
H.P. Blavatsky en H.S. Olcott vertrokken eind 1878
uit New York naar India. In februari 1879 arriveerden ze in Bombay,
waar ze tijdelijk hun hoofdkwartier vestigden. Enkele maanden later
kwam een jonge hindoe hen helpen met hun theosofische werk: Damodar
K. Mavalankar.
Damodar werd in september 1861 geboren in een rijke
familie van brahmanen in Ahmedabad. Zijn vader leerde hem de beginselen
van zijn religie en hij ontving ook een uitstekende opleiding in het
Engels. Tussen zijn tiende en veertiende jaar gaf hij zich over aan
de orthodoxe praktijken van zijn geloof. Later werden zijn religieuze
handelingen verdrongen door zijn academische studies, maar zijn religieuze
ideeën en aspiraties bleven ongewijzigd tot midden 1879. Toen kwam
hij in contact met de theosofie door het lezen van Isis Ontsluierd.
In juli 1879 vroeg hij het lidmaatschap van de TS aan en hij werd op
3 augustus aangenomen, een maand vóór zijn achttiende
verjaardag.1
Als kind had Damodar een zeer ernstige ziekte en
de artsen twijfelden of hij zou overleven. Maar terwijl hij aan de rand
van de dood stond, zag hij in een visioen een goddelijke figuur die
hem een bijzonder medicijn gaf, waarna hij begon te herstellen. Enkele
jaren later zag hij, terwijl hij aan het mediteren was, dezelfde persoon
en bij een andere gelegenheid redde de man hem nog eens uit de klauwen
van de dood.2 Nadat hij lid was geworden
van de TS, ontmoette hij verschillende leden van de Himalaja-broederschap
in zowel hun astrale als fysieke lichamen, en ontdekte dat de wijze
die hij al drie keer had gezien mahatma Kuthumi was, die zijn goeroe
werd.
In september 1879 begon Damodar op het hoofdkwartier
van de TS te werken, en in januari 1880 ging hij daar blijvend wonen,
nadat hij het belangrijke besluit had genomen zijn kaste op te geven.
Hij toonde zich al snel een actieve en toegewijde medewerker. Kolonel
Olcott schreef:
Hoewel hij zwak was als een meisje, zat
hij soms de hele nacht aan zijn tafel te schrijven tenzij ik hem daarbij
betrapte en hem dwong naar bed te gaan. Geen kind was ooit aan een
ouder meer gehoorzaam, geen stiefzoon ooit meer onzelfzuchtig in zijn
liefde voor een stiefmoeder, dan hij tegenover HPB . . .3
Damodar werd tot ‘joint recording secretary’
van de TS benoemd en hielp Blavatsky met de groeiende hoeveelheid correspondentie.
Hij werd ook ‘business manager’ van de uitgeverij. Het eerste
nummer van The Theosophist verscheen in oktober 1879, en Damodar
begon algauw regelmatig artikelen aan te leveren over een breed scala
van onderwerpen. Hij schreef ook vele brieven en artikelen voor andere
tijdschriften en kranten.
In een artikel in The Theosophist van
mei 1880 schreef Damodar:
Het is niet overdreven te zeggen dat ik
me pas deze paar maanden een echt levend mens heb gevoeld, want tussen
het leven zoals het mij nu toeschijnt en het leven zoals ik het vroeger
opvatte ligt een onpeilbare afgrond. . . . Ik streefde alleen naar
meer [landerijen], sociale positie en het bevredigen van grillen en
begeerten. . . . Het bestuderen van de theosofie heeft voor mij een
nieuw licht geworpen op mijn land, mijn religie, mijn plicht. . .
. [Het] heeft me geleerd dat ik om gemoedsrust en zelfrespect te verkrijgen,
eerlijk, open en vreedzam moet zijn en alle mensen als mijn broeders
moet beschouwen, ongeacht hun kaste, kleur, ras of geloof.4
Tijdens een bezoek aan Sri Lanka in 1880 heeft
Damodar, samen met Blavatsky en Olcott, pansil afgelegd, waarbij hij
formeel boeddhist werd. Dat ging zijn familie te ver. Zijn vader verzocht
hem dringend terug te keren en met zijn jonge vrouw te leven, met wie
hij zich had verloofd toen hij nog heel jong was, en dreigde hem uit
zijn testament te verwijderen. Maar Damodar hield vol. Hij gaf een inkomen
van 50.000 rupees op, trof voorzieningen voor de toekomst van zijn vrouw
en bleef zich wijden aan het theosofische werk. In antwoord op de klacht
van sommige hindoe-theosofen dat de mahatma’s nooit met hen communiceerden,
verklaarde meester M:
tenzij iemand bereid is een echte theosoof
te worden, d.w.z. te doen zoals D. Mavalankar deed – de kaste
en zijn oude bijgeloven volledig op te geven en zich een waar hervormer
te tonen (vooral in het geval van het kinderhuwelijk) – zal
hij eenvoudig een lid van de Society blijven, zonder enige hoop ooit
van ons te horen.5
De vader van Damodar alsmede een oom en een oudere
broer verlieten de TS in het voorjaar van 1881 en werden openlijk vijandig.
Door zijn familieproblemen, het in het openbaar verdraaien van de feiten
en de daaruit voortvloeiende laster gericht tegen de stichters van de
Theosophical Society raakte Damodar gedeprimeerd. Op 25 augustus 1881
materialiseerde zich vóór zijn ogen de volgende brief
van KH:
Wees niet zo ontmoedigd! . . . Jouw verbeelding
is jouw grootste vijand want ze schept spoken die je niet kunt wegjagen
zelfs tegen beter weten in. Je moet jezelf geen verwijten maken en
de overvloedige beledigingen aan het adres van . . . [woorden weggelaten
door Damodar] niet aan je denkbeeldige misdaden toeschrijven. Beledigingen!
Ik zeg je, kind, het sissen van een slang heeft een groter effect
op het oude, eeuwige, besneeuwde Himavat dan de beschimpingen van
kwaadsprekers, het gelach van de sceptici of enigerlei lasterpraatjes
over mij. Houd je aan je plichten, wees standvastig en trouw aan je
verplichtingen, en geen sterveling zal je kwaad doen . . .6
Damodars eerste directe ontmoetingen met de meesters
vonden plaats tijdens zijn rondreis in Sri Lanka van mei tot juli 1880,
en ze worden beschreven in brieven aan W.Q. Judge.7
Een andere keer, in Bombay, werd Damodar door zijn meester geholpen
zijn astrale lichaam (mayavirupa) te projecteren. Hij bevond zich
in het noordelijke deel van Kashmir aan
de voet van de Himalaja. . . . er stonden slechts twee huizen precies
tegenover elkaar en er was geen ander teken van bewoning. Uit een
van deze kwam [KH] . . . Het was zijn huis. Tegenover hem staat [M]
. . . Broeder K zei me hem te volgen. Na een korte afstand van ongeveer
800 meter kwamen we bij een natuurlijke onderaardse gang die onder
de Himalaja loopt. [Dit] is een natuurlijk verhoogd pad langs de rivier
de Indus die daaronder woest stroomt. Slechts één persoon
tegelijk kan eroverheen lopen en één verkeerde stap
bezegelt het lot van de reiziger. . . . Na een aanzienlijke afstand
door deze onderaardse gang te hebben afgelegd, kwamen we in een open
vlakte in L–––k [Ladakh]. Daar staat een groot massief
gebouw. . . . Dit is de voornaamste centrale plaats waar al diegenen
van onze sectie die worden geacht inwijding in de mysteriën te
verdienen, heen moeten gaan voor hun laatste ceremonie en waar ze
de vereiste periode moeten blijven. Ik ging met mijn goeroe naar de
grote hal. De grootsheid en rust van de plaats is genoeg om ieder
met ontzag te vervullen.8
Nadat hij naar zijn lichaam was teruggekeerd, vroeg
Damodar zich af of de ervaring een droom was geweest, maar op dat ogenblik
viel een brief van KH uit de lucht die bevestigde dat het echt was gebeurd.
Damodar hielp de meesters bij de occulte overbrenging
van brieven aan A.P. Sinnett en A.O. Hume. Hij weigerde echter verder
hieraan mee te werken nadat Hume hem van vervalsing had beschuldigd.
Hij uitte zijn boosheid in een brief aan Sinnett in augustus 1882 waarin
hij protesteerde dat hij niet tot ‘zo’n schanddaad’
in staat was.9 Hij schreef: ‘Ik heb
tenminste één troost en dat is dat ik smetteloos voor
mijn MEESTERS sta, die, omdat ze helderziend
zijn, door me heen kunnen kijken wanneer ze willen . . .’ Damodar
was een van de twaalf chela’s die het protest tegen een brief
van ‘HX’ (Hume) ondertekenden die de meesters van ‘zondigen’
beschuldigde omdat zij al hun kennis niet direct wilden bekendmaken.
Hume’s brief en het protest van de chela’s verschenen in
The Theosophist in september 1882 in opdracht van de Maha Chohan,
KH’s eigen goeroe.10
In juli 1882 moest Damodar een maand lang in Poona
uitrusten, omdat zijn gezondheid het had begeven als gevolg, zei KH,
van zijn ‘dwaze ascetische praktijken en hard werken’.11
In december 1882 werd het hoofdkwartier van de TS naar Adyar verplaatst,
grotendeels op aandringen van T. Subba Row, een chela van meester M.
Hij en Damodar werkten nauw samen; beiden waren hindoes van hoge kaste,
doordrongen met de tradities van hun oude Aryavarta, en ijverig om de
ethische en geestelijke herleving van hun land te bevorderen.
Damodar vergezelde kolonel Olcott op zijn rondreis
in noord-India van september tot december 1883, en tijdens deze periode
had hij verdere ontmoetingen met de meesters. Op 25 november verdween
hij onverwachts uit het huis in Jammu waar ze verbleven. Hij werd gebracht
naar een geheime schuilplaats en keerde twee dagen later terug, helemaal
veranderd.12 Olcott merkte op: ‘hij
zag er sterk, gehard en taai uit, dapper en vol energie; wij konden
nauwelijks geloven dat hij dezelfde persoon was.’ Damodars occulte
vermogens ontwikkelden zich snel in deze periode. Een bevestigd verhaal
over een van zijn astrale reizen werd gepubliceerd in The Theosophist
van december 1883.13
1884 bleek een van de meest roerige jaren in de
vroege geschiedenis van de Theosophical Society te zijn. Op 20 februari
vertrokken Blavatsky en Olcott uit India en brachten een geslaagd bezoek
van acht maanden aan Europa. Tijdens hun afwezigheid werd de Society
geleid door een bestuursraad waarvan o.a. drie Europeanen – Franz
Hartmann (de voorzitter), George Lane-Fox en W.T. Brown – lid
waren. Net vóór haar vertrek had Blavatsky een poging
van de huishoudster, Mme. Coulomb, gedwarsboomd om van prins Harisinghji
een groot geldbedrag te krijgen. Mme. Coulomb was woedend en zwoer wraak.
Ze begon leugens over frauduleuze verschijnselen te verspreiden en haar
man begon in het geheim gaten in de wanden te maken en losliggende panelen
te construeren. De Coulombs werden op 25 mei 1884 uit de TS gezet op
grond van oneervol gedrag en verlieten het hoofdkwartier elf dagen later.
Verschillende meningsverschillen en persoonlijke
wrijvingen ontstonden onder de medewerkers op het hoofdkwartier zowel
vóór als na het vertrek van de Coulombs. Verschillende
keren grepen de meesters direct in met advies en instructies. Op 2 augustus
1884 ontving Hartmann de volgende boodschap van KH:
D[amodar] heeft ongetwijfeld vele fouten
en zwakheden evenals anderen. Maar hij is op onzelfzuchtige wijze
ons en de zaak toegewijd en heeft zich uiterst verdienstelijk gemaakt
tegenover Upasika [HPB]. Zijn aanwezigheid en hulp op het hoofdkwartier
zijn onontbeerlijk. Zijn innerlijke zelf heeft geen verlangen om te
domineren, hoewel zijn uiterlijke daden nu en dan daardoor gekleurd
schijnen als gevolg van zijn buitensporige ijver die hij zonder onderscheid
richt op elke zaak, groot of klein.14
In een andere brief aan Hartmann schreef M:
Een van de eerste bewijzen van zelfbeheersing
is als je toont dat je vriendelijk en verdraagzaam kan zijn tegenover
medewerkers met de meest uiteenlopende karakters en temperamenten.
Een van de sterkste tekens van achteruitgang is als je verwacht dat
anderen hetzelfde op prijs stellen als jijzelf en op dezelfde manier
zullen handelen als jijzelf.15
Na te zijn verdreven sloten de Coulombs zich aan
bij de christelijke zendelingen – de aartsvijanden van Blavatsky
en de TS. Het eerste deel van Mme. Coulombs aanval op Blavatsky verscheen
in The Christian College Magazine van september 1884. Daarin
stonden fragmenten uit brieven die aan haar door Blavatsky zouden zijn
geschreven, maar die bevatten onhandige tussenvoegingen waarin opdracht
werd gegeven voor het uitvoeren van frauduleuze verschijnselen.
Damodar speelde een centrale rol in het openbaar
bestrijden van de beschuldigingen van de Coulombs, waarbij hij aantoonde
dat ze ‘absurd gezwam’ waren. C.W. Leadbeater, die in december
1884 samen met Blavatsky in Adyar aankwam, trof Damodar aan
in het kantoor van de secretaris; hij
zat op zijn hurken in de stoel in de vreemde kikkerachtige houding
die zijn gewoonte was, en was altijd een borrelende waterpijp aan
het roken, en eindeloos aan het schrijven – de hele dag en tot
in de nacht. . . . Ik kan hem nooit vergeten, en ook niet de indruk
die hij op me maakte. Ernstig, gemoedelijk en altijd beleefd.16
Richard Hodgson, gestuurd door de Britse Society
for Psychical Research om de occulte verschijnselen verbonden met de
Theosophical Society te onderzoeken, arriveerde in Adyar op 22 december
1884 en bleef in India tot eind maart 1885. Het beruchte Hodgson Rappport
verscheen in december 1885 en veroordeelde Blavatsky als een oplichtster
en een Russische spion. Merkwaardig genoeg hield Hodgson vol dat Damodar
Blavatsky’s hoofdmedeplichtige was, ondanks het feit dat de Coulombs
– zijn hoofdgetuigen – hem als een slachtoffer hadden afgeschilderd!
Vernon Harrison, een deskundige op het gebied van
vervalsingen, zegt dat het Hodgson Rapport ‘grote tekortkomingen’
vertoont. Het ‘staat vol tendentieuze beweringen, vermoedens die
hij presenteerde als feiten of waarschijnlijke feiten, onbevestigde
verklaringen door niet met name genoemde getuigen, willekeurig geselecteerd
bewijsmateriaal en volslagen onjuistheden’.17
In een brief aan Sinnett in oktober 1884 vertelde
Blavatsky dat KH Damodar, Dhabagiri Nath (een chela van KH die uiteindelijk
mislukte) en Subba Row verantwoordelijk stelde voor twee derden van
Hodgsons waanideeën. Dit drietal vond Hodgsons manier van ondervragen
beledigend en zijn spottende verwijzingen naar de meesters lasterlijk,
en in plaats van hem openlijk te vertellen dat er veel dingen waren
waarover ze niet konden spreken, ‘vergrootten ze zijn verwarring,
lieten toe dat hij dingen suggereerde zonder hem tegen te spreken, en
wierpen hem helemaal uit het zadel’.18
In december 1884 werd een commissie opgericht in
Adyar om brieven en leringen van de meesters te ontvangen, maar deze
viel uit elkaar voordat enige leringen werden doorgegeven. KH verklaarde
waarom:
De geheime commissie . . . was gereed,
toen een paar Europeanen . . . zich de bevoegdheid toekenden om het
besluit van de gehele Raad te herroepen. Zij weigerden (hoewel de
reden die ze opgaven een andere was) onze instructies door tussenkomst
van Subba Row en Damodar te ontvangen, welke laatste door L. Fox en
Hartmann wordt gehaat.19
Hartmann omschreef Damodar later als ‘mentaal
gezien een dwerg’ die ‘zich verbeeldde de woordvoerder te
zijn van een onzichtbare macht’.20
Hij geloofde dat Damodar soms het handschrift van KH had nagemaakt om
zijn eigen opvattingen meer gewicht te geven. Het blijkt dat Damodar
tijdens de Coulomb-crisis inderdaad een zeer belangrijke ‘KH-brief’
zonder toestemming van KH precipiteerde.21
Damodars gezondheid werd ernstig aangetast door
alle problemen op het hoofdkwartier en door te hard werken. Hij begon
bloed op te hoesten, een herhaling van zijn eerder bedwongen tuberculose.
Hij kreeg toestemming om naar de ashram van zijn meester in Tibet te
gaan, en verliet Adyar op 23 februari 1885 met de zegen van HPB. Volgens
HPB was Damodar ‘sinds zijn laatste geboorte gereed om het hoogste
pad te betreden en hij had daarvan een vermoeden. Hij had lang gewacht
op de verwachte toestemming om naar Tibet te gaan vóór
het verstrijken van de 7 jaar [proeftijd] . . .’22
Toen hij haar vaarwel zei, vertelde hij haar: ‘Ik ga voor jou.
Als de Maha Chohan tevreden is met mijn diensten en toewijding, zal
hij mij misschien toestaan om jou van blaam te zuiveren door te bewijzen
dat de meesters echt bestaan’.23 Blavatsky’s
gezondheid was toen ook slecht en ze verliet India een maand later,
om nooit terug te keren.
Damodar hoopte naar Lhasa, de hoofdstad van Tibet,
te gaan met een bepaalde Tibetaanse functionaris; Olcott noemt hem ‘een
‘avatari lama’, een zeer invloedrijke en mysterieuze Tibetaanse
geestelijke’ die ‘aan beide zijden van de bergen even goed
bekend [is], en regelmatige religieuze tochten maakt tussen India en
Tibet’.24 Na verschillende afdelingen
van de TS te hebben bezocht en na Maji, een vrouwelijke ascete die in
Varanasi woonde, te hebben geraadpleegd, bereikte Damodar Darjeeling
op 1 april 1885 en regelde de details van zijn reis naar Tibet met een
vertegenwoordiger van de functionaris. Hij ontmoette de Tibetaan op
19 april in de hoofdstad van Sikkim. Om het verband tussen hen te verbergen,
werd Damodar bevolen twee dagen vooruit te lopen en dan te wachten.
De laatste aantekening in zijn dagboek luidt:
23 April. – Nam ’s morgens
bhat [rijst] en vertrok alleen uit Kabi; stuurde mijn bezittingen
terug naar Darjeeling met de koelies.25
Een paar maanden later begonnen geruchten de ronde
te doen dat het bevroren lijk van Damodar in de sneeuw was gevonden.
Maar Olcott sprak met de hoofdkoelie die hem vertelde dat ze, nadat
ze Damodar hadden verlaten, op de terugweg naar Darjeeling de persoon
passeerden die hem aan het volgen was; de hoofdkoelie ‘hoorde
vervolgens dat ze elkaar hadden getroffen en de karavaan ging verder
in de richting van de bergpas’.26
Olcott zegt dat een maya van Damodars lichaam misschien was achtergelaten
om de indruk te wekken dat hij was overleden, en Blavatsky bevestigde
dat het waarschijnlijk een truc was in een brief aan Hartmann; zij voegde
daaraan toe dat Damodar niet zou terugkeren, in ieder geval niet vóór
vele jaren.27
Een jaar later, op 5 juni 1886, schreef Tukaram
Tatya, een theosoof in Bombay, een brief aan Olcott om te vragen naar
het lot van Damodar. Toen Olcott de brief twee dagen later ontving,
ontdekte hij dat KH een boodschap daaraan had toegevoegd:
De arme jongen heeft zijn val
gehad. Voordat hij kon staan in de tegenwoordigheid van de ‘meesters’,
moest hij de zwaarste beproevingen doorstaan die een neofiet ooit
heeft doorgemaakt, om te boeten voor de vele twijfelachtige dingen
waaraan hij in zijn al te grote ijver had deelgenomen, en waarmee
hij oneer bracht over de heilige wetenschap en de adepten. Het verstandelijke
en fysieke lijden was te groot voor zijn zwakke lichaam, dat in een
toestand van volledige uitputting is geraakt, maar hij zal zich na
verloop van tijd herstellen. Dit behoort een waarschuwing voor u allen
te zijn. . . . Om de poorten tot het mysterie te ontsluiten, moet
u niet alleen een leven leiden van uiterste rechtschapenheid, maar
ook leren waarheid van onwaarheid te onderscheiden.28
Zowel Blavatsky als Subba Row ontvingen brieven
van Damodar na zijn aankomst in Tibet, hoewel geen daarvan bewaard zijn
gebleven.29 In één daarvan
berichtte Damodar Blavatsky dat de invloed van de meesters in Adyar
steeds zwakker werd. Blavatsky zei ook dat ze Damodar op het astrale
gebied had gezien en dat de meesters enkele passages voor De Geheime
Leer aan hem hadden gedicteerd.30
Een getuige van de veilige aankomst van Damodar
in Tibet was Sriman Swamy, een sannyasin, die, in een brief gepubliceerd
in Lucifer in september 1889, stelde dat hij sinds 1879 twee
keer Tibet had bezocht en verschillende mahatma’s had leren kennen,
onder wie M en KH, die bevestigden dat zij en anderen belangstelling
hadden voor het werk van de TS en dat M de occulte bewaker van Blavatsky
sinds haar kinderjaren was geweest. Hij vervolgde: ‘in maart 1887
zag ik in Lhasa Damodar K. Mavalankar die zich aan het herstellen was.
Hij vertelde mij in aanwezigheid van mahatma ‘KH’ dat hij
het jaar daarvoor op de rand van de dood had gestaan.’31
Blavatsky deelde haar vriend N.D. Khandalavala
mee dat deze brief twee ‘leugentjes’ bevatte: ‘(a)
Damodar was nooit in Lhasa en Sriman Swamy ook niet, en omdat hij geen
toestemming kreeg om te zeggen waar hij Damodar had gezien gaf hij een
verkeerde plaatsnaam; en (b) mijn meester heeft hem niet verteld
wat hij over mij zegt, maar hij vernam het van een chela.’32
In april 1890 schreef Blavatsky een open brief
aan ‘Mijn broeders van Aryavarta’ om uit te leggen waarom
ze niet naar India terugkeerde. Ze verwees naar de rol van de TS bij
het opnieuw ontwaken van India, en zei:
Het allerbelangrijkste is dat de TS in
ieder geval een van u volledig ten goede is gekomen; en als de Society
aan India niet meer heeft gegeven dan die ene toekomstige adept (Damodar)
die nu de kans maakt een mahatma te worden, ondanks het kaliyuga,
zou dat alleen al een bewijs zijn dat de Society niet vergeefs in
New York werd opgericht en naar India werd verplaatst.33
In 1930 stelde G. de Purucker dat Damodar thans
in Sambhala werkzaam was, een gebied in het centrale deel van West-Tibet
waar het hoofdkwartier van de broederschap van adepten zich bevindt.34
Sven Eek, die vele jaren besteedde aan het samenstellen
van het zeer waardevolle werk, Damodar and the Pioneers of the Theosophical
Movement, vatte de sleutelrol die Damodar in de vroege geschiedenis
van de TS heeft gespeeld als volgt samen:
Damodars betekenis voor de theosofische
beweging ligt niet alleen in zijn constante harde werken of in zijn
intelligente verdediging van de Society, maar vooral in het feit dat
hij een voorbeeld gaf van theosofisch gedrag. Van het zeventigtal
theosofen die zich voor discipelschap opgaven, was Damodar bijna het
enige complete succes. Omdat zij de adepten persoonlijk wilden ontmoeten
of getuige zijn van verschijnselen besloten velen de ontberingen van
het chelaschap te aanvaarden, maar ze faalden een voor een toen ze
hun eigen persoonlijkheden en eigenaardigheden boven het belang van
de beweging plaatsten.
Op een van de hoekstenen waarop de Theosophical
Society is gebouwd staat de naam Damodar geschreven. Het ontwerp zal
misschien veranderen als iedere generatie haar bijdrage levert, maar
de fundering gelegd door de eerste pioniers zal standhouden tot, als
een feniks, een nieuwe geestelijke impuls wordt gegeven aan de pelgrims
van deze aarde. En dan, misschien, zal onze chela terugkeren als een
volwaardige adept, die de hoopvolle verwachtingen van vele bezorgde
mensen verwezenlijkt die geloven dat er ‘geen religie hoger
dan de waarheid’ is.35
Verwijzingen
- Sven Eek (samensteller), Damodar and the
Pioneers of the Theosophical Movement, TPH, 1965, blz. 139-40,
493; Michael Gomes, ‘Damodar – a Hindu chela’, The
Theosophist, sept. 1985, blz. 447-51.
- Damodar, blz. 496.
- Op.cit., blz. 4.
- Op.cit., blz. 140-1, 143.
- Op.cit., blz. 7; A.T. Barker (samensteller),
De Mahatma Brieven aan A.P. Sinnett, TUPA, 1979, blz. 514.
- Damodar, blz. 485-6.
- Op.cit., blz. 55-8.
- Op.cit., blz. 60-1; zie Sylvia Cranston &
Carey Williams, H.P.B.: Het bijzondere leven en de invloed van
Helena Blavatsky, TUPA, 1995, blz. 101-3.
- Damodar, blz. 262-5; zie C. Jinarajadasa
(samensteller), Letters from the Masters of the Wisdom, TPH,
1964, 1:12.
- Damodar, blz. 286-8; De Mahatma
Brieven, blz. 324.
- Damodar, blz. 285, 523.
- Op.cit., blz. 332-7, 350-1, 387.
- Op.cit., blz. 355-8; zie ook blz. 344-9, 482-3.
- Op.cit., blz. 604; Letters from the Masters
of the Wisdom, 1:63.
- Damodar, blz. 604-5.
- ‘Damodar – a Hindu chela’,
blz. 450.
- Vernon Harrison, H.P. Blavatsky en de SPR:
een onderzoek van het Hodgson Rapport uit 1885, TUPA, 1998, blz.
34, 73.
- A.T. Barker (samensteller), The Letters
of H.P. Blavatsky to A.P. Sinnett, TUP, 1975, blz. 122.
- Damodar, blz. 527; De Mahatma Brieven,
blz. 403.
- Franz Hartmann, Some Fragments of the Secret
History of the Theosophical Society, Theos. History, 2000, blz.
19-22.
- Damodar, blz. 471-3, 583-4; Letters
from the Masters of the Wisdom, TPH, 1977, 2:131-2; F. Hartmann,
Report of Observations made during a nine months’ stay at
the head-quarters of the Theosophical Society, Madras, 1884,
Edmonton Theos. Soc. herdruk 1995, blz. 32-4; Some Fragments of
the Secret History of the TS, blz. 22.
- Damodar, blz. 10.
- Op cit., blz. 533.
- Charles J. Ryan, H.P. Blavatsky en de theosofische
beweging, TUPA, 1984, blz. 133; Damodar, blz. 11.
- Damodar, blz. 15.
- Op.cit., blz. 16.
- Op.cit., blz. 16, 533.
- Op.cit., blz. 18; Letters from the Masters
of the Wisdom, 1:64; Victor A. Endersby, The Hall of Magic
Mirrors, Hearthstone, 1969, blz. 299-300.
- H.P. Blavatsky Collected Writings,
TPH, 1980, 12:163; Damodar, blz. 18; Blavatsky Collected
Writings, 1950, 6:272.
- The Letters of H.P. Blavatsky to A.P. Sinnett,
blz. 157, 248-9.
- ‘News
of Damodar’, Blavatsky Archives, http://www.blavatskyarchives.com/srimanswamy.htm;
Geoffrey A. Barborka, The Mahatmas and Their Letters, TPH,
1973, blz. 373-4.
- ‘News of Damodar’.
- Blavatsky Collected Writings, 12:159-60.
- Dialogues of G. de Purucker, TUP, 1948,
1:145-6.
- Damodar, blz. 21-2.
Artikel
van Damodar K. Mavalankar over contemplatie
Theosofie, het Theosofisch Genootschap, theosofen
Uit Impuls (Nieuwsbrief
voor leden van het Theosofisch Genootschap), juni 2002, nr. 20.
©
2002 Theosophical University Press Agency