volledig verkeerd begrepen. De volkomen ontoereikende theorie van de voortdurende tussenkomst van ontlichaamde menselijke geesten bij het teweegbrengen ervan, was een vloek voor de zaak. Duizenden kwetsende afwijzingen hebben hun verstand of intuïtie niet voor de waarheid kunnen openen. Ze negeren de leringen van het verleden, maar hebben niets ontdekt dat deze kan vervangen. We bieden ze een filosofische redenering aan in plaats van een niet te verifiëren hypothese, wetenschappelijke analyse en bewijs in plaats van ongenuanceerd geloof. De occulte filosofie verschaft hun de middelen om aan de redelijke eisen van de wetenschap te voldoen, en bevrijdt hen van de vernederende noodzaak om de orakelachtige leringen aan te nemen van ‘intelligenties’ die gewoonlijk minder verstand hebben dan een kind op school. Met zo’n grondslag, en zo’n bevestiging, zouden de hedendaagse verschijnselen de aandacht kunnen trekken van, en eerbied kunnen afdwingen bij hen die richting geven aan de publieke opinie. Als het spiritisme die hulp niet inroept, dan moet het doorgaan met een onbetekenend leven te leiden, evenzeer – en niet zonder reden – afgewezen door wetenschappers als door theologen. In zijn huidige vorm is het noch wetenschap noch religie noch filosofie.

Zijn we onredelijk? Is er één verstandige spiritist die klaagt dat we de zaak verkeerd hebben voorgesteld? Kan hij ons op iets anders wijzen dan een hoop verwarde theorieën, een wirwar van elkaar tegensprekende veronderstellingen? Kan hij beweren dat het spiritisme, zelfs met zijn 30 jaar van verschijnselen, een verdedigbare filosofie bezit, en dat er iets bestaat dat lijkt op een vaste methode die door zijn erkende vertegenwoordigers algemeen wordt aangenomen en gevolgd?

En toch zijn er over de hele wereld onder de spiritisten veel nadenkende, geleerde, ernstige schrijvers. Er zijn mensen die, naast een wetenschappelijke mentale training en een beredeneerd geloof in de verschijnselen als zodanig, ook alle vereisten bezitten om leiders van de beweging te zijn. Hoe komt het dan dat ze, behalve dat ze misschien een enkel opzichzelfstaand boek uitgeven, of van tijd tot tijd bijdragen aan kranten sturen, zich allen ervan onthouden enige actieve bijdrage te leveren aan het opbouwen van een filosofisch stelsel? Hun geschriften vormen genoeg bewijs dat dit niet komt door gebrek aan morele moed. En ook niet door onverschilligheid, want ze lopen over van enthousiasme, en zijn zeker van hun feiten. Ook komt het niet door gebrek aan capaciteiten, want velen zijn mensen van betekenis, de gelijken van onze grootste geesten. Het komt eenvoudig omdat ze bijna zonder uitzondering verbijsterd zijn door de tegenstrijdigheden die ze tegenkomen, en wachten tot hun voorlopige hypothesen door verdere ervaringen worden bevestigd. Dit is ongetwijfeld een wijze manier van doen. Die werkwijze werd ook door Newton gevolgd, die met de heldhaftigheid van een eerlijk, onzelfzuchtig hart 17 jaar lang de openbaarmaking van zijn theorie over de zwaartekracht voor zich hield, alleen omdat hij haar niet tot zijn eigen tevredenheid had geverifieerd.

Het spiritisme, dat meer aanvallend dan verdedigend te werk gaat, heeft de neiging tot beeldenstorm vertoond, en heeft in zoverre goed werk verricht. Maar hoewel het afbreekt, bouwt het niet weer op. Elke werkelijk belangrijke waarheid die het vaststelt, wordt al snel onder een stortvloed van hersenschimmen begraven, tot alles één verwarde puinhoop is geworden. Bij elke stap vooruit, bij het verkrijgen van elk nieuw waargenomen feit, vindt er een ramp plaats, hetzij in de vorm van oplichterij en ontmaskering, of van vooraf beraamd bedrog, waardoor de spiritisten weer machteloos worden gemaakt, want ze kunnen hun beweringen niet bewijzen, en hun onzichtbare vrienden doen dat evenmin (of kunnen dit misschien nog minder dan zijzelf). Hun noodlottige zwakheid is dat ze slechts één theorie ter verklaring van hun in twijfel getrokken feiten kunnen aanbieden, namelijk de tussenkomst van ontlichaamde menselijke geesten, en de volkomen onderworpenheid van het medium aan hen. Ze vallen mensen met andere opvattingen aan met een hevigheid die slechts door een betere zaak zou zijn gerechtvaardigd; ze beschouwen elk argument dat hun theorie tegenspreekt als een aanval op hun gezonde verstand en hun waarnemingsvermogens, en weigeren nadrukkelijk om het vraagstuk zelfs te bespreken.

Hoe kan het spiritisme dan ooit tot de rang van een wetenschap worden verheven? Daarvoor zijn, zoals prof. Tyndall aantoont, drie factoren absoluut noodzakelijk: het waarnemen van feiten, het afleiden van wetten op basis van deze feiten, en het verifiëren van die wetten door voortdurende praktische ervaring. Welke ervaren waarnemer zal beweren dat het spiritisme ook maar één van deze drie elementen bezit? Het medium bevindt zich niet altijd onder zulke proefvoorwaarden dat we zeker kunnen zijn van de feiten; de conclusies uit de veronderstelde feiten zijn ongegrond wanneer de feiten niet zijn geverifieerd, en daaruit volgt dat die hypothesen niet voldoende door de ervaring zijn geverifieerd. Kortom, de belangrijkste factor, die van nauwkeurigheid, heeft in het algemeen ontbroken.

Opdat we niet worden beschuldigd van de wens de positie van het spiritisme in de tijd waarin we dit schrijven verkeerd voor te stellen, of van het niet erkennen van daadwerkelijke vooruitgang, zullen we enkele passages citeren uit de Londense Spiritualist van 2 maart 1877. Tijdens de op 19 februari gehouden veertiendaagse bijeenkomst had men een discussie over het onderwerp ‘het denken van de oudheid en het hedendaagse spiritisme’. Enkele van de intelligentste Engelse spiritisten namen eraan deel. Onder hen bevond zich W. Stainton Moses, ma, die onlangs enige aandacht heeft besteed aan het verband tussen de verschijnselen van de oudheid en die van onze tijd. Hij zei:

Het alledaagse spiritisme is niet wetenschappelijk; op het gebied van wetenschappelijke verificatie doet het heel weinig. Bovendien is het exoterische spiritisme grotendeels gewijd aan het veronderstelde contact met persoonlijke vrienden, of aan het tevredenstellen van de nieuwsgierigheid, of enkel het voortbrengen van wonderen . . . De werkelijk esoterische wetenschap van de geest is heel zeldzaam, en even zeldzaam als waardevol. Daar moeten we de bron van kennis zoeken die exoterisch kan worden ontwikkeld. . . . We gaan te veel te werk op de manier van de natuurkundigen; onze proeven zijn grof en vaak misleidend: we weten te weinig van de proteïsche kracht van de geest. Op dit punt waren de Ouden ons ver vooruit, en kunnen ze ons veel leren. We hebben geen enkele zekerheid in de proefvoorwaarden ingebouwd – een noodzakelijke voorwaarde voor echt wetenschappelijke experimenten. Dit is grotendeels te danken aan het feit dat onze seances op geen enkel beginsel zijn gebaseerd. . . . We zijn zelfs de elementaire waarheden nog niet meester, die de Ouden kenden en waarnaar ze handelden, namelijk het afzonderen van mediums. We zijn zo bezig geweest met de jacht op wonderen dat we de verschijnselen nauwelijks hebben geclassificeerd, of een theorie hebben opgesteld om zelfs maar het eenvoudigste verschijnsel te verklaren. . . . We hebben nooit de vraag onder ogen gezien: Wat is die onstoffelijke geest? Dit is een grote tekortkoming, de meest voorkomende bron van misvattingen, en op dit punt zouden we met succes van de Ouden kunnen leren. De spiritisten zijn helemaal niet geneigd de mogelijkheid te erkennen van de waarheid van het occultisme. Ze zijn daarvan even moeilijk te overtuigen als dat het grote publiek kan worden overtuigd van de waarheid van het spiritisme. De spiritisten beginnen met een misvatting, namelijk dat alle verschijnselen worden teweeggebracht door de werking van heengegane menselijke geesten; ze hebben geen onderzoek gedaan naar de vermogens van de geïncarneerde menselijke geest; ze weten niet hoe ver de geest reikt en wat eraan ten grondslag ligt.

Ons standpunt zou niet beter kunnen worden omschreven. Als het spiritisme een toekomst heeft, dan ligt deze in de handen van mensen zoals Stainton Moses.

Ons werk is gedaan. Was het maar beter gedaan! Ondanks ons gebrek aan ervaring in de kunst van het boeken schrijven en het grote probleem in een vreemde taal te schrijven, hopen we erin te zijn geslaagd om enkele dingen te zeggen die in de geest van nadenkende mensen zullen blijven hangen. De vijanden van de waarheid zijn alle opgesomd, en zijn alle de revue gepasseerd. De moderne wetenschap, die niet in staat is aan de aspiraties van de mensheid te voldoen, maakt de toekomst tot een leegte, en ontneemt de mens de hoop. In één opzicht lijkt ze op de Baital Pachisi, de hindoevampier uit het volksgeloof, die in dode lichamen woont en zich slechts voedt met rottende stoffen. De theologie van het christendom is door de ernstigste geesten van onze tijd geheel uitgehold. Men heeft ingezien dat ze in het algemeen spiritualiteit en een goede ethiek veeleer ondermijnt dan bevordert. In plaats van de regels van de goddelijke wet en rechtvaardigheid te verklaren, onderwijst ze slechts zichzelf. In plaats van een eeuwig levende godheid verkondigt ze het bestaan van de boze, en maakt dat hij niet te onderscheiden is van God zelf! ‘Leid ons niet in verzoeking’ is de wens van de christenen. Wie is dan die verleider? Satan? Nee, tot hem wordt het gebed niet gericht. Het is die beschermgeest die het hart van de farao verhardde, een kwade geest in Saul plaatste, leugen-boodschappers naar de profeten zond, en David tot zonde verleidde, het is – de bijbelse God van Israël!

Ons onderzoek naar de veelsoortige religies die de mensen vroeger en meer recent hebben beleden, wijst duidelijk erop dat ze alle uit één oorspronkelijke bron stammen. Het lijkt erop dat ze alle slechts verschillende manieren zijn om uitdrukking te geven aan het verlangen van de gevangen menselijke ziel naar contact met bovennatuurlijke sferen. Zoals de witte lichtstraal door het prisma in de verschillende kleuren van het zonnespectrum uiteenvalt, evenzo valt de straal van goddelijke waarheid, wanneer hij door het driezijdige prisma van de menselijke aard gaat, uiteen in verschillend gekleurde fragmenten die religies worden genoemd. En zoals de stralen van het spectrum door onwaarneembare kleurnuanceringen in elkaar overgaan, evenzo zijn de grote theologieën, die in verschillende mate van de oorspronkelijke bron zijn afgeweken, door kleinere scheuringen, scholen en vertakkingen naar de ene of de andere kant, met elkaar verbonden geweest. Als ze worden gecombineerd, stellen ze gezamenlijk de ene eeuwige waarheid voor; afzonderlijk zijn ze slechts tinten van menselijke fouten en tekenen van onvolmaaktheid. Het eren van de vedische pitri’s zal snel de eredienst worden van het spirituele deel van de mensheid. Men hoeft de objectieve dingen slechts op de juiste manier waar te nemen, om ten slotte te ontdekken dat de subjectieve wereld de enige werkelijke is.

Wat met verachting heidendom is genoemd, was de van de godheid vervulde oude wijsheid; het jodendom en zijn nakomelingen, het christendom en de islam, hebben alle inspiratie die ze bevatten aan deze etnische voorouder ontleend. Het voorvedische brahmanisme en boeddhisme zijn de dubbele bron waaruit alle religies zijn voortgekomen; het nirvana is de oceaan waarop ze zich allen richten.

Voor een filosofische analyse hoeven we geen rekening te houden met de gruwelijkheden die de reputatie van veel wereldreligies zwart hebben gemaakt. Waarachtig geloof is de belichaming van goddelijke welwillendheid; zij die bij zijn altaren de dienst verrichten, zijn slechts mensen. Als we de met bloed bevlekte bladzijden van de kerkgeschiedenis omslaan, zullen we zien dat, ongeacht wie de held was en welke kleren de toneelspelers droegen, de plot van de tragedie altijd dezelfde was. Maar de eeuwige nacht was in en achter allen, en we gaan van wat we zien over naar wat voor de ogen van de zintuigen onzichtbaar is. Onze vurige wens was aan waarachtige zielen te tonen hoe ze het gordijn kunnen opzijschuiven, en in de helderheid van die tot dag gemaakte nacht de ongesluierde waarheid kunnen aanschouwen zonder te worden verblind.

EINDE

 

Noten

  1. Door Sanang Setsen, de Mongoolse historicus, toegeschreven aan Toghon Timur, de laatste soeverein van de Dzjengis-dynastie.
  2. Isvara betekent in het algemeen ‘Heer’, maar de Isvara van de mystieke filosofen van India werd precies op de manier van de Griekse mystici opgevat als het zich verenigen en het contact van mensen met de godheid. Isvara-prasada betekent in het Sanskriet letterlijk genade. De beide ‘Mimansa’s’, die diepzinnige vraagstukken behandelen, omschrijven karma als verdienste, of het uitwerken van daden; Isvara-prasada als genade, en sraddha als geloof. De Mimansa’s zijn het werk van de twee beroemdste Indiase theologen. De Purva-Mimansa is geschreven door de filosoof Jaimini, en Uttara-Mimansa (of Vedanta) door Krishna Dvaipayana Vyasa, die de vier Veda’s bijeenbracht. (Zie Sir William Jones, Colebrooke en anderen.)
  3. Olympiodorus, On the Phaedo of Plato, in T. Taylors Select Works of Porphyry, blz. 207vn.
  4. Suetonius, Keizers van Rome, ‘Augustus’, §91.
  5. Vgl. Plutarchus, Ethica, Het gezicht dat op de maancirkel te zien is, §28-9.
  6. Vgl. Plinius, Naturalis historia, 30:2ev.
  7. Servius, Commentaar op Vergilius, ‘Aeneis’.
  8. Pyarichanda Mitra, ‘The psychology of the Aryas’, in Human Nature, maart 1877.
  9. Plutarchus, Ethica, Over het zwijgen van de orakels, §38-9.
  10. De correspondent in Boulogne (Frankrijk) van een Engels tijdschrift zegt dat hij iemand kent bij wie een arm bij de schouder is geamputeerd, en ‘die er zeker van is dat hij een onstoffelijke arm bezit, die hij ziet en zelfs met zijn andere hand voelt. Hij kan met de onstoffelijke of spookarm en -hand alles aanraken, en zelfs dingen optillen.’ De man weet niets over spiritisme. We delen dit mee, zoals we het hebben vernomen, zonder het te verifiëren, maar het bevestigt slechts wat wijzelf bij een oosterse adept hebben gezien. Deze grote geleerde en praktische kabbalist kan naar willekeur zijn astrale arm uitsteken, en met deze hand voorwerpen oppakken, verplaatsen en dragen, zelfs op grote afstand van de plaats waar hij zit of staat. We hebben hem vaak op die manier een lievelingsolifant te eten zien geven.
  11. Antwoord op een vraag op ‘The National Association of Spiritualists’, 14 mei 1877.
  12. ‘A Buddhist’s opinions of the spiritual states’, The Spiritualist, 25 mei 1877, blz. 246.
  13. Vgl. Coleman, Mythology of the Hindus, blz. 217; en Turners brief aan de gouverneur-generaal, in Asiatic Researches, deel 1, blz. 197-205.
  14. Russische onderdanen mogen niet door Tartaars gebied trekken, en de onderdanen van de keizer van China mogen niet naar de Russische fabrieken toegaan.
  15. Dit zijn de vertegenwoordigers van de boeddhistische ‘drie-eenheid’, boeddha, dharma en sangha, of fo, fa en sengh, zoals ze in Tibet worden genoemd.
  16. Een bhikshu mag zelfs van leken van zijn eigen volk niets rechtstreeks aannemen, laat staan van een vreemdeling. De geringste aanraking met het lichaam, en zelfs de kleding, van iemand die niet tot hun bepaalde gemeenschap behoort, wordt zorgvuldig vermeden. Daarom moesten zelfs de geschenken die we meebrachten en die bestonden uit stukken rood en geel pu-lu, een soort wollen stof die de lama’s gewoonlijk dragen, vreemde ceremoniën ondergaan. Het is hun verboden: 1. om iets te vragen of te bedelen, zelfs al sterven ze de hongerdood; ze moeten wachten tot het hun vrijwillig wordt aangeboden; 2. met hun handen goud of zilver aan te raken; 3. een stukje voedsel te eten, zelfs als het hun wordt aangeboden, wanneer de gever niet duidelijk tot de leerling zegt: ‘dit is voor uw meester om te eten’. Daarop moet de leerling zich tot de pazen wenden, en hem op zijn beurt het voedsel aanbieden, en als hij heeft gezegd: ‘meester, het is veroorloofd, neem en eet’, dan pas mag de lama het met de rechterhand aanpakken en ervan eten. Al onze geschenken moesten zulke zuiveringen ondergaan. Toen bij verschillende gelegenheden zilverstukken en enige handen vol anna’s (een geldstukje met een waarde van vier cent) aan de gemeenschap werden aangeboden, wikkelde een leerling eerst zijn hand in een gele zakdoek, ontving het geld in de palm van de hand, en deed het onmiddellijk in de badir, elders ook sabaït genoemd, een heilige schaal, gewoonlijk van hout, die speciaal voor giften wordt gebruikt.
  17. De stenen worden door de lamaïsten en boeddhisten zeer vereerd; de troon en de scepter van Boeddha zijn ermee versierd, en de dalai lama draagt er één aan de vierde vinger van zijn rechterhand. Ze worden gevonden in het Altai-gebergte en in de buurt van de Yarkhun. Onze talisman was een geschenk van de eerbiedwaardige hogepriester, een gelong, van een Kalmukkenstam. Hoewel deze nomaden worden beschouwd als afvalligen van hun oorspronkelijke lamaïsme, onderhouden ze toch vriendschappelijke contacten met hun mede-Kalmukken, de Khoshuts van Oost-Tibet en Kokonor, en zelfs met de lamaïsten van Lhasa. De kerkelijke autoriteiten willen echter geen betrekkingen met hen onderhouden. We hebben overvloedig gelegenheid gehad om dit interessante volk van de steppen van Astrakhan te leren kennen, want in onze jonge jaren hebben we in hun kibitkas gewoond, en de gulle gastvrijheid genoten van vorst Tumen, hun nu overleden chef, en van de vorstin. De Kalmukken maken bij hun religieuze ceremoniën gebruik van trompetten die vervaardigd zijn uit de dij- en armbenen van overleden heersers en hogepriesters.
  18. De boeddhistische Kalmukken uit de steppen van Astrakhan hebben de gewoonte hun afgodsbeelden te maken uit de as van hun gecremeerde vorsten en priesters. Een familielid van de schrijfster bezit verschillende kleine piramiden die gemaakt zijn uit de as van bekende Kalmukken, en die vorst Tumen in 1836 zelf aan haar heeft geschonken.
  19. De door de belangrijkste priesters als paraplu gebruikte heilige waaier.
  20. Zie deel 1, blz. 596-7.
  21. Lectures on Sound, hfst. 6, §12.
  22. Samengesteld uit sutra, spreuk of voorschrift, en antika, dichtbij of nabij.
  23. Het lijkt ons onrechtvaardig om Asoka met Constantijn te vergelijken, zoals verschillende oriëntalisten doen. Indien Asoka op religieus en politiek gebied datgene voor India deed wat Constantijn voor de westerse wereld zou hebben gedaan, dan houdt elke overeenstemming daar op.
  24. W.L. O’Grady, ‘Indian sketches, etc.’; Appleton, New American Cyclopaedia.
  25. Aum (de mystieke Sanskrietterm voor de drie-eenheid), mani (heilig juweel), padme (in de lotus, padma is het woord voor lotus), hum (zo zij het). De zes lettergrepen van de zin komen overeen met de belangrijkste zes natuurkrachten, die uitgaan van boeddha (de abstracte godheid, niet Gautama), die de zevende en de alfa en omega van het zijn is.
  26. Muru (de zuivere) is een van de beroemdste kloosters in Lhasa, midden in de stad. Daar brengt de shaberon, de dalai lama, het grootste deel van de wintermaanden door; twee of drie maanden van het warme jaargetijde verblijft hij in Potala. In Muru is het grootste typografische bedrijf van het land.
  27. De boeddhistische grote canon, die 1083 werken in enkele honderden delen bevat, waarvan vele over magie handelen.
  28. Alipili, Centrum naturae concentratum, Londen, 1696, blz. 78-80.
  29. Londen, 1680.
  30. J. Crawfurd, Journal of an Embassy to the Courts of Siam and Cochin-China, 1828, blz. 181-2.
  31. Semedo, Histoire de la Chine, deel 3, blz. 114.
  32. Tussen 1838 en 1840 circuleerde onder de vrienden van Daguerre een anekdote. Mw. Daguerre had op een avondfeest, ongeveer twee maanden voordat het beroemde proces van Daguerre door Arago in januari 1839 aan de Académie des Sciences werd voorgelegd, een ernstig consult met een van de medische beroemdheden van die tijd over de geestestoestand van haar echtgenoot. Na aan de arts de vele symptomen van wat volgens haar de geestelijke afwijking van haar man was te hebben verklaard, voegde ze er met tranen in haar ogen aan toe dat ze dacht dat het grootste bewijs voor Daguerre’s krankzinnigheid zijn vaste overtuiging was dat hij erin zou slagen zijn eigen schaduw aan de muur vast te nagelen, of vast te leggen op magische metalen platen. De arts luisterde aandachtig naar de mededelingen, en antwoordde dat hijzelf de laatste tijd bij Daguerre de duidelijkste symptomen had opgemerkt van wat volgens hem een onmiskenbaar bewijs van krankzinnigheid was. Hij eindigde het gesprek door haar sterk aan te raden haar man kalm en zonder uitstel naar Bicetre, de bekende psychiatrische inrichting te sturen. Twee maanden later ontstond in de wereld van kunst en wetenschap diepgaande belangstelling door het vertonen van een aantal door het nieuwe proces verkregen afbeeldingen. De schaduwen werden per slot van rekening op metalen platen vastgelegd, en de ‘krankzinnige’ werd de vader van de fotografie genoemd.
  33. W. Schott, Über den Buddhaismus in Hochasien und in China, Berlijn, 1846, blz. 71.
  34. H. Yule, The Book of Ser Marco Polo, deel 2, ed. 1875, blz. 351-2.
  35. F. Bernier, Voyages de Bernier, contenant la description des états du Grand Mogol, de l’Hindoustan, Amsterdam, 1699, deel 2, blz. 130.
  36. Paracelsi opera omnia, Genève, 1658, 2:20.
  37. Geen land ter wereld kan zich op meer geneeskrachtige planten beroemen dan Zuid-India, Cochin, Birma, Siam en Ceylon. Europese artsen hebben, overeenkomstig de aloude gewoonte, het probleem van de rivaliteit in hun beroep opgelost door de lokale artsen als kwakzalvers en empirici te behandelen; maar dit voorkomt niet dat laatstgenoemden vaak succes hebben in gevallen waarin afgestudeerden van Britse en Franse medische faculteiten duidelijk zijn tekortgeschoten. In plaatselijke boeken over materia medica staan beslist niet de geheime geneesmiddelen die sinds onheuglijke tijden bij de lokale artsen (de atibba) bekend zijn en door hen met succes worden toegepast; en toch hebben de Britse artsen de beste koortswerende middelen van de hindoes vernomen, en terwijl patiënten, verdoofd en opgezwollen door te veel kinine onder behandeling van verlichte artsen langzaam van koorts wegkwijnden, hebben de bast van de margosa en het chiretta-kruid hen volkomen genezen, en deze nemen nu een eervolle plaats onder de Europese geneesmiddelen in.
  38. De hindoebenaming voor de bijzondere mantra of betovering die de slang belet te bijten.
  39. Het verschil tussen de belletjes van de ‘heidense’ gelovigen en de belletjes en granaatappels van de joodse eredienst is het volgende: eerstgenoemde zuiverden door hun harmonische klanken de ziel van de mens, en hielden bovendien kwade demonen op een afstand, ‘want het geluid van zuiver brons verbreekt de betovering’, zegt Tibullus (Elegieën, 1:8:22); en de Hebreeën verklaarden dat het geluid van de belletjes door de Heer ‘te horen moet zijn als hij [de priester] het heiligdom binnengaat om voor de Heer te verschijnen en wanneer hij weer naar buiten komt, anders zal hij sterven’ (Exodus 28:35; Ecclesiasticus 45:9). Het ene geluid diende dus om kwade geesten, het andere om de geest van Jehovah op een afstand te houden. De Scandinavische overleveringen zeggen dat de trollen altijd door de kerkklokken uit hun verblijfplaatsen werden verdreven. Er bestaat in Groot-Brittannië een soortgelijke overlevering over de elven.
  40. Een elementale demon waarin iedereen die in Azië is geboren gelooft.
  41. Dame of mevrouw in het Moldavisch.
  42. Het uur in Boekarest kwam volkomen overeen met dat van het land waarin het voorval had plaatsgevonden.
  43. Kapitein W.L.D. O’Grady, ‘Indian sketches, or life in the East’, Commercial Bulletin, 14 april 1877.
  44. Rusland noch Engeland slaagde in 1849 erin hen te dwingen de grens tussen het Turkse en Perzische grondgebied te erkennen en te eerbiedigen.
  45. Persepolis is het Perzische Istakhr, ten noordoosten van Shiraz; het lag op een vlakte, die nu Merdasht wordt genoemd, bij de samenvloeiing van de oude Medus en de Araxes, nu Pulwar en Bend-emir.
  46. Oedipus aegyptiacus, etc., 1654, deel 3, Theatrum hieroglyphicum, blz. 544.
  47. We hebben tweemaal de vreemde rituelen bijgewoond van de overgeblevenen van die sekte van vuuraanbidders, bekend onder de naam ghebers, die van tijd tot tijd in Bakoe op het ‘vuurveld’ bijeenkomen. Deze oude mysterieuze stad ligt aan de Kaspische Zee. Ze behoort tot Russisch-Georgië. Ongeveer 12 mijl ten noordoosten van Bakoe staan de overblijfselen van een oude gheber-tempel die bestaat uit vier zuilen; uit de lege openingen ervan komen voortdurend vurige tongen tevoorschijn, en daarom wordt ze de tempel van het eeuwige vuur genoemd. De hele streek is bezaaid met petroleummeren en -bronnen. Pelgrims komen uit verafgelegen delen van Azië daarheen, en sommige van de overal in de wijde omtrek levende stammen hebben priesters die het goddelijke vuurbeginsel vereren.
  48. Badkube, letterlijk ‘een samenkomen van winden’.
  49. Codex Justinianus, 9:18:4.
  50. J.-G. Basset, Plaidoyez et Arrests de la Cour de Parlement, etc., Parijs, 1645, deel 1, boek 5, afd. 19, hfst. 6, blz. 108.
  51. Zie ook Magic and Mesmerism, een 30 jaar geleden door Harpers (London, 1843) herdrukte roman.
  52. Khordah-Avesta, yasht 22, §10ev.
  53. 202e-203a.

 


Isis ontsluierd, 2:689-750

© 2010  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag