HOOFDSTUK 24

DE TIEN STADIA VAN HET ZIJN VOLGENS HET SYRISCHE STELSEL. DE ESOTERISCHE METHODE VAN ONDERRICHT: PARADOXEN, INTUĎTIE.

    Ook hun geschriften [d.w.z. van de pythagoreeërs] en al de boeken die zij uitgaven, waarvan de meeste zelfs tot onze tijd bewaard zijn gebleven [d.w.z. tot de tijd van Iamblichus], werden door hen niet samengesteld in populaire en alledaagse taal en op een manier zoals die bij alle andere schrijvers gebruikelijk was om direct te worden begrepen, maar op zodanige wijze dat ze door hen die ze lazen niet gemakkelijk waren te vatten. Want ze hielden zich aan die zwijgzaamheid die door Pythagoras als een wet was ingesteld, door naar oud gebruik, goddelijke mysteriën voor niet-ingewijden te verbergen en door hun geschriften en beraadslagingen duister te maken.
     – Iamblichus, Het leven van Pythagoras (naar vert. Thomas Taylor, Iamblichus, Life of Pythagoras, blz. 56)

    De filosofie was volgens hem [Plato] niet slechts een reeks leringen maar de vervolmaking van het gehele geestelijke leven; . . .
    – Eduard Zeller, Plato and the Older Academy, blz. 160

    Het beweegt. Het beweegt niet.
    Het is ver, en Het is nabij.
    Het is binnen dit alles, en
    Het is buiten dit alles.
     – Isâ-Upanishad, 5 (Naar vert. Hume)

    Laten we beginnen met het volgende te lezen uit De Geheime Leer (1:477):

    Mor Isaac . . . toont aan dat de oude Syriërs hun wereld van de ‘heersers’ en ‘actieve goden’ op dezelfde manier omschreven als de Chaldeeën. De laagste wereld was de ONDERMAANSE, de onze, bewaakt door de ‘Engelen’ van de eerste of laagste orde; de volgende in rang was Mercurius, bestuurd door de ‘AARTSENGELEN’; dan kwam Venus met als goden de VORSTEN; de vierde wereld was die van de ZON, het domein en gebied van de hoogste en machtigste goden van ons stelsel, de zonnegoden van alle volkeren; de vijfde was Mars, beheerst door de ‘KRACHTEN’; de zesde – die van Bel of Jupiter – werd geregeerd door de HEERSCHAPPIJEN; de zevende – de wereld van Saturnus – door de TRONEN. Dit zijn de werelden van de vormen. Daarboven komen de vier hogere, die weer zeven zijn, omdat de hoogste drie ‘onnoembaar en onuitspreekbaar’ zijn. De achtste, die bestaat uit 1122 sterren, is het domein van de Cherubijnen; de negende, die behoort aan de bewegende en – tengevolge van hun afstand – talloze sterren, is het gebied van de Serafijnen. Kircher, die Mor Isaac aanhaalt, zegt over de tiende dat deze is samengesteld ‘uit onzichtbare sterren die, zoals men zei, voor wolken konden worden aangezien, zo opeengehoopt zijn ze in het gebied dat wij de Via Straminis, de Melkweg, noemen’; . . . Wat er na en voorbij de tiende wereld komt (onze viervoudige, of arupa wereld), wisten de Syriërs niet. ‘Zij wisten alleen maar dat daar de uitgestrekte en onbegrijpelijke oceaan van het oneindige begint, de verblijfplaats van de ware godheid zonder grens of einde.’
    Champollion toont hetzelfde geloof aan bij de Egyptenaren.

    De voornaamste gedachte die vanavond het eerst om nadere toelichting schijnt te vragen, is het onderwerp van de bipolaire aard van het zijn, dat wil zeggen dat er twee onderling op elkaar inwerkende energie-substantie-lijnen in de kosmos bestaan, die samen de totaliteit van alle evolutieprocessen omvatten; ten eerste de laagste, de kosmo kratores of wereldbouwers; en ten tweede de hoogste, de intelligenties die de eerste tot werkzaamheid aanzetten en toezicht houden op hun evolutiepaden. De tweede groep is natuurlijk de hoogste en omvat wat wij in navolging van H.P. Blavatsky de hiërarchie van mededogen hebben genoemd.
    Deze twee lijnen van werkzaamheid, of groepen, kunnen ook (a) de linkerhand of stofzijde en (b) de rechterhand of geestzijde worden genoemd, d.w.z. (a) de bouwers, de kosmokratores, die in feite (in één opzicht) de lagere beginselen zijn van (b) de dhyâni-boeddha’s, die de rechterhand of geestzijde van het zijn vormen, en deze laatsten behoren tot de innerlijke kosmos, zoals de kosmokratores of bouwers, ook wel planeetgeesten of dhyâni-chohans van een lagere graad genoemd, tot de uiterlijke of materiële kosmos behoren, dat is, zoals hierboven gezegd, de zijde van de linkerhand, de stofzijde, de nachtzijde, de duistere zijde.
    Door de wisselwerking tussen deze twee zogenaamd tegengestelde krachten (of elementen) in de natuur komen de ontelbare monaden van de innerlijke en uiterlijke ruimte tot zelfbewustzijn, omdat deze nachtzijde of stofzijde als het ware bestaat uit de lagere beginselen van de lichtzijde; deze lagere beginselen zijn samengesteld en bestaan uit eenvoudig ontelbare aantallen monaden in een bijna oneindige verschei denheid van graden van ontwikkeling. De hogere monaden vormen de voertuigen van de dhyâni-boeddha’s, de hiërarchie van mededogen; maar er zijn monaden, menigten monaden van tussen liggende of lagere graad, van nog lagere en van de laagste graad; en de laagste vormen de stoffelijke wereld die we om ons heen waarnemen. Zoals hierboven is gezegd, ontstaan de uiteenlopende graden van bewustzijn in de natuur uit de wisselwerking tussen de inwonende kracht en het voertuig waarin ze werkt of, met andere woorden, uit de bezielende geestelijke krachten die deze monaden in diverse stadia van evolutie tot verdere vooruitgang aanzetten en aansporen. Sommige van deze monaden zijn wijzelf, zowel onze hogere ego’s als onze persoonlijke ego’s. Wijzelf zijn monaden in die bepaalde toestand van evolutie waarin we ons bevinden; en we zijn op weg om bewuste medewerkers van de natuur te worden of, met andere woorden, we evolueren langzaam tot (of in) de dhyâni-chohans of heren van contemplatie, de mânasaputra’s van toekomstige manvantara’s. In vroegere kalpa’s of manvantara’s waren we monaden in een nog lagere toestand van evolutie dan die waarin we nu verkeren en vormden toen de voertuigen van hen, die ons nog steeds vooruit zijn en die nu nog steeds door ons werken, door onze hogere en onze persoonlijke ego’s, en die ons zo inspireren om vooruit te gaan en die in feite onze innerlijke goden zijn: onze eigen zelven, maar toch verschillend!
    Het werk van de evolutie is in feite de verheffing van het persoon lijke tot het onpersoonlijke; het verheffen van het sterfelijke en het te kleden in het gewaad van onsterfelijkheid; de verheffing van het dier tot een mens; het verheffen van de mens opdat hij een god wordt; en de verheffing van de god om in nog hogere mate goddelijk te worden. Maar als we zeggen ‘een dier verheffen tot een mens’, doelen we daarmee niet op de wetenschappelijke hypothese die ten onrechte evolutie en terecht transformisme wordt genoemd. De theosofische evolutie is ontzaglijk veel grootser, oneindig (als we dat woord kunnen gebruiken) diepzinniger dan die wetenschappelijke theorieën. Een dier wordt nooit een zelfbewust, denkend mens op de wijze van de wetenschappelijke puur mechanische leer van het materialistische transformisme, evenmin als een hoop metselkalk en stenen zichzelf tot een gebouw, of een onbewerkt blok marmer zichzelf tot een prachtig standbeeld ontwikkelt. Het is de innerlijke monade, het inwonende vuur, dat de latente levens en krachten in de atomen voortdurend aanspoort en activeert. Elk atoom is op zichzelf een slapende ziel en deze, en dus niet alleen maar het stoffelijk lichaam, evolueert of ontwikkelt zich als ze is ontwaakt. Denk aan de drievoudige verdeling die H.P. Blavatsky ons geeft: ten eerste goden; ten tweede monaden; ten derde atomen – goden, de goddelijke of hoogste triade; monaden, de bovenste triade van het zevenvoud; en de atomen, het lagere viertal van het zevental. Elk van deze atomen, waarvan het aantal eenvoudig onberekenbaar groot is en die het lagere viertal vormen is een slapende god of beter een god in embryo. Zijn innerlijke natuur moet naar buiten worden gebracht en dit naar buiten brengen is evolutie, het naar buiten brengen van innerlijke vermogens, waarbij elke atoomentiteit haar eigen voertuigen maakt. Dit is de leer van zelf geleide evolutie, waarin de aansporing, en de oorspronkelijke gees telij ke afdruk van de dhyâni-chohans worden gevolgd. Dit alles is al eerder door ons uiteengezet.
    Op eerdere bijeenkomsten hebben we over de inwijdingen gesproken (en over de leer van de evolutie die daarbij vanouds werd onderwezen) als een school van geforceerde ontwikkeling. Dit woord geforceerd is dubbelzinnig. Het kan verkeerd worden uitgelegd. Laten we daarom in plaats daarvan de woorden bezielend, of wakker makend, gebruiken; het woord bezielen heeft betrekking op ‘leven’ in tegen stelling tot wat traag of dood is; waar het om gaat is dus het bezielen, het leven inblazen, het naar buiten brengen van wat binnenin is. Dit beeld is de sleutelgedachte van de theosofische evolutieleer.
    Een dier ontwikkelt zich evenmin mechanisch tot een mens als stukken ivoor, potten politoer, stukken hout en rollen draad zich vanzelf samenvoegen, de juiste vorm aannemen en zich in een piano ‘trans formeren’. Onmogelijk! Het is de bouwer die de piano maakt, de mens, de denker; evolutie is dus de werking in en op de stof door de geestelijke entiteit, die de stoffelijke voertuigen waarin ze zich bevindt aanneemt, vormt en voorwaarts stuwt.
    Wanneer we over de incarnatie van de mânasaputra’s spreken, de denkende entiteiten, de zonen van het denkvermogen, nemen we natuurlijk aan dat ze deel uitmaken van, of behoren tot de hiërarchie van mededogen, tot de lichtzijde van de natuur. Al zou er evolutie plaatsvinden, de natuurlijke ontwikkeling (met de daarachter liggende oorspronkelijke geestelijke of dhyâni-chohanische stimulans) van de natuur tot hogere wezens, en al vindt ze inderdaad onophoudelijk plaats, dat proces zou bijna oneindig van duur zijn als er geen hogere wezens waren die ons van hun licht en hun leven schenken en ons daardoor veel sneller vooruithelpen. Dit wordt bedoeld met de ‘nederdaling in incarnatie’ van de mânasaputra’s. Zij zijn onze hogere naturen en hoe paradoxaal het ook is, ze zijn veel verder ontwikkelde wezens dan wij; ze waren de geestelijke entiteiten die onze persoonlijke ego’s bezielden, die daardoor tot zelfbewustzijn evolueerden, in hoe betrekkelijk geringe mate dat ook mag zijn. Eén en toch vele! Zoals men een oneindig aantal kaarsen aan één brandende kaars kan aansteken, kan één vonk van bewustzijn ontelbare andere bewustzijnen, die bij wijze van spreken sluimerend of latent in de atomen aanwezig zijn, bezielen en opwekken.
    Dit brengt ons direct op iets anders. We hebben allen misschien gehoord van ‘tegenstrijdigheden’ in De Geheime Leer of in onze esoterische leringen. Er zijn daarin geen tegenstrijdigheden; er zijn schijnbare tegenstrijdigheden zo u wilt, maar een schijnbare tegen strijdigheid is in feite de beeldspraak die paradox wordt genoemd. Het is de bekende methode in de scholen van het occultisme van de oudheid om door paradoxen of door parabels te onderwijzen, zoals Jezus moet hebben gedaan. Het getuigt van een diepe kennis van de menselijke psychologie om leringen op dit beginsel te baseren. Het doel is weloverwogen het denken wakker te maken, verbazing te wekken, de toehoorder zelfstandig te laten denken. Men kan een kind niet leren eten of lopen door in zijn plaats te lopen of zich in zijn plaats te voeden. Het moet zichzelf leren voeden. Het moet zelf leren lopen.
    Op dezelfde manier moeten onderzoekers, neofieten, zelf leren denken, op hun eigen benen leren staan. Ik herhaal, het is een heel diep inzicht in de psychologie, in het menselijk denken, dat de oude leraren bewoog en de meesters van wijsheid heden beweegt dezelfde oude beginselen te volgen, een methode die wij vanaf het begin van deze bijeenkomsten hebben gevolgd. U zult hebben opgemerkt dat in geen enkel geval een onderwerp eerst openlijk en volledig is uiteengezet of tot het einde toe is behandeld; ten eerste omdat het onmogelijk is; ten tweede, omdat het kennelijk nodig was eerst bepaalde dingen te zeggen in een poging de aandacht te wekken, eerlijke tegenwerpingen op te roepen – niet slechts kritiek – maar eerlijke tegenwerpingen in uw eigen denken die uzelf moet oplossen; en dan werden later andere aspecten van het onderwerp naar voren gebracht en werden andere kanten van de leringen gegeven. Sommigen van u zijn natuurlijk met dit feit bekend; maar ik spreek meer in het bijzonder over onze jongere en nieuwe leden. Deze manier van onderricht staat diametraal tegenover de methode die in de westerse wereld wordt gevolgd sinds de onder gang van de beschavingen rond de Middellandse Zee. De nu gangbare methode is die van het zuiver verstandelijke denken, van dat denken dat sterfelijk is en bij de dood van het lichaam uiteenvalt. Haar sterke zijde ligt alleen in het memoreren van tijden, plaatsen, namen, data, enz., kortom alles wat uit boeken of dagelijkse gebeurtenissen in de herinnering kan worden bewaard en in het brein kan worden gestopt; en dit verstand sterft. Dit is één reden waarom we ons onze vroegere incarnaties niet herinneren, omdat ons denken niet veel voorstelde en zich met onbelangrijke en voorbijgaande dingen bezighield. Maar de herinnering aan onze vroegere incarnaties ligt niettemin verankerd in onze hogere natuur en blijft daar, want deze natuur houdt zich uitsluitend bezig met beginselen en algemene dingen; en op zekere dag, wanneer we onze planeet hebben verlaten en verder zijn gegaan, zullen we ons die vroegere levens herinneren, tenzij het om die gevallen van incarnaties van een verloren ziel gaat, waarbij er als het ware niets dan onbeschreven bladzijden in het geestelijk boek van het leven overblijven.
    Laten we enkele voorbeelden geven van die zogenaamde tegen strijdigheden: de maan is ouder dan de zon; de zon is ouder dan de maan. Er is hier geen sprake van een tegenstrijdigheid maar van een paradox. En ook, de zon is ouder dan elk van zijn planeten; de planeten zijn ouder dan hun zon. Weer geen tegenstrijdigheid, maar een paradox. Laten we deze paradoxen direct verklaren. Wanneer we de evolutie van het zonne stelsel schetsen volgens de esoterische filosofie, wijzen we er in de eerste plaats op dat de melkweg de voorraadschuur van toekomstige hemel lichamen is; als het ware de kweekplaats vanwaar de zaden van toekomstige zonnen uitgaan om hun manvantarische loopbaan te beginnen. Wanneer de tijd voor zo’n gebeurtenis aanbreekt, verschijnt er een komeet in haar oorspronkelijke etherische kleed en begint haar omzwervingen, en na gedurende eonen te hebben rondgecirkeld en door de voor ons onbegrensde ruimte te zijn gereisd, bereikt ze, door karma gedreven of aangetrokken, of zo u wilt onder leiding van karma, die bepaalde plaats in de ruimte die ze zelf in een vroegere belichaming als een zon had ingenomen en ze vestigt zich daar en wekt en bezielt het zonnestof om zich heen (want ruimte is er vol mee) en dan hebben we een nevelvlek. Voorts vergaart ze grotere etherische overblijfselen van haar vroegere zelf – toen ze een zon was – om zich heen; en deze trekken andere deeltjes tot zich die als het ware in de ruimte rond zwerven, en na verloop van tijd worden deze andere lichamen met hun aanwas de planeten van het nieuwe zonnestelsel.
    Wat is een planeet? Wat is haar oorsprong? Een zon doorloopt zijn kalpische baan, zijn manvantarische periode, die een zonnemanvantara is; en wanneer voor hem de tijd aanbreekt om in pralaya te gaan, om te rusten, wordt zijn inwendige kracht zwakker en – sterft hij. Dit is geen gebeurtenis van één dag, maar een gebeurtenis die veel tijd vergt; en wat zijn laagste beginsel was (dat overeenkomt met ons stoffelijk lichaam) valt letterlijk in ontelbare deeltjes uiteen. Noem ze atomen, zo u wilt. Bedenk dat de zon niet vast is – ook niet wanneer hij sterft – evenmin is hij vloeibaar en evenmin gasvormig. Na zijn dood valt hij in ontelbare atomen of deeltjes uiteen en deze deeltjes beginnen hun langdurige omzwervingen door de gebieden van de ruimte; ze dolen lange, lange eonen rond in de onmetelijke eenzaamheden totdat die inwonende entiteit van de voormalige zon, die haar eigen bezielende innerlijke tegenwoordigheid bezit, opnieuw in de gedaante van een komeet verschijnt en wat nu het zonnestof is van zijn vroegere voer tuigzelf in de ruimte waar hij zich voorheen bevond, wakker roept – en dit stof bestaat uit de overblijfselen van zijn eigen vroegere lichaam. En deze deeltjes van de voormalige zon worden opnieuw tot hem aangetrokken en vormen zijn gevolg van planeten. In zekere zin zijn de planeten van een zon dus zijn ‘manen’.
    U ziet dus dat de zon als entiteit ouder is dan alle andere lichamen van zijn planetenstelsel, overblijfselen van zijn vroegere lichaam; maar de planeten zijn ouder dan de zon die nu bestaat, omdat ze in feite deeltjes zijn van de vroegere zon die op dit gebied bestond. Waar is de tegenstrijdigheid? Een paradox, inderdaad, die we moesten oplossen; want dit oplossen stimuleert onze intuďtie en dat is een van de voor naamste oogmerken en doeleinden van dit systeem van onderricht, het stimuleren van de evolutie. Ons verstand is een bewon de rens waardige dienaar wanneer het wordt geleid, maar het mag nooit onze meester worden. Het is zelfs niet een goede dienaar; het heeft geen zelf respect. Het bezit geen onderscheidingsvermogen, oordeel, intuďtie of begrip.
    Die over de maan lijkt op de zojuist besproken paradox. Misschien hebben we op een toekomstige bijeenkomst tijd deze uit te leggen. Van overeenkomstige aard is ook het geval van de planetoďden of zogenaamde asteroďden, waarvan er zich zo vele tussen de planeten Jupiter en Mars bevinden. Het zijn overblijfselen van een vroeger zonne manvantara.
    Verder zijn alle planeten die niet in verduistering zijn of slapen (zoals Mars), omringd door dikke en vaak uiterst dichte wolken kosmisch stof, dat ze tot zich hebben getrokken; het is in feite het vroegere zonnestof van nu gedesintegreerde manen en planeten. Want boven ons eigen hoofd en boven en rondom elk van de niet-slapende planeten van ons zonnestelsel bevindt zich een continent, letterlijk een continent van dit kosmisch stof, zo dik is dat zonnestof en zo talrijk zijn de hemellichamen of deeltjes van diverse omvang die haar samenstellen. Het doet dienst als een sluier die ons beschermt tegen de geweldige energie van de zon en fungeert niet alleen als een beschermende sluier tegen zijn stralen, maar ook tegen andere onheilen die ons zouden kunnen overkomen als die beschermende sluier onze bol niet in dikke plooien omgaf.
    Mars heeft op het ogenblik zo’n beschermende sluier niet of slechts in geringe mate, eenvoudig omdat zijn levensenergieën naar een andere bol van het planetenstelsel van Mars zijn gegaan – de planeetketen van Mars – en de magnetische aantrekkingskracht, die zo’n sluier bijeenhoudt, dus grotendeels ontbreekt. Maar Venus en Mercurius bijvoorbeeld hebben evenals wij zo’n beschermende sluier, hoewel deze in het geval van Mercurius veel dunner is dan die van Venus, omdat Mer curius zojuist is begonnen uit een verduistering tevoorschijn te treden; en dat zien de astronomen wanneer ze door hun telescoop naar die planeten kijken en de ‘wolken’ zien en merken dat ze het oppervlak van de planeet zelf niet kunnen zien. In werkelijkheid zien ze de sluier. Wij zijn ons niet bewust van de sluier die ons beschermt. Het lijkt enigszins op het geval van iemand die zich in een kamer bevindt met witte vitrage voor het raam – hij kan naar buiten kijken en waarnemen wat er op straat gebeurt; maar de man op straat kan hem niet gemakkelijk zien.
    Als een laatste voorbeeld van het gebruik van de paradox in onze studie neem ik het volgende. Op een eerdere bijeenkomst hebben we gezegd dat de natuur zich nooit herhaalt. We herhalen het vanavond: de natuur herhaalt zich nooit. Op een andere bijeenkomst is gezegd dat de natuur niets anders doet dan zich herhalen. Tegenstrijdigheid? Nee. Paradox? Ja. Laten we proberen deze schijnbare tegenstrijdigheid wat duidelijker te maken. Wat zijn cyclussen? Herhalingen. Wat zijn hiërarchieën? Herhalingen. Wat zijn de voornaamste herhalingen van algemene aard? Beginselen, krachten, planeten, zonnen, bollen, atomen, monaden, goden – het zijn allemaal veelvuldige herhalingen van oorspronkelijke geestelijke indrukken. De natuur werkt niet anders dan door zich voortdurend te herhalen – herhalingen op de lagere gebieden van de oorspronkelijke beginselen of worteltypen.
    Wat bedoelen we als we zeggen dat de natuur zich nooit herhaalt? Laten we hier ons gezonde verstand gebruiken. We zijn hier niet om elkaar met dwaasheden te vermaken. De natuur herhaalt zich nooit, omdat men nooit twee identieke beginselen zal aantreffen, geen twee cyclussen zijn identiek, geen twee mensen zijn identiek, geen twee monaden, geen twee zonnen, geen twee planeten, geen twee zielen, geen twee ego’s zijn identiek. Onze paradox is dus opgelost als we bedenken dat de methode van de natuur eenheid is in een eindeloze verscheidenheid.
    We keren nu tot ons hoofdthema terug. De Syriërs hadden de volgende methode of het volgende stelsel om de stadia van het zijn te beschrijven, weergegeven in het begeleidende diagram: (1) de melkweg, of het eerste beginsel; (2) nevelvlekken en kometen, of serafijnen, sfeer twee, naar beneden geteld; (3) de vaste sterren, of cherubijnen. Deze drie zijn de vormloze werld. Dan de planeten: (4) Saturnus, tronen; (5) Jupiter, heerschappijen; (6) Mars, krachten; (7) zon, machten; (8) Venus, vorsten; (9) Mercurius, aartsengelen; (10) maan, engelen. Deze acht – de aarde, de mensen meegerekend – waren de wereld van vormen.
    We zullen nu een cirkel tekenen, die een bol voorstelt, bijvoorbeeld onze aarde; en we verdelen deze aarde in vijf zones, waarvan de bovenste die van de ether is; die daaronder is vuur; die daaronder is lucht; die daaronder is water en de laagste is aarde.
    Bedenk ook dat de Syriërs zich dit wereldstelsel voorstelden als een bol, als een kosmos; daarom moet ons schema door een cirkel worden omsloten – weliswaar een conventionele figuur die niet op bepaalde beperkingen duidt, maar toch verwijst naar de begrenzende cirkel van die bepaalde kosmos of hiërarchie. De Syriërs zeiden verder dat zich buiten deze hiërarchie, deze kosmos, de hemelse wateren bevonden, waarmee ze bedoelden wat de Grieken chaos noemden, of voor ons onontwikkelde kosmische stof, met andere woorden, de wateren van de ruimte. Wat deze beeldspraak ‘hemelse wateren’ betreft, zult u zich herinneren dat ook de Hebreeuwse bijbel over de ‘geest van de elohîm’ of goden zegt dat deze over het oppervlak van de ‘wateren’ zweeft.
    De hoogste drie gebieden zijn wat wij arűpa of vormloos noemen; en de andere zeven (of acht) gebieden zijn rűpa of gevormd. Zij leerden dat bij de aanvang van de dingen, d.w.z. toen de kosmische evolutie begon, de oorspronkelijke essentie het meest subtiele en spirituele element tot ontwikkeling bracht en dat was vanzelfsprekend het hoogste, de melkweg, waar alle dingen in dit stelsel beginnen; en dat de kometen en de nevelvlekken de volgende stap in de evolutie naar beneden waren; dan de ‘1122 vaste sterren’; dan de verschillende zonnestelsels – ons eigen zonnestelsel bijvoorbeeld – en zo komen we bij het eerste van de zeven planetaire gebieden. Ieder ander zonnestelsel zou als voorbeeld kunnen dienen maar natuurlijk werd ons zonnestelsel gekozen, omdat het het onze is. Elk van deze treden omlaag stelt het stadium voor waar de evoluerende levensgolf doorheen moet gaan voordat ze tenslotte in het materiële bestaan culmineerde, zoals bijvoorbeeld op onze aarde om tenslotte door de laatste zeven stadia heen te gaan, de gebieden die de bol omringen. Het eerste van deze laatste zeven was wat wij het naamloze element zouden kunnen noemen; dan de super-ether; dan ether; dan vuur; dan lucht; dan water en dan aarde – hoewel deze elementen niet de materiële dingen zijn waarmee we vertrouwd zijn, maar de geesten van de elementen, de oorspronkelijke stof, waarvan onze elementen slechts de materiële vertegenwoordigers zijn.
    U zult zien dat de apostel Paulus van de christenen over verschillende van deze krachten of elementen spreekt, die betrekking hebben op of behoren tot de diverse planeten die hierboven in het Syrische stelsel zijn omschreven, zoals de heerschappijen en de krachten, de tronen, de vorsten, de aartsengelen en de engelen. U zult zich ook herinneren dat wij een vorige keer erop hebben gewezen, dat feitelijk de basis voor de hele christelijke mystiek werd gelegd door Dionysius, de zogenaamde Areopagiet, die ook deze namen gebruikte; zodat het christendom naast de gedachten die het aan het neoplatonisme en het neopythagorisme ontleende, ook (door middel van Paulus die zelf een Syriër was) uit deze oude mysterieleringen putte, zoals die exoterisch tot uitdrukking zijn gebracht in de in het diagram gegeven hiërarchie. Maar achter deze uiterlijke vorm stond hetzelfde beeld, hetzelfde esoterische stelsel en dezelfde waarheid, die we nu al enkele maanden bestuderen.


Beginselen van de esoterische filosofie, blz. 325-35

© 1998  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag