ëEr is geen eeuwig onveranderlijk beginsel in de mens’
We hebben misschien niet allen de uitspraak van onze leraren volledig begrepen, in het bijzonder die van de Boeddha, maar ook van H.P.B. op verschillende plaatsen en van mezelf in mijn Beginselen, namelijk dat er geen ‘eeuwig onveranderlijk’ beginsel ‘in de mens’ is. Als u echter de bladzijde omslaat, treft u de passage aan dat de verschillende monaden in de constitutie van de mens kinderen zijn van vorige manvantara’s, wat erop wijst dat er in de mens beginselen of elementen zijn die enorm lange perioden in de tijd blijven bestaan. Hoe kan in hemelsnaam deze laatste uitspraak waar zijn als de vorige ook waar is? Ik vestig uw aandacht op deze schijnbare tegenstrijdigheid, een echte paradox, omdat ik besef dat velen behoefte hebben aan opheldering van deze strijdige uitspraken.
De leer van Gautama Boeddha is, als ze goed wordt begrepen, dezelfde als de leer van Jezus van de christenen en van alle mahâtma’s van onze eigen esoterische school van onderricht; namelijk dat er geen ‘eeuwig, onveranderlijk’ beginsel in de mens bestaat, dat verschilt van de rest van het heelal dat, al wentelend en evoluerend, voortdurend verandert.
Volgens het oude idee van alle orthodoxe – verstarde – religieuze of filosofische scholen is er in de mens een individualiteit die onveranderd blijft bestaan; een voorbeeld daarvan vinden we in de christelijke leer van de persoonlijke ‘ziel’ die, naar men veronderstelt, door de almachtige God wordt geschapen en eeuwig als die ziel blijft voortbestaan en nooit anders kan zijn dan wat ze is; d.w.z. nooit het kosmische leven kan ingaan, behalve als een niet-veranderende bezoeker, of, zo u wilt, als een niet-veranderende waarnemer; stilzwijgend volgt daaruit, dat ze als zo’n niet-veranderende entiteit geen wezenlijk deel van het kosmische leven uitmaakt: geen leven van zijn leven, been van zijn been, essentie van zijn essentie. Die orthodoxe en exoterische religies en filosofieën stellen namelijk voorop dat het heelal slechts een tijdelijke en voorbijgaande schepping van een veronderstelde God is, en dat de onveranderlijke ziel zich alleen als gast in het heelal bevindt, als waarnemer of leerling – niet, zoals hierboven gezegd, als een wezenlijk en eeuwig onafscheidelijk deel van de kosmische essentie.
Vanuit het standpunt van de esoterische filosofie, die de mens ziet als een wezenlijke en onscheidbare vonk van de kosmische essentie, en daarom voor altijd een deel ervan, bestaat er in de constitutie van de mens geen beginsel of element dat eeuwig aanwezig is als ziel, die alleen verandert door wat ervaring of groei toevoegt.
Er is in de mens geen blijvend en eeuwig onveranderlijk ego of ziel of zelfs geest, een ego of ziel of geest die in ieder mens wezenlijk verschilt van die in elk ander mens; er is ook niet een blijvende en onveranderlijke individualiteit die in de ene god verschilt van die in een andere god. Ze veranderen alle, alles groeit, het heelal zelf en alles wat zich daarin bevindt en daartoe behoort, waaronder onze menselijke ziel en de geestelijke beginselen. We komen allen voort uit dezelfde onmetelijke schoot van bewustzijn-leven-substantie die een eenheid vormt en één is; als individuen en nog meer als personen zijn we illusies vergeleken met het eeuwige; want dat is eeuwig Zichzelf. Welke veranderingen het ook ondergaat, welke groeifasen de ontelbare delen ervan ook doorlopen, welke verschillen, variaties en differentiaties zich ook voordoen, het eeuwige is niettemin het eeuwige en houdt stand, van grenzeloze duur tot grenzeloze duur; de essentie van ieder van ons, van alle wezens en dingen is dat.
Op deze eenvoudige feiten berust de leer van wat boeddhisten de ketterij van de afgescheidenheid noemen: dat er in mij een ‘ziel’ of geest is die in essentie verschilt van de ‘ziel’ of geest in u, mijn broeder, of in welk ander wezen of ding. Dat is de ketterij van de afgescheidenheid en tegen die verderfelijke, verstandelijke gedachte, deze misleidende illusie dat er een fundamenteel en wezenlijk verschil bestaat, bracht de Boeddha met veel kracht zijn leer dat er geen eeuwigdurend, onveranderlijk, afzonderlijk, eeuwig gedifferentieerd beginsel of element in de mens bestaat, vergeleken met andere kosmische eenheden, zoals andere mensen of andere wezens en entiteiten. Zo bracht hij de leer onder woorden die eigen is aan alle hindoefilosofieën en waarvan bekend is dat deze onderdeel is van de Advaita-Vedânta, over de fundamentele eenheid of het eenzijn van alle in de grenzeloze ruimte verweven en vervlochten hiërarchieën en hun samenstellende elementen. Die opvatting van een eeuwigdurend en onveranderlijk ego, als een individualiteit die wezenlijk is afgescheiden van de kosmische individualiteit, noemde Boeddha-Gautama de grote illusie, mahâmâyâ.
Toch bestaan er in de mens ontelbare levens die hem tot een samengesteld wezen maken, een tot een geheel samengevoegde entiteit. De mens is zo’n samengesteld wezen en deze simpele uitspraak bevat een wereld van occulte waarheid!
Wat zijn die delen of elementen van zijn constitutie – d.w.z. de verschillende monaden en levensatomen die hem vormen of opbouwen? Elk van deze monaden is in wezen een vonk van die centrale kosmische intelligentie of dat centrale vuur, de centrale bewustzijn-leven-substantie. Helaas hebben we in onze woordenschat nog niet een term bedacht die al deze elementen van de leer omvat en daarom moeten we wel zo’n onhandige term gebruiken om de gedachte enigszins aan te duiden: bewustzijn-leven-substantie. Dit betekent niet bewustzijn los van leven, ook niet los van substantie; maar alle drie gezien als in wezen één: een kant of aspect ervan is wat wij mensen ‘bewustzijn’ noemen; een andere kant of aspect is wat wij mensen ‘leven’ noemen; weer een andere kant of aspect is waarover wij mensen spreken als ‘substantie’- drie in één en één in drie; geen drie verschillende goden of goddelijke essenties, maar ‘één godheid’, één een eenheid vormende kosmische essentie, één eeuwige werkelijkheid, die zich via de drie maskers manifesteert: bewustzijn, leven, substantie. Dat is de werkelijke betekenis van de christelijke drieëenheid: niet ‘drie personen in één God’, zoals men zegt, maar drie maskers of aspecten of voertuigen, zoals het menselijke verstand dit idee begrijpt of vertaalt, van één eeuwige, oneindige, grenzeloze werkelijkheid. Dat is de goddelijke wortel van de mens: van mij, van u, van alles; van iedere god, iedere zon, elke planeet, ieder dier, iedere plant en elk atoom. De wortel van alle is dat.
We zijn dus allen in de grond en in essentie één en de ontelbare, onberekenbaar grote aantallen wezens en dingen, d.w.z. ego’s en zelven in de eindeloze ruimte zijn niet eeuwig individualiteiten die alle van elkaar verschillen en zo eeuwig als onveranderlijke, afzonderlijke ego’s blijven bestaan. Er bestaat een volledige, volkomen en volstrekte eenheid van essentie, waaraan we allen deelhebben, waaruit we allen voortkomen en waartoe we allen terugkeren, hoewel ieder van ons zijn veel sterker geworden individualiteit behoudt – wanneer onze evolutionaire kosmische reis in een bepaald manvantara is voltooid. Maar tijdens manifestatie, zolang we ons in de gemanifesteerde werelden bevinden, zijn we verdeeld als mâyâvische wezens en entiteiten en openbaart de goddelijke vonk zich in ieder van ons als een individu: als een gedachte, om beeldspraak te gebruiken, van de goddelijke denker, van het parabrahman. ‘Goddelijke denker’ is natuurlijk menselijke beeldspraak; maar we moeten wel beeldspraak gebruiken als ons menselijk verstand te zwak is om de onbegrijpelijke grootsheid van de werkelijkheid te vatten; we moeten onze intuïtieve ideeën in beeldspraak omzetten om enig begrip of inzicht van het werkelijke te krijgen. De ‘goddelijke denker’ denkt goddelijke gedachten. Elk van deze gedachten is een monadische entiteit. Maar de gedachte behoort tot de essentie en de grondslag van de goddelijke denker die denkt – dat ‘denkt’.
Nu nog een ander idee, rechtstreeks ontleend aan onze esoterische studiecyclus. Deze verschillende monaden die de constitutie van een wezen gaan vormen – laten we zeggen van een mens als voorbeeld van onze beschouwing: deze verschillende monaden, of elk van de samenstellende monaden van de constitutie van de mens is niet alleen één van de wezenlijke delen van de constitutie, die zich uitstrekt van het goddelijke tot het stoffelijke, maar ieder monadisch centrum is zelf een geestelijk wezen, een levende, groeiende en lerende entiteit, evenals de menselijke monade die we de ‘mens’ zelf noemen.
Elk van deze samenstellende monaden of wezenlijke delen is als individu, zoals u of ik. Ik verwijs u naar het diagram in mijn Beginselen van de Esoterische Filosofie, blz. 234. Als mens is ieder van ons bhûtâtman; maar de prânâtman is eveneens een groeiend en lerend wezen, geworteld in dezelfde kosmische godheid waar ik zojuist over sprak; het groeit dus en is daarom bestemd in zijn evolutionaire ontwikkeling een mens te worden; en om na het menszijn te hebben bereikt een god te worden; na het godstadium een supergod, enz.; eeuwig opklimmend langs de ladder van het leven. Een schitterend beeld; altijd omhoogklimmend, zich altijd uitbreidend in bewustzijn, zich steeds ontwikkelend, dus altijd van vorm en eigenschappen en individualiteit en persoonlijkheid veranderend; want dit brengt steeds meer van de essentie van de innerlijke god naar buiten, maar bereikt die toch nooit volkomen omdat die godheid grenzeloos is. Een eeuwig beginsel, hetzelfde voor elke monade in de constitutie van de mens – eeuwig, omdat de essentie ervan behoort tot de eeuwige essentie, niet eeuwig omdat het een ‘ziel’ heeft of is, hetzij mijn of uw ziel. Er is dus geen eeuwig, onveranderlijk en blijvend beginsel in de mens dat als ego in zijn onveranderde of ongewijzigde individualiteit eeuwig blijft bestaan, want ieder ego groeit en verandert dus voortdurend. Daarom is het idee van een niet veranderend blijvend ego of ‘ziel’ een illusie; het is een droombeeld; het is volkomen illusoir. Elk atoom in de mens is in zijn innerlijkste kern net zo’n monade als de mens zelf; en wij mensen zijn op precies dezelfde manier de monaden die samen de constitutie van een god vormen. In ons geval is deze god de godheid die de opifex [Latijn: bouwmeester, vervaardiger, maker.] van ons zonnestelsel is, onze solaire godheid. Denk na! In het diagram in Beginselen van de Esoterische Filosofie waarnaar ik verwees, zien we de âtman. Deze werkt en manifesteert zich door de jîvâtman; deze laatste door de bhûtâtman; en deze weer door de prânâtman. Ik heb hier maar vier monaden vermeld; als we echter onze constitutie als geheel nemen is hun aantal in de mens legio, onberekenbaar groot als we ook de menigten levensatomen meetellen. Ieder levensatoom dat meehelpt om de constitutie van de mens te vormen, is in zijn kern een monade en daarom in essentie een godheid.
Mijn âtman – om deze als voorbeeld te nemen omdat we nu spreken over de gedifferentieerde werelden – mijn âtman zal eens uitgroeien tot de godheid van een zonnestelsel; en alle verschillende monaden die nu mijn constitutie vormen en zich hier als mens manifesteren zijn dan de aartsengelen en engelen van dat toekomstige zonnestelsel, om de christelijke termen te gebruiken; de dhyâni-chohans in hun verschillende graden, om onze theosofische termen te gebruiken. Deze verschillende onontwikkelde monaden die zelfs mijn stoffelijke constitutie helpen samenstellen, leven in hun verschillende cellen; en deze verschillende cellen bestaan uit levensatomen op uiteenlopende gebieden. In die verre toekomst, waarover ik zojuist sprak, zullen al deze cellen en levensatomen die nu mijn stoffelijke ‘ik’ vormen, de samenstellende elementen van dat zonnestelsel zijn, als ik de reis met succes volbreng en de godheid van een zonnestelsel in de ruimten van de Ruimte ben geworden; elk daarvan is dan zover geëvolueerd dat het daarin werkt en zijn eigen bijzondere en bepaalde plaats inneemt; en ik, de godheid in mij, zal dan de leidende godheid zijn van dat zonnestelsel, zoals wij hier de samenstellende elementen zijn van vroegere levensatomen van Vader Zon in een ver achter ons liggend tijdperk van het kosmische verleden.
Er is dus, zoals ik hiervoor heb uitgelegd, geen eeuwig, blijvend en onveranderlijk individualiteitsbeginsel of ‘ziel’ in de ‘mens’. Het is een absolute waarheid dat er geen blijvend, afgescheiden en onveranderlijk beginsel in de mens is, los van het overeenkomstige beginsel in u, mijn broeder, of in een ander wezen. Dat is de ketterij waartegen de Boeddha heeft gestreden en waar onze eigen meesters zich door hun leringen zo krachtig tegen verzetten. Er bestaat niet zo’n onsterfelijke, onveranderlijke en dus altijd blijvende ‘ziel’; maar de essentie van de mens is onsterfelijkheid. Ieder atoom in zijn constitutie, geen uitgezonderd, is in zijn diepste kern een onsterfelijke godheid, op grond van zijn essentie, de essentie van de kosmische godheid. Ik ken geen leer in onze school die ons hart zo van trots zuivert, die het menselijk denken zo snel ontdoet van illusie als juist deze prachtige gedachten waarover ik heb geprobeerd te spreken. U zult de luister die in u is nooit volledig beseffen als u niet wordt vervuld van de mooiste gedachte van alle. Welke is dat? Ik ben één met het goddelijke en er is geen blijvende, onveranderlijke en dus afgescheiden persoonlijke ziel in mij; want ik ben dat. Dit is de leer van het volkomen saamhorigheidsgevoel, de volstrekte eenheid van al wat is, van god tot atoom, met het hart van de dingen.
Als de mens die nu op aarde is van die gedachte zou zijn doordrongen, van die leer zou zijn vervuld, dan zouden alle problemen van de aarde snel verdwijnen. Door zich bewust te zijn van hun essentiële eenheid en van het feit dat wat de één beïnvloedt allen beïnvloedt, zouden de mensen instinctief en uit liefde handelen als broeders, want ze zouden denken als broeders; ze zouden in de mysteriën die in de diepten van het menselijk oog zichtbaar worden veel meer van wezenlijk menselijk belang zien, dan wanneer ze hun geldbuidels natellen of de schatten taxeren in de uitpuilende kluizen van onze banken. Alle menselijke problemen zouden gemakkelijk geregeld kunnen worden omdat men zou beseffen dat wat de één doet lijden, zijn terugslag heeft op de ander, innerlijk en uiterlijk.
Trek die gedachte door. Het is in wezen in het zakenleven precies als in de filosofie. Iemand die probeert zijn concurrent in het nauw te brengen, benadeelt zijn eigen zaak, want die persoon moet juist tot klant worden gemaakt en is volgens de wetten van de natuur echt een klant, tenzij men hem ruïneert, hem uit zijn zaak drijft, wat betekent dat zijn koopkracht wordt vernietigd. Dezelfde regel waarvan we zo in de praktische zaken van ons leven een voorbeeld zien, geldt ook in de wereld van de geest en de ziel. Ik kom veel sneller vooruit als ik mijn medemensen help, als ik inzie dat ze als het ware bestanddelen van mijn eigen wezen zijn; dat er in mijn medemens iets is dat mij nader staat dan mijn eigen handen en voeten, dan mijn eigen geest, mijn eigen hart, mijn eigen ziel, want het is de essentie van het goddelijke in hem die identiek is aan die essentie in mij.