Theosophical University Press Agency

pagina achteruit Inhoudsopgave pagina vooruit

Deel 2

J’accuse d’autant plus1: Een verdere studie van het Hodgson Rapport

DE GETUIGE-DESKUNDIGE

Ik begin dit deel met een beschrijving van het werk van een getuige-deskundige zoals dat in Engelse rechtbanken voorkomt, en met speciale verwijzing naar handschriftkundigen.

De getuige-deskundige is er om de rechtbank te helpen in gevallen waarin specialistische kennis van een onderwerp is vereist. Hij moet nooit proberen als advocaat op te treden, en hij is in de eerste plaats verantwoording verschuldigd aan de rechtbank en niet aan de verdediger, persoon, of organisatie die hem heeft aangetrokken. Als hij wordt aangetrokken door de verdediging en oordeelt dat hij een mening moet geven die in het voordeel is van de officier van justitie, zo zij het. Hij moet nooit onder dwang van zijn opdrachtgever van mening veranderen.

Om door de rechtbank te worden geaccepteerd, moeten rapporten van getuigen gewoonlijk de vorm aannemen van een getuigenverklaring zoals voorgeschreven in Artikel 9 van de Criminal Justice Act [Wetboek van Strafrecht] van 1967. Deze begint met de verklaring:

Deze verklaring bestaande uit ___ bladzijden die elk zijn getekend door mij is naar mijn beste kennis en overtuiging waar en ik leg deze af wetende dat, als deze wordt overgelegd als bewijs, ik me blootstel aan gerechtelijke vervolging als ik daarin moedwillig iets heb vermeld waarvan ik weet dat het onjuist is of waarvan ik geloof dat het niet waar is.

Deze verklaring moet worden ondertekend, gedateerd en door getuigen worden medeondertekend. Na de verklaring is het rapport gewoonlijk op de volgende manier opgebouwd.

Er zijn twee hoofdgedeelten van het rapport. Deel A bestaat uit vier paragrafen. De eerste geeft een omschrijving van de kwalificaties van de deskundige voor zijn werk en beschrijft zijn ervaring. Hij kan daarover door de rechtbank worden ondervraagd. De tweede moet een nauw keurige identificatie geven van de documenten die hij voor onderzoek heeft ontvangen. Voor een brief bijvoorbeeld zouden moeten worden gegeven de datum (als deze bekend is), aan wie en door wie de brief is geschreven, en de openings- en slotzinnen. Men kan niet volstaan met ‘een brief geschreven op groen papier’. De derde paragraaf moet de instructies voor de deskundige bevatten – een precieze omschrijving van wat hij gevraagd werd te doen. Hij zal zich normaliter aan die instructies houden. De slotparagraaf moet de mening van de deskundige bevatten, gebaseerd op het bewijsmateriaal dat hem is gegeven, en een indicatie van de kracht van die mening die kan variëren van bijna zekerheid voor of tegen tot een neutrale of ‘ik weet het niet’ positie.

Een mening is een formele verklaring van de redenen voor een ge geven oordeel, een oordeel dat vaak moet worden gebaseerd op argumenten bij onvoldoende bewijs. Hier moet de verklaring zo kort en zo duidelijk mogelijk zijn, waarbij de gedetailleerde redenen in Deel B van het rapport worden gegeven. Een mening die eenmaal is gegeven moet standhouden tenzij er nieuw bewijsmateriaal aan het licht komt waardoor een herziening noodzakelijk wordt.

Deel B van het rapport bevat de gedetailleerde redenen voor de mening van de deskundige, die hij in de rechtbank moet verdedigen als het rapport wordt aangevochten (wat vaak voorkomt). In dat geval moet hij zijn bewijzen in eigen persoon en onder ede leveren. Hij moet bereid zijn het hoofd te bieden aan een streng kruisverhoor van ‘de andere kant’, en bovenal, hij moet zijn zelfbeheersing bewaren. Rechtszittingen zijn in hoge mate strijdperken, maar gewoonlijk zonder persoonlijke rancune. Ze staan veraf van academische discussies.

Soms is de getuigenverklaring volgens ‘Artikel 9’ niet genoeg, en moet het rapport als een beëdigde verklaring worden aangeboden, opgesteld door, en ondertekend en gezworen bij een notaris, en keurig voorzien van een blauw lint.

De getuige-deskundige moet altijd bedenken dat hij niet beschrijft wat er gebeurt wanneer zwavelzuur op zink wordt gegoten: hij draagt bij aan het vellen van een oordeel over een medemens van wie het leven misschien ingrijpend en definitief wordt beïnvloed als zijn getuigen verklaring onzorgvuldig, bevooroordeeld of gebrekkig is. Het is een ontzagwekkende verantwoordelijkheid, vooral wanneer het beschikbare bewijsmateriaal mager of tegenstrijdig is. Het is goed als parapsychologen bedenken dat ze zich in dezelfde positie kunnen bevinden.

Ik vermeld dit alles omdat het duidelijk is dat Hodgson, evenals Gallio,2 zich om al deze dingen niet bekommerde. Ik geef toe dat de rechtsprocedure toen misschien minder strikt was dan nu (hoewel ik hiervan niet zeker ben), maar Hodgsons methoden zijn onvergeeflijk laks en zouden tegenwoordig in een rechtszaak niet overeind blijven.

ONDERZOEKSMETHODEN

Onderzoeksmethoden verschillen in detail afhankelijk van de onderzoeker, maar er zijn een aantal basisbeginselen die de meesten volgen.

Ten eerste, er is het ‘gevoel’ van het handschrift als geheel. Hodgson zegt:

Het is goed genoeg bekend bij mensen die ook maar enigszins vertrouwd zijn met het vergelijken van handschriften dat er weinig belang kan worden gehecht aan alleen het algemene voorkomen van een geschreven document. blz. 283

Dit wordt krachtig ontkend door Charles Hamilton die aanspraak maakt op enige ervaring bij het onderzoeken van documenten (In Search of Shakespeare: A Study of the Poet’s Life and Handwriting, Robert Hale, Londen, 1986, blz. 7-8):

Het gevoel dat men krijgt van een handschrift is niets anders dan de onmiddellijke indruk die het op een geoefend oog maakt. In plaats van een inhoud loze toets van authenticiteit te zijn, is het gevoel in feite het totaal van de kennis van de beschouwer, het samengaan van intuïtie en een enorme hoeveelheid ervaring. Nadat de deskundige op het gebied van manuscripten tot een gevoelsoordeel is gekomen, kan zijn ogenblikkelijke indruk worden uitgewerkt door een gedetailleerd onderzoek van het handschrift. . . .

Het gevoel is een belangrijke factor bij het vergelijken van handschriften of bij het beoordelen van de authenticiteit ervan. Wie maar af en toe betwiste handschriften onderzoekt is misschien niet ontvankelijk voor het gevoel. Hij kan de vorming van de individuele letters in een document uitgebreid bestuderen. . . .

Sommige factoren die bijdragen aan het gevoel van een manuscript zijn: de hoeveelheid ruimte tussen de woorden en tussen de regels; de grootte van het handschrift; het gemak, of het gebrek daaraan, waarmee het handschrift vloeit; de druk van de pen bij het vormen van de halen, vooral de neergaande halen; de lengte van de neergaande halen, zoals bij de y’s en g’s; de algehele leesbaarheid van het handschrift; de positie van de punten boven de i’s en de dwarsbalk van de t’s; de dikte van de halen met de pen; en de haast, of het gebrek aan haast, waarmee de woorden en letters zijn gevormd. . . .

Nadat een manuscript de gevoelstest heeft ondergaan, moeten de individuele woorden en letters grondig worden onderzocht.

Aan de lijst van Hamilton zou ik willen toevoegen: de relatieve grootte van hoofdletters ten opzichte van kleine letters; de relatieve lengte van letters met een haal omhoog of omlaag ten opzichte van de romp van de kleine letters; abnormale verkorting of verlenging in de schrijfwijze van woorden; stijl, met losstaande letters of aaneengeschreven; consequentie en vloeiendheid.

Als een handschrift er niet in orde uitziet, is het vaak niet in orde; maar er kan een gedetailleerd onderzoek nodig zijn om vast te stellen waarom het niet in orde is. ‘Gevoel’ krijgt men alleen door ervaring.

Na de ‘gevoels’test begint het tweede stadium van het onderzoek waarbij het handschrift woord voor woord, letter voor letter, onder een vergrootglas wordt bekeken. Men probeert vast te stellen hoe de individuele letters zijn gevormd, de volgorde van de halen van de pen en de variaties in de daarop uitgeoefende druk. Microfoto’s gemaakt met een vergroting van rond 4 x de diameter zijn vaak informatief en waardevol. Men moet bedenken dat de verschillen even belangrijk zijn als de overeenkomsten, vaak zelfs nog belangrijker.

Ten slotte komt het onderzoek naar belangrijke, gewoonlijk onbewuste, eigenaardigheden, die ertoe kunnen bijdragen om het identificeren van een handschrift nog betrouwbaarder te maken. Zulke eigenaardig heden kunnen zo klein zijn als de manier waarop de punt boven de letter i wordt geplaatst. In mijn eigen handschrift worden de lussen van de letters a, g, o en q alle gemaakt met een continue beweging van de pen met de wijzers van de klok meedraaiend. Dit is zeldzaam en niet direct voor de hand liggend.

Ik besluit dit gedeelte met een paar belangrijke opmerkingen. Het is vaak relatief gemakkelijk een handtekening uit de vrije hand en uit het hoofd te vervalsen. Het is veel moeilijker een oorspronkelijke brief van één bladzijde in een aangenomen hand te schrijven zonder op een of ander punt te vervallen in de normale manier van schrijven. Het is nog moeilijker bladzijde na bladzijde van een oorspronkelijke verhandeling in antwoord op specifieke vragen in een aangenomen hand en literaire stijl te schrijven, zonder terug te vallen in de normale manier van schrijven. Een of twee van de brieven van KH hebben meer dan 16.000 woorden en gaan over diepzinnige onderwerpen.

Vanuit het standpunt van een onderzoeker, is het vaak heel gemakkelijk te zeggen dat een geschreven stuk is vervalst: het is veel moeilijker te zeggen door wie het werd vervalst. Om te beweren dat één bepaalde persoon daarvoor verantwoordelijk was, met uitsluiting van alle anderen, kan heel riskant zijn.

Heel recent werd ik in mijn eigen praktijk gevraagd het handschrift te onderzoeken van een dreigbrief die een rol speelde in een strafzaak. Zoals gebruikelijk is bij documenten in een strafzaak, werd het briefje als officieel bewijsstuk in een doorzichtige envelop geplaatst waaraan een identificatielabel werd gehecht. De details werden ingevuld door de politie man die de getuige had ondervraagd die het officiële bewijsstuk had aangeleverd, en de getuige had het label ondertekend om de authenticiteit ervan te bevestigen. Ik ontdekte, tot mijn verwondering, dat het handschrift van de politieman bijna identiek was aan het schrift van het dreigbriefje; maar het was niet waarschijnlijk dat de politieman verantwoordelijk was voor de misdaad en de overeenkomst van het handschrift was toeval. Het is heel verkeerd en gevaarlijk, om één verdachte eruit te pikken met uitsluiting van alle anderen, en dan naar bewijsmateriaal te zoeken om die ene verdachte als de schuldige aan te wijzen. Dat is wat Hodgson heeft gedaan en ik vind zijn gedrag onvergeeflijk.

Het Hodgson Rapport

DE ‘VERSCHIJNSELEN’

Ik heb weinig te zeggen over het eerste (veruit het langste) gedeelte van het Hodgson Rapport. Ik beschik niet over middelen om te kunnen zeggen of enige van de ‘verschijnselen’ die aan HPB worden toegeschreven echt zijn of niet. Ik was er toen niet bij; alle getuigen van de verschijnselen zijn sindsdien allang gestorven; en elk tastbaar bewijs zoals de ‘schrijn’ is verloren gegaan of vernietigd. De hele zaak is gehuld in de mist van geschiedenis en legende, en het lijkt onwaarschijnlijk dat er nu nog enig nieuw bewijs aan het licht zal komen. De ‘verschijnselen’ kunnen zijn teweeggebracht door goochelarij; of ze op die manier zijn voortgebracht, kan ik niet zeggen. Ik ben daarom onwetend in de zin zoals T.H. Huxley het verwoordde: ‘Ik weet het niet’. Gelukkig is de blijvende waarde van HPB’s geschriften niet afhankelijk van ‘verschijnselen’.

Na dit te hebben gezegd, wijs ik op de vijandigheid van Hodgson tegenover HPB en de minachting waarmee alle getuigen op twee na worden afgewezen, vaak om belachelijke redenen.3 De enige twee getuigen die Hodgson zonder meer op hun woord gelooft zijn de Coulombs; en als zij onbetrouwbaar blijken te zijn, stort het bouwwerk van Hodgson ineen.

HET HANDSCHRIFT

De Blavatsky-Coulomb Brieven

Deze brieven zijn van cruciaal belang, want als de bezwarende gedeelten van de brieven echt zijn, zou daaruit blijken dat HPB betrokken was bij frauduleuze praktijken. Als ze daarentegen geheel of gedeeltelijk vervalsingen zijn, zijn de enige andere verdachten de Coulombs; en de vervalsingen zouden betekenen dat de Coulombs logen en dat hun uitspraken over andere zaken niet kunnen worden vertrouwd.

Sinds het schrijven van ‘J’accuse’ heb ik kunnen profiteren van Michael Gomes’ nauwgezette onderzoek naar de Coulomb affaire4 en van zijn waardevolle bibliografie met verklarende aantekeningen,5 waarvan Hoofdstuk 8 bijzonder relevant is voor deze studie. Het werk van Beatrice Hastings6 over het Coulomb pamflet7 is niet gemakkelijk beschikbaar, maar het is essentiële lectuur.

Helaas schijnt het dat deze brieven, die van essentieel belang zijn, zijn vernietigd. Wat we erover weten kan als volgt worden samengevat:

Enkele van de brieven van HPB aan Emma Coulomb (en er moeten er veel zijn geweest) bevatten korte passages die instructies zouden bevatten voor EC om frauduleuze verschijnselen teweeg te brengen.

Aan weinig theosofen (zelfs niet aan HPB zelf) werd toegestaan deze brieven te onderzoeken. Maj. Gen. H.R. Morgan, die een ervan onderzocht waarin naar hem werd verwezen, verklaarde dat het een vervalsing was.8

Er werd geen facsimile van deze brieven gepubliceerd door Hodgson, die heel onbenullige redenen gaf om dat niet te doen.

De hoofdgetuige is hier Netherclift; zijn kwalificaties en zijn achtergrond heb ik niet kunnen achterhalen. Zijn rapport, zoals dat door Hodgson is gepubliceerd, is verminkt; er is een deel uit weggelaten, en het draagt twee dateringen. Zoals gezegd kunnen sommige van de documenten die Netherclift opsomt niet worden geïdentificeerd, en zij die wel kunnen worden geïdentificeerd zijn niet bezwarend. Sommige zijn alleen enveloppen. In zijn rapport merkt Hodgson enkele fragmenten van documenten met een sterretje waarvan hij zegt dat hij ze naar Netherclift heeft gestuurd voor onderzoek, maar het is moeilijk dit ‘voorzien van een sterretje’ in overeenstemming te brengen met de lijst van Netherclift.

Een tweede partij niet geïdentificeerde documenten werd naar Netherclift gestuurd, die ze terugstuurde met een bevestiging op de envelop die ze bevatte dat ze alle in het handschrift van HPB waren. De envelop zou heel goed HPB’s lijst van wasgoed hebben kunnen bevatten.

Ik beschik over enige informatie betreffende Sims van het Brits Museum.9 Hij schijnt weinig meer te hebben gedaan dan Netherclift zonder nadenken te volgen. Het Hodgson Rapport bevat geen geschreven rapport van hem.

Het schijnt dat Hodgson het handschrift van Alexis Coulomb nooit heeft onderzocht. Het leek erg veel op dat van HPB.10 Toen ik ‘J’accuse’ schreef was ik me er niet van bewust dat dit feit aan theosofen goed bekend was. Er wordt verteld dat ten minste bij één gelegenheid Coulomb ‘als grap’ vervalste instructies van HPB maakte.11

Degene van wie bekend is dat hij als laatste de brieven ontving was Elliott Coues die ze kocht voor zijn verdediging in een rechtszaak.12 Als ze echt zouden zijn, zouden ze belastend bewijsmateriaal hebben bevat in zijn voordeel. Hij heeft ze niet gebruikt. HPB’s dood maakte een eind aan de rechtszaak, maar een jaar later publiceerde de redactie van de New York Sun een herroeping van Coues’ artikel.13

De cheque voor de brieven is bewaard in Coues’ papieren14 maar de brieven zelf zijn niet gevonden ondanks ijverig speurwerk ernaar door Anita Atkins en anderen.15

Na de dood van Coues werd een hoeveelheid correspondentie van Blavatsky door Coues erfgenaam verbrand.16

Het is nu onwaarschijnlijk dat we ooit in staat zullen zijn de bezwarende gedeelten van die brieven aan een onafhankelijk onderzoek te onderwerpen, maar er is sterk indirect bewijs dat ze vervalsingen waren door Alexis Coulomb. Hij had zowel het motief als de mogelijkheid om dat te doen. Ik kan niet geloven dat Coues de brieven niet zou hebben gebruikt om HPB schade toe te brengen als ze echt waren geweest. Toen Coues zich realiseerde dat ze voor hem nutteloos waren, liet hij ze misschien vernietigen, zodat ze niet in handen zouden kunnen vallen van het Blavatsky-kamp.

De Mahatma Brieven

Gelukkig zijn de meeste Mahatma Brieven bewaard in de British Library waar ze werden gedeponeerd door de executeur-testamentair van Sinnett. Ze zijn beschikbaar om op verzoek te worden bestudeerd in het Department of Manuscripts (Additional MSS 45284, 45285 en 45286). ZE VORMEN OORSPRONKELIJK BEWIJSMATERIAAL. Er zijn echter moeilijkheden om ze in de British Library te onderzoeken. De brieven zelf zijn gebonden in drie zware en omvangrijke delen zodat het naast elkaar leggen en vergelijken van verschillende brieven vaak moeilijk of onmogelijk is. Om gegronde redenen mag men geen pen, potlood of tekeninstrument in de leeszaal gebruiken. Foto’s maken is verboden. Alleen het gebruik van een vergrootglas is toegestaan. Zelfs een mini-pocketmicroscoop met een vergroting van 30 x werd door de suppoosten van de bibliotheek met wantrouwen bekeken en moest discreet in mijn zak worden weggestopt. Voor wie buiten de agglomeratie van Londen wonen, kan het werken in de British Library zowel veel tijd als geld kosten.

De Theosophical Society met het Internationaal Hoofdkwartier in Pasadena, Californië, heeft mij enkele jaren lang een waardevolle set van 1323 kleurendia’s geleend van de volledige verzameling Mahatma Brieven in de British Library, die ik in detail heb kunnen bestuderen zolang als ik dat nodig achtte. Ik kan nu veel meer over de Brieven zeggen dan in ‘J’accuse’ mogelijk was.

De tekst van de Brieven is uitgegeven door Barker.17 Deze omvat brieven, fragmenten en aantekeningen van KH (108), M (26), HPB (9), Subba Row (3, waarvan één met eraan toegevoegde commentaren door KH), A.O. Hume (2), A.P. Sinnett (2), de ‘Onterfde’ (1), Stainton Moses (1) en Damodar (1). De brieven zijn op zichzelf het lezen waard, maar ze kunnen moeilijk te volgen zijn omdat de onderwerpen kunnen worden aangeboden zonder duidelijke volgorde en ze kunnen antwoorden zijn op niet opgetekende vragen. KH heeft de neiging lang van stof te zijn en af te dwalen; en hij kan vaak beginnen met het beantwoorden van één vraag, en al snel afdwalen om een andere (niet gestelde) vraag te beantwoorden.

Het bekijken van de dia’s was een moeizaam en tijdverslindend karwei. Om het vereiste detail te krijgen, werd elk van de dia’s onder een microscoop met een vergroting van 50 x onderzocht, waarbij de mechanisch te verstellen objecttafel van de microscoop werd gebruikt om de tekst regel voor regel te onderzoeken. Na een uur van dit soort werk moest men pauzeren.

Het papier dat werd gebruikt voor de Brieven schijnt elk stukje papier te zijn dat beschikbaar was. Volgens KH was papier een schaars product en alle beschikbare stukjes werden gebruikt, zelfs de delen die blanco waren gelaten door een vorige correspondent. Een aantal van de brieven had de dikte van ‘rijstpapier’.

De inkt levert enige problemen op. Hij is niet vervaagd op de manier waarop gewone schrijfinkt uit die tijd vervaagt, die in de loop van een eeuw verbleekt via bruin en geel tot algehele onleesbaarheid. Deze is leesbaar gebleven en het lijkt alsof hij was beperkt tot een dunne laag aan de oppervlakte van het papier. Er is weinig ‘doordruk’. Dit is een term die wordt gebruikt bij drukkers om het doordringen van de inkt door de poriën van het papier naar de andere kant aan te geven. Victoriaanse schrijfinkt ging door dun papier heen en maakte het schrijven op de achterkant onmogelijk (zie Deel 1, Figuren 10a en 10b).

Onderhandelingen met de beheerders van de Brieven om deze inkt te laten testen op de chemische samenstelling – door een universiteit op een manier waarbij geen beschadigingen ontstaan – leidden tot niets; en nu de brieven zijn versterkt door ze te verpakken in een doorzichtig archiefweefsel, is verder onderzoek van dit vraagstuk misschien onmogelijk geworden.

Blauw potlood: een lastig probleem vormt het schrift dat met blauw potlood of crayon schijnt te zijn gemaakt. Veel van dit schrift (maar niet alles) heeft een duidelijke, scherpe, gestreepte structuur die lijkt op een hemel met schapenwolkjes. Het ziet eruit alsof het door een moderne precisielijnscanner is gemaakt (zie Figuur 11). Voor mij blijft de reden voor deze manier van productie een mysterie. Emma Coulomb zou hebben gezegd dat het effect ontstond doordat ze waren geschreven terwijl het papier op een stoffen boekomslag rustte. Ik kan niet begrijpen waarom iemand zou willen schrijven met het papier op een boekomslag; in elk geval lukt het mij niet om dat effect op die manier te bereiken. De on regelmatigheden van het boekomslag en het trekken van de kleurstof in de stroken die schoon zouden moeten blijven vallen direct op. Deze merkwaardige eigenschap van het schrift is door de meeste schrijvers over het onderwerp De Mahatma Brieven, van wie ik het werk ken, genegeerd.

Correcties: Een ander kenmerk van de KH brieven is dat er heel zorgvuldig correcties zijn gemaakt in de tekst. Deze correcties betreffen vaak het uitwissen van volledige woorden, of zelfs van hele zinnen, en het schrijven van correcties over het uitgewiste heen. Het wissen is niet gebeurd door met een hard stuk gom te wrijven of door met een mes te schrapen, want er is geen plaatselijke verzwakking van het papier. Het ziet eruit alsof een chemische inktverwijderaar is gebruikt; maar toepassing van een vloeibaar reagens verstoort gewoonlijk de oppervlaktevezels van het papier en laat vage vlekken achter die moeilijk zijn te verwijderen. Het zou nuttig zijn te weten op basis van laboratoriumtests of er op die plaatsen sporen zijn van de resten van chemische middelen. Als die er niet zijn, is het mogelijk dat de correcties in de originelen werden aangebracht, waarvan de brieven in de British Library kopieën zijn. Omdat ik niets weet over de manier van overbrengen van die brieven, weet ik niet of deze suggestie plausibel is.

De geschiedenis van deze brieven en een groot aantal verwijzingen zijn gegeven door Gomes.18 De laatste brief die afkomstig zou zijn van KH werd in 1900 ontvangen door Annie Besant. Ik bezit nu een fotokopie van deze brief en mijn mening is dat het een goede nabootsing is van het handschrift van KH, maar niettemin een vervalsing. De literaire stijl is anders dan die van KH.

DE KWALIFICATIES VAN HODGSON, NETHERCLIFT EN SIMS

Op dit punt aangekomen is de vraag gepast welke kwalificaties en ervaring Hodgson had als onderzoeker van de omstreden documenten. Uit de verslagen is niet duidelijk dat hij hetzij kwalificaties of ervaring had voor dat werk. Integendeel, zijn methoden wekken de indruk dat hij niet getraind was en onlogisch te werk ging, met weinig gevoel voor rechtvaardigheid. Mw. Blavatsky omschrijft het goed als ze verwijst naar

de uitgebreide maar verkeerd gerichte onderzoekingen van Hodgson, zijn voorgewende precisie waarbij hij oneindig veel geduld heeft voor kleinigheden en blind is voor belangrijke feiten, zijn tegenstrijdige redenering en zijn duidelijk onvermogen om zich met die problemen bezig te houden die hij probeerde op te lossen. . . .
H.P. Blavatsky: Collected Writings 7:9

De gerapporteerde meningen van Netherclift en Sims moeten buiten beschouwing worden gelaten voor zover ze over de Mahatma Brieven gaan. Ik herhaal: we hebben van beiden geen geschreven en ondertekend verslag, alleen Hodgsons versie van wat hij zegt dat ze hem hadden verteld. De documenten die aan hen werden voorgelegd kunnen niet worden geïdentificeerd. Ze veranderden hun mening daartoe gedwongen door Hodgson. Ten slotte, en wat heel belangrijk is, er werd geen ander dan HPB als verdachte beschouwd. Geen enkele rechtbank zou zo’n getuigenis aanvaarden.

De manuscripten van KH

Laten we nu de belangrijkste kenmerken bekijken van deze reeks manuscripten.

Algemene kenmerken: De volgende algemene kenmerken worden overal in de hele reeks aangetroffen:

Het schrift heeft een voorwaartse helling van ongeveer 30° ten opzichte van de loodlijn.

De hoogte van de romp van de kleine letters (met uitzondering van halen naar boven en naar beneden) is opvallend gelijkmatig. Laten we deze hoogte aangeven met H.

De halen omhoog gaan tot een hoogte van ongeveer 2H boven de grondlijn, en de halen omlaag gaan tot ongeveer 1H onder de grondlijn.

De ruimte tussen de regels is ongeveer 3½ H.

De hoogte van de hoofdletters is ongeveer 3H.

De ruimte tussen de woorden is ongeveer 2H.

Het handschrift is vloeiend, niet gehaast, en zorgvuldig gemaakt.

De druk van woord tot woord is gelijkmatig.

De dwarsbalken van de t’s zijn een opvallend kenmerk. Ze zijn lang, soms extreem lang, naar rechts iets oplopend.

Punten boven de i’s zijn zorgvuldig geplaatst dichtbij het verlengde van de stam van de i.

Stabiele lettertekens die in de hele reeks constant blijven: Er zijn een paar hoogst karakteristieke letters die vanaf het begin worden aangetroffen en in de hele reeks KH manuscripten blijven voorkomen. Het zijn:

h – die eruitziet als li zonder punt, dus li.

p – die er gewoonlijk uitziet als een haarspeld waarbij de rechtertand is verkort en een kleine neerwaartse curve heeft die aan het uiteinde is toegevoegd, dus p.

n – met zijn uitgediepte ‘slinger’ waardoor deze niet is te onder scheiden van een u, en

x – die de vorm van een St. Elizabethletter aanneemt, dus x.

Lettertekens die in de vroegste manuscripten variëren: De rest van de letters is tamelijk stabiel met uitzondering van vijf: f, g, k, t en y. Deze vertonen een variatie van vormen in de eerste brieven, maar stabiliseren snel in de loop van een paar weken.

Ik breng nu de EERSTE HOOFDUITSPRAAK van Hodgson in herinnering:

Dat er duidelijke tekenen zijn van een ontwikkeling in het handschrift van K.H., waarbij verschillende sterke overeenkomsten met het gewone handschrift van Mw. Blavatsky geleidelijk werden weggewerkt. blz. 283

Over de eerste brief die Sinnett heeft ontvangen (Barkers Brief 1, onze Figuur 12), zegt Hodgson:

In deze, die werd ontvangen rond oktober 1880, zijn de sporen van het handwerk van Mw. Blavatsky talloos en opvallend, en vanaf deze brief zijn een geleidelijke ontwikkeling van de gebruikelijke kenmerken van K.H. en een geleidelijke eliminatie van de vele eigenaardigheden van Mw. Blavatsky, duidelijk zichtbaar. De handschriften van K.H. die aan Netherclift [voor onderzoek] waren voorgelegd, werden geschreven nadat Mw. Blavatsky jaren had kunnen oefenen. blz. 282-3

Deze uitspraken worden ronduit tegengesproken door het directe bewijs dat voor ons is bewaard gebleven, waaronder het Hodgson Rapport zelf. We bekijken nu enkele brieven van KH in detail.19

FIGUUR 12
BRIEF 1
Barker, blz. 5
Dia no. K36015
ONTVANGEN in Simla op of rond 15 oktober 1880
DAG 0

Dit is een bladzijde uit de eerste brief die Sinnett in Simla ontving op of rond 15 oktober 1880 – geïdentificeerd als de brief waarnaar in het Hodgson Rapport wordt verwezen als K.H. no. 1. Het schrift is wat rommeliger en wat moeilijker te lezen dan in de KH brieven die erna volgen. Er is een opmerkelijk verschil van ‘gevoel’ vergeleken met de latere manuscripten. De letters zijn minder gerond en regelmatig; maar de al gemene kenmerken en de stabiele lettertekens zijn er vanaf het begin. Wat de variabele letters betreft, vinden we:

f – Deze wordt gemaakt met alleen de onderste lus of helemaal zonder lus.

g – Deze neemt een veelheid aan vormen aan. In Figuur 12 vinden we g. Op de bladzijden van deze brief komen ook enkele andere vormen voor die niet zijn afgebeeld. We zullen later zien dat geen enkele van die vormen bijzonder Blavatskyaans is met uitzondering van g1 en g2. In plaats van exclusief Blavatskyaans te zijn, komt de eerste ervan algemeen voor, en de tweede heeft een oude oorsprong en komt veel voor in het ‘Elizabethan Secretary Script’.

y – Deze treedt op in de vormen y. De tweede hiervan is de Blavatskyaanse vorm, maar er is niets ongewoons aan.

Er dient hier te worden opgemerkt dat gevallen waarbij een schrijver dezelfde letter op twee of meer duidelijk verschillende manieren maakt en kennelijk naar willekeur gebruikt, veel voorkomen. Veel schrijvers maken de letter e in de vormen e en e2, en d in de vormen d1 en d2; en de alternatieven kunnen op dezelfde bladzijde worden aangetroffen of zelfs binnen hetzelfde woord.

__________

FIGUUR 13
BRIEF 2
Barker, blz. 8
Dia no. K36023
ONTVANGEN in Simla 19 oktober 1880
DAG 4

Deze kwam maar vier dagen later aan dan Brief 1, en ze laat al een meer elegant handschrift zien. We vinden dat:

f – verschijnt óf met alleen de lus van onderen óf met beide lussen.

g – Aan de vorm g3 wordt in het hele fragment de voorkeur gegeven.

yy1 en y2 worden nog geprefereerd, maar y3 en y4 verschijnen hier.

__________

FIGUUR 14
BRIEF 3c
Barker, blz. 11
Dia no. K36034
ONTVANGEN ongeveer 20 oktober 1880
DAG 5

f – verschijnt óf met alleen de lus van onderen óf met beide lussen.

g – De vormen g en g2 doen hun intrede.

y – Aan de vorm y wordt de voorkeur gegeven, maar we hebben ook y2 en y3.

__________

FIGUUR 15
BRIEF 4
Barker, blz. 16-17
GEDATEERD 29 oktober 1880
Dia no. K36050
DAG 14

f – verschijnt met alleen de bovenste lus.

g – neemt de vormen g vormen aan.

yy4 en y5 worden geprefereerd, maar y6 verschijnt nu voor het eerst.

Dus binnen veertien dagen zijn we dichtbij het volledig ‘ontwikkelde’ KH handschrift.

__________

FIGUUR 2, Deel 1
GEDATEERD 1 november 1880

Dit is een deel van Hodgsons K.H. (i) uit een brief aan A.O. Hume. Deze staat niet in Barker, en komt evenmin voor in de verzameling van de British Library. De illustratie is slechts een ‘facsimile’ van het origineel, maar het laat duidelijk zien dat:

f – alleen met een boog aan de bovenkant wordt aangetroffen.

g – de vormen g10 en g11 aanneemt.

y – De voorkeur wordt gegeven aan de vormen y12 en y13, maar y14 en y15 komen voor.

Dit is bijna de uiteindelijke vorm van het handschrift, gedateerd slechts veertien dagen na aankomst van Brief 1. Dit wordt ontleend aan het Hodgson Rapport zelf. We zien dus wat er klopt van HPB’s ‘jaren om te oefenen’.

Hebben Gurney, Myers & Co., en de generaties die na hen kwamen, het Hodgson Rapport nooit kritisch bekeken?

__________

FIGUUR 16
BRIEF 6
Barker, blz. 24
Dia no. K36070
ONTVANGEN omstreeks 10 december 1880
DAG 56

f – verschijnt met alleen de bovenste lus.

gg wordt geprefereerd, maar g en g worden ook aangetroffen.

y – De vormen y en y worden aangetroffen.

__________

FIGUUR 17
BRIEF 8
Barker, blz. 26
Dia no. K36078
ONTVANGEN ongeveer 20 februari 1881
DAG 107

f – verschijnt met alleen een lus vanboven of met beide lussen.

g – De vorm g wordt bijna uitsluitend gebruikt.

y – De vormen y en y worden aangetroffen.

Dit is een uitstekend voorbeeld van het handschrift van KH met t’s met lange dwarsbalken.

__________

Ik besluit deze paragraaf met een voorbeeld van latere datum.

FIGUUR 18
BRIEF 25
Barker, blz. 191-2 (2de ed.), 189 (3de ed.)
ONTVANGEN 2 februari 1883
Dia no. K36496
DAG 840

De dwarsbalken van de t’s zijn hier meer opvallend dan in Brief 8, overigens verschilt het handschrift niet daarvan behalve in enkele details.

De overgang van de instabiliteit van de vorm van het vroegste KH handschrift naar een stabiel schrift is nog een raadselachtig kenmerk van deze handschriften en de reden daarvoor is onduidelijk; maar hij is zeker niet ‘geleidelijk’. Hij was bijna voltooid binnen veertien dagen. Ik vind nergens ‘talloze en opvallende sporen van het handwerk van Mw. Blavatsky’. Evenmin is ‘duidelijk zichtbaar’ dat de ‘eigenaardigheden van Mw. Blavatsky’ werden weggewerkt tijdens een proces van geleidelijke ontwikkeling van het handschrift. Inderdaad verdwenen er een aantal vormen van g en y na de eerste paar weken dat de manuscripten werden ontvangen, maar dit betrof niet typisch Blavatskyaanse vormen.

Na Brief 7 zijn de variaties in het handschrift van KH niet meer dan men zou verwachten van dezelfde schrijver die verschillende pennen en potloden gebruikt, en verschillende stemmingen heeft of van wie de gezondheid wisselt. De meest in het oog lopende verandering in de latere brieven is de lengte van de dwarsbalken van de t, die buitensporig lang worden en een overigens elegant en leesbaar handschrift bederven.

We komen nu bij Hodgsons TWEEDE HOOFDUITSPRAAK.

Dat speciale vormen van letters die eigen zijn aan het gewone handschrift van Mw. Blavatsky, en niet aan het handschrift van K.H., soms in dat van laatst genoemde voorkomen.

Deze stelling houdt niet veel in. Hodgson verwijst vaag naar voorbeelden die hij in de documenten die hij bezit heeft gevonden, maar het is mij onmogelijk gebleken ze op te sporen, en er worden geen voorbeelden gegeven.

Er zijn veel uitwissingen en correcties in de brieven, maar die zijn het werk van een schrijver die, terwijl hij over een woord of een zin nog eens had nagedacht, niet het hele vel wilde herschrijven en niet over een tekstverwerker beschikte. U zult talrijke, wat Hodgson noemt ‘toevoegingen, veranderingen, verhullingen en uitwissingen’, vinden in mijn eigen handschrift.

Hodgson zegt op bladzijde 287 van zijn rapport:

De letter e in het gewone handschrift van Mw. Blavatsky wordt onveranderlijk gemaakt volgens het gewone type dat ons allen wordt geleerd in schrijfboeken, maar wanneer deze aan het begin staat van een woord in het K.H. handschrift, wordt deze gevormd volgens het type van de hoofdletter E in het gewone handschrift van Mw. Blavatsky. In de vroege K.H. documenten zijn er evenwel veel voorbeelden waarin de kleine e aan het begin eerst goed werd gevormd op de gewone manier, en later werd dit veranderd in het andere type door toevoeging van een tweede curve bovenaan; er zijn ook voorbeelden waarin de verandering nooit plaatsvond, en het gewone type e aan het begin is blijven staan.

Mij zijn een aantal voorbeelden van dit type verandering in de dia’s opgevallen, maar ik moet zeggen dat het gebruik van beide typen e wijdverbreid is. E is de meest voorkomende letter in de Engelse taal; en de e laat veel minder variaties toe dan de meeste andere letters van het alfabet. Er is in die speciale e’s niets dat bijzonder karakteristiek is voor HPB. Welke mogelijke rechtvaardiging had Hodgson om ze aan Mw. Blavatsky toe te schrijven met uitsluiting van alle anderen? Ze zouden door bijna iedereen kunnen zijn gemaakt, onder wie KH zelf.

Hodgson maakt veel ophef over een of twee exemplaren van de letter x die hij heeft gevonden in de documenten in zijn bezit. Ik kan die documenten niet identificeren in de dia’s, maar een losse x komt voor in het woord ‘Quixottes’ dat voorkomt in K.H. (v) van Plaat 3 van zijn rapport. Deze vorm doet denken aan de x van HPB, maar ik kan niet veel waarde hechten aan een geïsoleerd voorbeeld. KH kan gemakkelijk een valse start hebben gemaakt met de St. Elizabethletter x die hij gewoonlijk gebruikt en hebben besloten dat het zowel gemakkelijker en netter zou zijn om de x op de Blavatskyaanse manier te schrijven om de brief te voltooien.

Hodgson wijst op enkele overeenkomsten tussen de hoofdletters die worden gebruikt door KH en HPB; maar de overeenkomsten zijn niet erg nauw en de gebruikte vormen zijn heel gewoon. Ik denk niet dat ze enige betekenis hebben.

Hodgsons DERDE HOOFDUITSPRAAK is

Dat er bepaalde heel opvallende eigenaardigheden van het gewone handschrift van Mw. Blavatsky overal voorkomen in het handschrift van K.H. blz. 283

Volgens mij is deze stelling aantoonbaar onjuist; en omdat ik me er uitgebreid in Deel 1 mee heb beziggehouden, hoef ik hier niet te her halen wat ik heb geschreven. Tijdens mijn onderzoek van de 1323 kleurendia’s heb ik speciale aandacht besteed aan die dia’s die voorbeelden bevatten van HPB’s handschrift. Ik kon niet één enkel kenmerk van haar handschrift vinden dat, als het in een manuscript voorkomt, zonder enige twijfel zou bewijzen dat zij de schrijfster ervan was. Wat Hodgson de ‘linkergat haal’ noemt vindt men ook bij andere schrijvers en het is veel minder belangrijk dan Hodgson dacht.

De manuscripten van M

Dit is een goed moment om de reeks brieven van M te beschrijven waaraan Hodgson geen aandacht besteedt. Er zijn er zesentwintig in de verzameling van de British Library – minder dan het aantal brieven van KH, maar genoeg om belangrijk te zijn. De brieven van M verschillen zowel in handschrift als in literaire stijl opvallend van de brieven van KH en HPB. KH heeft een individueel handschrift dat, afgezien van enkele van de eerste brieven, elegant, leesbaar en gemakkelijk te herkennen is. Zijn stijl is aristocratisch, hoffelijk, nogal formeel en gereserveerd, breedvoerig en soms ronduit langdradig; maar af en toe geeft hij blijk van een gevoel voor humor. Het handschrift van M is heel anders. Hij geeft gewoonlijk de voorkeur aan rode inkt. Hij houdt niet van schrijven, en zegt dat ook. Hij is direct en kortaf, zegt wat hij te zeggen heeft, en ondertekent. M staat meer met beide benen op de grond dan KH, en wanneer hij schrijft ontbreekt het hem nooit aan humor. De handschriften van zowel KH als M staan veraf van de explosieve uitbarstingen van HPB die doen denken aan een waarschuwing van de Meteorologische Dienst voor de nadering van orkaan Helena.

Omdat maar weinig mensen de brieven van M kunnen hebben gezien, geef ik een typisch voorbeeld ervan in Figuur 19. Dit zal voldoende zijn omdat het handschrift van M bij lange na niet zoveel varieert als dat van KH in zijn eerste brieven.

FIGUUR 19
BRIEF 29
Barker, blz. 227-8 (2de ed.), 225 (3de ed.)
Niet gedateerd
Dia no. K36592

Dit is de laatste bladzijde van een lange brief.

HOOFDKENMERKEN VAN M’s HANDSCHRIFT

Algemeen

Het meest opvallende kenmerk van het handschrift van M is de ‘regelmatige onregelmatigheid’ van de kleine letters. Sommige, zoals de r, zijn consequent groter dan gemiddeld, terwijl andere, bijvoorbeeld de e, kleiner zijn dan gemiddeld. Het is daarom moeilijk om de gemiddelde hoogte (H) van de romp van de kleine letters te schatten. Ze passen niet netjes tussen twee evenwijdige lijnen zoals de lettertekens van KH. Deze eigenschap geeft het schrift een sterk individueel karakter.

De helling van het handschrift is consequent en ongeveer 40° naar voren vanuit de loodlijn, duidelijk groter dan in de manuscripten van KH.

Ondanks de variabiliteit van de kleine letters, houden ze zich gewoonlijk aan de grondlijn.

Het schrift wordt zorgvuldig gemaakt en is vloeiend, maar niet alle letters binnen een woord zijn verbonden.

De hoogte van de hoofdletters is ongeveer 2½ H.

De afstand tussen de regels is kleiner dan in het schrift van KH – ongeveer 3H.

De druk van de pen is van woord tot woord gelijkmatig.

Enkele karakteristieke letters. Sommige bijzonder interessante lettervormen zijn:

lettervormen

Bovendien zijn de g en y vaak verhoudingsgewijs klein.

Het handschrift van H.P. Blavatsky

Ik ga nu fragmenten uit twee brieven van HPB bestuderen die worden bewaard in de verzameling van de British Library. De bijzonderheden ervan zijn:

FIGUUR 20
BRIEF 134
Barker, blz. 463-4 (2de ed.), 456-7 (3de ed.)
GEDATEERD: Dehra Dun vrijdag de 4de
Dia no. K37262

FIGUUR 21
BRIEF 136
Barker, blz. 466 (2de ed.), 458-9 (3de ed.)
GEDATEERD: 17 maart
Dia no. K37268

HOOFDKENMERKEN VAN HPB’S HANDSCHRIFT

Algemeen

Dit handschrift vertoont een sterke gedrevenheid. Het is snel, maar grotendeels leesbaar hoewel men meer afhankelijk is van de context dan bij de handschriften van KH en M. Er zijn grote variaties in de druk die op de pen is uitgeoefend, en een sterke neerwaartse druk is vooral merkbaar bij de letters d en p. Dit kan zelfs op de dia’s worden gezien. Het effect van de druk is geheel verloren gegaan in de facsimile’s van Hodgsons Plaat 2, die daarmee een misleidende indruk geeft van het schrift als geheel.

De helling van het schrift is 45° naar rechts vanaf de loodlijn, en bereikt soms 50°.

De romp van de kleine letters is klein (soms bijna tot verdwijnens toe) vergeleken met de ruimte ertussen.

Vergeleken met de hoogte van de romp van de kleine letters, zijn de halen omhoog en omlaag lang. Halen omlaag kunnen 6H bereiken en halen omhoog 4H.

De hoogte van de hoofdletters wordt geschat op ongeveer 3H en de afstand tussen de regels op 3H.

Enkele karakteristieke letters. Opmerkelijk zijn:

lettervormen

Zie ook de vergelijkingstabel van de lettervormen afgebeeld op blz. 63.

Vergelijking van de handschriften van KH, M en HPB. Ik zie geen bewijs voor een gemeenschappelijk auteurschap van de handschriften van KH, M en HPB. Vergelijking van hun algemene kenmerken, die Hodgson negeert, alsmede van de gedetailleerde constructie van de individuele letters, laat zien dat het hier drie verschillende handschriften betreft. Ik schrijf ze toe aan verschillende auteurs.

Het handschrift van A.P. Sinnett

Bij zijn inspanningen om HPB verdacht te maken, schijnt het nooit bij Hodgson te zijn opgekomen dat men naar het handschrift van andere mogelijke vervalsers zou moeten kijken alvorens conclusies te trekken. Eén mogelijke verdachte is A.P. Sinnett zelf. Zijn twee boeken, The Occult World en Esoteric Buddhism, bleken bestsellers te zijn, en men zou kunnen suggereren dat hij de Mahatma Brieven heeft vervalst om aan zijn werk een pseudo-autoriteit toe te kennen. Dit is in ieder geval een geloofwaardiger motief dan de suggestie van Hodgson dat HPB de brieven heeft vervalst om aan te zetten tot rebellie in Brits India.

Sinnetts handschrift wordt getoond in Figuur 22, en de bijzonder heden zijn:

FIGUUR 22
BRIEF 20b
Barker, blz. 125 (2de ed.), 121-2 (3de ed.)
GEDATEERD: Simla 25 juli
ONTVANGEN augustus 1882
Dia no. K36266

Als we het handschrift van Sinnett in Figuur 22 vergelijken met dat van KH in Figuur 17 zien we dat er tal van overeenkomsten zijn. Het schrift van Sinnett is hoekiger dan dat van KH en het is meer uitgerekt in horizontale richting. Maar de stijl ervan staat veel dichter bij die van KH dan de stijl van HPB.

HOOFDKENMERKEN VAN HET HANDSCHRIFT VAN A.P. SINNETT

Algemeen

De helling is ongeveer 30° naar voren ten opzichte van de loodlijn.

De hoogte van de romp van de kleine letters (H) is tamelijk gelijk matig.

De opgaande halen komen tot ongeveer 1¾ H boven de grondlijn en de halen omlaag gaan tot ongeveer 2H onder de grondlijn. Ze zijn minder opvallend dan in het handschrift van KH.

De hoogte van de hoofdletters is ongeveer 2H.

De ruimte tussen de regels is ongeveer 3H en de ruimte tussen de woorden is eveneens ongeveer 3H.

Deze ruwe metingen en het algemene ‘gevoel’ van het handschrift zijn genoeg om te laten zien dat het voor Sinnett veel gemakkelijker zou zijn ge weest om zijn handschrift aan te passen aan de stijl van KH dan voor HPB.

Vergelijking van individuele letters met die van KH. Vergelijk de volgende:

Letter KH’s handschrift (Fig. 14) APS’ handschrift (Fig. 22)
c (regel 5) received (regel 3) once
  (regel 7) currents (regel 9) covers
d (regel 8) production (regel 1) dear
g (regel 3) receiving (regel 2) began
th (regel 14) there (regel 4) this
n (regel 3) not (regel 3) once
      (regel 7) tangle
p (regel 4) reply (regel 4) appear
  (regel 8)
production    
x Zie fig. 15, regel 18, expressing (regel 5) next

Als we die overeenkomsten zouden accepteren, en alle verschillen zouden verwerpen en aan de letter p het belang hechten van Hodgsons ‘linker-gat haal’, dan zou ik er een zaak van kunnen maken om aan Sinnett het auteurschap van de Mahatma Brieven toe te schrijven. Dit illustreert het belang van het bekijken van het handschrift van zoveel mogelijk verdachten voordat men een oordeel uitspreekt. Hodgson heeft nooit andere verdachten dan HPB beschouwd.

Maar, laat Sinnett rusten in vrede. Zijn handschrift is niet hetzelfde als dat van KH, ondanks de overeenkomsten.

Vergelijkingstabel van de lettervormen aangetroffen in de handschriften van KH, M, HPB en APS

Vergelijkingstabel handschriften

Men moet altijd bedenken dat zowel het schrift als geheel, als de manier waarop de individuele letters zijn gevormd, belangrijk is bij het beoordelen van een handschrift.

Fouten in de spelling, woordafbreking en structuur

Op pagina’s 306 en 307 van zijn rapport probeert Hodgson zijn zaak sterker te maken door fouten in de spelling, de grammatica, de stijl en de woordafbreking aan te halen die hij in de bladzijden van zowel KH als HPB aantrof. Ik vind deze paragraaf helemaal niet overtuigend. Die fouten tonen hooguit aan dat de twee schrijvers niet geheel bekend waren met de Engelse taal. We wisten dat al. Omdat de fouten algemeen zijn en veel voorkomen, tonen ze niet aan dat KH en HPB dezelfde persoon zijn.

Er kunnen maar weinig aspecten van het schrijverschap zijn die auteurs minder begrijpen dan het afbreken van woorden aan het einde van de regel. U zult uitgebreide regels voor de afbreking van woorden vinden in het voorwoord van Webster’s New International Dictionary van 1928, maar ik kan nooit onthouden hoe ze luiden. Hierover maak ik me geen zorgen, omdat als mijn werk voor publicatie is bedoeld, de woordafbreking zo nodig wordt gedaan door de zetter of door een computer, ongeacht wat ik schrijf. Om de afbrekingsfouten die op blz. 306 van het Hodgson Rapport worden getoond op te voeren als bewijs dat KH en HPB een en dezelfde zijn is belachelijk.

HPB begon pas tamelijk laat in haar leven Engels te schrijven, en ze deed dat omdat ze dacht dat haar werk in die taal in bredere kring zou worden gelezen. Ze had daarbij eerst hulp nodig. Het is niet verbazingwekkend dat haar vroege werk in het Engels invloed van het Frans vertoont.

Ik ken de taalachtergrond van KH niet, maar ook deze vertoont een Franse invloed. Omdat Frans een wereldtaal was, en nog is, bewijst dit niet veel.

Hodgson mist geen enkele gelegenheid om HPB’s Engels te bespotten. Men zou uit zijn opmerkingen afleiden dat zowel KH als HPB een soort pidginengels schreven. Dit is niet het geval. De stijl van KH, hoewel wat formeel, is in het algemeen goed, en zijn incidentele foutjes zijn niet meer dan de meesten van ons af en toe maken bij het eerste concept van een document. Hijzelf maakte veel correcties in zijn brieven wat betreft stijl en woordkeuze.

Nadat ik de originele, niet geredigeerde brieven van KH in onverkorte vorm heb gelezen, vind ik dat dit gedeelte van het Hodgson Rapport heel deplorabel is. Het illustreert een bewijsvoering door insinuatie.

Noten

  1. ‘Ik beschuldig nog veel meer.’
  2. Handelingen 18:17.
  3. De eerste brief van KH die we kennen werd rond 1870 door een ‘geheimzinnige vreemdeling’ bezorgd volgens het getuigenis van Mw. Fadjejev. Dit getuigenis wordt door Hodgson afgewezen op grond van het feit dat ‘we moeten bedenken dat ze een Russische dame is, en de tante van Mw. Blavatsky, en dat Mw. Blavatsky misschien politieke motieven liet meespelen bij het stichten van de Theosophical Society.’ Ik denk dat het mogelijk is dat zelfs Russische dames af en toe de waarheid kunnen spreken. Het citaat komt uit blz. 292 van het Hodgson Rapport en de hele voetnoot verdient bestudering als voorbeeld van de manier van redeneren van Hodgson.
  4. Michael Gomes, ‘The Coulomb Case 1884-1984’, The Theosophist, december 1984, januari 1985, februari 1985, blz. 95-102, 138-47, 178-86.
  5. Michael Gomes, Theosophy in the Nineteenth Century: An Annotated Bibliography, Garland Reference Library of Social Sciences, Deel 532 (Religious Information Systems, Deel 15), Garland Publishing, New York & Londen, 1994.
  6. Beatrice Hastings, Defence of Madame Blavatsky, Deel 1 & 2, The Hastings Press, Worthing, Engeland, 1937.
  7. Emma Coulomb, Some Account of My Intercourse with Madame Blavatsky from 1872-1884, Higginbotham & Co., Madras, 1884.
  8. Reply by H.R. Morgan to a Report of an Examination of the Blavatsky Correspondence by J.D.B. Gribble, Ootacamund, 1884.
  9. Zie Deel 1, blz. 10.
  10. Zie Deel 1, blz. 29-30.
  11. Sylvia Cranston, HPB: Het bijzondere leven en de invloed van Helena Blavatsky, Theosophical University Press, Den Haag, 2008, blz. 264.
  12. Michael Gomes, ‘Witness for the Prosecution: Annie Besant’s Testimony on behalf of H.P. Blavatsky in the New York Sun/Coues Law Case’, Occasional Paper, Theosophical History, Fullerton, CA, 1993.
  13. De tekst van de herroeping is weergegeven in Cranston, HPB, blz. 368.
  14. Cranston, HPB, blz. 265.
  15. Informatie van Anita Atkins. Zie Deel 1, blz. 7-8.
  16. Informatie van Walter A. Carrithers. Zie Deel 1, blz. 8.
  17. A. Trevor Barker, ed., The Mahatma Letters to A.P. Sinnett, facsimile 2nd Edition (1926), Theosophical University Press, Pasadena, 1994; Third and Revised Edition, The Theosophical Publishing House, Adyar, Madras, 1962. Vertaling: De mahatma brieven aan A.P. Sinnett, Theosophical University Press, Den Haag, 1979.
  18. Michael Gomes, ‘The Coulomb Case 1884-1984’, The Theosophist, december 1984, januari 1985, februari 1985, blz. 95-102, 138-47, 178-86.
  19. Noot vert.: De verwijzingen hierna naar Barker betreffen de Engelse uitgaven van The Mahatma Letters to A.P. Sinnett.

H.P. Blavatsky en de SPR, blz. 39-63
isbn 9789070328467, gebonden, eerste druk 1998, bestel boek

© 2022 Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag