Als een rode draad door het leven
van Kenneth Morris loopt het universele symbool van de draak. De draak
is een ‘symbool van geestelijke wijsheid, geestelijke moed, van
beheersing over de krachten van de lagere wereld’, in de literatuur
zoals in het leven; en het idee van het pad van de draak stelt de weg
voor die de menselijke ziel moet gaan in haar evolutie tot volledig
geestelijk zelfbewustzijn. In een brief schreef hij eens: ‘Ik
denk dat het onmogelijk is een westers kunstenaar te doen beseffen dat
draken de mooiste en meest gracieuze van Gods schepselen zijn: ze overtreffen
de zwaan in sierlijkheid, de gazelle in schoonheid.’ De draak
speelt een rol in zowel zijn bardo-druïdische, Chinese als Mexicaanse
werk. Hij is tevens het uiterlijke symbool van de culturen waarvoor
hij zoveel liefde voelde: de Keltische met haar drie draken; de cultuur
van China, een land waar miljoenen gracieuze afbeeldingen van dit dier
zijn gemaakt door schilders, beeldhouwers, tegelwerkers, porseleinwerkers,
tapijtwevers, die er kennelijk een onuitputtelijke bron van inspiratie
in zagen, evenals dichters, schrijvers en vertellers; en de Mexicaanse,
waar de Gevederde Slang op cyclisch bepaalde momenten uit de hemel naar
beneden daalt om de mensheid te leiden en te onderrichten. Zelf maakte
Morris van platte stenen een ‘drakenpad’ op het terrein
van Point Loma. In vier van zijn boeken – die maar een klein deel
van zijn werk omvatten – komt de draak in de titel voor.
Kenneth Vennor Morris, of Cenydd Morus om de
Welshe vorm van zijn naam te gebruiken, werd op 31 juli 1879 geboren
in het zuidwesten van Wales, in een huis genaamd Wernelou op een heuvel
één kilometer boven Pontamman, Carmarthenshire. In 1887
ging hij naar Londen, waar hij een degelijke Engelse klassieke opleiding
genoot. Hij behaalde in 1895 op zestienjarige leeftijd de graad van
Senior Deputy Grecian. In 1896, toen hij achttien was, bracht hij een
bezoek van waarschijnlijk maar een paar weken aan Dublin. Deze periode
was van cruciale invloed op het verdere verloop van zijn leven. Hij
sloot zich aan bij een groep van de meest vooraanstaande denkers van
die dagen, waaronder Standish O’Grady, Æ (George W. Russell),
William Butler Yeats, Charles Weekes en anderen, waar studie werd gemaakt
van de Gaelische mythen, de Keltische traditionele kennis en de filosofie
van de oosterse literatuur. In Dublin kwam hij in aanraking met theosofie
en de Theosophical Society. Ook ontmoette hij daar Ella Young, een Ierse
dichteres en vertelster, met wie hij later – dat was zo’n
30 jaar daarna, in 1927, toen zij met elkaar begonnen te corresponderen
– ook zijn interesse in Chinese literatuur deelde. Zij werd in
de jaren dertig lector Keltische Literatuur aan de Universiteit van
Californië.
Kort na zijn bezoek aan Ierland begon hij gedichten
te schrijven. ‘Het was Æ die de poëzie in mij wakker
riep . . . hij zette mij ertoe aan die te gaan schrijven.’ Zijn
eerste gedicht was Ceridwin in Ystrad Tywi, en kort daarna schreef hij
een essay, Holy Ground [Heilige grond], over de schoonheid van de bergen,
dat werd gepubliceerd in The International Theosophist van
15 december 1898. Vanaf 1899 begon hij zijn beroemde korte verhalen
te schrijven. Zijn werken werden gepubliceerd in de tijdschriften The
Crusader, Universal Brotherhood Path, The International
Theosophist (Dublin), The International Theosophical Chronicle
(Londen), The Century Path (Point Loma) en andere theosofische
uitgaven.
Hoezeer hij zich met de Kelten verbonden voelde
blijkt wel uit een aantal optekeningen van vrienden: Charles Ryan herinnerde
zich dat ‘temidden van de grote stilten van de schaduwrijke open
plekken in het bos, temidden van de oude eiken en beuken, Kenneth in
het woud zo sterk de aanwezigheid van de mystieke geest van Wordsworth
voelde dat hij van vreugde opsprong en riep: ‘Hier is een stukje
Keltisch land in Engeland!’’ En Walter J. Renshaw, voorzitter
van de loge van Manchester, zei eens: ‘Soms deden we onze kousen
en schoenen uit en terwijl we met onze voeten in een beekje spartelden
. . . vertelde hij me Keltische verhalen, waarvan hij sommige later
bewerkte voor The Fates of the Princes of Dyfed . . . en hij
las voor uit de Mabinogion [in de vertaling] van Lady Guest.’
In 1907 ontmoette hij Katherine Tingley die
toen op tournee was in Europa, en begin 1908 vestigde hij zich in Point
Loma, waar hij tot 1929 zou blijven. Hij werd onmiddellijk verliefd
op Lomaland en vond het ‘een magische plek’. Maar zijn verbintenis
met Wales en de bardo-druïdische traditie werd er niet minder om.
Hij gaf een cyclus van elf lezingen over Keltische literatuur, die ook
in The Century Path (maart – november 1908) verscheen,
en hij schreef tal van gedichten en prozastukken die met Wales, de Welshe
literatuur en de Welshe legenden te maken hadden. In 1910 en 1911 werkte
hij aan zijn eerste boek, The Fates of the Princes of Dyfed
dat in 1914 werd gepubliceerd. ‘Ik was in een erg Welshe stemming
in 1910-11’, schreef hij later aan Ella Young.
Hij baseerde zich voor zijn Fates,
een hervertelling van de Mabinogion, op Lady Guest’s
vertaling, maar liet zich vooral inspireren door Llywarch Hen, Taliesin,
en ‘de geschriften van Lolo Morganwg die altijd vereerd moet worden
en de barden van de School van Glamorgan’. Hij doelde vooral op
Lolo’s Barddas ‘. . . die belangrijk is omdat het de filosofie
van het druïdisme bevat’. De Fates bevat vele wat
men zou kunnen noemen ‘druïdisch-theosofische hymnen’.
Hij toont uitbundig zijn bewondering voor de leiders van de Theosophical
Society en de theosofie in het voorwoord van de Fates: ‘We
hebben het aan Madame Blavatsky [en haar opvolgers in het leiderschap,
WQJ en KT] te danken dat er een compendium toegankelijk is, een verklaring,
een samenhang en een nauwkeurig omschreven uiteenzetting over die innerlijke
wetten: de kennis, het doel en de discipline waarin alle religies waren
geworteld, en die het hart vormen van alle ware religie; die deze verkondigen
tot het einde van alle bestaan: dat wat nu menselijk is meer dan menselijk
dient te worden, namelijk goddelijk. We kunnen dit druïdisme noemen,
we kunnen het theosofie noemen; het is ook christelijk en boeddhistisch
. . . het is een klaroenstoot naar het Goddelijke in ieder van ons,
het grote Hai-Atton van de Onsterfelijken; het is de Drakenschreeuw
van de eeuwen: ‘Y Ddraig Goch a Ddyry – Gychwyn!’
De Vlammenspuwende Draak is verrezen – de Draak die vanouds het
symbool is van geestelijke wijsheid, geestelijke moed, van beheersing
over de krachten van de lagere wereld – Ga verder!’
Toen Æ de Fates ontving schreef hij:
‘Dank je voor je prachtige boek. Het is mooi, zoiets moois ben
ik zelden tegengekomen. . . . Ik kan zien dat je je visioen hebt gehad
en het boek is van jou en van de Grote Inspirator . . . Jij bent een
van de weinigen in de moderne wereld die het oude voorstellingsvermogen
van een bard heeft. Moge je het lang behouden!’ en: ‘. .
. naarmate ik verder lees, wordt mijn bewondering voor de schoonheid
en waardigheid van je ideeën bevestigd. Je zult er zeker erkenning
voor krijgen. Misschien niet nu. De wereld heeft veel tijd nodig om
geestelijke schoonheid te herkennen, maar dat het zal gebeuren is zeker.
Ik neem aan dat je je daar niet zo’n zorgen over maakt, want de
vreugde van het werk is de werkelijke beloning.’
Ella Young las het boek pas in 1927, dus ongeveer
13 jaar later, en ze was zeer enthousiast. Haar opmerkingen zijn te
vinden in The Theosophical Path (april 1928): ‘We hebben
in Ierland goede verhalenboeken geschreven, maar Wales behaalt met dit
boek de overwinning. De bard van Wales heeft zijn eigen plaats veroverd.
En dat is omdat hij de geestelijke kwaliteit beter dan wie ook van ons
opnieuw heeft weergegeven! Hoe vol magie is iedere beschrijving: magie
die tot de verbeelding spreekt en een licht werpt op dit tegenwoordige
moment, magie die Wijsheid en schoonheid is en van adeldom getuigt.
Het is een grote schreeuw – de Drakenschreeuw van Wales! Ik kan
geen woorden vinden om uit te drukken hoezeer ik ermee ingenomen ben.
Ik beschouw het als een verfijnde literaire prestatie – een van
de meest opmerkelijke Keltische verhalenboeken, in het bijzonder in
de intense en verfijnde natuurmagie, de humor en de rijke taal waarin
de beschrijvingen zijn verwoord. Wanneer ik het lees, bevind ik me in
het veelkleurige land waarvan elke uiterlijke schoonheid slechts een
bekleedsel is. Gezegend zij deze Bard van Wales en moge geluk zijn deel
zijn in de vormgeving van elk werk dat hij in zijn handen neemt.’
Inmiddels had Morris een vervolg geschreven op de Fates. Hij
schreef Ella: ‘Er ligt ook gereed . . . een vervolg dat vertelt
over de omzwervingen en terugkeer naar Dyfed van Manawyddan, die ik
zie als Pwyll nadat hij in de Magische Ketel is geweest . . . het Boek
van de drie draken. De verhalen daarin zijn grotendeels mijn eigen
verzinsels. Maar als je je inleeft in die wereld van Keltische roem,
dan zie je zelf wel wat er gebeurt.’ Dit boek werd – helaas
in verkorte vorm – gepubliceerd in 1930, en nogmaals in 1978 door
Arno Press.
Maar ook tussen deze boeken door had Kenneth
niet stilgezeten. Zo schreef hij, voornamelijk tijdens zijn eerste tien
jaar in Point Loma, 28 verhalen, waarvan hij tien selecteerde voor The
Secret Mountain and Other Tales [De geheime berg en andere vertellingen]
dat in 1926 werd gepubliceerd. Een aantal van deze verhalen is, naast
andere, in het Nederlands vertaald opgenomen in De herberg van de
witte vogel en andere vertellingen. Na een lang durende mentale
crisis en slechte gezondheid schreef hij vanaf 1929 nog een aantal verhalen.
De verhalen van The Secret Mountain werden samen met zes uit
zijn vroegste periode (rond 1900) in 1995 uitgegeven door Tor Books.
In de periode van 1915-19 gaf hij drie omvangrijke
lezingencycli, die in The Theosophical Path werden gepubliceerd,
en waarvan de eerste (TTP, 1915/1916) veel later, in 1975, in boekvorm
verscheen als Golden Threads in the Tapestry of History. De
andere lezingencycli waren The Three Bases of Poetry: A Study of
English Verse (TTP, januari – december 1917) en The Crest
Wave of Evolution (TTP, maart 1919 – juli 1921).
Een van de kenmerken van Morris’ geschiedschrijving
is dat hij zich voortdurend bewust is van de spirituele achtergrond
van de geschiedenis van de mensheid, en verbanden aanbrengt tussen culturen
die zich op verschillende plaatsen op aarde ontwikkelen in relatie tot
de wet van de cyclussen. In de Tapestry besteedt hij vooral aandacht
aan de geschiedenis van China en Japan, en van de islamitische wereld
in het Nabije Oosten. In de Crest Wave, bestaande uit ca. 27
hoofdstukken, schrijft hij onder meer over Homerus, Grieken en Perzen,
Socrates, Plato, de Indiase Maurya’s, Confucius, taoïsme,
China en Rome, en over de Keltische wereld van Ierland.
Kenneth Morris maakte ook een aantal handgeschreven
en van mooie tekeningen en symbolen voorziene gedichten. En tevens een
aantal handgebonden gedichtenbundels voor vrienden, waarvan er nu nog
enkele in het archief van de Theosofische bibliotheek in Pasadena en
elders te vinden zijn. Verder hielp hij Katherine Tingley met het samenstellen
van haar The Wine of Life (1925).
In 1925, op eerste kerstdag, vroeg Katherine
Tingley aan Kenneth Morris iets te schrijven over een precolumbiaans
onderwerp. Dit mondde uit in een schitterend en zeer mystiek verhaal
over de periode vóór de komst van Quetzalcoatl, de Gevederde
Slang, en het tot stand komen van contact tussen de nog heel zuivere
en onbedorven mensen uit het zuiden die nog met de goden leven, en de
meer machtigen uit het noorden. The Chalchiuhite Dragon –
letterlijk de Jaden Draak – schetst de tropische sfeer van de
bosrijke delen van zuidelijk Mexico zo prachtig dat ik het gevoel heb
er zelf geweest te zijn en de sfeer van die plek haast te kunnen voelen
en ruiken. Evenals in zijn andere werken is Morris er ook hier weer
in geslaagd een unieke sfeertekening en een uiterst boeiend verhaal
te verenigen met de meest verheffende en verfijnde ethiek – iets
wat in onze tijd uiterst zeldzaam is. Het schrijven van het boek werd
pas in 1935 afgerond, en moest tot 1992 wachten op publicatie.
Hij had grote belangstelling voor en kennis
van de geschiedenis en literatuur van China – bij uitstek het
land van draken. Drie van zijn Chinese verhalen zijn samen met een lang
taoïstisch gedicht opgenomen in het in 1980 uitgegeven Through
Dragon Eyes. Sinds hij in 1927 met Ella Young correspondeerde,
zond hij haar een groot aantal van zijn vertalingen uit het Chinees,
en hij leende haar zijn ‘meest waardevolle schat’, een boekje
dat hij had samengesteld uit zijn prozavertalingen. Om zijn ‘recensies’
samen te stellen, de gedichten waarin hij probeerde in het Engels de
verfijnde muziek van de Chinese dichtvorm te doen herleven, verliet
hij zich op zijn prozavertalingen. Voor Morris waren betekenis en klank
hecht met elkaar verweven. Hij hield van de strikte dichtvormen van
de Welshe en Chinese poëzie, waarbij speciale vaardigheid is vereist
om de klank en de betekenis te verweven. Ella Young citeerde verschillende
van Morris’ vertalingen in hun geheel in haar eigen boeken. Pogingen
om Morris’ vertalingen te publiceren hebben tot nu toe helaas
niet tot resultaat geleid; ‘toch zijn deze vertalingen nog steeds
heel waardevol om te worden uitgegeven, en op dit moment begint een
kritische redactie langzaam vorm te krijgen, zodat ze uiteindelijk wellicht
kunnen worden gepubliceerd’, zegt Douglas A. Anderson in 1994
in zijn inleiding op The Dragon Path. Waar Kenneth Morris zijn
kennis van de Chinese taal vandaan had – gewoonlijk een studie
van vele jaren – heb ik in geen enkele biografie kunnen vinden.
Na de dood van Katherine Tingley, en in verband
met de economische malaise van 1929, keerde Kenneth Morris naar Wales
terug: ‘Wales. Nee, het is voor iemand anders dan ik niet mogelijk
om te weten wat dat kleine woord betekent! En ik ga daar naar toe!’
Hij was daar tot zijn dood op 21 april 1937 zeer actief in het theosofische
werk. Hij woonde in Cardiff en raakte bevriend met de jonge dichter
Cyril Hodges (pseud.: C. Hughes; 1915-1974). Diens eerste boek, China
Speaks was een verzameling van 21 gedichten gebaseerd op Morris’
prozavertalingen uit het Chinees.
Morris zelf schreef artikelen voor de Welsh
Outlook en het dagblad Western Mail. Toen Morris in 1930
de verantwoordelijkheid voor de Welshe afdeling van de TS op zich nam,
had deze slechts enkele leden. Voor zijn dood richtte hij zeven loges
op in zeven steden, en hij gaf een tijdschrift uit, Y Fforwm Theosophaidd,
waarvan hij ook de redactie voerde en waarvoor hij zelf de meeste artikelen
schreef. In eerste instantie werd zijn gezondheid beter, maar het harde
werk en de vele lezingen die hij gaf eisten hun tol. Tenslotte verliet
hij ons voor dit leven na een medische ingreep. Hopelijk gaat zijn wens
in vervulling waarvan hij zei dat ‘hij er de voorkeur aan gaf
dat, als hij ooit ontdekt zou worden, dat ongeveer honderd jaar na zijn
dood zou gebeuren’.
Overzicht van gepubliceerde boeken:
The Fates of the Princes of
Dyfed, 1914, 1978
The Secret Mountain and Other Tales, 1926
Book of the Three Dragons, 1930 (2 delen), 1978, 2004 (verkrijgbaar
bij TUPA)
Golden Threads in the Tapestry of History, 1975
Through Dragon Eyes, 1980
The Chalchiuhite Dragon, 1992, 1993 (verkrijgbaar bij TUPA)
The Dragon Path, 1995 (uitverkocht)
en in het Nederlands:
De Geheime Berg en andere vertellingen
De Herberg van de Witte Vogel en andere vertellingen (door
Kenneth Morris, H.P. Blavatsky en Brian Kinnavan [= W.Q. Judge]) [verkrijgbaar
bij TUPA]
De ridders van Keizer Arthur
Het Lot van de Vorsten
van Dyfed [in 2004 verschenen bij TUPA]
Theosofie,
het Theosofisch Genootschap, theosofen