HOOFDSTUK 3

DE LEER VAN MÂYÂ; OBJECTIEF IDEALISME DE GRONDSLAG
VAN ETHISCH HANDELEN: GEWORTELD IN DE GEESTELIJKE EENHEID
– HET GODDELIJKE – VAN HET AL, HET ZELF EN DE ‘ZELVEN’.

 

Maya of illusie is een element dat bij alle eindige dingen optreedt, want alles wat bestaat heeft alleen maar een relatieve en geen absolute werkelijkheid, omdat de vorm waarin het verborgen noumenon voor een waarnemer verschijnt, afhangt van zijn waarnemingsvermogen. Voor het ongeoefende oog van een barbaar is een schilderij eerst een zinloze wirwar van gekleurde strepen en klodders, terwijl een geoefend oog er onmiddellijk een gezicht of een landschap in ziet. Niets is blijvend, behalve het ene verborgen absolute bestaan dat in zichzelf de noumena van alle werkelijkheden bevat. De bestaansvormen die tot ieder gebied van het zijn behoren, tot de hoogste Dhyan-Chohan toe, hebben tot op zekere hoogte iets van schaduwen, die door een toverlantaarn op een kleurloos scherm worden geworpen; toch zijn alle dingen betrekkelijk reëel, want ook de waarnemer is een weerspiegeling, en de waargenomen dingen zijn daarom voor hem even werkelijk als hijzelf. De werkelijkheid die de dingen misschien bezitten, moet men erin zoeken vóór of nadat zij als een flits door de stoffelijke wereld zijn heengegaan; maar wij kunnen zo’n bestaan niet rechtstreeks waarnemen zolang wij waarnemingsinstrumenten hebben die slechts het stoffelijke bestaan binnen het bereik van ons bewustzijn brengen. Op welk gebied ons bewustzijn ook werkzaam is, zowel wij als de dingen die tot dat gebied behoren, zijn voor dat moment onze enige werkelijkheden. Naarmate wij een hogere trap van ontwikkeling bereiken, bemerken wij dat we tijdens de stadia die we hebben doorlopen schaduwen voor werkelijkheden hebben aangezien. Het omhoogklimmen van het ego is een reeks steeds verder gaande bewustwordingen, waarbij iedere vordering de gedachte meebrengt dat we nu eindelijk de ‘werkelijkheid’ hebben bereikt. Wij zullen echter pas vrij zijn van de door maya voortgebrachte waanvoorstellingen, wanneer wij het absolute Bewustzijn hebben bereikt en het onze daarin hebben laten opgaan.
     – De Geheime Leer, 1:69-70

    Het Heelal met alles daarin wordt MAYA genoemd, want alles daarin is tijdelijk, van het kortstondige leven van een glimworm tot dat van de zon. In de gedachten van een filosoof moet het Heelal met zijn vergankelijke steeds wisselende vormen, vergeleken met de eeuwige onbeweeglijkheid van het ene en de onveranderlijkheid van dat beginsel, niet meer zijn dan een dwaallichtje. Toch heeft het Heelal genoeg werkelijkheid voor de bewuste wezens daarin, die even onwerkelijk zijn als het Heelal zelf.
     – Op. cit., blz. 301

    We hervatten de studie van De Geheime Leer op het punt waar we veertien dagen geleden zijn gekomen, en ik lees de derde grondstelling – tenminste een gedeelte ervan (GL 1:47).

    De fundamentele gelijkheid van alle zielen met de Universele Overziel, die zelf een aspect is van de Onbekende Wortel; en de verplichte pelgrimstocht voor iedere ziel – een vonk van eerstgenoemde – door de cyclus van incarnatie (of ‘noodzakelijkheid’) in overeenstemming met de cyclische en karmische wet gedurende het hele tijdperk. Met andere woorden, geen zuiver geestelijke buddhi (goddelijke ziel) kan een onafhankelijk (bewust) bestaan hebben voordat de vonk die voortkwam uit de zuivere essentie van het universele zesde beginsel – of de OVERZIEL– (a) door iedere grondvorm van de verschijnselenwereld van dat manvantara is heengegaan en (b) individualiteit heeft verkregen, eerst door een instinct en daarna door zelf teweeggebrachte en zelf bedachte krachtsinspanningen (beperkt door haar karma), terwijl zij zo opklom door alle graden van intelligentie heen, van het laagste tot het hoogste manas, van delfstof en plant tot aan de heiligste aartsengel (Dhyani-Boeddha).

    Paulus, de apostel van de christenen ‘voor de heidenen’, zoals hij wordt genoemd, sprak volgens de christelijke evangeliën in Handelingen (17:23,028) de Atheners toe die zich op de Marsheuvel, gewoonlijk de Areopagus genoemd, hadden verzameld, en zei het volgende (de vertaling is van ons):

    Want toen ik voorbijliep en de voorwerpen van uw verering zag, vond ik een altaar met dit opschrift: ‘Aan de onkenbare God’ . . . Want in Het leven we, bewegen we ons en hebben we ons bestaan, zoals ook enkele van uw eigen dichters hebben gezegd, ‘Want ook wij komen uit Het voort.’

    De dichters over wie Paulus spreekt waren waarschijnlijk Aratus en de stoïcijn Cleanthes. Misschien is het goed te vermelden dat het woord ‘onkenbare’, dat is gebruikt in verband met dit woord agnostos, de betekenis is die Homerus, Plato en Aristoteles eraan toekennen. Dit Griekse woord agnostos kan ook worden vertaald met ‘onbekende’, maar alleen omdat het onbekende in dit verband het onkenbare is.
     De Atheners hadden voor het onuitsprekelijke een altaar opgericht, dat ze in de ware geest van religieuze overgave niet nader aanduidden; en toen Paulus voorbijkwam en het zag, dacht hij dat dit voor hem een uitstekende gelegenheid was ‘om het ijzer te smeden terwijl het heet was’, en beweerde dat het onkenbare, waarvoor dit altaar was opgericht, de joodse god Jehova was.
     Twee weken geleden hebben we uiteengezet hoe het komt dat de mens zich enig idee kan vormen van dat onuitsprekelijke beginsel, waarover H.P. Blavatsky spreekt als de eerste van de drie grondstellingen die nodig zijn om de ware leringen van de esoterische wijsheid te begrijpen; we hebben toen gezien dat de mens een vermogen bezit dat het gewone menselijke verstandelijke vermogen te boven gaat – dat er iets in hem is waardoor hij de weg omhoog of, misschien beter, naar binnen kan gaan, naar de diepste kern van zijn wezen, die in werkelijkheid dat onuitsprekelijke is: uit Het kwamen wij voort, naar Het keren we in de loop van de eonen terug.
     Alle filosofen uit de oudheid onderwezen de waarheid over ditzelfde grondbeginsel, ieder op zijn eigen manier, elk in andere bewoordingen, ieder in de taal van het land waar het werd verkondigd, maar steeds werd de kernwaarheid verkondigd: dat in het diepste innerlijk van de mens een godheid woont, dat deze godheid is voortgekomen uit het hoogste en dat de mens een god in het vlees kan worden òf nog lager kan zinken dan de gewone mens, zodat hij eerst door de demonen van zijn eigen lagere natuur en die van de lagere sfeer wordt gekweld en bestookt en tenslotte door hen wordt bezeten; en met deze bijzondere demonen bedoelen we de elementale krachten van het leven, van het chaotische leven, of van het stoffelijk bestaansgebied.
     Nogmaals, hoe komt het dat de mens deze waarheden niet onmiddellijk innerlijk kan zien? We weten allen dat dit komt door de illusie waardoor zijn denken wordt misleid, de illusie die deel uitmaakt van hemzelf en die hem niet van buitenaf is opgedrongen: hij ziet bijvoorbeeld, en zijn denken reageert op wat hij ziet en deze reactie is gebaseerd op de illusie, die met een oud Sanskrietwoord mâyâ wordt genoemd.
     Dit is een technische term in de oude brahmaanse filosofie. Laten we eens nagaan wat de wortel ervan is. Waar komt het woord mâyâ vandaan? Het is afgeleid van een Sanskrietwortel , die ‘meten’ betekent; figuurlijk gebruikt heeft het de betekenis gekregen van teweegbrengen of vormen, en dus beperken. Er bestaat een Engels woord mete met de betekenis van ‘uitmeten’, van dezelfde Indo-europese wortel. In het Angelsaksisch bestaat een wortel met; in het Grieks en ook in het Latijn: med.
     De term mâyâ – die eeuwen geleden in de brahmaanse filosofie een heel andere betekenis had dan de nu gangbare – heeft de betekenis gekregen van door het menselijke verstand gevormde denkbeelden die aan innerlijke en uiterlijke indrukken zijn ontleend; vandaar het illusoire aspect van de gedachten van de mens als hij het leven en zijn omgeving overdenkt en probeert te verklaren en te begrijpen – en daarvan werd de betekenis afgeleid die de term technisch heeft, namelijk illusie. Het betekent niet dat de uiterlijke wereld niet bestaat; als dat zo was, kon ze natuurlijk niet illusoir zijn; ze bestaat, maar is niet. Ze wordt ‘uitgemeten’ of ze vertoont zich aan de menselijke geest als een zinsbegoocheling. Met andere woorden, het beeld en de beelden die ons verstand en onze zintuigen aan het innerlijke leven en het innerlijke oog doorgeven, zien we niet helder, niet duidelijk en niet waarheidsgetrouw.
     Bekende voorbeelden van mâyâ in de Vedânta, die de hoogste vorm is van de brahmaanse leringen en die in vele opzichten onze eigen leer benadert, waren de volgende: iemand ziet ’s avonds een opgerold stuk touw op de grond liggen en springt opzij omdat hij denkt dat het een slang is. Er is wel een touw, maar geen slang.
     Een ander voorbeeld is wat de ‘horens van de haas’ wordt genoemd. Wanneer men ’s avonds een haas ziet zitten, schijnen zijn lange oren zó uit zijn kop te steken dat het zelfs voor het geoefende oog lijkt op een dier met horens. De haas heeft geen horens, maar er ontstaat in de geest het bedrieglijke idee dat daar een dier met horens is.
     Dat is de betekenis van mâyâ: niet dat iets wat we zien niet bestaat, maar dat wij door onze eigen gedachten en onvolkomenheden worden verblind en ons denken op een dwaalspoor wordt gebracht, en dat we nog niet tot de juiste verklaring en betekenis van de wereld, van het heelal om ons heen, zijn gekomen. Door innerlijk op te klimmen, door op te stijgen, door innerlijke aspiratie en het verheffen van de ziel, kunnen we opwaarts of liever binnenwaarts reiken naar dat gebied waar de waarheid in haar volheid woont.
     Bernardus van Clairvaux, de Franse mysticus uit de middeleeuwen, heeft terecht gezegd dat één manier om dit te doen is ‘de geest te ledigen’, de beuzelingen, de dwaalbegrippen, de misvattingen, de gevoelens van haat, achterdocht, onverschilligheid, enz., waarvan de mens vervuld is, eruit te verdrijven, en dat door al deze waardeloze dingen op te ruimen, de tempel van binnen wordt gereinigd en het licht van de innerlijke god de ziel binnenstroomt – een prachtig denkbeeld.
     Men kan de vraag stellen hoe onze filosofie zich verhoudt tot de vele zogenaamde idealistische stelsels in Europa, in het bijzonder in Duitsland, en die in Engeland worden vertegenwoordigd door bisschop Berkeley. Het antwoord is dat er natuurlijk aanknopingspunten zijn, omdat deze filosofische stelsels door serieuze mensen werden ontwikkeld, en niemand kan in ernst nadenken en naar het hogere streven zonder enig inzicht in de waarheid en een vaag besef van het innerlijke leven te krijgen – maar geen van deze idealistische stelsels komt exact overeen met het idealisme van de theosofie. Theosofie is geen absoluut idealisme; het leert niet dat het uiterlijke heelal in absolute zin niet bestaat en dat alle uiterlijke verschijnselen alleen in het denken bestaan.
     Theosofie is ook niet precies het idealisme van Kant en evenmin het opmerkelijke pessimistische idealisme van Schopenhauer – even opmerkelijk als deze grote denker zelf, en wel omdat hij zijn kennis ontleende (en dit openlijk toegaf) aan het oosten. Het idealisme van de theosofie staat het dichtst bij de filosofie van de Duitse filosoof Von Schelling, die (voornamelijk) leerde dat men de waarheid kan leren kennen door tot zichzelf in te keren en haar aan de geest te ontlenen, en dat de uiterlijke wereld ‘dood denken’ of misschien beter inert denken is – niet het denken van de denker natuurlijk, maar dat van de godheid. Dit nu wordt objectief idealisme genoemd, omdat het aan het uiterlijke object een bestaan toekent, terwijl het absolute idealisme dat als niet-bestaand beschouwt.
     H.P. Blavatsky zegt in De Geheime Leer (1:700):

    De esoterische filosofie, die een objectief idealisme leert, hoewel zij het objectieve Heelal en alles daarin beschouwt als maya, tijdelijke illusie, maakt een praktisch onderscheid tussen de collectieve illusie, mahamaya, vanuit het zuiver metafysische standpunt, en de objectieve relaties tussen verschillende bewuste ego’s daarin, zolang deze illusie duurt.

    De leer is dat mâyâ aldus wordt opgeroepen door de werking van mûlaprakriti, of ‘wortel-natuur’, het beginsel dat de tegenhanger is van en samenwerkt met dat andere aspect van bewustzijn dat we parabrahman noemen. Bedenk dat vanaf het ogenblik waarop manifestatie begint, deze dualistisch werkt, dat wil zeggen dat zich in alles in de natuur vanaf dat punt paren van tegenstellingen voordoen, zoals lang en kort, hoog en laag, dag en nacht, goed en kwaad, bewustzijn en niet-bewustzijn, enz., en dat al deze dingen in wezen mâyâvisch of illusoir zijn – werkelijk zolang ze bestaan, maar hun bestaan is niet eeuwig. Door deze paren van tegenstellingen leert de zelfbewuste ziel de waarheid.
     Wat is de grondslag van ethisch handelen? Dat is de belangrijkste vraag die in elk denksysteem moet worden beantwoord. Is ethiek gebaseerd op uitspraken van de mens? Berust ethiek op de overtuiging in het hart van de meeste mensen dat het voor de veiligheid van de mens noodzakelijk is bepaalde abstracte regels te hebben die we maar beter kunnen volgen? Zijn we alleen maar opportunisten? Of steunt de moraliteit, de ethiek, op waarheid en is het voor de mens niet alleen passend om die te volgen maar ook noodzakelijk? Ongetwijfeld het laatste.
     In de derde grondstelling die we aan het begin van de bijeenkomst hebben gelezen, vinden we de juiste elementen, de ware grondslagen van een ethisch stelsel dat misschien groter, diepzinniger en overtuigender is dan wat men zich ook kan voorstellen.
     Waarop berust dan ethiek? En met ethiek bedoel ik niet alleen de opvatting van sommige pseudo-filosofen die denken dat de moraal min of meer datgene is wat goed is voor de samenleving, gebaseerd op de letterlijke betekenis van het Latijnse woord mores, goede gewoonten, als tegengestelde van slechte. Nee, ethiek is het instinctieve verlangen van het menselijk hart om rechtvaardig te zijn en het goede te doen tegenover ieder mens, omdat het goed is dat te doen, omdat het voldoening schenkt en verheffend werkt.
     Als de mens inziet dat hij één is met al wat is, innerlijk en uiterlijk, hoog en laag; dat hij één is met alles, niet alleen zoals leden van een gemeenschap dat zijn, niet zoals soldaten in een leger, maar zoals de moleculen van ons eigen lichaam, zoals de atomen van de molecule, zoals de elektronen van een atoom die een eenheid vormen – niet alleen een samenvoeging, maar een geestelijke eenheid – dan ziet hij de waarheid.
     Ieder van ons behoort tot en vormt een onafscheidelijk deel van dat verheven en onuitsprekelijke mysterie – het AL – dat individuele en geestelijke eenheid omvat en is.
     We hebben allen één innerlijk universeel zelf, en ieder heeft ook zijn individuele ego. Het ego ontspringt aan het zelf en het zelf is het onuitsprekelijke, het diepste innerlijk, dat één is in ons allen – en geeft ieder van ons dat zelfgevoel; hoewel we bij uitbreiding van de betekenis ook, en terecht, spreken over het lagere zelf, omdat dit een zwakke straal is van het hoogste. Zelfs een slecht mens heeft niet alleen de vonk van het goddelijke in zich, maar de straal van het goddelijke zelf: hij is zowel het zelfzuchtige ego als het universele zelf.
     Waarom wordt ons dan geleerd dat wanneer we onpersoonlijk worden, we het goddelijke bereiken? Omdat juist onpersoonlijkheid het kenmerk is van paramâtman, het universele zelf, waar al het persoonlijke verdwijnt. Paramâtman is een samengesteld Sanskrietwoord dat ‘hoogste’ of ‘verheven zelf’ betekent.
     Als we onze eigen geest onderzoeken, als we tot onszelf inkeren, als we als het ware innerlijk naar het diepste in ons reiken, zal ieder van ons weten dat naarmate hij daarin verder en verder doordringt, het zelf onpersoonlijk en het licht een en al glorie wordt.
     Wat een grootse gedachte is het dat in het hart van ieder van ons het zich steeds ontvouwende woont, het bestendige, het eeuwige, het onveranderlijke, dat geen dood en geen smart kent, het ware goddelijke in alles! Hoe verheffend is dat voor het menselijk leven! Wat schenkt het ons een moed! Hoeveel van al het oude vermolmde bijgeloof wordt er niet door opgeruimd! Hoe onuitsprekelijk groots zijn de visioenen van de werkelijkheid, van de waarheid, die we krijgen wanneer we ons naar binnen keren, na de geest te hebben geledigd, zoals Bernardus zegt, van alle waardeloze gedachten die haar belemmeren.
     Hoe noemden de Ouden de toestand die de mens bereikt wanneer hij dit beseft en zijn geest zo heeft geledigd dat deze alleen is vervuld van het zelf, van het onpersoonlijke zelf van het eeuwige? Hoe noemden ze zo iemand? Zij noemden de toestand bodhi, de mens boeddha en het orgaan waarin en waardoor het zich manifesteert buddhi. Al deze woorden zijn afgeleid van een Sanskrietwortel die ‘ontwaken’ betekent. Als de mens is ontwaakt uit de levende dood waarin we leven, wanneer hij zich van het gezwoeg van het denken en het lichaam heeft bevrijd en, om de oude christelijke uitdrukking te gebruiken, zich in het ‘kleed van eeuwigheid’ heeft gehuld, dan is hij ontwaakt, hij is een boeddha. De oude brahmaanse leringen, die zelfs nu in de Vedânta zijn te vinden, verklaren dat hij één is geworden met – niet ‘is opgegaan in’, zoals voortdurend wordt vertaald – maar één is geworden met het ware zelf, met de paramâtman, het hoogste zelf.
     Als we opnieuw de Chhândogya Upanishad opslaan, een van de belangrijkste van de 108 of meer Upanishads – het woord upanishad betekent esoterische verhandeling – lezen we in de zevende, achtste en negende paragraaf uit het achtste hoofdstuk:

    Prajâpati sprak:

    We onderbreken hier om te zeggen dat prajâpati een Sanskrietwoord is dat ‘bestuurder’ of ‘heer’ of ‘hoofd van het nageslacht’ betekent. Het woord wordt gebruikt voor veel vedische goden, maar in het bijzonder voor Brahmâ – dat wil zeggen, het derde stadium vanaf parabrahman – de ontvouwer-schepper, de eerste en meest ondoorgrondelijke figuur van de triade bestaande uit Brahmâ, Vish.nu en Íiva. Brahmâ is de voortbrenger of ontvouwer, Vish.nu de ondersteuner of instandhouder, en Íiva, wat eufemistisch vertaald kan worden als ‘weldadig’, is de vernieuwer. Deze naam is heel duister. Hoe het ook zij:

    Prajâpati sprak: ‘Het zelf dat vrij is van zonden, vrij van ouderdom, van dood en smart, van honger en dorst, dat niets verlangt dan wat het behoort te verlangen en zich geen beelden vormt dan die het zich behoort te vormen, dat is wat we moeten zoeken, dat is wat we moeten proberen te begrijpen. Wie dat zelf heeft gevonden en het begrijpt, verkrijgt alle werelden en alles wat hij verlangt.’

    We onderbreken opnieuw om te vragen, waarom? Omdat dit ware zelf, dit meest innerlijke, alle werelden is: het is alles. Wij citeren:

    Zowel de deva’s (goden) als de asura’s (demonen) hoorden deze woorden en zeiden: ‘Wel, laten we dat zelf zoeken, waardoor we, als we het hebben gevonden, alle werelden en alles wat we verlangen zullen krijgen.’
     Toen ze dat hadden gezegd, gingen Indra van de deva’s en Virochana van de asura’s, zonder dat ze met elkaar hadden gesproken, beiden tot Prajâpati met brandstof in de hand, zoals gebruikelijk is bij leerlingen die naar hun meester gaan.
     Ze bleven daar als leerling gedurende tweeëndertig jaar. Toen vroeg Prajâpati hun: ‘Met welk doel bent u hier gebleven?’
     Ze antwoordden: ‘Wij herhalen wat u heeft gezegd, namelijk, ‘het zelf dat vrij is van zonden, vrij van ouderdom, van dood en smart, van honger en dorst, dat niets verlangt dan wat het behoort te verlangen en zich geen beelden vormt dan die het zich behoort te vormen, dat is wat we moeten zoeken, dat is wat we moeten proberen te begrijpen. Wie dat zelf heeft gevonden en het begrijpt, verkrijgt alle werelden en alles wat hij verlangt.’ Wij beiden zijn hier gebleven omdat wij naar dat zelf verlangen.’
     Prajâpati zei tegen hen: ‘De persoon die men in het oog ziet, dat is het zelf. Dat is wat ik heb gezegd. Dat is het onsterfelijke, het onbevreesde, dat is brahman.’

    Opmerking: het zelf dat men in het oog ziet, is beeldspraak die men niet zelden in de oude Sanskrietgeschriften aantreft; ze duidt op dat besef van een inwonende tegenwoordigheid die men ziet wanneer men een ander in de ogen kijkt.

    Zij vroegen: ‘Heer, hij die in het water wordt gezien en hij die in een spiegel wordt gezien, wie is hij?’
     Hij antwoordde: ‘Hij zelf wordt inderdaad in al deze gezien.’

    [Achtste paragraaf] ‘Kijk naar uw zelf in een schaal water en vertel me wat u van uw zelf niet begrijpt.’
     Ze keken in de schaal met water. Toen zei Prajâpati tegen hen: ‘Wat ziet u?’
     Ze zeiden: ‘Wij beiden zien aldus het zelf geheel en al, een beeld tot zelfs de haren en nagels toe.’
     Prajâpati zei tegen hen: ‘Na u mooi te hebben gemaakt . . . kijk dan nog eens in de schaal met water.’
     Nadat ze zich mooi hadden gemaakt, hun beste kleren hadden aangetrokken en zich hadden gewassen, keken ze in de schaal met water.
     Prajâpati zei: ‘Wat ziet u?’
     Ze zeiden: ‘Precies zoals we zijn, mooi gemaakt met onze beste kleren aan en gewassen, zo zijn we daar beiden, heer, mooi gemaakt met onze beste kleren aan en gewassen.’
     Prajâpati zei: ‘Dat is het zelf, dit is het onsterfelijke, het onbevreesde, dit is brahman.’
     Daarop gingen ze beiden met voldoening in het hart heen.
     En Prajâpati die hen nakeek, zei: ‘Beiden gaan heen zonder het zelf te hebben gezien en zonder het te kennen; wie van deze beiden, deva’s of asura’s, deze leer volgen, zullen ten onder gaan.’

    Opmerking: zij zagen mâyâ en niet het zelf.

    Virochana nu, innerlijk voldaan, ging naar de asura’s en verkondigde hun de leer dat alleen het zelf (het lichaam) moet worden aanbeden, dat alleen het zelf (het lichaam) moet worden gediend, en dat hij die het zelf aanbidt en het zelf dient, zowel deze als de volgende wereld verkrijgt.
     Daarom wordt zelfs nu nog iemand die hier geen aalmoezen geeft, die geen geloof heeft en geen offers brengt, een asura genoemd, want dit is de leer van de asura’s. Zij bedekken het lichaam van de dode met reukwerk en met bloemen, en tooien het met een prachtig gewaad en denken dat ze op die manier die wereld zullen veroveren.

    [Negende paragraaf] Maar voordat Indra bij de deva’s was teruggekeerd, zag hij deze moeilijkheid.

    Opmerking: nu komt de moeilijkheid die Indra zag.

    Als dit zelf (de schaduw in het water) is mooi gemaakt wanneer het lichaam is mooi gemaakt, goed is gekleed wanneer het lichaam goed is gekleed, gewassen is wanneer het lichaam gewassen is, zal dat zelf ook blind zijn wanneer het lichaam blind is, verminkt als het lichaam verminkt is, gebrekkig als het lichaam gebrekkig is, en zal in feite vergaan zodra het lichaam vergaat. Daarom zie ik in deze (leer) niets goeds.
     Daarop nam hij brandstof in zijn hand en keerde als leerling bij Prajâpati terug. Prajâpati zei tegen hem: ‘Maghavat (Indra), omdat u en Virochana met voldoening in het hart zijn heengegaan, waarom komt u dan nu terug?’
     Hij zei: ‘Heer, als dit zelf (de schaduw) is mooi gemaakt wanneer het lichaam is mooi gemaakt, goed is gekleed wanneer het lichaam goed is gekleed, goed is gewassen wanneer het lichaam goed is gewassen, zal dat zelf ook blind zijn wanneer het lichaam blind is, verminkt als het lichaam verminkt is, gebrekkig als het lichaam gebrekkig is, en zal in feite vergaan zodra het lichaam vergaat. Daarom zie ik in deze (leer) niets goeds.’
     ‘Zo is het inderdaad, Maghavat,’ antwoordde Prajâpati; ‘maar ik zal u hem (het ware zelf) nader verklaren. Blijf nog eens tweeëndertig jaar bij mij.’

    Indra was in staat verder te zien dan de mâyâ van het persoonlijke zelf en zocht daarom naar het werkelijke, het ware, het eigenlijke zelf.
     De [Engelse] vertaling is van Max Müller. Het is misschien goed tot besluit op te merken dat alle vertalingen die uit een van de oude talen zijn gemaakt en ook hierna nog zullen worden gemaakt, eigen vertalingen zijn, maar als een andere vertaler wordt geciteerd, wordt zijn naam vermeld.


Beginselen van de esoterische filosofie, blz. 30-9

© 1998  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag