![]() | ![]() |
![]() |
| Tsong-Kha-pa en de planeetgeesten
Het verheugt mij zeer dat u heeft besloten een
begin te maken met de studie van dit prachtige boek. Ik geloof niet dat
het ooit eerder goed is bestudeerd. Niet alleen staat het boordevol met
de meest fascinerende conclusies en opmerkingen, geschreven door enkelen
van de grootste geesten die nu op deze planeet zijn belichaamd, maar het
staat, als u zo scherpzinnig bent om ze te ontdekken, ook vol feiten die
in onze westerse beschaving respectievelijk onder het hoofd filosofie,
religie en wetenschap zouden worden ondergebracht. Er is geheel ten onrechte
gezegd dat H.P.B.’s De Geheime Leer sinds het in druk verscheen
en aan iedereen zonder onderscheid werd verkocht, dit boek heeft verdrongen.
Dat is volkomen onjuist. Wat men, denk ik, op zijn hoogst zou kunnen zeggen,
is dat De Geheime Leer een grote steun is als men deze verzameling
brieven ernstig en oprecht bestudeert.
Ik zou uw aandacht nog eens met grote nadruk willen
vestigen op het feit dat als u bij het lezen van De Mahatma Brieven
aan A.P. Sinnett niet in gedachte teruggaat naar de tijd waarin
ze werden geschreven, u vergissingen zult maken en moeite zult
hebben die brieven te begrijpen zoals ze waren bedoeld toen ze werden
geschreven. Begrijp me goed. Als u in deze oude brieven de wetenschap,
theologie en filosofie leest van 1940, verdraait u ze. Ze werden geschreven
aan mensen die geen opvattingen zoals in 1940 hadden, mensen die in
de gedachteatmosfeer van de laatste helft van de 19de eeuw leefden.
(Deze brieven werden voornamelijk geschreven tussen 1878 en 1886, misschien
een of twee iets later. En er waren nog enkele.) Dit is geen onbelangrijke
waarschuwing aan u, want deze brieven waren een antwoord op vragen van
denkers die doorkneed waren in de wetenschap van de tweede helft van
de negentiende eeuw, zo’n tachtig jaar geleden en in de godsdienst en
de filosofie van die tijd. Omdat ze werden geschreven aan volslagen
beginnelingen in de theosofie, mensen die er naar verhouding minder
van wisten dan wij nu, was zelfs de gekozen taal zo eenvoudig mogelijk.
Ik bedoel dat er werd geprobeerd de eenvoudigste woorden te vinden,
en ondubbelzinnige taal. Dat betekent niet dat ze geen indirecte verwijzingen
naar en versluieringen van occulte waarheid bevatten, want deze brieven
staan daar eenvoudig vol van. Het is volslagen zinloos tegen een barbaar
te spreken over dingen die zijn begrip te boven gaan. Als iemand de
eerste beginselen van de rekenkunde niet begrijpt, kan men hem veertig
jaar les geven en hij zal niet begrijpen waar u het over heeft. Dat
bedoel ik.
Denk er dus in uw verdere studie aan dat, wanneer u zinnen
tegenkomt die raadselachtig voor u zijn en in strijd schijnen met wat
we nu weten, denk dan niet dat het iets tegenstrijdigs is, of dat de meester
iets heel bijzonders bedoelde. Bedenk eenvoudig dat deze brieven werden
geschreven in de taal en gedachtesfeer van het eind van de jaren zeventig
en het begin en het midden van de jaren tachtig van de negentiende eeuw.
Veronderstel bijvoorbeeld dat de meester toen op een alledaagse
en eenvoudige manier had geprobeerd te beschrijven wat radio is. Maar
Sinnett noch Hume, noch een ander uit die tijd had toen ook maar het flauwste
vermoeden wat radio was. Stel dat de meester probeerde aan hen of aan
andere dames en heren uit die tijd te beschrijven wat een auto was. Over
auto’s begon men toen nog maar net te denken. Er was er nog niet één uitgevonden.
Zou hij toen met goed gevolg het principe van een verbrandingsmotor hebben
kunnen beschrijven aan mensen die de eerste technische beginselen ervan
niet kenden en voor wie elektriciteit en de wonderen daarvan nog in de
kinderschoenen stond?
Dit illustreert wat ik bedoel als ik zeg dat de meester
spreekt in de wetenschappelijke taal van die tijd en dit geldt ook voor
de religieuze en filosofische taal van die tijd.
Tsong-kha-pa was de grote Tibetaanse hervormer van een
gedegenereerd boeddhisme. Het is niet precies bekend wanneer het boeddhisme
naar Tibet werd gebracht, maar het was in het begin van wat we in het
westen de christelijke tijdrekening noemen, waarschijnlijk in de zesde
of zevende eeuw en wel door een boeddhistische monnik uit India met de
naam Padmasambhava, die lange tijd goed werk deed onder de Tibetanen en
praktisch het hele land bekeerde door de magie van zijn woord, de kracht
van zijn voorbeelden en de overtuigingskracht van zijn fascinerende geest.
Maar al na enkele eeuwen begonnen de natuurlijke traagheid van het menselijke
begrip en de tegenzin om zich altijd aan het hoogste te wijden, hun werk
te doen. Na de dood van Padmasambhava vervreemdden de boeddhisten geleidelijk
van de zuiverheid van Boeddha’s leringen met hun grootse ethiek en verheven
occultisme en zakten ze af tot het niveau vanwaar Padmasambhava hen had
opgewerkt en dat niveau was bekend, of is nu bekend onder de naam Bhön,
zoals de Tibetanen het zelf noemen. Het is een soort naturalistische religieuze
filosofie, typisch voor Tibet, onnoemelijk oud, zelfs archaïsch, en waarschijnlijk
afkomstig uit de Atlantische, laat-Atlantische tijd. Het omvat voor een
groot deel de verering van natuurgeesten, bijgelovige praktijken en bovenal
het beoefenen van witte en zwarte magie. En er is in het Bhön zoveel dat
verwant is aan wat we nu kennen als de tantra’s van India, de tantrische
leringen, dat ik er niet aan twijfel dat ze een gemeenschappelijke oorsprong
hebben.
Welnu, in de veertiende eeuw verscheen Tsong-kha-pa, zonder
uitzondering de grootste geestelijke leraar die Tibet ooit heeft gekend.
Hij hervormde het verworden, gedegenereerde of ontaarde boeddhisme van
Tibet en bracht het terug tot zijn grootse oorspronkelijke zuiverheid.
Dankzij zijn fabelachtige genialiteit en zijn vermogen ideeën te verspreiden
en die boeiender te maken dan de invloed die van het Bhönstelsel op de
Tibetanen uitging, had hij, toen hij heenging, of verdween of stierf,
hoe men het ook wil noemen, praktisch heel het eigenlijke Tibet teruggebracht
op het heilige pad, zoals de Tibetanen zeggen en had hij Tibet verheven
tot een hoger niveau van denken dan het ooit in de bekende geschiedenis
had bereikt. Het is nu zelfs de machtigste en ook de officiële vorm van
het boeddhisme in Tibet. Het bhöndenken en het gedegenereerde boeddhisme
van Padmasambhava, dat nog steeds wordt beleden door mensen die Tsong-kha-pa
niet kon bereiken, heersen tot op deze dag in de randgebieden van Tibet,
langs de grenzen met India, China, Turkestan en ook langs de noordgrens.
Het is voornamelijk aan deze grenzen dat de zogenaamde Roodkappen worden
gevonden, niet uitsluitend maar wel in hoofdzaak. In het binnenland van
Tibet bevindt zich de grote meerderheid van de Geelkappen, degenen die
Tsong-kha-pa volgden. Het verschil, wat kleding betreft, zit alleen in
de kap of hoed, want de Roodkappen en de Geelkappen van Tsong-kha-pa dragen
grotendeels dezelfde kleding, gewoonlijk rood en donkeroranje, het oude
boeddhistische kleed van India.
Maar wat was Tsong-kha-pa voor iemand? Hij was wat ik
een tulku [Voor een verdere toelichting over het begrip tulku zie De
leer over tulku's. ] zou willen noemen. Tsong-kha-pa was zowel tulku
als bodhisattva, evenals Jezus, al verschilde hij in andere opzichten
van hem. Feitelijk betekent tulku, bodhisattva. Hij was niet Boeddha of
een boeddha. Hij had het boeddhaschap geweigerd. Men kan hem nu een van
de hoogste sambhogakâya’s, of een nirmânakâya noemen. Ik ben op dit punt
niet zeker. Maar hij is geen dharmakâya. Dat zou betekenen het nirvâna
ingaan en eeuwen en eeuwen afzien van de mogelijkheid om de vele miljoenen
te helpen die na hem komen. Nirvâna ingaan, de dharmakâya aannemen, betekent
eenvoudig elke verbinding afsnijden met de lagere gebieden en opstijgen
naar de hoogste gebieden van de geest. Natuurlijk is dit een vervolmaking
die onuitsprekelijk verheven is, glorieus, schitterend. Maar de boeddha’s
van mededogen en de bodhisattva’s weigeren dit. Ze geven er de voorkeur
aan achter te blijven en hen te helpen die minder van de Wet afweten dan
zijzelf.
Tsong-kha-pa werd een planeetgeest. Maar wat is een planeetgeest?
Een planeetgeest is een kosmische geest. Ze kunnen van heel verschillende
graad zijn op de levensladder van die planeet, onze planeet in dit geval.
Er zijn verheven planeten, verheven planeetgeesten, lage en daartussenin.
Maar ik twijfel er niet aan dat Tsong-kha-pa kan worden gerekend tot de
tussenliggende categorie, eenvoudig omdat hij zich als bodhisattva niet
heeft afgesneden door zo hoog te stijgen dat weer afdalen in dit manvantara
niet meer mogelijk is.
Planeetgeesten, ook dit is weer een interessant onderwerp
en als de tijd het toelaat moeten we er dieper op ingaan dan nu mogelijk
is. Zoals gezegd zijn er hoge planeetgeesten, lage en daartussenin. Dat
komt omdat er planeetgeesten zijn die tot onze hele planeetketen behoren.
De invloed van de allerhoogste strekt zich uit over alle zeven of twaalf
bollen van onze keten. Er is een tussengroep van planeetgeesten die de
hoogste invloed uitoefenen over een bol, zoals onze aarde, bol D; en er
zijn lagere planeetgeesten die onder deze hogere werken en die we kunnen
beschouwen als degenen die het nauwst zijn verbonden met de arme mensheid.
Hun werk is prachtig, meedogend, in feite verhevener dan dat van alle
andere planeetgeesten.
Maar we moeten er wel aan denken dat, als we het over
planeetgeesten hebben, we ons niet iets moeten voorstellen dat onfeilbaarheid
zelfs benadert, want zelfs lage planeetgeesten zijn niet onfeilbaar. Denk
eens aan wat onfeilbaar betekent. Het zou neerkomen op het bezit van een
denkvermogen met dezelfde omvang als het melkwegstelsel, praktisch grenzeloze
oneindigheid. Het zou het bezit betekenen van een wil, met dezelfde omvang
als de onmetelijke wil van de natuur; met andere woorden, men zou moeder
natuur zelf moeten zijn om onfeilbaar te zijn en geen planeetgeest is
dat. Maar vergeleken met ons mensen hebben zelfs de laagste planeetgeesten
een begrip en een onderscheidingsvermogen, een wijsheid, inzicht en kracht
die praktisch onfeilbaar zijn. Men kan op hen vertrouwen. Dit klinkt misschien
als een theoretische discussie maar dat is het niet. Ik weet dat er nu
bepaalde mensen in het westen zijn die denken dat een bepaalde hoge kerkelijke
functionaris onfeilbaar is. Die mening is hun gegund. De geschiedenis
steunt dit standpunt niet.
Nu kan men de vraag stellen: Kunt u ons een voorbeeld
geven van een planeetgeest zoals die in een ander religieus of filosofisch
stelsel voorkomt? Heel gemakkelijk. Wat de hindoes de manu’s noemen zijn
een bepaald soort planeetgeesten. Wat zij prajâpati’s noemen zijn planeetgeesten.
Men kan ook zeggen, en dan is men niet ver van de waarheid, dat de manu’s
ook prajâpati’s zijn. Dat zijn ook voorbeelden van planeetgeesten voorzover
het de menselijke levensgolf betreft. Andere voorbeelden van planeetgeesten
zijn die wezens in veel oude religies en religieuze filosofieën die de
christenen, in navolging van de Grieken, engelen en aartsengelen noemen.
En dit is de sleutel. Wat de zonnelogoi zijn in en voor de zon, zijn de
planeetgeesten voor een bol van een planeetketen of voor een hele keten.
Aspecten van de Occulte Filosofie, blz. 275-9 ©
1999 Theosophical
University Press Agency |