![]() | ![]() |
![]() |
| Meer over het levenssurplus
Het levenssurplus betekent dat tijdens het proces
van het ontrollen van het gemanifesteerde heelal als we de christelijke
analogie overnemen, kunnen we spreken van het ontrollen van een boekrol
waardoor het op de rol geschrevene dat het gemanifesteerde heelal voorstelt,
kan worden gelezen dat tijdens het proces van het ontrollen alles wat
op de eerste stap volgt het levenssurplus is. Als we het zo zien vouwt
de rol zich zeven keer open om de zeven beginselen van de menselijke constitutie,
van de constitutie van het heelal of van iets anders voort te brengen.
Iedere stap of elke ontrolling betekent het naar buiten brengen van een
zevende van het totale leven. Als de levensrol dus één keer is uitgerold
is ātman gemanifesteerd en blijft er nog zes zevende te ontrollen, namelijk
buddhi, manas, kāma, prāna, lingasarīra en sthūlasarīra. Als de rol tweemaal
is ontrold, bij wijze van spreken, zijn ātman en buddhi verschenen en
is het levenssurplus van de andere vijf nog onontwikkeld.
Neem als analogie de bouw van een planeetketen of een
zonneketen: als bol A voor het eerst verschijnt, bevat het levenssurplus
dat zich vanaf bol A begint te ontvouwen, als bol A voor die ronde
is voltooid, de bollen B, C, D, E, F en G, dus alle zes andere bollen
als we het zevenvoudige beeld volgen. Dit levensoverschot of levenssurplus
bestaat, nadat bol A zijn eerste ontwikkelings- of verschijningsvorm heeft
ontvangen, uit de zes andere bollen. Bol B, het levenssurplus gaat dan
een trap lager en brengt bol B tot ontwikkeling. Het levenssurplus dat
overblijft is: de bollen C, D, E, F en G vijf. Het levenssurplus wentelt
van bol B omlaag en werkt aan bol C om die volgens de in de eerste ronde
geschetste manier voort te brengen. Het levenssurplus bevat dan nog vier
bollen die nog ongemanifesteerd zijn en voortgebracht moeten worden, namelijk
de bollen D, E, F en G. Zo gaat het proces door tot er, als de laatste
bol, bol G is ontworpen of geschetst, geen levenssurplus meer bestaat;
dat surplus bestond uit alle zes bollen zodra bol A was verschenen.
Zo gaat het ook in de constitutie van de mens. Bij reļncarnatie
is dezelfde regel van kracht. Tijdens de wederbelichaming is ātman het
eerste van de zeven beginselen dat verschijnt en werkzaam wordt. Dan komt
het levenssurplus en brengt buddhi voort. Het resterende levenssurplus
brengt manas voort en zo gaat het verder tot de mens is gevormd: zeven
stappen waarin het hele levenssurplus wordt gebruikt tot de volledige
mens er is.
In ieder stadium betekent het levenssurplus dus dat het
restant van de volledige constitutie of levenskracht zich nog niet heeft
ontrold en gemanifesteerd. Als alle stappen zijn gedaan is het hele levenssurplus
ontwikkeld.
Nu de kwestie van de gang van de monaden door de lagere
rijken: in de eerste ronde van de planeetketen moeten alle monaden bovenaan
beginnen en de ronde omlaag doorlopen tot bol D, de laagste, onze aarde,
en dan weer omhoog naar bol G; in die eerste ronde moet iedere monade,
ongeacht haar niveau, door elk van de natuurrijken gaan. Waarom? Omdat
iedere klasse van monaden nodig is om bij de bouw van het skelet van de
toekomstige planeetketen te helpen; iedere monadische klasse draagt haar
eigen deel bij: de hoogste klassen dragen hun hoogste deel bij, de lagere
klassen hun lagere deel, de laagste hun laagste deel. In de eerste ronde
moesten de goden dus elk rijk doorlopen om in ieder rijk de goddelijke
aspecten voort te brengen, in werking te stellen en op gang te brengen.
Toen begon de tweede klasse van monaden de geestelijke hetzelfde te
doen. Ze moesten er vanaf het begin doorheen opdat deze op één na hoogste
klasse haar werk kon aanvangen om aan alle rijken dat tweede element of
beginsel, die eigenschap, kracht of materie te geven. De derde klasse
van monaden deed hetzelfde op haar tocht door elk rijk van iedere bol;
en dat geldt voor alle, van de goden tot de levensatomen.
Maar te beginnen met de tweede ronde veranderde de werkwijze
en u zult zien waarom. Het is al vaak gezegd. Toen hadden immers de
architecten het ontwerp gemaakt, de blauwdrukken waren er; de huizen,
tempels, gebouwen, structuren waren allemaal opgezet. Te beginnen met
de tweede ronde ging daarom iedere klasse van monaden snel door de lagere
rijken, omdat zij niet werden aangetrokken door die lagere rijken. Dat
gaat tegenwoordig net zo wanneer het menselijke ego zich wederbelichaamt;
het brengt in het lichaam van het ongeboren kind maar enkele maanden door
in de baarmoeder. Het wordt daar niet tot iets aangetrokken maar moet
dit wel doormaken om zijn lichaam te krijgen. Zodra het is geboren, begint
het te groeien. De lagere rijken voelen zich echter enorm aangetrokken
tot de lagere delen van de natuur. Ze storten zich omlaag in de stof waartoe
ze worden aangetrokken. We noemen dit de wet van versnelling voor de lagere
rijken die stormen omlaag. Maar als ze beginnen op te stijgen is de
aantrekkingskracht van de stof zo sterk dat de lagere rijken worden tegengehouden.
Ze moeten een vreselijke strijd leveren. Het is als een auto die een heel
steile heuvel opklimt en dan steeds langzamer gaat rijden tot hij net
de top haalt. Ik weet niet of er tegenwoordig nog zulke autos worden
gemaakt! Aan de andere kant is voor de geestelijke monaden op de neergaande
boog de aantrekkingskracht van de geest zo enorm sterk, dat hun gang omlaag
hoe langer hoe moeilijker verloopt hoe verder ze in de stof afdalen, en
het proces vertraagt. Dat noemen we de wet van vertraging omdat de aantrekking
omhoog is gericht. Als deze geestelijke entiteiten bol D hebben bereikt,
ondervinden ze hier zo weinig aantrekking dat, zodra de opgaande boog
begint en de tijd verstrijkt, ze eerst langzaam beginnen te lopen, dan
snel en vervolgens beginnen te rennen om tenslotte omhoog te stormen.
Het is een kwestie van aantrekkingskracht, en wat we de wet van versnelling
en vertraging noemen omvat beide gevallen.
Aspecten van de Occulte Filosofie, blz. 113-5 ©
1999 Theosophical
University Press Agency |