Het levenssurplus
De uitdrukking ‘levenssurplus’ in de beschrijving van de bouw van de bollen van de planeetketen wordt gebruikt in technische zin; ik zal proberen daarvan een illustratie te geven door op twee groeiende dingen te wijzen die met steeds toenemende kracht en in steeds grotere mate reserves voortbrengen of een surplus: te weten de groei van een zaad tot een plant en de groei van een mens uit een menselijke kiem. Uit het zaad vloeit het surplus, in technische zin, aan leven dat het zaad bevat. Dit surplus bestaat eerst uit de groene loot, dan een blaadje, dan de stam en de takken en bladeren, tenslotte de vrucht die andere zaden voortbrengt. Surplus betekent dat wat voortvloeit of zich ontvouwt uit wat binnenin is opgesloten. Ook de groei van een mens uit een menselijke kiemcel kan worden beschreven in de technische betekenis van surplus. Uit het zaad komt het embryo, dat uitgroeit tot het ongeboren kind, dat tenslotte ter wereld komt, een kind wordt, een jongen of meisje, en daarna een volwassen man of vrouw, die van binnenuit de tot dan toe latente krachten en eigenschappen van hoofd en hart ontvouwt; daarna beginnen de morele en geestelijke eigenschappen zich te tonen die niet zichtbaar waren in de kiem, in het embryo, in het ongeboren kind of in de puber. Dit is het ontvouwen van het levenssurplus.
Nadat in een ronde de levensgolven bol A hebben gevormd, betekent het ‘levenssurplus’ dus niet alleen wat er is overgebleven in de gewone zin van het woord; het wil zeggen de overgebleven voorraad, het grootste deel, het veelomvattende leven, de eigenschappen, krachten en vermogens die zijn opgeslagen in bol A, maar zich daar onmogelijk kunnen manifesteren omdat daar hun terrein niet ligt; en die gaan over naar bol B en brengen bol B, het volgende stadium, tot ontwikkeling. Als bol B tot op zekere hoogte in de eerste ronde is ontwikkeld, daalt hetzelfde surplus aan leven af en ontwikkelt bol C. En zo verder langs de hele keten.
Na voltooiing van de eerste ronde is er niet langer sprake van het ontrollen, of uitrollen of loswikkelen; er is geen evolutie meer van wat binnenin aanwezig is wat ongemanifesteerde bollen betreft, want ze zijn al op het toneel verschenen. Ze zijn er en als de levensgolven voor de tweede ronde en alle volgende ronden de keten weer binnenkomen, volgen ze slechts de gebaande wegen; natuurlijk evolueren ze, groeien en brengen natuurlijk het levenssurplus in zichzelf tot ontwikkeling; maar niet om de keten op te bouwen, behalve ter verbetering en nogmaals ter verbetering. Begrijpt u de gedachte? Het is wat de oude stoïcijnen bedoelden toen ze spraken over de geest die zijn levenssurplus van binnenuit ontrolt, als kind ervan, het volgende gebied in de kosmos dat, laten we zeggen æther was; toen geest en æther waren ontvouwd, ging het levenssurplus, wat slechts wil zeggen al het tot dan niet ontwikkelde en niet ontplooide, over naar het volgende stadium en vormde het derde, het geestelijke vuur. Dan naar de volgende, lucht, water, aarde. Daarna is het heelal gemanifesteerd, het huis is voltooid.
De sishta’s belichamen een heel andere leer en we kunnen ze ook wel overblijvers noemen, achtergelaten nadat het levenssurplus verder is gegaan; maar niet in de technische betekenis die werd bedoeld bij de beschrijving van de bouw van de bollen van een keten in de eerste ronde.
Nog enkele opmerkingen over de diagrammen in Beginselen van de Esoterische Filosofie (blz. 592-3). We zien hier de vier voornaamste monaden van de constitutie van de mens – de vier belangrijkste: de goddelijke monade, de geestelijke monade, de menselijke monade, de astraal-dierlijke monade. U zult zien dat ik in mijn boeken herhaaldelijk vooral naar die vier verwijs. Er zijn nog andere, maar van deze vier kunnen we zeggen dat ze de grondslagen van onze constitutie vormen. Het zijn werkelijk prachtige diagrammen. Het zijn geen afbeeldingen. Het zijn geen foto’s. Het zijn symbolen, zinnebeelden. Ze duiden op waarheden. Het zou bijvoorbeeld belachelijk zijn te zeggen dat de goddelijke monade een driehoek is. Dat wordt niet bedoeld. Het betekent dat in de goddelijke triade drie fundamentele- of basiseigenschappen latent aanwezig zijn die samensmelten, zich verenigen en die opstijgen naar dit goddelijke punt, een layacentrum, en naar een hogere hiërarchie overgaan. Met de lagere triade is het net zo. U ziet hier dus een punt in de stof dat zich ontplooit naar de geest – naar wat voor haar geest is – groei. Daartegenover laat het schema een waarheid zien van heel andere aard: als een mens zijn houvast aan de god in hem kwijtraakt en valt, begint hij langzaam in te krimpen, te slinken: eigenschappen, vermogens, krachten, alles: tot een punt in de stof; dan wordt hij in een wegvloeiende stroom gevangen en verzinkt hij in de afgrond.
Nog een gedachte: het veld van handeling en bewustzijn van de goddelijke monade strekt zich uit over de hele melkweg waaronder onze eigen zonnewereld; van de geestelijke monade over ons zonnestelsel; van de menselijke monade over onze hele planeetketen; en van de dierlijk-astrale over onze bol die de gewone aardse mens voortbrengt. Het pad omlaag heet technisch het pad van de maan. Het pad omhoog heet technisch het pad van de zon.
Een laatste gedachte: Als het grote kosmische manvantara zijn einde nadert en de prâkritika-pralaya naderbij komt, als in het rijk van de zon alles op het punt staat over te gaan in het onzichtbare, dan wordt, niet alleen voor de mens, want het schema slaat op ieder wezen of elke entiteit, de lagere triade ingevouwen, ingetrokken, en verdwijnt ze in de lagere duade. Deze wordt op haar beurt ingevouwen, ingetrokken, en verdwijnt in de hogere triade; op haar beurt wordt deze, als de tijd voor eenzelfde gebeuren aanbreekt, ingevouwen, ingetrokken en verdwijnt ze in het goddelijke. Dat is het invouwen, de involutie en als de tijd voor manifestatie weer aanbreekt, emaneert het goddelijke zijn levenssurplus en vormt eerst zijn omhulsel of kind of voertuig. Hetzelfde gebeurt met de hogere duade: de geestelijke monade, die op haar beurt in haar kern het goddelijke bezit, emaneert, ontvouwt of ontwikkelt de lagere duade als haar ‘levenssurplus’; en die lagere duade, met de twee hogere in haar kern, doet precies hetzelfde: ze zendt haar levenssurplus uit om haar kind te vormen, haar eigen kleed of gewaad, de aardse mens.
Op het andere diagram (blz. 592 van Beginselen) dat gelijk is aan het tweede, maar opengevouwen, uitgerold – zien we dat de tussenliggende duaden samensmelten en het tussenliggende viertal vormen, met erboven de goddelijke triade terwijl het op de lagere triade rust. Ik vestig nogmaals uw aandacht op wat werkelijk een heel bijzondere gedachte is: de tussennatuur kan zich niet manifesteren als ze niet uit haar Vader in de Hemel, de goddelijke monade, wordt geboren en tegelijk voor zichzelf belichamingen vindt die ontstaan uit de gebieden daaronder en zich ontplooien zodat ze erin kan werken. Een vreemde paradox – zijn eigen uit zichzelf geboren kind ontmoeten, maar zelf omhooggroeien naar het goddelijke. Om te herhalen wat ik eerder zei: als een mens zijn band met het hogere kwijtraakt en wordt aangetrokken naar omlaag, vindt het tegenovergestelde plaats van wat ik zei en begint hij te slinken tot een punt en verdwijnt hij.