![]() | ![]() |
![]() |
| Goed en kwaad
Onlangs deed iemand de uitspraak dat alle krachten
en substanties, energieën en eigenschappen van het universele zijn in
wezen goddelijk zijn. Deze uitspraak is in abstracte of absolute zin juist
als we ons denken naar binnen richten tot in het hart van parabrahman.
Maar de uitspraak, zoals ze werd gedaan, is niet voldoende. Als de uitspraak
wel afdoende was, zou er nergens in de oneindigheid kwaad bestaan. Met
andere woorden, er zou geen scheiding kunnen zijn tussen hoog en laag,
goed en slecht, rechts en links – met andere woorden, geen ‘paren van
tegengestelden’ – want alles zou goddelijk zijn. Het zou een bevestiging
betekenen van het onfilosofische gepraat van sommige moderne absoluut-idealistische
theoretici: ‘Alles is goed’ – wat beslist geen werkelijk filosofische
uitspraak is.
Al is het juist dat er tegen de absolute zin van de uitspraak
waarschijnlijk geen bepaald bezwaar kan worden gemaakt – want het goddelijke
bestaat, de volstrekte godheid, parabrahman, het hart ervan, en daarboven
en nog meer naar binnen, wat de wortelloze wortel van alle wezens en dingen
is – we hebben het dan over parabrahman, de oneindigheid in haar ontoegankelijke
hoogste gebieden, onbereikbaar voor het menselijk intellect; het gaat
hier om het oneindige en zeg mij eens wanneer het oneindige zichzelf in
‘paren van tegengestelden’ verandert en aan de ene kant manvantara en
aan de andere kant pralaya ondergaat. Oneindigheid betekent absolute,
grenzeloze, begin- en eindeloze onveranderlijkheid in die zin dat de oneindigheid,
als oneindigheid, nooit het eindige of het beperkte wordt; maar binnen
het oneindige bevinden zich menigten van werelden en stelsels van werelden
die in de eeuwigheid voortdurend en altijd maar weer evolutionaire veranderingen
ondergaan en gekenmerkt worden door ‘paren van tegengestelden’. Er komt
dus nooit een tijd, nooit in de verste eeuwigheid, dat alles, d.w.z. de
hele oneindigheid, verdwijnt in het hart van parabrahman; want dat zou
betekenen dat de oneindigheid verandert en soms in manvantara en soms
in pralaya verkeert. Maar deze veranderingen slaan alleen op gemanifesteerde
dingen en de oneindigheid is als oneindigheid nooit aan manifestatie onderworpen,
want alleen eindige dingen veranderen. Zolang de oneindigheid is, zolang
de eeuwigheid duurt, dat wil zeggen eeuwig zonder einde, zullen ‘goed’
en ‘kwaad’, die een tegenstelling betekenen, de eeuwige wegen van het
heelal zijn; rechts en links, hoog en laag, en de eindeloos variërende
contrasten van manifestatie, en vandaar goed en kwaad, zullen even eindeloos
hun contrasten tonen.
We moeten inzien dat dit een belangrijke waarschuwing
inhoudt. Maak niet de fout die te negeren. Goed, eindeloos goed, bestaat
alleen in de gemanifesteerde toestanden van het universele zijn; en ook
kwaad, eindeloos kwaad, bestaat alleen in de gemanifesteerde toestanden
van het universele zijn; en in hun samengestelde en ingewikkelde combinaties
vormen die de eeuwige tweevoudige wegen van de wereld. Wat zijn de mâmo-chohans,
die gevreesde wezens die tijdens de pralaya’s heersen, die nu in de stoffelijke
gebieden heersen en in het kosmische drama hun rol spelen, zoals de verheven
goden een tegenovergestelde rol spelen in hetzelfde kosmische drama? Deze
gedachte bevat de waarheid, de twee zijden: duisternis en licht, rechts
en links, goed en slecht, hoog en laag, eeuwig, eeuwig en eeuwig in de
eindeloze oneindigheid. Het is een geheim dat de christenen ten dele in
bezit kregen, een fragment van de occulte leringen uit het heiligdom;
ze hebben het verdraaid en verminkt en er eigenlijk een karikatuur van
gemaakt en ze noemden de ene kant van de tegenstelling ‘God’, en de andere
kant de ‘duivel’. Zo’n verminking is in geen enkel opzicht juist! Deze
tegenstelling bestaat eenvoudig uit de eeuwig en altijd veranderende structuur
van de gemanifesteerde heelallen in de volstrekte oneindigheid, die de
speelplaats, het toneel, het grenzeloze terrein is van heelallen die verschijnen
en verdwijnen, omdat ze hun rol spelen als de kosmische zonen van het
licht; dat slaat ook op de mâmo-chohans en hun legioenen, die hun eigen
rol spelen bij de bouw en het instandhouden van het stoffelijke heelal,
die niettemin worden geleid door de zonen van het licht, en die in de
loop der eeuwigheden opklimmen van het duister naar het licht, voortdurend
ververst door nieuwe instromingen op het kosmische toneel als de goden
vooruit en omhooggaan en de mâmo-chohans achter hen aankomen. Kunt u zich
dat voorstellen?
De waarschuwing is: Laat uw denken niet in de war brengen
door de gedachte dat het ooit veilig is met het kwaad te spelen, in welk
verband, bij welke gelegenheid, op welke wijze ook. Zo’n spel betekent
achteruitgaan, degenereren, u aansluiten bij de mâmo-chohans, de krachten
van de duisternis, van het kwaad, van geestelijke dood. Licht is licht
en duister is duister – elkaars tegengestelde. Goed is goed en kwaad is
kwaad – elkaars tegengestelde. Rechts is rechts en links is links, tot
in eeuwigheid. Geen wonder dat de meesters roepen, de goden roepen: Wie
staat aan mijn kant? Doe uw keuze. U bent allen vrije mensen. U kunt niet
spelen met de krachten van de natuur. Occultisme betekent het wegen van
uw eigen ziel op de schaal van het lot. U gaat of omhoog of u gaat omlaag.
Er is geen andere keuze; en ik geloof dat het de hoogste tijd is dat deze
feiten beter bekend raken. Ze zijn helemaal niet esoterisch in de zin
dat ze geheim zijn en alleen aan enkele uitgekozenen en uitverkorenen
worden verteld. In al onze standaardwerken wordt er openlijk over gesproken.
Deze feiten van de natuur waren de grondslag van de universele dualiteit
die de kern vormde van het stelsel van denken van Zarathoestra en van
anderen.
Als men deze belangrijke feiten goed begrijpt, geeft dat
enorm veel rust en geluk en vrede, want ze brengen intellectuele harmonie
en geestelijke verlichting in het denken; als alleen het goede bestaat
en geen natuurlijk kwaad kan iemand mij dan verklaren hoe het kwade kan
bestaan? Als u zegt dat het kwaad maar een illusie is, wat juist is als
we begrijpen wat illusie betekent, wil dat niet zeggen dat u ontkent dat
het kwaad bestaat, al bestaat het dan als illusie. Wij mensen leven in
een wereld van mahâmâyâ of kosmische illusie; en door het slechts ‘illusie’
te noemen wordt die vorm van mâyâ die wij mensen kwaad noemen niet vernietigd.
Begrijpt u? Als de oneindigheid ‘goed’ is, is ze kennelijk oneindig ‘goed’,
en dan is daarin geen ruimte voor het kwaad en voor onvolmaaktheid, en
voor de kosmosomvattende reeksen paren van tegengestelden en contrasten;
en de hemel weet dat die bestaan!
Sta daarom aan de kant van de goden, de zonen van het
licht, van de geest. Ga verder en omhoog: Excelsior, steeds hoger! Dat
is onze weg. Maar speel in dit verband geen spelletje met uw gedachten,
want wat u ook denkt en wat u ook zegt, u staat aan de ene kant of aan
de andere.
II
Na eerder te hebben gesproken over het onderwerp
goed en kwaad, hoorde ik dat wat ik heb gezegd verkeerd werd weergegeven
en ik meende daarom dat het goed was de eerste gelegenheid die me werd
geboden aan te grijpen om enkele woorden te zeggen en diegenen uit de
droom te helpen die de bedoeling van wat ik zei verkeerd hebben begrepen.
Toen ik over het ene aspect van het heelal sprak als slecht en over het
andere als goed en over het onderlinge verband tussen deze twee die elkaars
tegengestelde zijn en zich dus van elkaar onderscheiden als de eeuwige
wegen van de wereld, waren dat algemene uitspraken, abstracte uitspraken
die, hoewel indirect, wel degelijk van toepassing waren op menselijke
problemen – menselijk goed en kwaad, enzovoort. Het was beslist niet mijn
bedoeling uiting te geven aan het oude christelijke theologische idee
dat er een oneindige persoonlijke god is die ‘goed’ is; en een oneindig
iets of iemand dat of die slecht is en, zo niet de duivel, dan toch de
duivel in een ander jasje is! Nee, dat was mijn bedoeling helemaal niet.
Probeer me nu in gedachte te volgen, niet alleen in de
tijd maar in de abstracte ruimte, dat wil zeggen geen bepaald deel van
de ruimte zoals onze aarde, of de planeten Venus of Mars of de zon, of
de poolster; maar de ruimte in het algemeen, overal, abstracte ruimte;
en hetzelfde voor de tijd: geen bepaald tijdstip zoals nu, of morgen of
gisteren of duizend of tien miljard jaar geleden, of even zo lang in de
toekomst. Maar abstracte tijd, elke tijd, overal. Als verandering,
verdeling, tegengestelden, tegenstelling, contrasten, licht en donker,
geest en stof, goed en kwaad, kort en lang, als deze en alle andere eeuwige
contrasten zouden verdwijnen uit het oneindige grenzeloze, dan zou alles,
hoog en laag, van geest tot de meest grove stof, ook verdwijnen, omdat
het gehele heelal in al zijn oneindige manifestaties – en ik gebruik het
woord heelal hier in de absoluut grenzeloze betekenis – uit deze contrasten
is opgebouwd. Wij noemen dat pad of aspect dat omhoogvoert de rechterhand,
vaak ook de kant of het pad van licht, van het goede, van mededogen, van
harmonie; we spreken over de andere of contrasterende kant als de kant
van onvolmaaktheid, van beperking, van gebrek, van nog niet ontplooide
eigenschappen – in feite van alles dat tegenover de rechterhand staat,
als de kwade kant van de natuur, de duistere zijde of de linkerhand.
Zijn deze dingen aan de ene kant, die slecht zijn, en
die bestaan op grond van het contrast met de dingen die goed zijn aan
de andere kant – zijn deze zelfde, identieke dingen eeuwig slecht, eeuwig
onveranderlijk, voor altijd als wezenlijk slecht vastgelegd? Kennelijk
niet. Er is als het ware voortdurend sprake van het wentelen van het wiel
van het kosmische leven, van de kleinere wielen van kosmische levens;
zodat het kwaad dat omhoogstijgt met het wiel minder kwaad wordt, minder
onvolmaakt, want onvolmaaktheid gaat langzaam over in betrekkelijke volmaaktheid.
Onvolmaaktheid noemen we ‘slecht’; de betrekkelijke volmaaktheid noemen
we ‘goed’. Dit proces is al sinds oneindig ver in het verleden aan de
gang, en is eindeloos. Er was nooit een begin; er komt nooit een eind
aan, in de tijdeloze tijd, let wel, van het gemanifesteerde zijn
– hetzij geestelijk gemanifesteerd of stoffelijk gemanifesteerd, en deze
twee vormen de eeuwige kosmische dualiteit. Wis ze uit en alle manifestatie
verdwijnt, want dan zouden er geen contrasten meer zijn. Is onvolmaaktheid
dan oneindig? Waar kunt u me een plek tonen waar manifestatie – onvolmaaktheid
– eindigt? Ik ken zo’n plaats niet. Ze is dus eindeloos. Omgekeerd, toon
me een plaats waar geen licht is, waar de andere kant, de andere pool,
het goede genoemd, niet bestaat. Waar eindigt het? Ik ken zo’n plaats
niet. Het ‘goede’ en het ‘slechte’, het volmaakte en onvolmaakte en alle
tussenliggende en betrekkelijke graden van beide – maar het volmaakte
kent geen einde en het onvolmaakte kent geen einde – bestaan dus alle
in en door en op grond van dat volstrekte, onuitsprekelijke, ondenkbare
mysterie, waarnaar wij mensen met ons onvolmaakte verstand slechts kunnen
verwijzen met de woorden van de vedische wijze – dat.
Onvolmaaktheid en volmaaktheid zijn betrekkelijke termen,
want ze bestaan beide in graden; en beide zijn bevat in de omringende,
omvattende schoot van de eindeloze gebieden van het grenzeloze. Al deze
zijn kinderen van het grenzeloze. Zelfs het onvolmaakte wordt gemanifesteerd
door het grenzeloze. Dit betekent niet dat het onvolmaakte eeuwig goed
is, want dat is niet zo. Maar kijk nu in de andere richting, naar de rechterhand.
Kijk naar wat wij het ‘volmaakte’ noemen. Het feit alleen dat volmaakt
en meer volmaakt en nog meer volmaakt bestaat, door de eeuwigheid heen,
bewijst dat zelfs dat waarover we spreken als de rechterhand – als we
de afstanden tussen abstracte punten groot genoeg maken – bestaat uit
een opklimmende reeks graden of stappen die zich steeds verder naar rechts
uitbreiden, en dat we deze betrekkelijke stadia van toenemende volmaaktheid
‘goed’ noemen, zodat we zelfs dat wat minder ver naar rechts staat ook
goed noemen. Dezelfde gedachtegang gaat op voor de linkerhand. Wat wij
het meest onvolmaakte noemen, of het meest volmaakte van het onvolmaakte,
is in werkelijkheid goddelijk voor wezens en entiteiten die zoveel verder
naar links, naar de onvolmaakte kant, staan, dat dit minder volmaakte,
op grond van het contrast, op grond van evolutionaire ontplooiing, van
groei, van verandering naar rechts, naar verbetering, betrekkelijk geestelijk
of goddelijk kan worden genoemd. Er bestaat dus geen absolute scheidslijn
tussen rechts en links.
Nu komt er een punt van buitengewoon belang. Materie is
op zichzelf niet slecht. Wat wij vaste stof noemen bestaat eenvoudig uit
ontelbare scharen en menigten monaden die compact zijn gerangschikt en
samengevoegd; vergeleken met ons, betrekkelijk ontwaakte mensen, zijn
deze scharen en menigten in slaap. Elk van deze monaden is in haar kern
goddelijk, maar manifesteert zich niettemin als stof. Dit zijn eenvoudige
gedachten maar vormen toch een verheven leer. Men kan dus niet zeggen
dat de stof in wezen slecht is. Ze is alleen minder volmaakt geëvolueerd
of ontplooid dan wat door ons geest en de door de goden bewoonde geestelijke
gebieden worden genoemd.
De hele waarheid is feitelijk heel eenvoudig, maar mensen
raken juist door die eenvoud erover in verwarring. De gedachten van westerlingen
zijn verminkt door de leer dat er een oneindige geest bestaat, een individu,
oneindig, zonder lichaam, lichaamsdelen of hartstochten, zonder eigenschappen
welke dan ook, en dat die niettemin afgescheiden is, los staat van de
dingen die deze geest schept – een volmaakte nachtmerrie van ideeën die
door en door onlogisch en onhoudbaar zijn.
Al is het dus volkomen juist te zeggen dat het kwaad,
zelfs kosmisch kwaad, zoals wij mensen erover spreken, onvolmaaktheid
is, onvolmaaktheid in groei – onvolmaakte wezens die in een onvolmaakte
toestand leven als gevolg van hun onvolmaakte evolutionaire ontplooiing,
van hun onvolmaakte ontwikkeling – wat aan onvolmaakte mensen voortdurend
hoop geeft om zich te verbeteren, dan betekent dat niet, dat onvolmaakte
dingen of wezens in essentie goed zijn. Ik kan niet een slechte daad begaan
en mijn verstand wijsmaken dat de essentie van de daad goddelijk is en
dat ik dus niets verkeerds heb gedaan omdat er geen kwaad in het heelal
bestaat. Waar ik op probeer te wijzen is dat manifestatie neerkomt op
een vermenging van tegengestelden; anders zou er geen manifestatie kunnen
zijn, wat wil zeggen beperkingen van ontplooiing van allerlei aard. Maar
let ook hierop: het is zonder meer dwaas als iemand aanvaardt en gelooft
dat één kant van het heelal uit ontelbare hiërarchieën van schitterende
en stralende goden bestaat, die onze voorouders zijn, de geestelijke wortels
waaraan wij onze hogere delen ontlenen en dat, op grond van de wet van
contrasten, de andere kant van de natuur de goede kant niet in evenwicht
houdt of steunt. Ik bedoel met andere woorden dat er kwade krachten in
het heelal bestaan, slechte krachten: niet absoluut slecht, niet essentieel
slecht, niet buiten de schoot van het volslagen goddelijke, maar door
hun betrekkelijk grote onvolmaaktheid zijn ze bepaald slecht voor de mensheid
en voor andere wezens die zich min of meer op onze sport van de levensladder
bevinden. Verder zijn er, om dezelfde reden, plaatsen in het heelal die
voor ons slecht zijn; dat zijn ware hellen, echter niet in de christelijke
betekenis van het woord, maar bollen die zo grofstoffelijk zijn dat voor
ons mensen het leven daarop een hel zou zijn; daarom zijn de invloeden
ervan op de mens slecht en sporen ze de mens tot het slechte aan, want
deze invloeden bestaan voor het grootste deel uit de grove, zware uitwasemingen
uit de duistere zijde van de natuur en ze zijn grotendeels verantwoordelijk
voor de beproevingen waaraan mensen maar al te vaak bezwijken.
Het is onze plicht ons te verbinden met onze ‘Vader in
de Hemel’, met de godheden, onze behoeders en beschermers, die met sterke
hand zorgen dat we veilig zijn, mits wij hen volgen: met andere woorden,
het is onze hoogste plicht het pad van de rechterhand te volgen; aan de
andere kant zullen we als we dat niet doen en negatief worden en ons blootstellen
aan de grove uitwasemingen van de grofstoffelijke sferen, ongetwijfeld
het pad omlaag inslaan – terwijl we anders beslist het pad naar de goden
volgen.
Het zijn deze gedachten, afkomstig uit het heiligdom van
de mysteriën, die in sommige exoterische religies, zoals het christendom,
werden overgenomen en vaak afschuwelijk werden verminkt en verdraaid.
Maar er is één punt waarop de occulte leer en de christelijke theologie
het, wonderlijk genoeg, eens zijn. De christelijke theologie ontkent dat
de stof in wezen slecht is. Dat doen wij ook. Zelfs in de meest helse
delen van de melkweg, in zijn grofste en meest duistere sferen – en er
zijn er enkele waarvan u als u ze kende vannacht niet zou slapen – zelfs
in die plaatsen is elk mathematisch punt van de sferen en bollen waaruit
deze plaatsen bestaan, in wezen even goddelijk als de sferen van
licht waarin de goden op hun gebieden leven. Denk daarom niet dat stof
op zichzelf slecht is. Dat zou betekenen dat slecht eeuwig slecht is en
nooit van onvolmaaktheid kan overgaan in groeiende volmaaktheid, met andere
woorden, dat wezens nooit van slecht goed kunnen worden. Het kwaad, in
abstracte zin, bestaat uit vergankelijke toestanden – hoe lang ze ook
mogen duren – waar monaden doorheen gaan tijdens bepaalde fasen van hun
eindeloze omzwervingen omhoog en vooruit.
Nergens is het kwaad dus eeuwig, als iets dat in wezen
onveranderlijk is; en wat wij mensen met onze onvolmaakte intelligentie
‘goed’ noemen, blijft nergens eeuwig in een toestand van starre onbeweeglijkheid.
De helft van de gemanifesteerde oneindigheid is betrekkelijk onvolmaakt,
in een ontelbaar aantal graden; en de andere helft is betrekkelijk volmaakt
in een ontelbaar aantal graden; en er is tussen de twee geen absolute
scheidslijn. Natuurlijk spreek ik vanuit het standpunt van een mens, en
op grond van mijn menszijn trek ik mijn eigen scheidslijnen tussen goed
en kwaad. Een god zou andere scheidslijnen trekken. Een mâmo-chohan zou
weer andere scheidslijnen trekken; maar de regel zoals die is gegeven
is voor alle wezens dezelfde.
III
Ik wil graag opnieuw iets zeggen over een onderwerp
waarover ik al heb gesproken – tweemaal, of misschien driemaal. Het betrof
de esoterische leringen over de twee wegen, de eeuwige wegen, van het
heelal – goed en kwaad. Ik heb bij verschillende gelegenheden heel wat
over dit onderwerp gezegd; maar toen ik de laatste keer met spreken ophield,
besefte ik dat ik op één punt niet voldoende nadruk had gelegd en dat
punt was dat, als we het heelal zien als de onbegrensde ruimte, die geen
grenzen of beperkingen kent, er altijd in sommige delen van de onbegrensde
ruimte heelallen verschijnen en dat er manifestatie gaande is, terwijl
in andere delen de manifestatie verdwijnt – heelallen hun manvantarische
bestaan beëindigen.
Zolang er manifestatie is, is er onvolmaaktheid, en dat
noemen wij mensen het kwaad. Nu we het over de onbegrensde oneindigheid
en eeuwigheid hebben, is het dus volkomen juist te zeggen dat goed en
kwaad de eeuwige wegen van de wereld zijn; anders gezegd, volmaaktheid
en onvolmaaktheid bestaan in de grenzeloze ruimte vanaf de beginloze duur
en blijven bestaan tot de eindeloze duur, de eindeloze eeuwigheid. Maar
dat betekent niet dat er twee oneindigheden zijn, namelijk een oneindigheid
van volmaaktheid en een oneindigheid van onvolmaaktheid. Natuurlijk niet.
Was er een oneindigheid van volmaaktheid dan zou er geen onvolmaaktheid
kunnen bestaan, geen manifestatie die onvolmaaktheid betekent.
Laten we nu afstappen van de grenzeloze ruimten en ons
tot het individu wenden. Boven en buiten en binnen de kosmische oneindige
dualiteit, dwingt onze geest ons een kosmische eenheid te erkennen, en
aan deze eenheid ontspringt de dualiteit; de dualiteit bereikt haar hoogtepunt
van manifestatie en verdwijnt dan weer in de eenheid. Deze eenheid betekent
niet ‘één’, want dat zou het begin zijn van telling en dat is het begin
van manifestatie, en zou precies dezelfde fout zijn die de christenen
maakten bij hun voorstelling van hun oneindige persoonlijke god. De ‘één’
gebruik ik hier in de betekenis van de mystieke nul, zoals H.P.B. die
gebruikt, en die doelt op de alomvattende oneindigheid, waaruit de één,
elke één van de menigten enen, wordt geboren.
Ter illustratie: Neem iemand van ons, een mens. Wij zijn
gemanifesteerde wezens, daarom zijn we onvolmaakt, en gedurende de begin-
en eindeloze tijd zullen we in verschillende hiërarchieën en in verschillende
graden van volmaaktheid of onvolmaaktheid, op lagere of op hogere gebieden,
de eeuwige cyclische kringloop volbrengen van steeds verdere ontwikkeling
en ontplooiing. Maar die onuitsprekelijke wortelloze wortel in ieder van
ons, is het volstrekt grenzeloze. Dit is een heel belangrijke gedachte.
Op deze gedachte van niet-dualiteit was de hele leer van de grote hindoe-avatâra
Sankarâchârya gebaseerd, en zijn vorm van de Vedânta – een woord dat ‘de
ware betekenis van de Veda’s’ betekent, dat is van de boeken van wijsheid
– werd Advaita genoemd, dat wil zeggen niet-dualistisch, omdat zijn denken
zich hoofdzakelijk richtte op dit eindeloze goddelijke, de wortelloze
wortel die de kern van de kern van de kern van elke eenheid is in de grenzeloze
oneindigheid.
Het is een vreemde paradox, zo gemakkelijk te begrijpen
en toch zo moeilijk uit te leggen, dat terwijl de gebieden van de grenzeloze
oneindigheid, of de grenzeloze ruimte, nooit zonder gemanifesteerde, zich
manifesterende en verdwijnende werelden zijn, ze alle zijn geboren uit
en terugkeren tot dat onuitsprekelijke, ondenkbare mysterie dat we dat
noemen. Dat is niet tweevoudig en dat is bijna alles wat we erover kunnen
zeggen. Het is dus niet onvolmaakt; men kan zelfs niet zeggen dat het
volmaakt is; want volmaaktheid en onvolmaaktheid zijn termen van het menselijke
denken, dat wil zeggen termen van een onvolmaakt ontwikkelde intelligentie
– de menselijke. Het gaat uit boven volmaaktheid en onvolmaaktheid. Het
is het al, de bron en oorsprong van alle hiërarchieën van de goden, zo
hoog als u wilt gaan; en van de laagste elementen van de stoffelijke werelden,
plaats ze zo laag als u wilt. Het is het al – we hebben geen woorden om
het te beschrijven. De vedische wijzen noemden het eenvoudig dat. Het
is geen god; alle goden ontspringen eraan. Het is niet een wereld; alle
werelden komen eruit voort; en evenals de goden keren ze uiteindelijk
erin terug. Het is niet persoonlijk, het is niet onpersoonlijk, want ook
dit zijn menselijke woorden die eigenschappen van menselijke volmaaktheid
of onvolmaaktheid aanduiden. Het gaat boven alles uit. Het manifesteert
zich nooit, want de oneindigheid manifesteert zich niet. Alleen dingen
en wezens manifesteren zich. Toch komen alle wezens en dingen uit het
voort. Het bevat in zijn alomvattende schoot alles wat ooit was in de
grenzeloze, eeuwigdurende tijd, alles wat nu is, en alles wat in de eindeloze
tijd ooit zal zijn, of wat wij mensen de onbegrensde toekomst noemen.
Het is niet zo dat het denkt, maar ook niet dat het niet denkt, want denken
en niet denken zijn menselijke termen of uitdrukkingen en het is absoluut
niet menselijk. Het is niet intelligent, maar ook niet niet-intelligent,
omdat ook dat menselijke eigenschappen zijn – goddelijke eigenschappen
aan de ene kant en beperkte eigenschappen aan de andere kant.
Lao-Tse, die dezelfde gedachte onder woorden bracht, zei:
Zolang men goede mensen in de staat heeft, heeft men slechte in de staat.
Waarom? Niet door de aanwezigheid van goede mensen; maar er kunnen alleen
goede mensen zijn als er slechte mensen zijn en hun slechte daden afsteken
tegen die van de goede mensen. Begrijpt u deze diepe gedachte? Zolang
er licht is, is het duidelijk dat er duisternis is. Deze dingen, licht
en duisternis, zijn beperkt, hoe groot of hoe klein ze ook zijn; en ook
zij zijn niet dat, maar liggen alle besloten in dat. Dat is zonder begin.
De goden beginnen in een of ander manvantara en herhalen hun begin cyclisch.
De heelallen beginnen en eindigen en herhalen eeuwig de cyclussen van
manifestatie, al stijgen ze steeds naar een hoger niveau. Maar dat kent
geen cyclussen omdat het erbovenuit gaat. Het is niet een individu; het
bevat alle individuen. Elk individu is beperkt, anders zou het geen individu
zijn. Een individu is een wezen, of een entiteit, dat we kennen door het
contrast met andere wezens en entiteiten waarvan de entiteit zich onderscheidt.
U zou de ene bloem niet van een andere kunnen onderscheiden als u het
verschil tussen bloemen niet zag. Individualiteit is een teken van onvolmaaktheid,
van beperking; persoonlijkheid is dat in nog sterkere mate.
Daarom zeggen de oude boeken van wijsheid dat dat goed
noch slecht is, intelligent noch niet-intelligent; dat het noch leeft,
noch dood is; lang noch kort, hoog noch laag is. Dit zijn allemaal eigenschappen
van beperkte dingen die we niet kunnen toekennen aan het onbeperkte grenzeloze.
Als het lang was, hoe groot de lengte ook zou zijn, zou het een einde
en een begin hebben. Hetzelfde geldt voor intelligentie, vriendelijkheid,
goedheid, mededogen, harmonie – al deze dingen zijn eigenschappen van
beperktheid, zij het van de geest. Het gaat boven alle uit, omvat ze alle,
bergt ze alle in zijn schoot. Daaruit ontspringen alle; daarheen zullen
alle terugkeren.
Ik zou op deze gedachten niet zo vaak en zo sterk de nadruk
leggen als ik me niet scherp bewust was van het feit dat er diep metafysische
vragen mee samenhangen, vragen van diepgaande filosofische aard, vragen
van grote religieuze betekenis waarmee vertolkers van de theosofie eens
te maken zullen krijgen. Zij zullen onze verheven wijsheid aan de scherpste
geesten van de wereld moeten verklaren. Er zal ons worden gevraagd onze
overtuiging toe te lichten, niet langer tegenover vriendelijke toehoorders
zoals wij die in onze zalen en aula’s bijeen zien; en dan hebben we geoefende
en verfijnde geesten nodig, bekwame en ruimdenkende intellecten, mannen
en vrouwen die volledig op de hoogte zijn van onze verheven gedachtewijsheid,
zodat zij verklarende uitspraken kunnen doen die helder en bondig zijn
en overtuigingskracht bezitten voor wie tot ons komen en om licht vragen.
Aspecten van de Occulte Filosofie, blz. 149-59 ©
1999 Theosophical
University Press Agency |