HOOFDSTUK 4

VAN OORSPRONKELIJK PUNT TOT HEELAL EN MENS.
HOE BEGINT DE MANIFESTATIE? MANVANTARA EN PRALAYA.

    De vonken zijn de ‘zielen’ en deze zielen verschijnen volgens onze leer in de drievoudige vorm van monaden (eenheden), atomen en goden. ‘Ieder atoom wordt een zichtbare samengestelde eenheid (een molecule), en als de monadische essentie eenmaal tot het gebied van de aardse activiteit is aangetrokken, gaat deze door het delfstoffen-, planten- en dierenrijk en wordt een mens.’ (Esot. Catechism.) Verder ‘corresponderen god, monade en atoom met geest, denkvermogen en lichaam (atma, manas en sthula sarira) in de mens’. In hun zevenvoudige samenstelling vormen ze de ‘hemelse mens’ (zie voor deze laatste term de Kabbala); zo is de aardse mens een voorlopige weerspiegeling van de hemelse mens . . . ‘De monaden (jiva’s) zijn de zielen van de atomen en beide zijn het weefsel waarmee de Chohans (Dhyani’s, goden) zich bekleden wanneer ze een vorm nodig hebben.’ (Esot. Cat.)
                                         – De Geheime Leer, 1:686

    Parabrahm (de ene Werkelijkheid, het Absolute) is het gebied van het absolute bewustzijn, dat is die essentie die geen enkel verband heeft met het voorwaardelijke bestaan en waarvan het bewuste bestaan een voorwaardelijk symbool is. Maar zodra wij in gedachten afstappen van deze (voor ons) absolute ontkenning, treedt er tweevoudigheid op in de tegenstelling van geest (of bewustzijn) en stof, subject en object.
     Geest (of bewustzijn) en stof moeten echter niet als onafhankelijke werkelijkheden worden beschouwd, maar als de twee facetten of aspecten van het Absolute (Parabrahm), die de basis vormen van het voorwaardelijke Zijn, hetzij subjectief of objectief . . .
     Het zal dus duidelijk zijn dat de tegenstelling tussen deze twee aspecten van het Absolute essentieel is voor het bestaan van het ‘gemanifesteerde Heelal’. Zonder kosmische substantie zou de kosmische verbeeldingskracht zich niet kunnen manifesteren als individueel bewustzijn, omdat bewustzijn alleen door middel van een materieel voertuig tevoorschijn komt als ‘ik ben ik’. Er is immers een stoffelijke grondslag nodig om een straal van het universele denkvermogen in een bepaald stadium van ingewikkeldheid ergens op te richten. Evenzo zou kosmische substantie zonder kosmische verbeeldingskracht een lege abstractie blijven en er zou geen bewustzijn uit voortkomen.
     Het ‘gemanifesteerde Heelal’ is dus doordrongen van dualiteit en deze is als het ware de essentie van zijn EX-istentie als ‘manifestatie’. Maar evenals de tegenovergestelde polen van subject en object, geest en stof, alleen maar aspecten zijn van de Ene Eenheid waarin ze tot synthese zijn gebracht, zo is er ook in het gemanifesteerde Heelal ‘dat’ wat geest aan stof, en subject aan object verbindt.
     Dit iets, dat tegenwoordig onbekend is in het westerse speculatieve denken, wordt door de occultisten fohat genoemd. Het is de ‘brug’ waardoor de ‘ideeën’ die in het ‘goddelijke denken’ bestaan, als ‘natuurwetten’ worden afgedrukt op de kosmische substantie. Op. cit., 1:44-45

    Voordat we deze bijeenkomst beginnen, moet over het karakter van deze studies worden opgemerkt, dat ze een vereenvoudiging zijn van De Geheime Leer, in die zin dat ze een verklaring en een uiteenzetting geven van de betekenis van de leringen die het boek bevat. Om dat doel te bereiken, is het natuurlijk nodig deze leringen in verband te brengen – met het doel ze te vergelijken en de analogie of identiteit aan te tonen – met de denkwijzen van de grote wereldreligies en van de grote denkers uit de oudheid, omdat deze in essentie zijn voortgekomen uit de centrale bron van denken en religie van de mens, een bron die we tegenwoordig theosofie noemen.
     Voordat we werkelijk De Geheime Leer zelf, als boek, kunnen gaan bestuderen, is het nodig in de loop van onze studie bepaalde struikelblokken uit de weg te ruimen die voor ieder van ons een belemmering vormen; bepaalde ideeën en zogenaamde denkwijzen die ons van jongs af zijn ingeprent en die ons door de psychologische invloed die ze op ons denken hebben in feite verhinderen de waarheden omtrent het zijn te begrijpen die H.P. Blavatsky ons op zo meesterlijke wijze heeft geschonken.
     Het is bovendien nodig bepaalde heel oude denkwijzen te onderzoeken en dieper tot de ware betekenis van de oude religies en filosofieën door te dringen dan ooit in boeken van deze tijd is gedaan, omdat die boeken zijn geschreven door mensen die niets van de esoterische filosofie afweten, mensen die voornamelijk in opstand kwamen tegen de dorre geest van de christelijke kerk; die, om zich van de kerkelijke banden te bevrijden, in feite te ver de andere kant uitgingen en niets dan priesterintriges en kwaadwilligheid zagen in deze oude godsdiensten en in het doen en laten en de leringen van hen die er onderricht in gaven, de priesters, filosofen of geleerden.
     Wat we ook steeds in gedachten moeten houden is dat we in feite de studie beginnen van die leringen die het hart vormden van wat in de oudheid in de mysteriën werd onderwezen. Deze mysteriën werden verdeeld in twee algemene categorieën, de kleine en de grote mysteriën.
     De kleine mysteriën bestonden grotendeels uit gedramatiseerde riten of ceremoniën, met enig onderricht; de grote mysteriën bestonden uit studie of werden bijna geheel op de grondslag daarvan uitgevoerd, en werden later bij de inwijding door persoonlijke ervaringen bevestigd. In laatstgenoemde mysteriën werd o.a. de geheime betekenis van de mythologieën van de oude religies verklaard, zoals bijvoorbeeld de Griekse.
     De actieve, levendige geest van de Grieken bracht een mythologie voort die wat bekoring en schoonheid betreft misschien haar weerga niet heeft, maar die niettemin moeilijk is te verklaren; de mysteriën van Samothrace en Eleusis – de grote – verklaarden o.a. wat deze mythen betekenden. Deze mythen waren de basis van de exoterische religies; bedenk echter dat exoterisch niet wil zeggen dat wat exoterisch wordt onderwezen op zichzelf onwaar is, maar alleen dat het een leer is die zonder de sleutel ertoe wordt gegeven. Zulke leringen zijn symbolisch, verhullend, een aanduiding van de waarheid: de waarheid is er, maar zonder de sleutel ertoe – de esoterische betekenis – wordt ze niet duidelijk.
     We lezen nu uit De Geheime Leer (1:73):

    De Geheime Leer verkondigt de steeds verder gaande ontwikkeling van alles, van werelden zowel als van atomen; en deze indrukwekkende ontwikkeling heeft noch een denkbaar begin, noch een einde dat men zich kan voorstellen. Ons ‘Heelal’ is er slechts één uit een oneindig aantal Heelallen, alle ‘zonen van noodzakelijkheid’, omdat zij schakels vormen in de grote kosmische keten van Heelallen, waarvan ieder zich tot zijn voorganger verhoudt als een gevolg, en tot zijn opvolger als een oorzaak.
     Het verschijnen en verdwijnen van het Heelal wordt voorgesteld als een uitademing en inademing van ‘de grote adem’, die eeuwig is en die, omdat hij beweging is, een van de drie aspecten van het Absolute is; de andere twee zijn abstracte Ruimte en duur. Als de ‘grote adem’ wordt geprojecteerd, wordt hij de goddelijke adem genoemd en wordt hij beschouwd als het ademen van de onkenbare godheid – het ene Bestaan – die als het ware een gedachte uitademt die de Kosmos wordt. (Zie ‘Isis Ontsluierd’.) Zo verdwijnt ook, als de goddelijke adem weer wordt ingeademd, het Heelal in de schoot van ‘de grote moeder’, die dan slaapt ‘gewikkeld in haar onzichtbare gewaden’.

    Veertien dagen geleden bestudeerden we de kwestie van mâyâ en de relatie van het innerlijke wezen van de mens tot de onuitsprekelijke essentie; nu rest ons nog in het kort te onderzoeken hoe de mens, die een persoonlijk element in zich heeft, voortkwam uit de essentie van het onpersoonlijke, als men het zo kan noemen. We kunnen al dadelijk zeggen dat het oneindige en onpersoonlijke nooit eindig en persoonlijk wordt. Hoe komt dan de geest van de mens (die als het ware al het eerste waas is over het aangezicht van het absolute) tot aanzijn? Laten we bedenken dat de manifestatie van werelden, en daarom van de wezens die deze werelden bewonen, plaatsvindt in de stoffelijke sfeer, gewoonlijk de ruimte genoemd. Eerst wordt een centrum gelokaliseerd – een heel armzalig woord om te gebruiken! – dat in feite niet oneindig, niet eeuwig is; als het dat wel was, zou het zich niet kunnen manifesteren en geen uiterlijk bestaan kunnen beginnen, omdat dit beperking inhoudt. Het eeuwige, het onuitsprekelijke, het oneindige, manifesteert zich nooit, noch gedeeltelijk noch in zijn geheel. Woorden zijn misleidend bij de behandeling van deze onderwerpen, maar wat is daaraan te doen? We moeten menselijke uitdrukkingen gebruiken om onze bedoeling duidelijk te maken.
     Hoe kwam de manifestatie tot stand? De oude wijsheid zegt ons het volgende: in de levenszaden die in de ruimte overbleven, afkomstig van een planeet die tevoren haar manvantara had doorlopen en in een toestand van latentie of prakriti-pralaya was overgegaan, ontstond (toen de tijd voor de nieuwe manifestatie was aangebroken) in deze levenszaden de activiteit die in het Sanskriet trishnâ wordt genoemd (‘dorst’, verlangen naar manifestatie), waardoor het centrum werd gevormd waaromheen een nieuw heelal zou worden samengebracht. Door karma genoodzaakt, had het zijn eigen plaats in de ruimte, en zou uit de karmische zaden die uit het voorafgaande manvantara zijn overgebracht en die in een latente toestand verkeren, het bij hem behorende nageslacht voortbrengen – goden, monaden, atomen, mensen en de drie elementaire of elementalenrijken van de wereld zoals we die om ons heen zien.
     Het heelal belichaamt zich opnieuw (het ‘reïncarneert’ niet, want dit betekent in het vlees komen) op een soortgelijke manier als de menselijke ziel die reïncarneert, waarbij rekening moet worden gehouden met de omstandigheden. Zoals de mens het product is van zijn vroegere leven, of beter levens, zo is ook een heelal, een zonnestelsel, een planeet, een dier, een atoom – zowel het heel grote als het zogenaamd oneindig kleine – de vrucht, de bloem, van wat eraan voorafging. Elk van deze draagt zijn karmische last, precies zoals de ziel van de mens.
     De leringen over de ontwikkeling van de innerlijke gebieden van het zijn, die aan de uiterlijke gebieden voorafgaan en deze voortbrengen, zijn heel esoterisch en maken deel uit van een diepere studie dan nu mogelijk is, maar we kunnen ons door analogie en door vergelijking met het leven van de mens een algemeen beeld vormen hoe deze ontwikkeling zich voltrekt.
     Wanneer de manifestatie begint, doet zich wat men dualiteit noemt voor. Het verloop zou ongeveer als volgt zijn, als we het in een diagram zouden weergeven.
     Stel u voor dat deze bovenste rechte lijn een hypothetisch gebied is: het kan, menselijk gesproken, onmetelijk groot of uitgebreid zijn, maar uitgebreidheid alleen heeft met de algemene gedachte niets te maken. Daarboven strekt zich de oneindigheid van het grenzeloze uit; onder het diagram is het grenzeloze, en naar binnen is het grenzeloze dat alles doordringt; maar voor de toelichting die we nu willen geven zullen we zeggen dat het erboven is.
     Laten we ergens op een willekeurige plaats een punt A zetten, dan nog een punt A' en een derde A". Na een lange periode van latentie of pralaya komt er nu een periode van manifestatie of manvantara. Een punt zoals A, of A' of A" zullen we het oorspronkelijke punt noemen, de eerste doorbraak naar het kosmische gebied eronder. De geest-kracht erboven, die in de levenszaden tot activiteit komt en zich een weg omlaag baant naar het lagere zich manifesterende leven – niet door iets buiten zichzelf in beweging gebracht of voortgedreven – wordt tot manifestatie gebracht door het karmische leven van zijn eigen innerlijke wezen, door de dorst van begeerte, of de drang tot ontplooiing, zoals het weer tevoorschijn komen in de vroege zomer van een bloem die zich wil ontvouwen. Dit eerste verschijnen wordt in de filosofie voorgesteld als het eerste of oorspronkelijke punt; dit is de naam die het in de joodse theosofie, de kabbala, heeft gekregen.
     Vanaf het ogenblik dat het punt, het levenszaad, de kiem van het leven – alle slechts namen voor één en hetzelfde, het geestelijke atoom, de geestelijke monade, noem het zoals u wilt – als het ware in het lagere leven doorbreekt, treedt differentiatie of dualiteit op die tot het einde van de grote cyclus voortduurt; ze wordt voorgesteld door de twee opstaande zijden van de driehoek in het diagram. Een ervan kunnen we AB noemen, de Brahmâ (mannelijk), de andere AC, de prakriti of de natuur (vrouwelijk). Brahmâ wordt ook vaak purusha genoemd, een Sanskrietwoord dat ‘mens’ betekent, de ideale mens, zoals âdâm kadmôn uit de kabbala, de oorspronkelijke entiteit van de ruimte, die in prakriti of de natuur alle zevenvoudige verdelingen van het gemanifesteerde bestaan bevat.
     Vanaf het eerste moment dat dualiteit optreedt, trekken deze twee zijden of polen elkaar voortdurend aan, en ze verenigen zich. Vergeet niet dat dit symbool niet meer is dan een paradigma, een schematische voorstelling. Het zou volslagen absurd zijn te zeggen dat het leven en de wezens alleen als meetkundige driehoeken tot manifestatie komen; maar we kunnen het ons op deze manier symbolisch voorstellen. Wanneer deze twee, de vader en de moeder, geest (of werkelijkheid) en illusie (of mâyâ), Brahmâ (of purusha) en Prakriti (of natuur), zich verenigen, ontstaat daaruit de zoon. In het christelijke stelsel draagt de geestelijke of oorspronkelijke zoon de naam Christos; in het Egyptische stelsel brengen Osiris en Isis (of haar tweelingzuster Nephthys, die slechts het meer verborgen aspect van Isis is) hun zoon Horus voort, de geestelijke zon, in stoffelijk opzicht de zon of de lichtbrenger; en iets dergelijks vinden we in de verschillende stelsels die uit de oudheid tot ons zijn gekomen.
     Uit de wisselwerking van deze drie, door interpolaire werking en door de geestelijke krachten die binnen- en buitenwaarts werken, ontstaan – overeenkomstig de mystieke wijze waarop dit stelsel van emanatie wordt onderwezen – twee andere naar omlaag lopende lijnen, die zich eveneens verenigen en het vierkant of de gemanifesteerde kosmos vormen.
     Uit het centrale of oorspronkelijke punt wordt de levenszon geboren of komt daaruit voort. Daarin en daardoor zijn wij verbonden met het onuitsprekelijke. De mens kan hier beneden op aarde een stoffelijk wezen zijn of ergens anders een stralende etherische entiteit; het doet er echter niet toe waar hij is of wat voor lichaam hij heeft: want zodra de zeven beginselen van zijn wezen werkzaam zijn, ontstaat de mens, de denkende entiteit, die door zijn zevende beginsel en zijn zesde met die levenszon is verbonden.
     In ieder ‘mens’ van de ontelbare menigten zelfbewuste wezens die tot deze kosmos of dit heelal behoren, komen twee naturen samen, respectievelijk omhoog en omlaag gericht: één ervan is een geestelijke straal die hem met het meest goddelijke verbindt en zich vandaar in alle richtingen naar omhoog uitstrekt en voor hem in elk opzicht de schakel is met het onuitsprekelijke, het grenzeloze, dat daarom de kern, de essentie van zijn wezen is.
     De mens volgt bij het verschijnen en evolueren op deze planeet Terra dezelfde prachtige natuurprocessen als een planeet in de ruimte of een zon met zijn tot dat zonnestelsel horende broeders, de planeten. De mens die dus inderdaad een kind van de oneindigheid is, het kroost van het onuitsprekelijke, heeft de vermogens van het heelal latent in zich.
     En op dit feit berust wat ons zo vaak over het verkrijgen van vermogens is verteld. Hoe vreemd het ook mag klinken, door ze na te jagen, verkrijgen we ze juist niet, lopen we ze mis en verliezen we ze, want die impuls vloeit voort uit ijdelheid en zelfzucht. Wat gebeurt er als we ze uit zelfzucht zoeken? Dan gaan de lagere krachten op ons inwerken; de zucht naar sensatie wordt groter en als we daaraan toegeven, voert dit ons naar en in de diepe afgrond van de stof, het tegenovergestelde van het grenzeloze.
     Een grote ziel die dit verlangen naar persoonlijke vermogens is ontgroeid en van zich af heeft gezet, in wie de geest van eigenbaat niet langer de boventoon voert, heeft inderdaad het vermogen de ladder van het zijn te beklimmen, via de schakel met het hoogste in zijn diepste wezen; hij ervaart zijn eenheid met al wat is, hij voelt dat ieder mens, ja zelfs de mier die moeizaam tegen een zandhoopje opkruipt alleen om er weer af te rollen, hijzelf is – niet figuurlijk maar letterlijk: een ander lichaam maar hetzelfde leven, dezelfde essentie. Dezelfde dingen zijn zowel latent in de mier als in hem. Hij en zij allen zijn vervuld van sluimerende vermogens en krachten en kunnen na verloop van tijd goden worden, en als het ware kracht uitstralen zoals de zon; en de enige manier is volstrekte zelfvergetelheid, omdat zelfvergetelheid, hoe paradoxaal het ook mag klinken, de enige weg is tot het zelf, het universele zelf. Het persoonlijke zelf sluit de deur voor ons.
     Natuurlijk kunnen we het besef van het persoonlijke zelf niet uit ons wezen verdringen, en dat is ook niet wenselijk; maar in zijn laagste aspect neemt het alle vormen van zelfzucht aan, totdat het bestaan van de mens die het pad van de linkerhand of het pad omlaag volgt, eindigt in wat de eerste christenen – overgenomen van de Grieken – de Tartarus noemden, de plaats van ontbinding.
     Wanneer de mens uitstijgt boven de invloed van de stof, heeft hij de boeien van mâyâ, of illusie, verbroken. Laten we bedenken dat wanneer de manifestatie begint, prakriti mâyâ wordt, of beter, is; en dat Brahmâ, de vader, de geest van het bewustzijn of de individualiteit is. Deze twee zijn in werkelijkheid één, en toch zijn ze ook de twee aspecten van de ene levensstraal die op zichzelf inwerkt en reageert, zoals een mens zelf kan zeggen, ‘ik ben ik’. Hij bezit het vermogen tot zelfanalyse of zelfontleding; ieder van ons weet dat, we kunnen het in onszelf ervaren. We kunnen dan één kant van onszelf denken als prakriti, of het stoffelijke of mâyâvische element of het element van illusie; en de andere kant als geest, de individualiteit, de innerlijke god.
     Maar als de mens het leven beziet, als hij de blik laat gaan langs de levensladder, ziet hij die door mâyâ; hij is in feite enerzijds het kind van mâyâ en anderzijds dat van de geest. Beide zijn in hem. Hij moet leren dat de twee één zijn en dat ze niet zijn gescheiden; dan wordt hij niet langer misleid. Hij moet leren begrijpen dat mâyâ, de grote bedrieger, de befaamde slang uit de oudheid is die ons uit de Hof van Eden leidt (om een bijbels beeld te gebruiken), om door ervaring en lijden te leren wat illusie is – en niet is.
     Ook de stof zelf, die de mâyâvische manifestatie van prakriti is op dit gebied (ik bedoel hier fysieke stof), is niet substantieel. De dichtste en hardste dingen die we kunnen bedenken zijn misschien wel de metalen, maar in werkelijkheid zijn ze wellicht het meest poreus, het meest schuimachtig, het meest vergankelijk, gezien vanuit de andere of hogere kant van het zijn, vanuit de andere kant van het bestaansgebied. Dit wordt nu zo goed begrepen dat de meer intuïtieve wetenschappers ons zeggen dat de ruimte, die ons zo ijl en doorzichtig voorkomt, in werkelijkheid harder is dan het hardste staal. Hoe komt het dat elektriciteit metalen als geleider verkiest boven gewoon hout of watten of iets dergelijks?
     Voor we verder gaan is het nodig even stil te staan bij wat we met de woorden manvantara en pralaya bedoelen. Laten we eerst het woord manvantara nemen. Dit is een samengesteld Sanskrietwoord dat niets anders betekent dan tussen twee manu’s; letterlijk ‘manu-tussen’. Manu, of dhyâni-chohan, omvat in het esoterische stelsel de gezamenlijke entiteiten die aan het begin van de manifestatie het eerst verschijnen en waaruit, als uit een kosmische boom, alles voortkomt of wordt geboren. Manu is in werkelijkheid de (geestelijke) levensboom van een planeetketen, van het gemanifesteerde zijn. Manu is daarom in zekere zin de derde logos; zoals de tweede de vader-moeder is, de Brahmâ en de prakriti; en de eerste is wat we de ongemanifesteerde logos noemen, of brahman (onzijdig) en zijn kosmische sluier pradhâna.
     Pradhâna is eveneens een samengesteld Sanskrietwoord en betekent dat wat is ‘voor geplaatst’. Het is later een technische term in de filosofie geworden, die aanduidt wat we de eerste vage verschijning van de wortelstof kunnen noemen, ‘geplaatst vóór’ of liever rondom brahman als een sluier. Wortelstof is mûlaprakriti, wortelnatuur, en daarmee correspondeert de andere of actieve pool brahman (onzijdig). Dat waaruit de eerste of ongemanifesteerde logos voortkomt, wordt parabrahman genoemd en mûlaprakriti is zijn kosmische sluier. Parabrahman is een samengesteld Sanskrietwoord, dat ‘voorbij brahman’ betekent. Mûlaprakriti is, zoals eerder opgemerkt, een samengesteld Sanskrietwoord dat mûla, ‘wortel’, prakriti, ‘natuur’ betekent.
     Dus eerst het grenzeloze, gesymboliseerd door de ; dan parabrahman en mûlaprakriti zijn tegenpool; daarna lager, brahman en zijn sluier pradhâna; vervolgens Brahmâ-prakriti of purusha-prakriti (prakriti is ook mâyâ); en door deze laatste, Brahmâ-prakriti, vader-moeder, verschijnt het gemanifesteerde heelal. Met andere woorden, de tweede logos, vader-moeder, brengt de manifestatie teweeg door middel van hun zoon, die in een planeetketen manu is. Een manvantara is daarom de periode van activiteit tussen iedere twee manu’s, op elk gebied, omdat er in elk zo’n periode een wortel-manu is aan het begin van de evolutie en een zaad-manu aan het einde ervan, voorafgaande aan een pralaya.
     Pralaya: dit is ook een samengesteld Sanskrietwoord, gevormd uit laya, van een Sanskrietwortel , en het voorvoegsel pra. Wat betekent ? Het betekent ‘oplossen’, ‘wegsmelten’, ‘vloeibaar maken’, zoals wanneer men water op een klontje zout of suiker giet. Het klontje zout of suiker verdwijnt in het water; het lost op en verandert van vorm; en dit kan als een symbool worden beschouwd van wat pralaya is: een wegbrokkelen, een verdwijnen van stof in iets anders dat er al in aanwezig is, het omringt en doordringt. Dat is pralaya, gewoonlijk uitgelegd als de toestand van latentie, de toestand van rust, tussen twee manvantara’s of levenscyclussen. Als de betekenis van het Sanskrietwoord ons duidelijk voor de geest staat, zal ons denken een andere richting, een nieuwe gedachtegang, volgen; we krijgen nieuwe ideeën en dringen door tot het geheim van wat er plaatsvindt.
     Er zijn veel soorten manvantara’s; ook veel soorten pralaya’s. We kennen bijvoorbeeld het universele manvantara en de universele pralaya, en deze worden prâkritika genoemd, want het gaat om de pralaya of het verdwijnen, het wegsmelten, van prakriti of natuur. Dan is er de zonnepralaya. Zon is in het Sanskriet sûrya en het bijvoeglijk naamwoord daarvan is saurya; daarom de saurya-pralaya of de pralaya van het zonnestelsel. Dan is er in de derde plaats de aardse of planetaire pralaya. Het Sanskrietwoord voor aarde is bhûmi en het hiermee overeenkomende bijvoeglijk naamwoord is bhaumika: vandaar de bhaumika-pralaya. Verder kunnen we spreken van de pralaya of de dood van de individuele mens. De mens is purusha; het daarbij behorende bijvoeglijk naamwoord is paurusha: vandaar de paurusha-pralaya, of de dood van de mens. Dit zijn voorbeelden van verschillende pralaya’s: in de eerste plaats de prâkritika of de ontbinding van de natuur; dan de zonnepralaya, de saurya; vervolgens de bhaumika, of het sterven van de aarde; en dan de paurusha, of de dood van de mens. En deze bijvoeglijke naamwoorden zijn eveneens van toepassing op de verschillende soorten manvantara’s of levenscyclussen.
     Er is een andere soort pralaya, die nitya wordt genoemd. De algemene betekenis ervan is ‘constant’ of ‘voortdurend’, en een voorbeeld daarvan is de constante of voortdurende verandering – leven en dood – van de cellen van ons lichaam. Het is een toestand waarin de inwonende en leidende entiteit dezelfde blijft, maar haar verschillende beginselen en rûpa’s of ‘lichamen’ ondergaan voortdurend verandering. Daarom wordt hij nitya genoemd. Hij is van toepassing op het menselijk lichaam, op de sfeer buiten de aarde, op de aarde zelf, op het zonnestelsel en op de hele natuur.
     Hij wordt ook voorgesteld door een symbool uit de oosterse wijsheid dat H.P. Blavatsky ons heeft gegeven, het uitademen en inademen van Brahmâ. Dit symbool is, tussen haakjes, niet uitsluitend Indisch. Het komt voor in oude Egyptische teksten, waarin een of andere god, bijvoorbeeld Khnumu, via zijn mond het kosmische ei uitademt. Er wordt ook op gezinspeeld in de orfische gezangen, waarin de kosmische slang de dingen die zullen komen of het toekomstige heelal als een ei uitademt. Overal, in het bijzonder waar een oude religie of filosofie lang heeft standgehouden, vinden we het symbool van het kosmische ei. Religies van jongere datum of van geringere invloed maken er niet zo vaak gebruik van. Het kosmische ei werd als symbool gevonden in Egypte en in Hindoestan; het kwam voor in Peru, waar de ‘machtige man’, de purusha in het Sanskriet, de ideale mens, Manco Capac werd genoemd, en zijn vrouw en zuster Mama Ocllo, wat ‘moeder ei’ betekent; deze brachten het heelal tot aanzijn en werden later respectievelijk de zon en de maan.
     Waarom gebruikten de Ouden een ei als symbool voor het begin van manifestatie? Is het geen prachtig symbool? Zoals het ei waaruit het kuiken komt de levenskiem bevat (door zijn moeder, de hen, gelegd, en bevrucht door de andere pool van het zijn), zo bevat ook het kosmische ei, dat het oorspronkelijke punt is, de levenskiem. Het ei zelf kan ook de levenskiem worden genoemd en de levenskiem in het ei de innerlijke kiem – dat subtielere punt dat de impulsen ontvangt waarover we eerder hebben gesproken en die afkomstig zijn uit het hoogste centrum van communicatie tussen de uiterlijke en de innerlijke wereld, de lijnen van innerlijke magnetische actie en reactie. Wanneer het kuiken in het ei is gevormd, verbreekt het zijn schaal en komt het tevoorschijn, precies als, zoals we zagen, het geval was met het oorspronkelijke punt. Toen het karmische uur had geslagen, brak het als het ware door naar andere gebieden van manifestatie en activiteit. De Ouden, die het beeld nog verder uitwerkten, spraken zelfs over de hemel als een soort koepel, als het bovenste gedeelte van een eierschaal.
     Laten we dieper over deze oude symbolen nadenken. De Ouden waren geen dwazen. In deze oude zinnebeelden schuilt een diepe betekenis. Waarom zei Homerus over zijn Olympus, het verblijf van Zeus en de goden, dat het van koper was, een van de hardste en meest onbuigzame dingen die de Grieken kenden? Waarom zei Hesiodus dat de Olympus van ijzer was gemaakt? Omdat ze inzagen dat het leven hier, het leven in de stof en van de stof, op een vergankelijke grondslag berust, en dat de lagere wereld van de stof van voorbijgaande aard is, schuimachtig, als het ware vol gaten, en onwerkelijk.


Beginselen van de esoterische filosofie, blz. 40-51

© 1998  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag