|
HOOFDSTUK 3
DE
LEER VAN MÂYÂ; OBJECTIEF IDEALISME DE GRONDSLAG
VAN ETHISCH HANDELEN: GEWORTELD IN DE GEESTELIJKE EENHEID
HET GODDELIJKE VAN HET AL, HET ZELF EN DE ‘ZELVEN’.
Maya of illusie is een element dat bij alle eindige dingen
optreedt, want alles wat bestaat heeft alleen maar een relatieve en
geen absolute werkelijkheid, omdat de vorm waarin het verborgen noumenon
voor een waarnemer verschijnt, afhangt van zijn waarnemingsvermogen.
Voor het ongeoefende oog van een barbaar is een schilderij eerst een
zinloze wirwar van gekleurde strepen en klodders, terwijl een geoefend
oog er onmiddellijk een gezicht of een landschap in ziet. Niets is blijvend,
behalve het ene verborgen absolute bestaan dat in zichzelf de noumena
van alle werkelijkheden bevat. De bestaansvormen die tot ieder gebied
van het zijn behoren, tot de hoogste Dhyan-Chohan toe, hebben tot op
zekere hoogte iets van schaduwen, die door een toverlantaarn op een
kleurloos scherm worden geworpen; toch zijn alle dingen betrekkelijk
reëel, want ook de waarnemer is een weerspiegeling, en de waargenomen
dingen zijn daarom voor hem even werkelijk als hijzelf. De werkelijkheid
die de dingen misschien bezitten, moet men erin zoeken vóór of nadat
zij als een flits door de stoffelijke wereld zijn heengegaan; maar wij
kunnen zo’n bestaan niet rechtstreeks waarnemen zolang wij waarnemingsinstrumenten
hebben die slechts het stoffelijke bestaan binnen het bereik van ons
bewustzijn brengen. Op welk gebied ons bewustzijn ook werkzaam is, zowel
wij als de dingen die tot dat gebied behoren, zijn voor dat moment onze
enige werkelijkheden. Naarmate wij een hogere trap van ontwikkeling
bereiken, bemerken wij dat we tijdens de stadia die we hebben doorlopen
schaduwen voor werkelijkheden hebben aangezien. Het omhoogklimmen van
het ego is een reeks steeds verder gaande bewustwordingen, waarbij iedere
vordering de gedachte meebrengt dat we nu eindelijk de ‘werkelijkheid’
hebben bereikt. Wij zullen echter pas vrij zijn van de door maya voortgebrachte
waanvoorstellingen, wanneer wij het absolute Bewustzijn hebben bereikt
en het onze daarin hebben laten opgaan.
– De Geheime Leer, 1:69-70
Het Heelal met alles daarin wordt
MAYA genoemd, want alles daarin is tijdelijk,
van het kortstondige leven van een glimworm tot dat van de zon. In de
gedachten van een filosoof moet het Heelal met zijn vergankelijke steeds
wisselende vormen, vergeleken met de eeuwige onbeweeglijkheid van het
ene en de onveranderlijkheid van dat beginsel, niet meer zijn dan een
dwaallichtje. Toch heeft het Heelal genoeg werkelijkheid voor de bewuste
wezens daarin, die even onwerkelijk zijn als het Heelal zelf.
– Op. cit., blz. 301
We hervatten de studie van De
Geheime Leer op het punt waar we veertien dagen geleden zijn gekomen,
en ik lees de derde grondstelling – tenminste een gedeelte ervan (GL 1:47).
De fundamentele gelijkheid van
alle zielen met de Universele Overziel, die zelf een aspect is van de
Onbekende Wortel; en de verplichte pelgrimstocht voor iedere ziel –
een vonk van eerstgenoemde – door de cyclus van incarnatie (of ‘noodzakelijkheid’)
in overeenstemming met de cyclische en karmische wet gedurende het hele
tijdperk. Met andere woorden, geen zuiver geestelijke buddhi (goddelijke
ziel) kan een onafhankelijk (bewust) bestaan hebben voordat de vonk
die voortkwam uit de zuivere essentie van het universele zesde beginsel
– of de OVERZIEL– (a) door iedere grondvorm van
de verschijnselenwereld van dat manvantara is heengegaan en (b) individualiteit
heeft verkregen, eerst door een instinct en daarna door zelf teweeggebrachte
en zelf bedachte krachtsinspanningen (beperkt door haar karma), terwijl
zij zo opklom door alle graden van intelligentie heen, van het laagste
tot het hoogste manas, van delfstof en plant tot aan de heiligste aartsengel
(Dhyani-Boeddha).
Paulus,
de apostel van de christenen ‘voor de heidenen’, zoals
hij wordt genoemd, sprak volgens de christelijke evangeliën
in Handelingen (17:23,028) de Atheners toe die zich op
de Marsheuvel, gewoonlijk de Areopagus genoemd, hadden
verzameld, en zei het volgende (de vertaling is van ons):
Want
toen ik voorbijliep en de voorwerpen van uw verering
zag, vond ik een altaar met dit opschrift: ‘Aan de onkenbare
God’ . . . Want in Het leven we, bewegen we ons en hebben
we ons bestaan, zoals ook enkele van uw eigen dichters
hebben gezegd, ‘Want ook wij komen uit Het voort.’
De dichters over wie Paulus spreekt
waren waarschijnlijk Aratus en de stoïcijn Cleanthes. Misschien is het
goed te vermelden dat het woord ‘onkenbare’, dat is gebruikt in verband
met dit woord agnostos, de betekenis is die Homerus, Plato en Aristoteles
eraan toekennen. Dit Griekse woord agnostos kan ook worden vertaald
met ‘onbekende’, maar alleen omdat het onbekende in dit verband het onkenbare
is.
De Atheners hadden voor het
onuitsprekelijke een altaar opgericht, dat ze in de
ware geest van religieuze overgave niet nader aanduidden;
en toen Paulus voorbijkwam en het zag, dacht hij dat
dit voor hem een uitstekende gelegenheid was ‘om het
ijzer te smeden terwijl het heet was’, en beweerde
dat het onkenbare, waarvoor dit altaar was opgericht,
de joodse god Jehova was.
Twee weken geleden hebben we uiteengezet hoe
het komt dat de mens zich enig idee kan vormen van dat onuitsprekelijke
beginsel, waarover H.P. Blavatsky spreekt als de eerste van de drie grondstellingen
die nodig zijn om de ware leringen van de esoterische wijsheid te begrijpen;
we hebben toen gezien dat de mens een vermogen bezit dat het gewone menselijke
verstandelijke vermogen te boven gaat – dat er iets in hem is waardoor
hij de weg omhoog of, misschien beter, naar binnen kan gaan, naar
de diepste kern van zijn wezen, die in werkelijkheid dat onuitsprekelijke
is: uit Het kwamen wij voort, naar Het keren we in de loop van de eonen
terug.
Alle filosofen uit de oudheid
onderwezen de waarheid over ditzelfde grondbeginsel,
ieder op zijn eigen manier, elk in andere bewoordingen,
ieder in de taal van het land waar het werd verkondigd,
maar steeds werd de kernwaarheid verkondigd: dat in
het diepste innerlijk van de mens een godheid woont,
dat deze godheid is voortgekomen uit het hoogste en
dat de mens een god in het vlees kan worden òf nog
lager kan zinken dan de gewone mens, zodat hij eerst
door de demonen van zijn eigen lagere natuur en die
van de lagere sfeer wordt gekweld en bestookt en tenslotte
door hen wordt bezeten; en met deze bijzondere demonen
bedoelen we de elementale krachten van het leven,
van het chaotische leven, of van het stoffelijk bestaansgebied.
Nogmaals, hoe komt het dat de mens deze waarheden
niet onmiddellijk innerlijk kan zien? We weten allen dat dit komt door
de illusie waardoor zijn denken wordt misleid, de illusie die deel uitmaakt
van hemzelf en die hem niet van buitenaf is opgedrongen: hij ziet
bijvoorbeeld, en zijn denken reageert op wat hij ziet en deze reactie
is gebaseerd op de illusie, die met een oud Sanskrietwoord mâyâ
wordt genoemd.
Dit is een technische term in de oude brahmaanse
filosofie. Laten we eens nagaan wat de wortel ervan is. Waar komt het
woord mâyâ vandaan? Het is afgeleid van een Sanskrietwortel
mâ, die ‘meten’ betekent; figuurlijk gebruikt heeft het de
betekenis gekregen van teweegbrengen of vormen, en dus beperken. Er bestaat
een Engels woord mete met de betekenis van ‘uitmeten’, van dezelfde
Indo-europese wortel. In het Angelsaksisch bestaat een wortel met;
in het Grieks en ook in het Latijn: med.
De term mâyâ – die eeuwen geleden
in de brahmaanse filosofie een heel andere betekenis had dan de nu gangbare
– heeft de betekenis gekregen van door het menselijke verstand gevormde
denkbeelden die aan innerlijke en uiterlijke indrukken zijn ontleend;
vandaar het illusoire aspect van de gedachten van de mens als hij
het leven en zijn omgeving overdenkt en probeert te verklaren en te begrijpen
– en daarvan werd de betekenis afgeleid die de term technisch heeft, namelijk
illusie. Het betekent niet dat de uiterlijke wereld niet bestaat;
als dat zo was, kon ze natuurlijk niet illusoir zijn; ze bestaat,
maar is niet. Ze wordt ‘uitgemeten’ of ze vertoont zich aan de
menselijke geest als een zinsbegoocheling. Met andere woorden, het beeld
en de beelden die ons verstand en onze zintuigen aan het innerlijke leven
en het innerlijke oog doorgeven, zien we niet helder, niet duidelijk en
niet waarheidsgetrouw.
Bekende voorbeelden van mâyâ in de
Vedânta, die de hoogste vorm is van de brahmaanse leringen en die
in vele opzichten onze eigen leer benadert, waren de volgende: iemand
ziet ’s avonds een opgerold stuk touw op de grond liggen en springt opzij
omdat hij denkt dat het een slang is. Er is wel een touw, maar geen slang.
Een ander voorbeeld is wat
de ‘horens van de haas’ wordt genoemd. Wanneer men
’s avonds een haas ziet zitten, schijnen zijn lange
oren zó uit zijn kop te steken dat het zelfs voor
het geoefende oog lijkt op een dier met horens. De
haas heeft geen horens, maar er ontstaat in de geest
het bedrieglijke idee dat daar een dier met horens
is.
Dat is de betekenis van mâyâ: niet
dat iets wat we zien niet bestaat, maar dat wij door onze eigen gedachten
en onvolkomenheden worden verblind en ons denken op een dwaalspoor wordt
gebracht, en dat we nog niet tot de juiste verklaring en betekenis van
de wereld, van het heelal om ons heen, zijn gekomen. Door innerlijk op
te klimmen, door op te stijgen, door innerlijke aspiratie en het verheffen
van de ziel, kunnen we opwaarts of liever binnenwaarts reiken naar dat
gebied waar de waarheid in haar volheid woont.
Bernardus van Clairvaux,
de Franse mysticus uit de middeleeuwen, heeft terecht
gezegd dat één manier om dit te doen is ‘de geest
te ledigen’, de beuzelingen, de dwaalbegrippen, de
misvattingen, de gevoelens van haat, achterdocht,
onverschilligheid, enz., waarvan de mens vervuld is,
eruit te verdrijven, en dat door al deze waardeloze
dingen op te ruimen, de tempel van binnen wordt gereinigd
en het licht van de innerlijke god de ziel binnenstroomt
– een prachtig denkbeeld.
Men kan de vraag stellen hoe onze filosofie zich
verhoudt tot de vele zogenaamde idealistische stelsels in Europa, in het
bijzonder in Duitsland, en die in Engeland worden vertegenwoordigd door
bisschop Berkeley. Het antwoord is dat er natuurlijk aanknopingspunten
zijn, omdat deze filosofische stelsels door serieuze mensen werden ontwikkeld,
en niemand kan in ernst nadenken en naar het hogere streven zonder enig
inzicht in de waarheid en een vaag besef van het innerlijke leven te krijgen
– maar geen van deze idealistische stelsels komt exact overeen met het
idealisme van de theosofie. Theosofie is geen absoluut idealisme; het
leert niet dat het uiterlijke heelal in absolute zin niet bestaat
en dat alle uiterlijke verschijnselen alleen in het denken bestaan.
Theosofie is ook niet precies het idealisme van
Kant en evenmin het opmerkelijke pessimistische idealisme van Schopenhauer
– even opmerkelijk als deze grote denker zelf, en wel omdat hij zijn kennis
ontleende (en dit openlijk toegaf) aan het oosten. Het idealisme van de
theosofie staat het dichtst bij de filosofie van de Duitse filosoof Von
Schelling, die (voornamelijk) leerde dat men de waarheid kan leren kennen
door tot zichzelf in te keren en haar aan de geest te ontlenen, en dat
de uiterlijke wereld ‘dood denken’ of misschien beter inert denken
is – niet het denken van de denker natuurlijk, maar dat van de godheid.
Dit nu wordt objectief idealisme genoemd, omdat het aan het uiterlijke
object een bestaan toekent, terwijl het absolute idealisme dat als niet-bestaand
beschouwt.
H.P. Blavatsky zegt in De Geheime Leer
(1:700):
De esoterische filosofie, die
een objectief idealisme leert, hoewel zij het objectieve Heelal
en alles daarin beschouwt als maya, tijdelijke illusie, maakt
een praktisch onderscheid tussen de collectieve illusie, mahamaya,
vanuit het zuiver metafysische standpunt, en de objectieve relaties
tussen verschillende bewuste ego’s daarin, zolang deze illusie
duurt.
De leer is dat mâyâ
aldus wordt opgeroepen door de werking van mûlaprakriti, of ‘wortel-natuur’,
het beginsel dat de tegenhanger is van en samenwerkt met dat andere aspect
van bewustzijn dat we parabrahman noemen. Bedenk dat vanaf het ogenblik
waarop manifestatie begint, deze dualistisch werkt, dat wil zeggen dat
zich in alles in de natuur vanaf dat punt paren van tegenstellingen voordoen,
zoals lang en kort, hoog en laag, dag en nacht, goed en kwaad, bewustzijn
en niet-bewustzijn, enz., en dat al deze dingen in wezen mâyâvisch
of illusoir zijn – werkelijk zolang ze bestaan, maar hun bestaan
is niet eeuwig. Door deze paren van tegenstellingen leert de zelfbewuste
ziel de waarheid.
Wat is de grondslag van
ethisch handelen? Dat is de belangrijkste vraag
die in elk denksysteem moet worden beantwoord.
Is ethiek gebaseerd op uitspraken van de mens?
Berust ethiek op de overtuiging in het hart van
de meeste mensen dat het voor de veiligheid van
de mens noodzakelijk is bepaalde abstracte regels
te hebben die we maar beter kunnen volgen? Zijn
we alleen maar opportunisten? Of steunt de moraliteit,
de ethiek, op waarheid en is het voor de mens
niet alleen passend om die te volgen maar ook
noodzakelijk? Ongetwijfeld het laatste.
In de derde grondstelling
die we aan het begin van de bijeenkomst hebben
gelezen, vinden we de juiste elementen, de ware
grondslagen van een ethisch stelsel dat misschien
groter, diepzinniger en overtuigender is dan wat
men zich ook kan voorstellen.
Waarop berust dan ethiek? En met ethiek bedoel
ik niet alleen de opvatting van sommige pseudo-filosofen die denken dat
de moraal min of meer datgene is wat goed is voor de samenleving, gebaseerd
op de letterlijke betekenis van het Latijnse woord mores, goede
gewoonten, als tegengestelde van slechte. Nee, ethiek is het instinctieve
verlangen van het menselijk hart om rechtvaardig te zijn en het goede
te doen tegenover ieder mens, omdat het goed is dat te doen, omdat het
voldoening schenkt en verheffend werkt.
Als de mens inziet dat hij één is met al wat
is, innerlijk en uiterlijk, hoog en laag; dat hij één is met alles, niet
alleen zoals leden van een gemeenschap dat zijn, niet zoals soldaten in
een leger, maar zoals de moleculen van ons eigen lichaam, zoals de atomen
van de molecule, zoals de elektronen van een atoom die een eenheid vormen
– niet alleen een samenvoeging, maar een geestelijke eenheid –
dan ziet hij de waarheid.
Ieder van ons behoort tot en vormt een onafscheidelijk
deel van dat verheven en onuitsprekelijke mysterie – het AL
– dat individuele en geestelijke eenheid omvat en is.
We hebben allen één innerlijk
universeel zelf, en ieder heeft ook zijn individuele
ego. Het ego ontspringt aan het zelf en het zelf
is het onuitsprekelijke, het diepste innerlijk,
dat één is in ons allen – en geeft ieder van ons
dat zelfgevoel; hoewel we bij uitbreiding van
de betekenis ook, en terecht, spreken over het
lagere zelf, omdat dit een zwakke straal is van
het hoogste. Zelfs een slecht mens heeft niet
alleen de vonk van het goddelijke in zich, maar
de straal van het goddelijke zelf: hij is zowel
het zelfzuchtige ego als het universele zelf.
Waarom wordt ons dan geleerd dat wanneer we onpersoonlijk
worden, we het goddelijke bereiken? Omdat juist onpersoonlijkheid het
kenmerk is van paramâtman, het universele zelf, waar al het persoonlijke
verdwijnt. Paramâtman is een samengesteld Sanskrietwoord
dat ‘hoogste’ of ‘verheven zelf’ betekent.
Als we onze eigen geest
onderzoeken, als we tot onszelf inkeren, als we
als het ware innerlijk naar het diepste in ons
reiken, zal ieder van ons weten dat naarmate hij
daarin verder en verder doordringt, het zelf onpersoonlijk
en het licht een en al glorie wordt.
Wat een grootse gedachte is het dat in het hart
van ieder van ons het zich steeds ontvouwende woont, het bestendige, het
eeuwige, het onveranderlijke, dat geen dood en geen smart kent, het ware
goddelijke in alles! Hoe verheffend is dat voor het menselijk leven!
Wat schenkt het ons een moed! Hoeveel van al het oude vermolmde bijgeloof
wordt er niet door opgeruimd! Hoe onuitsprekelijk groots zijn de visioenen
van de werkelijkheid, van de waarheid, die we krijgen wanneer we ons naar
binnen keren, na de geest te hebben geledigd, zoals Bernardus zegt, van
alle waardeloze gedachten die haar belemmeren.
Hoe noemden de Ouden de toestand die de mens
bereikt wanneer hij dit beseft en zijn geest zo heeft geledigd dat deze
alleen is vervuld van het zelf, van het onpersoonlijke zelf van het eeuwige?
Hoe noemden ze zo iemand? Zij noemden de toestand bodhi, de mens
boeddha en het orgaan waarin en waardoor het zich manifesteert
buddhi. Al deze woorden zijn afgeleid van een Sanskrietwortel die
‘ontwaken’ betekent. Als de mens is ontwaakt uit de levende dood waarin
we leven, wanneer hij zich van het gezwoeg van het denken en het lichaam
heeft bevrijd en, om de oude christelijke uitdrukking te gebruiken, zich
in het ‘kleed van eeuwigheid’ heeft gehuld, dan is hij ontwaakt, hij is
een boeddha. De oude brahmaanse leringen, die zelfs nu in de Vedânta
zijn te vinden, verklaren dat hij één is geworden met – niet ‘is opgegaan
in’, zoals voortdurend wordt vertaald – maar één is geworden met
het ware zelf, met de paramâtman, het hoogste zelf.
Als we opnieuw de Chhândogya Upanishad
opslaan, een van de belangrijkste van de 108 of meer Upanishads – het
woord upanishad betekent esoterische verhandeling – lezen we in
de zevende, achtste en negende paragraaf uit het achtste hoofdstuk:
Prajâpati sprak:
We onderbreken hier om te zeggen
dat prajâpati een Sanskrietwoord is dat ‘bestuurder’ of ‘heer’ of
‘hoofd van het nageslacht’ betekent. Het woord wordt gebruikt voor veel
vedische goden, maar in het bijzonder voor Brahmâ – dat wil zeggen,
het derde stadium vanaf parabrahman – de ontvouwer-schepper, de eerste
en meest ondoorgrondelijke figuur van de triade bestaande uit Brahmâ,
Vish.nu en Íiva. Brahmâ is de voortbrenger of ontvouwer, Vish.nu
de ondersteuner of instandhouder, en Íiva, wat eufemistisch vertaald kan
worden als ‘weldadig’, is de vernieuwer. Deze naam is heel duister. Hoe
het ook zij:
Prajâpati sprak: ‘Het zelf
dat vrij is van zonden, vrij van ouderdom, van dood en smart, van honger
en dorst, dat niets verlangt dan wat het behoort te verlangen en zich
geen beelden vormt dan die het zich behoort te vormen, dat is wat we
moeten zoeken, dat is wat we moeten proberen te begrijpen. Wie dat zelf
heeft gevonden en het begrijpt, verkrijgt alle werelden en alles wat
hij verlangt.’
We
onderbreken opnieuw om te vragen, waarom?
Omdat dit ware zelf, dit meest innerlijke,
alle werelden is: het is alles. Wij citeren:
Zowel
de deva’s (goden) als de asura’s (demonen)
hoorden deze woorden en zeiden: ‘Wel,
laten we dat zelf zoeken, waardoor we,
als we het hebben gevonden, alle werelden
en alles wat we verlangen zullen krijgen.’
Toen ze dat hadden gezegd, gingen Indra van
de deva’s en Virochana van de asura’s, zonder dat ze met elkaar hadden
gesproken, beiden tot Prajâpati met brandstof in de hand, zoals
gebruikelijk is bij leerlingen die naar hun meester gaan.
Ze bleven daar als leerling gedurende tweeëndertig
jaar. Toen vroeg Prajâpati hun: ‘Met welk doel bent u hier gebleven?’
Ze antwoordden:
‘Wij herhalen wat u heeft gezegd, namelijk,
‘het zelf dat vrij is van zonden, vrij
van ouderdom, van dood en smart, van
honger en dorst, dat niets verlangt
dan wat het behoort te verlangen en
zich geen beelden vormt dan die het
zich behoort te vormen, dat is wat we
moeten zoeken, dat is wat we moeten
proberen te begrijpen. Wie dat zelf
heeft gevonden en het begrijpt, verkrijgt
alle werelden en alles wat hij verlangt.’
Wij beiden zijn hier gebleven omdat
wij naar dat zelf verlangen.’
Prajâpati zei tegen hen: ‘De persoon
die men in het oog ziet, dat is het zelf. Dat is wat ik heb gezegd.
Dat is het onsterfelijke, het onbevreesde, dat is brahman.’
Opmerking:
het zelf dat men in het oog ziet,
is beeldspraak die men niet zelden
in de oude Sanskrietgeschriften aantreft;
ze duidt op dat besef van een inwonende
tegenwoordigheid die men ziet wanneer
men een ander in de ogen kijkt.
Zij vroegen:
‘Heer, hij die in het water wordt
gezien en hij die in een spiegel wordt
gezien, wie is hij?’
Hij antwoordde:
‘Hij zelf wordt inderdaad in al deze
gezien.’
[Achtste
paragraaf] ‘Kijk naar uw zelf in
een schaal water en vertel me wat
u van uw zelf niet begrijpt.’
Ze keken in de schaal met water. Toen zei Prajâpati
tegen hen: ‘Wat ziet u?’
Ze zeiden:
‘Wij beiden zien aldus het zelf
geheel en al, een beeld tot zelfs
de haren en nagels toe.’
Prajâpati zei tegen hen: ‘Na u mooi te
hebben gemaakt . . . kijk dan nog eens in de schaal met water.’
Nadat ze
zich mooi hadden gemaakt, hun beste
kleren hadden aangetrokken en zich
hadden gewassen, keken ze in de
schaal met water.
Prajâpati zei: ‘Wat ziet u?’
Ze zeiden:
‘Precies zoals we zijn, mooi gemaakt
met onze beste kleren aan en gewassen,
zo zijn we daar beiden, heer, mooi
gemaakt met onze beste kleren aan
en gewassen.’
Prajâpati zei: ‘Dat is het zelf, dit
is het onsterfelijke, het onbevreesde, dit is brahman.’
Daarop
gingen ze beiden met voldoening
in het hart heen.
En Prajâpati die hen nakeek, zei: ‘Beiden
gaan heen zonder het zelf te hebben gezien en zonder het te kennen;
wie van deze beiden, deva’s of asura’s, deze leer volgen, zullen ten
onder gaan.’
Opmerking: zij zagen mâyâ
en niet het zelf.
Virochana
nu, innerlijk voldaan, ging
naar de asura’s en verkondigde
hun de leer dat alleen het zelf
(het lichaam) moet worden aanbeden,
dat alleen het zelf (het lichaam)
moet worden gediend, en dat
hij die het zelf aanbidt en
het zelf dient, zowel deze als
de volgende wereld verkrijgt.
Daarom
wordt zelfs nu nog iemand die
hier geen aalmoezen geeft, die
geen geloof heeft en geen offers
brengt, een asura genoemd, want
dit is de leer van de asura’s.
Zij bedekken het lichaam van
de dode met reukwerk en met
bloemen, en tooien het met een
prachtig gewaad en denken dat
ze op die manier die wereld
zullen veroveren.
[Negende
paragraaf] Maar voordat Indra
bij de deva’s was teruggekeerd,
zag hij deze moeilijkheid.
Opmerking:
nu komt de moeilijkheid
die Indra zag.
Als
dit zelf (de schaduw in
het water) is mooi gemaakt
wanneer het lichaam is
mooi gemaakt, goed is
gekleed wanneer het lichaam
goed is gekleed, gewassen
is wanneer het lichaam
gewassen is, zal dat zelf
ook blind zijn wanneer
het lichaam blind is,
verminkt als het lichaam
verminkt is, gebrekkig
als het lichaam gebrekkig
is, en zal in feite vergaan
zodra het lichaam vergaat.
Daarom zie ik in deze
(leer) niets goeds.
Daarop nam hij brandstof in zijn hand en keerde
als leerling bij Prajâpati terug. Prajâpati zei tegen hem:
‘Maghavat (Indra), omdat u en Virochana met voldoening in het hart zijn
heengegaan, waarom komt u dan nu terug?’
Hij zei: ‘Heer, als dit
zelf (de schaduw) is mooi
gemaakt wanneer het lichaam
is mooi gemaakt, goed
is gekleed wanneer het
lichaam goed is gekleed,
goed is gewassen wanneer
het lichaam goed is gewassen,
zal dat zelf ook blind
zijn wanneer het lichaam
blind is, verminkt als
het lichaam verminkt is,
gebrekkig als het lichaam
gebrekkig is, en zal in
feite vergaan zodra het
lichaam vergaat. Daarom
zie ik in deze (leer)
niets goeds.’
‘Zo is het inderdaad, Maghavat,’ antwoordde
Prajâpati; ‘maar ik zal u hem (het ware zelf) nader verklaren.
Blijf nog eens tweeëndertig jaar bij mij.’
Indra was in staat verder te zien
dan de mâyâ van het persoonlijke zelf en zocht daarom naar
het werkelijke, het ware, het eigenlijke zelf.
De [Engelse] vertaling
is van Max Müller. Het
is misschien goed tot
besluit op te merken
dat alle vertalingen
die uit een van de oude
talen zijn gemaakt en
ook hierna nog zullen
worden gemaakt, eigen
vertalingen zijn, maar
als een andere vertaler
wordt geciteerd, wordt
zijn naam vermeld.
Beginselen
van de esoterische filosofie,
blz. 30-9
© 1998
Theosophical
University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag
|