De mythe van Prometheus*
Henry T. Edge
*Vertaald uit The Theosophical Path, maart 1917,
blz. 233-40.
Deze bekende allegorie, die ons in zijn Griekse vorm zo vertrouwd is,
vooral zoals deze is gedramatiseerd door Aeschylus in zijn De geketende
Prometheus, werd met grote eerbied beschouwd als een van de belangrijkste
heilige mythen. Zoals we zullen zien was dit niet alleen bij de Grieken
het geval maar ook bij veel andere volkeren. We zullen aantonen dat deze
algemene waardering voor de mythe van de vuurbrenger duidt op onderwerpen
die een veel diepere betekenis hebben dan de belachelijke interpretaties
die sommige wetenschappers ervan geven, en zo zullen we een kijk op dit
onderwerp krijgen die meer consistent is en de Ouden en ook ons zelfrespect
meer waardig.
Het is goed om het verhaal eerst kort te recapituleren. Jupiter, de
koning van de goden, had het vuur van de aarde weggenomen als straf
voor een overtreding begaan door Prometheus. Prometheus besluit het
vuur naar de aarde terug te brengen voor de stervelingen. Geholpen door
Athena beklimt hij de hemelen, steelt het vuur uit de wagen van de zonnegod,
en brengt het naar de aarde op het uiteinde van een holle stok met een
brandbare pit. Op grond hiervan geeft Jupiter aan Vulcanus de opdracht
om Prometheus aan een berg in de Kaukasus te ketenen, waar hij, vastgemaakt
aan een rots, gedoemd is om daar 30.000 jaar te blijven, terwijl een
gier zich voortdurend voedt met zijn lever, die telkens weer aangroeit.
Maar na ongeveer 30 jaar wordt hij door Hercules bevrijd.
Deze mythe behoort tot de categorie ‘mythen over het stelen van
vuur’, een feit dat al voldoende laat zien dat deze mythe wijdverbreid
is. In de mythologie van het oude Hindoestan zou de Mahasura, of grote
geest, jaloers zijn geworden op het schitterende licht van de Schepper,
en, als leider van lagerstaande asura’s, in opstand zijn gekomen
tegen Brahma. Daarom heeft Siva hem omlaag geslingerd naar Patala, de
gebieden van de onderwereld (De geheime leer, 2:267-8vn). In
de Scandinavische mythologie vinden we de god Loki, die evenals Prometheus
een vuurgod is. Over Loki zegt H.P. Blavatsky:
Zelfs in de Oud-Noorse legenden, in de heilige boekrollen
over de godin Saga, vinden we Loki, de bloedbroeder van Odin . . .
, die pas later slecht wordt, als hij te lang met de mensen is omgegaan.
Evenals alle andere vuur- of lichtgoden – want vuur brandt en
vernietigt evengoed als het verwarmt en leven schenkt – werd
hij ten slotte aanvaard in de vernietigende betekenis van ‘vuur’.
De naam Loki . . . is afgeleid van het oude woord ‘liechan’,
verlichten. Het woord heeft dus dezelfde oorsprong als het Latijnse
lux, ‘licht’. Daarom is Loki dezelfde als Lucifer
(lichtbrenger). . . . Maar Loki is nog nauwer verwant aan Prometheus,
omdat hij geketend aan een scherpe rots wordt afgebeeld . . . In de
vroege Scandinavische theogonie is Loki in het begin van de tijd een
weldadige, edelmoedige en machtige god en het beginsel van het goede,
niet van het kwade. – De geheime leer,
2:319vn
In het bovenstaande citaat duidt de verwijzing naar Lucifer op nog
een analogie met Prometheus. Lucifer betekent ‘lichtbrenger’,
en in de legende is er hetzelfde denkbeeld van zijn rebellie tegen de
godheid dat we vinden in het geval van Prometheus. Het is misschien
goed om terloops op te merken dat Lucifer ten onrechte wordt geïdentificeerd
met de vorst van de duisternis, waarbij zijn naam en functie worden
belasterd, en dat H.P. Blavatsky er veel aandacht aan besteedt om deze
verwarring weg te nemen, en de lichtbrenger de positie die hem toekomt
terug te geven: als weldoener en niet als duivel. De Scandinavische
Loki is op dezelfde manier belasterd, zoals blijkt uit het bovenstaande
citaat.
Als we ons tot de Hebreeuwse symboliek wenden, vinden we dat de Zohar
zegt dat de Ischin, de mooie B’nai-aleim, of ‘zonen van
God’, niet schuldig waren, maar omgingen met sterfelijke mensen,
omdat ze daarvoor naar de aarde waren gezonden. En ook dat Azazel en
zijn menigte eenvoudig de Hebreeuwse Prometheus zijn. Volgens de Zohar
werden de Ischin (allegorisch) geketend aan de berg in de woestijn (De
geheime leer, 2:424-5). Azazel of Azaziel is een van de aanvoerders
van de ‘opstandige’ engelen in het boek Henoch.
Er wordt gezegd dat Azaziel de mensen leerde zwaarden, messen en schilden
te maken, en spiegels te vervaardigen om iemand te laten zien wat er
achter hem was.
Onder de Murri van Gippsland, Australië, was de vuur-steler een
man, maar hij werd een vogel. Towera, of het vuur, was in het bezit
van twee vrouwen, die de zwarten haatten. Een man die van mannen hield
vleide de vrouwen, stal het vuur toen ze met hun rug naar hem toe stonden
en werd veranderd in een kleine vogel met een rode vlek op zijn staart.
De vuurbrenger in Bretagne is het vuurgoudhaantje of winterkoninkje.
In een andere Australische legende werd het vuur bij de buideldas gestolen
door de havik en aan de mensen gegeven. In weer een andere hief een
man zijn speer op naar de zon en kreeg zo een licht. Een vogel is vuurbrenger
in een verhaal op de Andamanen, en een geest in een andere mythe van
hetzelfde eiland. In Nieuw Zeeland stal Maui het vuur van Maueka, de
heer van het vuur. Onder de Ahts in Noord-Amerika werd het vuur door
dieren gestolen van een inktvis. Bij de Cahrocs steelt een coyote het
vuur bij twee oude vrouwen (Lang, Enc. Britt., artikel ‘Prometheus’).
Deze enkele gevallen, geselecteerd uit een groot aantal, zijn voor
ons huidige doel voldoende om te laten zien dat deze mythe van het brengen
van het spirituele vuur aan de mensen wereldwijd verbreid is.
Die uitdrukking ‘spiritueel vuur’ wordt hier met
opzet gebruikt, want bij de pogingen om de mythe van Prometheus te interpreteren
blijkt dat men de allegorie zoals gewoonlijk verstoffelijkt, en aanneemt
dat het om fysiek vuur gaat.
Een favoriete theorie in deze categorie is dat de mythe slechts de
veronderstelde grote gebeurtenis van de ontdekking van het vuur door
de primitieve mens symboliseert. Om deze theorie te bewijzen is een
andere ingenieuze theorie uitgedacht, namelijk over de afleiding van
het woord Prometheus. Er is geopperd dat dit woord komt van het Sanskrietwoord
pramantha, dat een van de stukken hout betekent die worden gebruikt
bij het maken van vuur door middel van wrijving. Maar de Grieken zelf
hebben het woord afgeleid van promanthanein, waarvan de betekenis is
‘hij die vooruitkijkt’, ‘de vooruitziende mens’.
Deze afleiding past veel beter bij de overduidelijke betekenis van het
verhaal, en door deze te aanvaarden vermijden we de pretentie de afleiding
van een Grieks woord beter te weten dan de Grieken zelf. Bovendien zou
de primitieve mens hebben ontdekt dat het vuur door wrijving of door
vuurstenen hetzelfde is als het vuur dat in bliksem uit de hemel komt.
We zien dus dat bliksem, de hemel, vuurstokjes en vuurstenen in het
denken van de primitieve mens allemaal met elkaar in verband worden
gebracht, en dit is voor theoretici meer dan genoeg.
De legende werd volgens hen in het leven geroepen ter herinnering aan
een grote gebeurtenis die sterk tot de verbeelding moet hebben gesproken.
Voor de mens zou een nieuw leven zijn begonnen toen hij de eerste vonk
zag die ontstond door de wrijving van twee stukken hout of uit de aderen
van een vuursteen. Hoe kon de mens anders dan dankbaar zijn voor dat
mysterieuze en wonderbaarlijke wezen dat zij vanaf toen naar willekeur
konden oproepen (De geheime leer 2:593)? Was deze aardse vlam
niet hetzelfde als die welke in een bliksemschicht optreedt? En, zoals
Decharme zegt in zijn Mythologie de la Grèce Antique
(blz. 258):
Was zij dan niet aan dezelfde bron ontleend? En indien
haar oorsprong in de hemel was, moet deze op zekere dag naar de aarde
zijn gebracht. En als dat zo was, wie was dan het machtige wezen,
het weldoende wezen, god of mens, die haar had onderworpen? Dat zijn
de vragen die de nieuwsgierige Indo-Europeanen in de eerste dagen
van hun bestaan stelden en die een antwoord vonden in de mythe van
Prometheus.
Maar, als we het over ons voorstellingsvermogen hebben, wat getuigt
dan van meer fantasie dan dit beeld van de primitieve mensheid? Zoals
H.P. Blavatsky zegt:
Vuur werd nooit ontdekt, maar heeft
vanaf het begin op aarde bestaan. Het bestond in de seismische activiteit
van de eerste tijden, toen vulkanische uitbarstingen even vaak en
geregeld voorkwamen als nu de mist in Engeland. En als men ons zegt
dat de mensen zo laat op aarde verschenen dat bijna alle vulkanen,
met uitzondering van een paar, al waren uitgedoofd en dat geologische
verstoringen hadden plaatsgemaakt voor een meer stabiele toestand,
dan antwoorden wij: stel dat er een nieuw mensenras – of dit
nu is geëvolueerd uit engelen of uit gorilla’s –
op een onbewoonde plek op aarde is verschenen, met uitzondering misschien
van de Sahara, dan is het duizend tegen één dat het
binnen een jaar of twee vuur zou ontdekken, doordat de bliksem was
ingeslagen en gras of iets anders in brand had gestoken. Die veronderstelling,
dat de primitieve mens eeuwenlang op aarde leefde vóór
hij kennismaakte met vuur, is een van de meest pijnlijk onlogische
van alle. – GL 2:595
Men heeft veel verbeeldingskracht nodig om die verzonnen theorieën
te bewijzen. Als men een voorbeeld zou willen hebben van een echte mythe,
een volkomen verzinsel, dan zou men geen betere kunnen uitzoeken dan
deze mythe van de theoretici, dat de primitieve mens eeuwenlang leefde
zonder het vuur te kennen, of in staat te zijn het te gebruiken, dat
hij het vervolgens ontdekte, en dat hij sindsdien dit feit heeft herdacht
door in elke hoek van de wereld gedetailleerde mythen te bedenken.
Het verhaal van Prometheus – en alle verwante mythen –
is een herinnering aan veel belangrijker dingen dan het gebruik van
fysiek vuur. Er werd spiritueel vuur bedoeld – vuur is namelijk
een bekend en universeel symbool van de goddelijke inblazing en inspiratie
waardoor de mens als zodanig wordt gekenmerkt, en waardoor hij veel
hoger staat dan de dieren. De legende herinnert aan dat stadium in de
evolutie van de mens toen het dierlijke deel van hem de goddelijke vonk
ontving en de mens een god werd, die goed en kwaad kende. Wie enigszins
bekend is met het Hebreeuws van het Oude Testament zal dezelfde lering
herkennen in het verslag van de manier waarop de elohim, de goddelijke
wezens, zeiden: ‘Laten we de mens maken naar ons beeld.’
In dat verhaal wordt de mens dus begiftigd met een goddelijk voorrecht
en kent voortaan goed en kwaad.
Als we ons onderzoek met enig historisch besef willen verrichten, moeten
we niet vergeten dat dit een materialistische tijd is, waarin het woord
‘vuur’ eenvoudig een hoeveelheid gloeiend gas betekent,
en we moeten niet proberen ons materialisme aan andere rassen toe te
schrijven die niet zo dachten. Voor de Ouden en hun moderne vertegenwoordigers
onder de vele stammen, was vuur heilig. Was het niet bij de Romeinen
het symbool van het huiselijke leven, dat altijd brandende werd gehouden
in de huiselijke haard, dat een werkelijk altaar was, dat zorgvuldig
en eerbiedig werd meegenomen naar een nieuw huis als de familie verhuisde,
om daar opnieuw te worden geplaatst op een nieuw huisaltaar? Dachten
ze niet dat ze door op die manier het vuur gaande te houden, ze in feite
de geest van hun familie in stand hielden? En was dit puur bijgeloof,
of was het niet veeleer een grotere kennis van de natuurwetten dan die
welke wij met al onze kennis nu bezitten? De natuur heeft een oneindig
aanpassingsvermogen en is heel meegaand, en ze schenkt de mens wat hij
vraagt, en dat wat hij ondankbaar afwijst geeft ze hem niet. Het is
dus mogelijk dat de natuur in die tijd aan haar vertrouwensvolle kinderen
hulp schonk, die ze niet geeft aan ons die met onze sloppenwijken haar
schoonheid hebben aangetast en met onze theorieën haar wijsheid
hebben beledigd. We weten niet hoe we de heilige haardvuren moeten onderhouden
en die subtielere beschermende natuurkrachten moeten oproepen die de
volgelingen van Vesta, met haar reine beschermers, wisten op te roepen.
Vuur was de fysieke tegenhanger van het levensvuur, en het vuur van
de geest; en het woord wordt door de Ouden zonder onderscheid in al
deze betekenissen gebruikt. Zelfs wij gebruiken het in andere betekenissen,
maar dan noemen we dit een metafoor of beeldspraak.
Wat hebben de geleerde theoretici een schitterend vermogen om de dingen
vanuit het verkeerde standpunt te bekijken! Wat houden ze ervan om het
symbool te verwarren met hetgeen wordt gesymboliseerd! De zon, bijvoorbeeld,
is een symbool van het eeuwige en universele leven. Daarom wordt verondersteld
dat degenen die het eeuwige leven door middel van het symbool ervan
– de zon – vereerden, de zon zelf vereerden. Wat zou een
vrome archeoloog denken als een heiden hem ervan beschuldigde neer te
buigen voor een lam of een duif of een kruis of een ander christelijk
symbool, of zou lachen om de christelijke sacramenten met hun mystieke
symbolische elementen? Die gevallen zijn beslist analoog. Hier hebben
we een mythe die het eeuwige feit herdenkt van de doop van de mens door
het vuur en de Heilige Geest – de tweede geboorte van de mens;
en alleen omdat de analogieën van de natuur symbolen vanuit de
hemel verschaffen, beschuldigt men de Ouden ervan deze symbolen in mythen
te vereren, terwijl men de werkelijke betekenis die wordt gesymboliseerd
negeert.
Eén frappant onderdeel van het verhaal van Prometheus is de
oorlog tussen Zeus, de koning van de goden, en Prometheus, waarin Zeus
wordt afgeschilderd als een tiran en onderdrukker van de mensheid, en
Prometheus wordt voorgesteld als een weldoener, omdat hij deze tiran
verslaat en op die manier nuttig is voor de mensheid. Maar zij die vertrouwd
zijn met de Griekse mythologie weten dat de Zeus in dit verhaal niet
de Al-Vader was aan wie elders de naam Zeus wordt gegeven. We citeren
H.P. Blavatsky op dit punt:
De vertalers van het drama vragen zich af hoe Aeschylus
zich schuldig kon maken aan zo’n ‘tegenstrijdigheid tussen
de figuur Zeus, zoals die in De geketende Prometheus wordt
weergegeven, en zoals die in de overige drama’s wordt afgeschilderd’
(Mw. A. Swanwick). Dit komt doordat Aeschylus evenals Shakespeare
de intellectuele ‘sfinx’ van de eeuwen was en altijd zal
blijven. Tussen Zeus, de abstracte godheid van het Griekse denken,
en de Olympische Zeus gaapte een afgrond. Laatstgenoemde stelde tijdens
de mysteriën geen hoger beginsel voor dan het lagere aspect van
de menselijke intelligentie – manas verbonden met kama; terwijl
Prometheus het goddelijke aspect ervan voorstelde dat opgaat in en
streeft naar buddhi – de goddelijke ziel. Zeus was de menselijke
ziel en meer niet, telkens wanneer hij blijkt toe te geven aan zijn
lagere hartstochten. – GL 2:473
Prometheus is dus het onsterfelijke goddelijke deel van de mens, die
zichzelf zou opofferen door een vrijwillige daad van mededogen, wanneer
hij incarneert. Dan begint de strijd tussen de god en het dier in de
mens, waarbij Prometheus zowel in ballingschap leeft als voortdurende
pijn lijdt, waaraan alleen een einde kan komen wanneer de mens volledig
is verlost door de voortdurende inspanningen van de goddelijke kracht
in hem. Dan zal Prometheus hebben gewonnen, zal de mens zijn gered,
en de geketende titan zijn bevrijd. Maar dit drama vond niet alleen
in het verleden plaats, want, zoals H.P. Blavatsky zegt:
Dit drama van de worsteling van Prometheus met de
Olympische tiran en despoot, de zinnelijke Zeus, wordt dagelijks in
onze eigen mensheid opgevoerd: de lagere hartstochten ketenen de hogere
aspiraties aan de rots van de stof, om in veel gevallen de gier van
smart, pijn en berouw voort te brengen. –
GL 2:476
Elke mythe heeft zeven betekenissen. Die van Prometheus kan worden
toegepast op de geschiedenis van vroege mensenrassen; in dat geval verwijst
ze naar de tijd toen de evolutie het punt had bereikt waar een ras van
goddelijk bezielde mensen was voortgebracht, en de allegorie laat zien
dat dit resultaat niet uitsluitend door dierlijke evolutie en geleidelijke
vervolmaking van de fysieke vorm tot stand was gekomen, maar dat de
hogere intelligentie, gesymboliseerd door het vuur, naar de tot dan
toe niet bezielde mensheid werd gebracht, en zo haar aard voltooide
en de mens tot een potentiële god maakte. De oude leringen zeggen
dat het overbrengen van verstandelijke vermogens gebeurde door leraren,
die in de symbolische verslagen vaak goden en helden worden genoemd.
Dit is de historische sleutel, of tenminste één ervan.
Een andere sleutel zou de fysiologische zijn, die ons brengt tot de
studie van het menselijke organisme met als doel om te laten zien in
welk opzicht het essentieel verschilt van een dierlijk organisme; veel
licht wordt op dit onderwerp geworpen in H.P. Blavatsky’s artikel
‘Psychische en noëtische werking’. Ook hier is materialisme
ingeslopen in een poging de mythe te verlagen door haar op het voortplantingsproces
toe te passen. Er zijn natuurlijk analogieën tussen wat hoog is
en wat laag; het fysieke herhaalt het spirituele. Maar om te zeggen
dat het verhaal van Prometheus herinnert aan de fysieke voortplanting
en niet meer dan dat, betekent dat men de mythe verstoffelijkt en verlaagt.
Overal waar in deze allegorieën vereniging wordt gesymboliseerd,
betreft het een mystieke vereniging van de menselijke ziel met haar
goddelijke tegenhanger, de spirituele ziel, en heeft ze geen enkele
seksuele betekenis. En misschien kan men begrijpen dat het, in tijden
toen seksproblemen het denken niet zo in beslag namen als nu, mogelijk
was om zulke symboliek te gebruiken zonder bang te hoeven zijn dat ze
verkeerd zou worden geïnterpreteerd.
De sleutel waarmee we ons nu vooral bezighouden is de zojuist genoemde
– waarbij het verhaal van Prometheus wordt toegepast op de menselijke
aard zoals die nu bestaat. Zoals in bovenstaand citaat is gezegd, vertegenwoordigt
Prometheus de hogere aspiraties, en deze worden door de lagere hartstochten
geketend aan de rots van de stof, en daarbij wordt de knagende gier
van berouw voortgebracht en de talloze punten waarover we ontevreden
zijn als gevolg van onze samengestelde aard. En wat een waarheidsgetrouw
beeld is dit van het menselijk leven – vooral voor fijngevoelige
mensen! Hoezeer is het van toepassing voor een genie, die altijd worstelt
tussen de goddelijke inspiratie en de bittere reacties van wanhoop en
van fysieke en morele instorting!
In de mythe bevrijdt Herakles (Hercules) de geketende titan; en Herakles
is de zonnegod. We zien dat hij in de symboliek in verband wordt gebracht
met Asclepius, de Egyptische Ptah, Apollo, Baäl, en Adonis –
alle zonnegoden. De betekenis is dat het manas, of denkvermogen, van
de mens wordt gered door zich te verbinden met de buddhi of spirituele
ziel, want volgens de theosofische leringen heeft het manas of denkvermogen
twee kanten: de ene helft wordt aangetrokken tot de vleselijke, zinnelijke
aard, en de andere helft tot de spirituele aard. Daarom vinden we in
Prometheus een allegorie van de pelgrimstocht van de mens, waarin het
denken de held is, die kwade machten overwint en uiteindelijk zijn staat
van wijsheid en vrijheid herwint. Hoe belangrijk is het om de onsterfelijke
en spirituele aard van de mens te benadrukken in deze tijd waarin zoveel
nadruk wordt gelegd op zijn dierlijke aard! Biologen krijgen er nooit
genoeg van om de wetten en reacties van de lagere aard van de mens te
bestuderen, en willen ons vaak laten geloven dat de mens geen andere
aard heeft, maar slechts een meer complex dier is. Maar in het oude
verhaal zijn beide kanten van de menselijke aard vertegenwoordigd.
Als H.P. Blavatsky de allegorie interpreteert zegt ze:
Prometheus steelt het goddelijke vuur om de mensen
in staat te stellen bewust voort te gaan op het pad van spirituele
evolutie, en verandert zo het meest volmaakte dier op aarde
in een potentiële god, en maakt hem vrij om ‘het koninkrijk
van de hemel met geweld te nemen’. –
GL 2:275
Hij gaf dus aan de mensheid het vermogen om te denken –
zowel een vloek als een zegen. Want wie kan ontkennen dat het vermogen
om te denken kwellingen met zich meebrengt, en wie heeft niet soms aan
die last willen ontsnappen en onverantwoordelijk willen zijn zoals de
dieren? Wat is dit mysterieuze vermogen om te denken dat tegelijkertijd
onze verleider en onze redder is? Dit is werkelijk een heilig mysterie,
en de sleutel tot een wereld van symboliek. Ons hele leven is een reeks
inwijdingen, vanaf het moment dat het kind voor het eerst zelfbewustzijn
verwerft, tot de dag van zijn dood. Het vermogen in ons om te denken
brengt ons steeds in contact met nieuwe onthullingen van de verborgen
krachten in ons, en brengt steeds nieuwe mogelijkheden in ons eigen
wezen aan het licht. Het vuur van Prometheus brandt nog altijd in onze
borst; het foltert ons, het inspireert ons.
We kunnen er niet vanaf komen en opnieuw een onnadenkend dier worden;
we moeten het begrijpen en streven naar harmonie tussen de hogere en
lagere aard, en dat betekent de onderwerping van de dierlijke wil aan
de hogere wil. De dieren kunnen voldoening vinden in het bevredigen
van hun dierlijke natuur. De mens zoekt naar een voldoening die niet
op het gebied van zijn persoonlijke verlangens kan worden gevonden.
De val van de mens en zijn verlossing worden bereikt door dezelfde
gebeurtenis. Deze gebeurtenis, de gave van het vuur, brengt hem uit
balans, verleidt hem, waardoor hij de neiging krijgt om slechte dingen
te doen, en geeft hem anderzijds de kracht om zichzelf te redden. Dit
kan ons helpen om de vloek en de zegen van Eden te interpreteren. Blavatsky
zegt:
De mens zal weer de vrije titan van vroeger
worden, maar niet vóór de cyclische evolutie de verbroken
harmonie tussen de twee naturen heeft hersteld. . . . De goddelijke
titan wordt bewogen door altruïsme, maar de sterfelijke mens
telkens weer door zelfzucht en egoïsme. –
GL 2:476
Men heeft de geest van het christendom vergeleken met die van het oude
Griekenland, en gezegd dat het christendom ascetisme tot zijn ideaal
heeft gemaakt, waarbij het lichaam wordt geminacht en de nadruk wordt
gelegd op de slechtheid en onwaardigheid van de menselijke natuur; de
Grieken daarentegen vereerden de menselijke natuur en streefden naar
fysieke volmaking. De Grieken zouden fysieke volmaking beschouwen als
een voorwaarde voor mentale en morele volmaking; ze zagen ook geen conflict
tussen het lichamelijke en het spirituele. Een juist begrip van zulke
mythen zoals die van Prometheus kunnen ons laten zien waar de essentiële
waarheid ligt die beide beschavingen en zelfs alle tijden gemeen hebben.
De ontwikkeling van kunst, schoonheid en volmaking heeft men vreemd
genoeg gescheiden van religie, met als gevolg dat ze een soort tweede
religie is gaan vormen die op vele punten diametraal tegenover de andere
staat. Deze scheiding heeft aan zowel religie als kunst schade toegebracht:
aan religie door haar vleugels te kortwieken en haar saai en somber
te maken, aan kunst door haar neiging om kunst los te maken van ethiek.
Erkenning van onze tweevoudige natuur is de oplossing van het probleem,
en wanneer de mens de onberekenbaarheid van zijn lagere natuur inziet
en de verhevenheid van zijn hogere, en het evenwicht bewaart tussen
de twee waarheden, zal hij veel oude kennis hebben teruggekregen als
gevolg van de gunst die Prometheus, de brenger van het goddelijke vuur,
ons heeft geschonken.
Griekse
filosofie