|
HOOFDSTUK 32
VANUIT
HET ONZICHTBARE NAAR HET ZICHTBARE. VANUIT HET ZICHTBARE NAAR HET ONZICHTBARE.
HET MAGNUM OPUS.
5. Dit (heelal) bestond in de vorm van
duisternis, onopgemerkt, zonder onderscheidende kenmerken, onbereikbaar
voor de rede, onkenbaar, als het ware volkomen in diepe slaap verzonken.
6. Toen verscheen met onweerstaanbare (scheppende)
kracht het goddelijke zelfbestaande (Svayambhû, zelf), niet waarneembaar,
(maar) die dit (alles), de grote elementen en het overige, waarneembaar
maakte en de duisternis verdreef. |
|
. .
.
|
19. Maar aan de uiterst kleine lichaam(-vormende)
deeltjes van deze zeven heel machtige purusha’s ontspringt deze (wereld),
het vergankelijke uit het onvergankelijke.
20. Van deze verkrijgt elk volgend (element)
de eigenschappen van het voorafgaande, en elk ervan wordt geacht zoveel
eigenschappen te bezitten als door de plaats (in de reeks) wordt aangegeven.
21. Maar in het begin wees hij aan alle (geschapen
wezens) hun verschillende namen, taken en posities toe, precies overeenkomstig
de woorden van de Veda.
22. Hij, de Heer, schiep tevens de klasse
van goden die met leven zijn begiftigd en van wie de aard handelen
is; en de subtiele klasse van de sâdhya’s en het eeuwige offer. |
|
. .
.
|
|
51. Toen hij van wie de
macht onbegrijpelijk is aldus het heelal en mij had voortgebracht,
verdween hij in zichzelf terwijl hij telkens de ene periode verving
door de andere.
52. Wanneer dit goddelijke wezen waakt
is deze wereld in beweging; wanneer hij rustig sluimert dan slaapt
het heelal in.
53. Maar wanneer hij rust in kalme slaap
zien de lichamelijke wezens, van wie de aard handelen is, af van
hun handelingen en wordt hun denken inert.
54. Wanneer zij allen tegelijk door die
grote ziel worden opgeslorpt dan sluimert hij, die de ziel van alle
wezens is, zacht, vrij van alle zorg en activiteit.
|
|
. .
.
|
57. Zo, door (afwisselend) te waken en
te sluimeren, laat hij, de onvergankelijke, deze hele beweeglijke
en onbeweeglijke (schepping) onophoudelijk herleven en te gronde gaan.
|
|
– De wetten van Manu (naar
vert. in The Sacred Books of the East, Deel xxv)
|
Een vooruitziende hoop en een verlichtende vrede wonen
in het hart van alle trouwe leerlingen; althans voor hen die hebben
leren inzien dat zich achter het masker van de zichtbare dingen een
luister van leven en bewustzijn bevindt, die ze slechts hoeven grijpen;
en ook dat het geheel van henzelf afhangt in hoeverre ze op het pad
zullen vorderen dat steeds omhoog en voorwaarts gaat langs de lichtende
boog, waarlangs wij ons, als ras, sinds het midden van het vierde wortelras
hebben voortbewogen en nu nog steeds voortbewegen.
Het ene grote doel van de studies en inwijdingsceremoniën
van de mysteriescholen uit de oudheid was om in iedere kandidaat of
initiant zijn onsterfelijke natuur, dat deel van hem dat behoort tot,
of liever de vrucht is van de innerlijke monade, tevoorschijn te brengen;
dat wat hem in feite tot een bewust deel van de buddhische hiërarchie,
de hië rarchie van mededogen, maakt. Het verenigen van de persoonlijke
mens met deze hogere beginselen van zijn eigen natuur brengt de levende
Christus of de volkomen ontwaakte, de Boeddha genoemd, voort. Zoals
gezegd was het doel van inwijding niet alleen om de mens bewust te maken
van dit hogere leven in hem, van deze innerlijke luister, maar ook om
hem in staat te stellen zich gereed en geschikt te maken anderen over
dit leven, dat hij zelf in zich voelde, te onderwijzen. Dat was het
voornaamste doel en streven van alle mysteriescholen in de hele wereld,
hoezeer ze formeel en in de woorden waarin ze hun gedachten kleedden
ook verschilden. Met andere woorden, het ging erom van iedere initiant
of kandidaat een levende volgeling en een voorbeeld van de stille wachter
te maken.
Zoals is verklaard, zijn er vele stille wachters.
De stille wachter is in feite de hiërarch of de hoogste hiërarchische
chef van een bepaalde hiërarchie van de talloze hiërarchieën in de kosmos;
degene over wie H.P. Blavatsky in De Geheime Leer op zo inspirerende
wijze spreekt, is het hoofd van de dhyâni-boeddha’s die over deze vierde
ronde op deze planeet heerst.
Het is in dit verband misschien vreemd hiernaar
te verwijzen en toch lijkt het me nodig over de verschillende uitzonderlijke
pseudo-filosofische, pseudo-wetenschappelijke en pseudo-religieuze ideeën
te spreken, die tegenwoordig overal in de wereld worden verspreid.
Veel leringen van de theosofie zijn nu heel
vertrouwd en worden gewaardeerd, maar werden door velen in de wereld
aanvankelijk niet gemakkelijk aanvaard, omdat men ze niet kende en omdat
ze botsten met de vooroordelen – religieuze, wetenschappelijke en andere
– die de mensen in die tijd hadden.
Hoeveel mensen waren er niet die bezwaar maakten
tegen de leer van reïncarnatie, toen die voor het eerst werd verkondigd!
Wat heeft iemand eens tegen mij gezegd: ‘Ik wil niet als een paard worden
herboren; ik wil niet als een vlo worden wedergeboren; ik ben een mens!’
Het ging hier kennelijk niet om een bezwaar tegen de leer van reïncarnatie,
die zo’n metempsychose in het geheel niet onderwijst; het bezwaar gold
zijn eigen vooroordelen en dat wist hij niet.
Hetzelfde is het geval met enkele leringen
die op onze bijeenkomsten moeten worden uitgelegd en uitgewerkt. Ik
zeg niet dat deze leringen door ons verkeerd worden begrepen; maar ze
kunnen bij anderen op bezwaren stuiten; de grondgedachten of grondslagen
ervan kunnen in het begin verkeerd worden begrepen en diegenen die bezwaar
maken, nemen misschien niet de tijd om erover na te denken en inzicht
erin te krijgen. Laten we intussen bedenken dat het voor elke leerling
een absolute noodzaak en een vereiste is met kracht gebruik te maken
van zijn intuïtieve en verstandelijke vermogens. Wij nemen niets in
blind vertrouwen aan; maar al is dat zo, het is anderzijds ook onze
plicht de geestelijke en meditatieve vermogens in ons wezen, in het
onsterfelijke deel van onze natuur, aan te kweken.
Laten we nu het onderwerp bestuderen dat we op
de vorige bijeenkomst tijdelijk hebben verlaten – goden, monaden en atomen
en hun respectieve taak bij het vormen van een wereld, het vormen van
een kosmos en het vormen van de mens. Wij doelen hier niet alleen op zijn
lichaam van vlees, want deze edele leer omvat ook het waarom en
het hoe en inderdaad het wanneer van zijn afdaling door
de geestelijke sferen naar de geïncarneerde toestand en zijn existenties
in die sferen. Laten we eerst een passage lezen uit De Geheime Leer
(2:301):
De leer zegt dat het enige verschil
tussen bezielde en onbezielde voorwerpen op aarde, tussen een dierlijke
en een menselijke vorm, eruit bestaat dat in sommige de verschillende
‘vuren’ niet en in andere wèl werkzaam zijn. De levensvuren zijn
in alle dingen en in geen atoom ontbreken ze. Maar in geen enkel dier
zijn de drie hogere beginselen ontwaakt; ze zijn er eenvoudig als mogelijkheid,
slapend, en bestaan dus niet. En de dierlijke vormen van
de mensen zouden tot op deze dag nog zo zijn, als ze in de toestand
waren gelaten waarin ze uit de lichamen van hun voorouders kwamen, van
wie ze de schaduwen waren, om slechts door de vermogens en de
krachten die aanwezig zijn in de stof, te groeien en zich te ontplooien.
Vanuit het onzichtbare naar
het zichtbare, uit de diepten van de innerlijke ruimte zendt de levensgolf,
als de tijd aanbreekt, haar stromen uit naar de uiterlijke en de buitenste
sferen en maakt voor zichzelf terwijl ze voortgaat, schept voor zichzelf,
door middel van de wezens die deze golf vertegenwoordigen, haar eigen
gewaden die in kosmische zin haar gebieden, haar werelden zijn. Deze
verschillende stadia van evolutie of voortgang zijn zoals eerder gezegd,
(1) de goden, en hun gewaden zijn (2) de monaden, en hun gewaden zijn
(3) de zielen, hun gewaden zijn (4) de atomen en de gewaden daarvan
zijn (5) de lichamen. Pas deze volgorde toe op werelden en de leer is
juist. Pas deze volgorde toe op de mens en de leer is juist. Pas deze
volgorde toe op het elementalen-, delfstoffen-, planten-, dieren- en
mensenrijk van deze aarde en de leer is naar analogie eveneens juist.
Stap voor stap, graad na graad projecteert de voortgaande levensgolf
in elk stadium, zendt ze uit zichzelf in elk stadium, ontelbare entiteiten,
die lager zijn dan ze zelf is, die haar voertuigen vormen, die we ook
haar gewaden, haar lichamen of haar gebieden en haar werelden kunnen
noemen. Elke god uit de grote menigte brengt bijvoorbeeld uit zijn eigen
wezen grote aantallen monaden voort; elke monade brengt uit zichzelf
menigten zielen voort, elke ziel brengt vanuit zichzelf menigten atomen
voort en deze hullen zich in voertuigen van stof of lichamen en alle
doorlopen hun lange evolutionaire weg. Wanneer het laagste punt van
de grote levensronde is bereikt, begint de opwaartse cyclus: dan trekken
de vitale levenskrachten zich opnieuw naar binnen terug, de menigten
wezens trekken zich samen, omhoog en naar binnen; het zichtbare verdwijnt
geleidelijk in het onzichtbare, verrijkt met de groei en de ervaringen
die tijdens de reis door elk individueel wezen zijn opgedaan. Elk is
in zijn evolutie één gebied hoger geklommen; elk is een aantal mijlpalen
op het pad gevorderd, en tenslotte treedt de levensgolf de godheid weer
binnen waaruit ze te voorschijn kwam, maar in alle opzichten edeler
en hoger. Ze begon haar lange evolutionaire weg na haar even lange pralayische
slaap, gehoor gevend aan de karmische impulsen die haar voor een nieuwe
levensperiode wekten; en nu ze deze heeft voltooid, is ze opnieuw gereed
om uit te gaan en een nieuw manvantara te vormen, en daartoe ontwikkelt
ze van binnenuit nieuwe gebieden, nieuwe elementen, nieuwe beginselen,
nieuwe menigten wezens zoals ze tevoren deed, maar nu komen er edeler,
steeds nieuwe tevoorschijn die hoger en hoger groeien en in grootsheid
en macht toenemen. Dat is een alge mene schets van de evolutiegang.
U kent het oude gezegde: ‘Zo boven, zo beneden’.
Dat gezegde komt voor in een oude tekst die zou zijn gegrift in een tafel
van smaragd; volgens de legende werd ze de ‘smaragden tafel van Hermes’
genoemd en berust ze ongetwijfeld op een van de oude Hermetische leringen.
Ik citeer de eerste paar regels hiervan:
Waar, zonder twijfel, inderdaad
waar; dat wat boven is, is als dat wat beneden is en dat wat beneden
is, is als wat boven is, bij het verrichten van de wonderen van de kosmos.
Zoals alle dingen uit het [oorspronkelijke] Éne zijn, door tussenkomst
van het Ene [de logos – dat wil zeggen de menigte dhyân-chohans],
zo ontstonden alle dingen uit dit Ene ding door te evolueren . . .
En dat ‘ene ding’ is de top
van een hiërarchie, de godheid waarover al is gesproken toen er een
algemene schets van het evolutieproces werd gegeven.
Wanneer wij ons tot het geloof van Zarathustra
wenden, treffen we de volgende verzen aan in een heel oud boek (waaraan
geleerden om redenen die henzelf het best bekend zijn tegenwoordig een
late datering proberen toe te kennen, maar dat ongetwijfeld heel archaïsche
gedachten bevat), De Desâtîr geheten, in het hoofdstuk getiteld
‘Het boek van Shet de Profeet Zirtûsht’, waarin Zirtûsht een van de vormen
is van de naam die in onze taal naar Grieks-Latijnse vorm Zarathustra
luidt:
29. Weet, o mijn vriend! dat
de essentie van het zelfbestaande één is, zonder grenzen of beperkingen.
30. Het zijn is als licht; en licht wordt zichtbaar.
[Let hier op!]
35. Wat er ook op aarde is, is de weerspiegeling
en de schaduw van iets dat in de [geestelijke] wereldsfeer is.
36. Zolang dat luisterrijke iets in zijn oorspronkelijke
toestand blijft, is het ook goed met zijn schaduw.
37. Wanneer dat luisterrijke ding zich van
zijn schaduw verwijdert, komt het leven op een afstand te staan.
38. Nogmaals, dat licht [dat luisterrijke ding]
is de schaduw van iets dat nog luisterrijker is dan hetzelf is [hier
ziet u de leer van de hiërarchieën];
39. En zo voort tot aan mij, die het licht
der lichten is [het hoofd van de hiërarchie].
Waarschijnlijk is bij ieder
die nadenkt de gedachte opgekomen dat, als de mens in zich een bijna
goddelijke monade heeft en er in die goddelijke monade een godheid,
een god, zetelt, het vreemd is dat ons besef van deze eenheid met het
goddelijke via deze monadische schakel niet sterker in ons leeft dan
nu het geval is. De christenen spreken van hun beschermengel evenals
de islamieten; andere volken, zoals de Grieken, spraken evenals Socrates
over de daimon, het beschermende zelf; maar hoe komt het dat ons geweten
niet sterker is en niet duidelijker zijn stem laat horen dan het geval
is? Hoe komt het dat we innerlijk moeten werken en worstelen om deze
innerlijke verlichting bewust te verwerven die zelfs volgens de christelijke
leringen ‘met geweld’ moet worden genomen? Is de reden niet deze? De
mens is samengesteld; hij is een gecompliceerd, een samengesteld wezen
en leeft op verschillende gebieden, en deze gebieden zijn de zeven elementen
van de natuur; en de zeven elementen van de natuur zijn haar zeven beginselen,
en de zeven beginselen van de mens kunnen ook zijn zeven elementen worden
genoemd.
De monade leeft in haar eigen wereld, in haar
eigen logoïsche activiteit, en is volop actief in haar bijna goddelijke
of halfgoddelijke vermogens, veel zelfbewuster op haar eigen gebied
dan u of ik op ons gebied van bewustzijn. Hetzelfde geldt voor de god
in ons, die in de monade zetelt.
Verder zult u zich herinneren dat we, toen
we de leer van de stille wachter bespraken, erop hebben gewezen dat
die berustte op het feit van het vele en het ene: dat de mens en het
heelal respectievelijk zowel vele als één zijn, vele in de lagere en
één in de hogere natuur. Let op het volgende: ons bewustzijn is niet
hoger dan het is omdat wij (elk van ons) een persoon zijn; en de grote
taak, het magnum opus van het leven, is deze persoon, dit persoonlijke
zelf, deze persoonlijke ziel te verheffen tot de onpersoonlijkheid en
de individualiteit van de monade. Dit is in het kort het antwoord op
de hierboven gestelde vraag. Het doel van alle inwijdingsceremoniën
– om het antwoord in een andere vorm te gieten, het oogmerk van alle
inwijdingsleringen van de oude mysteriescholen – was het oproepen
van het hogere zelf, van dit innerlijke wezen; en het is mogelijk
dit te doen. Een sterke en ontembare wilskracht is het eerste vereiste.
Reinheid van leven is het tweede, vooral mentale reinheid. En volstrekte
trouw en toewijding aan de leringen van de esoterische wijsheid en aan
de leraar is het derde; en deze drie beginselen van leven en gedrag
vormen de ware râjayoga; en deze ‘koninklijke eenwording’ is
de eenwording met de god in ons, ons goddelijke zelf. Wanneer deze eenwording
plaatsvindt, gebeurt er wat de Grieken in hun oude mysteriën theopneustie
noemden, waarbij de onpersoonlijke essentie in het persoonlijke wordt
geblazen.
Maar aan dit stadium of deze graad van inwijding,
het tweede of intermediaire stadium, ging de eerste van deze inwijdingen
vooraf, de daadwerkelijke ontmoeting van aangezicht tot aangezicht
met de inner lijke god, uw eigen hogere egozelf; en deze graad werd
theofanie genoemd, een samengesteld Grieks woord dat het ‘verschijnen
van een god’ betekent – namelijk van die god die in u is, uw eigen innerlijke
zelf. Wanneer vervolgens de beide voorgaande eenwordingen tot stand
waren gebracht, wanneer de hoge graden van theopneustie en theofanie
waren bereikt, kwam er een derde en laatste stadium, dat de Grieken
theopathie noemden, een samengesteld Grieks woord dat ‘het lijden
van een god’, ‘het dulden van een god’ betekent – wat later uitvoeriger
zal worden toegelicht. Zo’n ingewijde werd zelfs tijdens het leven een
geëvolueerde christos of zoals de boeddhisten het noemen een ontwaakte,
een boeddha, door zich open te stellen voor de levende buddhische entiteit
in de mens; dit is het laatste stadium van menselijke kennis dat op
deze aarde in deze ronde, de vierde, mogelijk is. Maar heel weinigen
bereiken dit hoogste stadium van geïncarneerde wijsheid! Zo iemand was
de Heer Boeddha, Gautama Íâkyamuni, Prins van Kapilavastu. Hij is het,
zo wordt ons gezegd, die nu als nirmâ.nakâya de top (of stille wachter)
vormt van de hiërarchie van wijzen die de grote broederschap vormen
en die onder hen woont, die onzichtbaar is voor hen die van lagere graad
zijn en zichtbaar voor hen die van hogere graad zijn, in wat de boeddhisten
van het noorden het heilige land Íambhala noemen, die geheimzinnige
plek die ten noorden van de Himalaya ligt en niet zover van wat de Gobi-
of Shamowoestijn wordt genoemd. En dat verbazingwekkende iets, die wonderbare
entiteit, dat wonderlijke wezen dat in H.P. Blavatsky was en door haar
werkte kwam uit Íambhala – kwam uit deze hiërarchie. Ik heb het hier
niet alleen over de vrouw, over het stoffelijk lichaam; nee, zelfs niet
over de persoonlijkheid die in Rusland is geboren, maar over dat wonderlijke
wezen dat in dat lichaam incar neerde en dat een deel van ‘haarzelf’
daar achterliet en dat psychisch gekortwiekt de wereld inging en in
dit opzicht gehoorzaamde aan een archaïsche wet, waardoor er zoveel
onbegrip over haar ontstond. Deze entiteit deed haar werk in de wereld
op het juiste cyclische tijdstip voor haar verschijnen onder de mensen:
het begin van een nieuwe Messi aanse cyclus.
U kent de waarschuwing die in de christelijke
evangeliën voor ‘valse christussen’ wordt gegeven: in Mattheüs 24:23-25
en in Marcus 13:21-23. Ze zijn wat betreft strekking en bewoording bijna
gelijk en zijn blijkbaar beide – Marcus en Mattheüs – overgenomen uit
een ouder, een vroeger christelijk evangelie, mogelijk uit het zogenaamde
evangelie ‘van de Hebreeën’, waarvan de geleerden weten dat het heeft
bestaan, maar dat zij nog nooit hebben gevonden. Hoe dan ook, de schrijver
van bovengenoemde waarschuwing sprak de waarheid toen hij met de aan
Jezus toegeschreven woorden zei: ‘Velen zullen na mij komen, die valse
christussen onderwijzen, die zullen proberen u op een dwaalspoor te
brengen, en zeggen ‘Ziet, hier is hij!’ en ‘Ziet, daar is hij!’ Gelooft
het niet.’ Deze woorden zijn niet uitsluitend op het christendom van
toepassing: het gaat ons om de waarschuwing tegen bedrog. Die woorden
zouden evengoed kunnen slaan op joden, hindoes, boeddhisten, de vroegere
bewoners van Amerika, Skandinaviërs, op elk volk waar ook ter wereld,
want de waarschuwing zou voor allen kunnen gelden. Waarom? Omdat er
inderdaad cyclische crises of perioden zijn, waarin echte ‘verlossers’
van de mens verschijnen en ook ‘valse profeten’ en ‘valse christussen’.
Ze komen altijd als de tijd daarvoor rijp is. Na elke periode van 2.160
jaar, de duur van een Messiaanse cyclus, komt er een wederopleving van
geestelijk geloof in de wereld in tijden van materiële groei en geestelijk
verval; in die tijden die Plato de onvruchtbare perioden noemt, ‘komt’
er een boodschapper uit Íam bhala die zijn leer aan de mensen schenkt
en haar grondvest en dan weer heengaat. En onmiddellijk zijn er nabootsers
of misschien valse discipelen, mensen die zichzelf op de voorgrond willen
plaatsen, die zijn misleid, of misschien zelfs die door hun vooroordelen
en door de zwakheden van hun eigen menselijk gemoed op een dwaalspoor
zijn gebracht – laten we het zo vriendelijk mogelijk zeggen – die sekten
gaan vormen, ‘valse christussen’ beginnen te prediken en een beroep
doen op de zucht naar wonderen van de mensen. Een nieuwe sekte is geboren
die of weer wegkwijnt of een lange tijd blijft voortleven en de wereld
staat weer een aantal eeuwen onder priesterheerschappij en het gezag
van een mensenhiërarchie, totdat de mens zich door zijn eigen geestelijke
en mentale kracht opnieuw bevrijdt; en na veel beroering en zielenleed
komt er een nieuw echt licht, een nieuwe ware christos, een nieuw licht
van de hiërarchie van mededogen. Hij doet op dezelfde manier een beroep
op de geestelijke innerlijke vuren van de mens als in het verleden door
de geestelijke dhyâni’s werd gedaan, toen deze voornamelijk in het derde
wortelras op deze planeet in deze ronde als mânasaputra’s incarneerden
en ons daardoor eonen van dierlijk bestaan en onbeschrijflijke degradatie
en ontelbare lichtloze eeuwen van om zwer vingen hebben bespaard.
Zo is de situatie. We moeten of de ‘rechterhand’,
of de ‘linker’ volgen, zoals de oude boeddhisten zeiden. ‘De schakel
onverbroken houden’ betekent dat we het pad van de rechterhand volgen.
De keus is aan ieder van ons als individu. Niemand anders kan voor ons
kiezen. Het enige wat de leraar kan doen is opwekken en onderwijzen.
Ieder van ons heeft zijn geweten dat hij moet volgen en waarin geen
enkele inmenging ooit wordt geduld. Maar wees er wel zeker van dat het
pad dat u kiest het pad van het geweten en wijsheid is. Wees er zeker
van dat u niet langs het pad van de linkerhand wordt gevoerd door allerlei
listen en valstrikken.
Dit zijn oude en afgezaagde gezegden, maar
ze zijn nog altijd van toepassing. Hun waarheid wordt niet verzwakt
door het feit dat we allen ermee vertrouwd zijn.
Op de volgende bijeenkomst moeten we meer gericht
gaan bestuderen hoe de levensgolf tot belichaming komt en haar eigen voertuigen
maakt door ontelbare lagere wezens uit zichzelf te projecteren – ze uit
haar eigen brandpunt van levenskracht te voorschijn te brengen – en ze
uit te zenden zoals de mens zijn gedachten uitzendt; en op latere bijeenkomsten
laten we dan zien hoe de levensgolf zich langs de schaduwboog omlaag begeeft
naar steeds grovere manifestatie, totdat de kritische periode wordt bereikt
en de opgaande cyclus van de lichtende boog begint. We moeten uitvoeriger
naar de oude Griekse en Romeinse filosofische school, de stoïcijnse, verwijzen
en aantonen dat hun leringen over de evolutie van de elementen – die elkaar
omlaag in manifestatie opvolgen en aan elkaar vormgeven – juist waren.
Want deze leer geeft een goed inzicht in de manier waarop de kosmos is
gebouwd en de wijze waarop de mens is gebouwd en het hoe
en het waarom van zijn evolutie en waarom hij hier
nu op aarde is en niet ergens anders, hetzij verder dan wel minder vergevorderd
op het pad.
Dit zijn allemaal zaken die rechtstreeks verband
houden met het wetenschappelijke onderzoek van deze tijd, want de vindingen
van de moderne wetenschap betekenen een grote stap vooruit en vroeg
of laat zal ze leiding nodig hebben of anders zal ook zij het pad van
de linkerhand inslaan. H.P. Blavatsky heeft ons duidelijk gezegd dat
de theosofische beweging het kanaal is waardoor het licht zal komen
dat de wereld zal verlichten en dat de mens zal leiden bij zijn schreden
op het pad langs de lichtende boog; en het is onze plicht dit edele
werk met al onze kracht te steunen. En als we onze eigen filosofie niet
naar behoren en op juiste wijze begrijpen en anderen niet tegemoet kunnen
treden om op een overtuigende manier met hen te spreken, schieten we
in onze plicht tekort. Maar diegenen onder ons, die een ontembare wilskracht
bezitten en de innerlijke christos in zich hebben doen ontwaken, al
is het maar in zo geringe mate dat we iets van dat schitterende licht
in ons kunnen zien, dat ons hoop voor de toekomst en blijvende vrede
verschaft; diegenen onder ons die dit hebben ervaren, al is het in geringe
mate, zullen beseffen dat daarin en nergens anders op aarde of in enige
andere zichtbare of onzichtbare sfeer het pad, het aloude pad, het smalle
oude pad ligt waarover in de Upanishads wordt gesproken en dat leidt
naar het hart van het heelal.
Beginselen
van de esoterische filosofie,
blz. 404-13
© 1998
Theosophical
University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag
|