|
HOOFDSTUK 2
WAAR
IS DE WERKELIJKHEID? DE WAARHEID KAN WORDEN GEKEND.
DE SAMENGESTELDE NATUUR VAN DE MENS VOLGENS VERSCHILLENDE STELSELS: DRIEVOUDIG,
VIERVOUDIG, VIJFVOUDIG, OF ZEVENVOUDIG.
De fundamentele wet van dat stelsel,
het middelpunt waaruit alles is voortgekomen en waar alles omheen en naartoe
wordt getrokken en waarop de hele verdere filosofie wordt gebouwd, is
het ene homogene goddelijke SUBSTANTIE-BEGINSEL, de ene grondoorzaak.
. . . ‘Maar weinigen, van wie het licht helderder scheen,
‘Werden geleid van oorzaak naar oorzaak
‘Tot de geheime oorsprong van de natuur,
‘En ontdekten dat er één eerste beginsel moet zijn. . . .’
Het wordt ‘substantie-beginsel’ genoemd,
want op het gebied van het gemanifesteerde Heelal wordt het ‘substantie’,
een illusie, terwijl het in de beginloze en eindeloze abstracte, zichtbare
en onzichtbare ruimte een ‘beginsel’ blijft. Het is de alomtegenwoordige
werkelijkheid: onpersoonlijk, omdat het alles en iedereen omvat. De onpersoonlijkheid
ervan is de grondgedachte van het stelsel. Het sluimert in ieder atoom
van het Heelal en is het Heelal zelf. – De Geheime Leer, 1:300
Het is het ware. Het is het Zelf, en gij zijt het. – Chhândogya-Upanishad,
6, 14, 3
Het tao dat in woorden kan worden uitgedrukt,
is niet het eeuwige tao; de naam die kan worden uitgesproken, is niet
zijn eeuwige naam. Zonder naam is het het begin van hemel en aarde, met
een naam is het de moeder van alle dingen. Alleen wie voor altijd vrij
is van aardse hartstochten kan de geestelijke essentie ervan begrijpen;
wie steeds door hartstochten wordt belemmerd, kan niet meer zien dan de
uiterlijke vorm ervan. Deze twee, het geestelijke en het stoffelijke,
zijn in oorsprong een en hetzelfde, al geven wij daaraan verschillende
namen. Deze gelijkheid is een mysterie – het mysterie der mysteriën. Het
is de poort tot alle spiritualiteit. – De Gezegden van Lao Tse
(naar vert. Lionel Giles)
We beginnen in Deel 1 van De Geheime Leer van H.P. Blavatsky op
blz.43 met de alinea die als volgt luidt:
De lezer moet bedenken dat de gegeven stanza’s alleen de
kosmogonie van ons eigen planetenstelsel behandelen en wat daaromheen
na een zonnepralaya zichtbaar is. De geheime leringen betreffende de evolutie
van de universele Kosmos kunnen niet worden gegeven, omdat zelfs de grootste
denkers van deze tijd deze niet zouden kunnen begrijpen; er schijnen heel
weinig ingewijden te zijn, zelfs onder de grootsten, die over dit onderwerp
mogen speculeren. Bovendien zeggen de leraren openlijk, dat zelfs de hoogste
Dhyani-Chohans nooit zijn doorgedrongen tot de mysteries buiten die grenzen
die de miljarden zonnestelsels scheiden van de ‘centrale zon’, zoals deze
wordt genoemd. Wat wordt gegeven, heeft daarom alleen betrekking op onze
zichtbare Kosmos, na een ‘nacht van Brahmâ’.
Wij kiezen dit als algemene tekst van onze bijeenkomst van vanavond, want
het lijkt niet alleen juist maar ook nodig onze studie van de meer geheime
zaken die De Geheime Leer behandelt, te beginnen met de vraag:
hoe of langs welke weg kunnen we enig begrip en besef van deze leringen
krijgen? Komen ze tot ons als dogmatische leringen, of komen ze voort,
om de definitie van theosofie te volgen die Webster in zijn woordenboek
geeft, uit een innerlijke geestelijke gemeenschap met ‘God’? Er schuilt
iets waars in Websters definitie. Een theosoof gelooft inderdaad dat de
mens het vermogen bezit nader tot goddelijke dingen te komen en de innerlijke
mens te verheffen, zodat hij zich daardoor beter een voorstelling kan
maken van de dingen zoals ze zijn, of van de werkelijkheid.
Als iedereen dit echter deed, zonder behoorlijke en kundige leiding en
zonder het juiste onderricht, dan zouden verregaande ijdelheid en eigenwaan
en ook veel andere krachten in de menselijke natuur onvermijdelijk tot
een enorme verscheidenheid van meningen en leringen leiden, en zou iedereen
geloven dat hij en alleen hij de waarheid bezat, en dat degenen die hem
volgden en zijn denkbeelden predikten dus een speciale eigen ‘kerk’ of
‘sekte’ met hem zouden moeten vormen. die woorden zouden waarschijnlijk
worden vermeden, maar het zou daarop neerkomen.
We zien dus hoe zinnig, nuttig en toepasselijk de theosofische leringen
zijn, zozeer dat deze leringen uit onheuglijke tijden tot ons zijn gekomen
– overgeleverd door de ene leraar aan de andere – en dat ze oorspronkelijk
door wezens uit een hogere sfeer, wezens die zelf van goddelijke oorsprong
waren, werden meegedeeld aan de wordende mensheid, toen die eenmaal zelfbewust
was geworden; en verder dat deze overdracht of de emanatie van hun geestelijke
en hoger intellectuele zelf in ons, ons onze eigen hogere beginselen schonk.
Want de leraren hebben ons gezegd dat deze leringen eeuw na eeuw, generatie
na generatie, door ontelbare geestelijke zieners zijn getoetst of geverifieerd
– om H.P. Blavatsky’s eigen woorden te gebruiken – in elk opzicht zijn
geverifieerd, zowel wat hun juistheid en oorsprong, als hun uitwerking
op het denken van de mens betreft.
De vermogens waardoor de mens kennis van de waarheid, van de werkelijkheid,
kan verkrijgen, kunnen ieder moment en overal worden opgewekt of opgeroepen,
mits de juiste omstandigheden zijn geschapen, zodat de strevende ziel
met succes omhoog of naar binnen kan reiken en kan weten.
Soms bevatten de eenvoudigste leringen de meest goddelijke waarheden.
En waarom? Omdat de eenvoudigste leringen de fundamentele zijn.
Laten we daarom een ogenblik aandacht schenken aan de zeven beginselen
van de mens in hun relatie tot de zeven beginselen van het heelal. De
zeven beginselen van de mens vertonen overeenkomst met of zijn een kopie
van de zeven kosmische beginselen. Ze zijn in feite het kroost van de
zeven kosmische beginselen, in ons in hun activiteit beperkt door de werking
van de wet van karma, maar in hun oorsprong teruggaande tot Dat wat alles
te boven gaat, tot dat wat de essentie van het universum of het universele
is; naar boven, naar binnen, tot het ongemanifesteerde, tot dat wat niet
gemanifesteerd kan worden, tot dat eerste beginsel dat H.P. Blavatsky
aanduidt als de leidende gedachte van de wijsheid-filosofie van De
Geheime Leer.
De filosofie die ons in deze tijd een verklaring geeft van de menselijke,
geestelijke en psychische structuur, stelt het aantal beginselen van de
mens op zeven. In vroegere eeuwen werd het aantal beginselen of delen
van de mens anders berekend – de christen onderscheidt lichaam, ziel en
geest, maar kent niet het verschil tussen de ziel en de geest, en velen
denken dat ziel hetzelfde is als geest.
Sommige Indische denkers beschouwden de mens als een fundamenteel viervoudige
entiteit, anderen als een vijfvoudige. De joodse filosofie, zoals deze
in de kabbala is te vinden, leert dat de mens vier beginselen heeft:
- Het hoogste en meest geestelijke van alle, dat beginsel of deel dat
voor ons niet meer is dan een ademtocht van het zijn, werd neshâmâh
genoemd.
- Het tweede beginsel werd rûahh of geestelijke ziel genoemd,
soms volgens een andere translitteratie als rûach gespeld.
- De astrale ziel (of vitale ziel) heette nephesh, het derde
daaropvolgende, dat de mens met de dieren gemeen heeft.
- Dan komt de gûph of het stoffelijke voertuig, het huis waarin
alle andere wonen.
Boven en hoger dan alles, hoger dan neshâmâh
– dat niet een emanatie van dit hoogste is, niet een schepping, niet een
ontplooiing, maar dat erdoor werd voortgebracht op een wijze die we later
moeten verklaren – bevindt zich het onuitsprekelijke, het grenzeloze,
eyn (of ain) sôph genoemd.
De Sanskriettermen die aan de zeven beginselen van de mens in de theosofische
filosofie zijn gegeven, volgen hieronder; een verklaring van hun oorspronkelijke
betekenis in het Sanskriet en een toelichting op de manier waarop die
woorden werden gebruikt en waarom ze werden gekozen, kunnen voor ons van
waarde zijn.
- Het eerste beginsel wordt het sthûlasarîra genoemd. Sthûla
betekent ‘ruw’, ‘grof’, niet verfijnd, zwaar, lijvig, dik in de zin
van groot. Sarîra komt van een wortel die we het best kunnen
vertalen door te zeggen dat het datgene is wat ‘zich gemakkelijk oplost’,
‘snel slijt’; iets dat vergankelijk, schuimachtig, als het ware vol
gaten is. Let op de betekenis die erin ligt verborgen; die is heel belangrijk.
- Het tweede beginsel heet het lingasarîra. Linga is
een Sanskrietwoord dat ‘kenmerkend teken’ betekent; vandaar model, patroon.
Het vormt het model of patroon waarnaar het stoffelijk lichaam is gebouwd.
Dit stoffelijk lichaam dat grotendeels poreus is, als die uitdrukking
is toegestaan, is het meest onwezenlijke dat we kennen, als het
ware vol gaten, schuimachtig. We komen later nog terug op deze gedachte.
- Het derde beginsel, gewoonlijk het levensbeginsel genoemd, is prâna.
Dit woord wordt hier in algemene zin gebruikt. Er zijn trouwens een
aantal levensstromen of levensfluïden. Ze hebben verschillende namen.
Eén stelsel noemt er drie; een ander vijf, dat het algemeen aanvaarde
aantal is; weer een ander zeven, nog een ander twaalf, zoals in enkele
Upanishads is te vinden; en één schrijver uit de oudheid noemt er zelfs
dertien.
- Dan is er het kâma-beginsel; het woord kâma betekent
‘begeerte’. Het is de drijvende, stuwende kracht in de menselijke structuur;
kleurloos, goed noch slecht, maar bepaald door het gebruik dat het denkvermogen
en de ziel ervan maken.
- Daarna komt manas; de Sanskrietwortel van dit woord betekent
‘denken’, ‘overpeinzen’, ‘beschouwen’ – kortom, een mentale activiteit.
- Vervolgens komt buddhi, of geestelijke ziel, het voertuig of
de drager van het hoogste beginsel, de âtman. Buddhi wordt afgeleid
van een Sanskrietwortel budh. Deze wortel wordt gewoonlijk vertaald
met ‘verlichten’, maar een betere vertaling is ‘ontwaken’, en daarom,
‘begrijpen’; buddha, het voltooid deelwoord van deze wortel,
wordt gebruikt voor iemand die geestelijk is ‘ontwaakt’, die niet langer
levend dood is, maar zich bewust is van de geestelijke invloed vanbinnenuit
of van ‘boven’. Buddhi is het beginsel in ons dat ons geestelijk bewustzijn
schenkt, en is het voertuig van het hoogste deel van de mens. Dit hoogste
deel is âtman.
- Dit beginsel (âtman) is universeel; maar tijdens de incarnaties
nemen de laagste delen ervan eigenschappen aan, als we het zo mogen
uitdrukken, omdat het met buddhi is verbonden, zoals buddhi is verbonden
met manas, manas met kâma, en zo verder omlaag.
Âtman wordt soms ook gebruikt voor het universele zelf of de universele
geest, die in de Sanskrietgeschriften brahman (onzijdig) wordt genoemd;
het brahman of de universele geest wordt ook aangeduid als de paramâtman,
een samengestelde Sanskrietterm met als betekenis de ‘hoogste’ of meest
universele âtman. De wortel van âtman is nauwelijks bekend. De oorsprong
ervan is onzeker, maar de algemene betekenis is die van ‘zelf’.
Boven brahman is het parabrahman: para is een Sanskrietwoord dat
‘voorbij’ betekent. Let op de diep filosofische betekenis hiervan: er
wordt hier geen poging gedaan het onbegrensde, het onuitsprekelijke, door
bijvoeglijke naamwoorden te beperken; het betekent eenvoudig ‘voorbij
brahman’. In de Sanskriet Veda’s en in de werken die daarvan zijn afgeleid
en tot de vedische literatuur behoren, wordt dit voorbij Dat genoemd,
terwijl deze wereld van manifestatie wordt aangegeven met Dit. Andere
veelzeggende Sanskriettermen zijn sat, het ‘werkelijke’, en asat,
het ‘onwerkelijke’ of het gemanifesteerde heelal; in andere zin betekent
asat ‘niet sat’, dat wil zeggen, zelfs voorbij (hoger dan)
sat.
Dit parabrahman is nauw verbonden met mûlaprakriti, ‘wortel-natuur’.
Hun wisselwerking en vermenging veroorzaken de eerste vage trilling, als
men deze woorden kan gebruiken, van het universele leven, toen in het
begin der dingen de geestelijke begeerte voor het eerst in Het ontstond.
Dat is de oude leer, die natuurlijk gebruikmaakte van de oude antropocentrische
uitdrukkingen, waarvan men goed begreep dat het slechts menselijke vergelijkingen
waren; want de opvattingen van de zieners in vervlogen tijden, hun leringen,
moesten in menselijke taal aan de menselijke geest worden overgebracht.
Een mens kan zich naar binnen keren, stap voor stap ‘omhoog’ gaan, steeds
hoger klimmen naarmate zijn geestelijke krachten toenemen en subtieler
worden, totdat hij boven zijn normale vermogens uitstijgt en de ring-verder-niet
overschrijdt, zoals H.P. Blavatsky die in haar Geheime Leer noemt.
Waar en wat is deze ring-verder-niet? Het is in elk stadium van het menselijke
bewustzijn de uiterste grens die zijn geest kan bereiken. Daar houdt hij
stil en schouwt in het daarachter liggende – in het ongemanifesteerde
waaruit wij voortkwamen. Het ongemanifesteerde is in ons; het is het innerlijkste
van het innerlijkste van onze ziel, van onze geest, van ons essentiële
wezen. We kunnen ernaar streven, maar we kunnen het in feite nooit bereiken.
Waar is de werkelijkheid? Is het wezenlijke, het ware, in deze lagere
stoffelijke omhulsels te vinden? Of moet het worden gezocht in die toestand
van zijn waaruit alles voortkwam?
De stoïcijnen uit de oudheid onderwezen in hun prachtige filosofie – en
dezelfde leer ontstond in de esoterische filosofie van Hellas of Griekenland,
zoals later uit de neoplatonische leringen bleek – deze oude stoïcijnen
onderwezen dat de waarheid kan worden gekend; dat het meest wezenlijke
en het meest verhevene kon worden gevonden in een steeds terugwijkend
verschiet, als de menselijke geest binnenwaarts en omhoog streeft en sluier
na sluier wegvalt naarmate de evolutie van de ziel van de ‘wijze’ (de
door hen gebruikte term) vordert. Ze leerden dat het stoffelijke heelal
een illusie is, in de zin waarin een hindoe over mâyâ spreekt;
en de stoïcijnen begrepen dat dit schijnbaar dichte, grove, zware, stoffelijke
heelal als waarneembaar verschijnsel onwerkelijk is en als het ware grotendeels
uit gaten bestaat – een leer die men nu in de geschriften en denkbeelden
van onze meer intuïtieve wetenschappers terugvindt.
De stoïcijnen onderwezen dat de ether dichter is dan de meest dichte materie,
compacter dan de meest compacte materie, en we gebruiken dan natuurlijk
gewone menselijke termen. Voor ons mensen, met onze ogen die alleen zijn
geoefend om voorwerpen te zien die een illusie zijn, lijkt het de meest
doorzichtige, de ijlste, de meest etherische stof. Wat was de werkelijkheid,
het ware, achter dit Al? Het wezenlijke? Ze zeiden dat het God
was, het leven van het leven, de waarheid van de waarheid, de wortel van
de stof, de wortel van de ziel, de wortel van de geest. Wanneer een stoïcijn
werd gevraagd: Wat is God? antwoordde hij waardig: Wat is God niet?
Laten we onze aandacht nu richten op de oude wijsheid van Hindoestan,
de Upanishads, die teruggaan tot ver vóór de tijd waarin de oude brahmaanse
leringen en de brahmanen werden tot wat ze nu zijn, tot de tijd waarin
werkelijke mensen wezenlijke dingen onderrichtten – en uit de Chhândogya-Upanishad,
voornamelijk uit het zesde hoofdstuk, een gesprek aanhalen tussen een
vader en zijn zoon. De zoon vraagt:
‘Als iemand die in zijn eigen huis heeft geslapen, opstaat
en naar een ander dorp gaat, weet hij dat hij uit zijn eigen huis is gekomen.
Waarom weten de mensen dan niet dat ze uit Sat zijn voortgekomen?’ [Een
Sanskrietwoord dat het wezenlijke, het onuitsprekelijke, betekent, waarover
we hebben gesproken.]
En de vader onderricht zijn zoon als volgt.
‘Deze rivieren, mijn zoon, stromen, de oostelijke naar
het oosten, de westelijke naar het westen. Ze gaan van zee tot zee. Ze
worden in werkelijkheid de zee. En zoals die rivieren, wanneer ze in de
zee zijn, niet weten ik ben deze of die rivier.
‘Evenzo, mijn zoon, weten al deze schepselen niet, wanneer ze uit het
ware [dat is het werkelijke] zijn voortgekomen, dat ze uit het ware zijn
voortgekomen [door mâyâ]. Wat deze schepselen hier ook zijn, een leeuw,
of een wolf, of een zwijn, of een worm, of een mug of een muskiet, dat
worden ze telkens weer.’
Luister nu:
‘Dat wat die subtiele essentie is, daarin heeft al wat
bestaat zijn zelf. Het is het ware. Het is het zelf, en gij, O S´vetaketu,
zijt het.’ ‘Leer mij nog meer, heer’, zei de zoon. ‘Zo zij het, mijn kind’,
antwoordde de vader.
Dan wordt de zoon geacht te vragen: ‘Hoe komt het dat levende wezens,
wanneer ze in de slaap of de dood opnieuw in Sat opgaan, niet worden vernietigd?
Golven, schuim en luchtbellen komen uit het water voort, en wanneer ze
weer met het water samenvloeien, zijn ze verdwenen.’
‘Als iemand deze grote boom hier in de wortel zou aantasten’,
zegt de vader, ‘zou hij weliswaar bloeden, maar blijven leven. Als hij
zijn stam treft, zou hij bloeden, maar leven. Als hij zijn top treft,
zou hij bloeden, maar leven. Vervuld van het levende zelf, houdt die boom
stand, neemt zijn voedsel in zich op en verheugt zich;
Maar als het leven (het levende zelf) een van zijn takken verlaat, verdort
die tak; als het een tweede tak verlaat, verdort die tak; als het een
derde verlaat, verdort die tak. Als het de hele boom verlaat, verdort
de hele boom. Op precies dezelfde manier, mijn zoon, onthoud dit.’ En
hij vervolgde:
‘Dit (lichaam) schrompelt ineen en sterft wanneer het levende zelf het
heeft verlaten; het levende zelf sterft niet. In dat wat die subtiele
essentie is, heeft al wat bestaat zijn zelf. Het is het ware. Het is het
zelf, en gij, O S´vetaketu, zijt het.’
‘Leer mij nog meer, heer’, zei de zoon. ‘Zo zij het, mijn kind’, antwoordde
de vader.
‘Breng mij van gindse nyagrodhaboom een vrucht.’ ‘Hier is er een, heer.’
‘Breek haar doormidden.’ ‘Ze is doormidden gebroken, heer.’ ‘Wat zie je
er erin?’ ‘Deze zaden, bijna oneindig klein.’ ‘Maak er een open.’ ‘Het
is opengemaakt, heer.’ ‘Wat zie je erin?’ ‘In het geheel niets, heer.’
De vader zei: ‘Mijn zoon, die subtiele essentie, die je daarin niet waarneemt,
uit diezelfde essentie bestaat deze grote nyagrodhaboom. Geloof het, mijn
zoon. Dat wat die subtiele essentie is, daarin heeft al wat bestaat zijn
zelf. Het is het ware. Het is het zelf, en gij, O S´vetaketu, zijt
het.’ ‘Leer mij nog meer, heer’, zei de zoon. ‘Zo zij het, mijn kind’,
antwoordde de vader.
‘Strooi dit zout in het water, en kom morgenochtend bij me.’ De zoon deed
wat hem was opgedragen. De vader zei tegen hem: ‘Breng me het zout dat
je gisteravond in het water hebt gestrooid.’ De zoon zocht ernaar maar
vond het niet, omdat het natuurlijk was opgelost. De vader zei: ‘Proef
het water aan de oppervlakte. Hoe smaakt het?’ De zoon antwoordde: ‘Het
is zout.’ ‘Proef het uit het midden. Hoe smaakt het?’ De zoon antwoordde:
‘Het is zout.’ ‘Proef het van de bodem. Hoe smaakt het?’ De zoon antwoordde:
‘Het is zout.’ De vader zei: ‘Gooi het weg en kom dan bij me.’ Dat deed
hij; maar zout bestaat altijd. Daarop zei de vader: ‘Ja, ook hier in dit
lichaam zie je niet het ware (Sat), mijn zoon; maar het is er wel degelijk.’
‘Dat wat die subtiele essentie is [namelijk, de zoutheid van het zout],
daarin heeft al wat bestaat zijn zelf. Het is het ware. Het is het zelf,
en gij, O Svetaketu, zijt het.’ ‘Leer mij nog meer, heer’, zei de zoon.
‘Zo zij het, mijn kind’, antwoordde de vader.
– 6, 10-13 (naar vert. Max Müller)
Laten we nu een ander deel van deze Upanishad opslaan, het achtste hoofdstuk.
We lezen het volgende: ‘Harih, Om.’ Hari is de naam van verschillende
godheden – van S´iva en Vishnu – maar hier wordt hij kennelijk gebruikt
voor S´iva, bij uitstek de goddelijke beschermer van de mystieke
occultist. Om is een woord dat in de brahmaanse literatuur als zeer heilig
wordt beschouwd. Het is een uit één lettergreep bestaande aanroeping die
volgens algemeen gebruik – zoals wordt uiteengezet in de desbetreffende
literatuur, die tamelijk omvangrijk is omdat dit woord Om bijna goddelijke
betekenis heeft gekregen – nooit hardop of in het bijzijn van een buitenstaander,
een vreemde of een niet-ingewijde moet worden uitgesproken, maar in de
stilte van het eigen hart. We hebben echter ook redenen om te geloven
dat het woord door leerlingen in aanwezigheid van hun leraar hardop en
op één toon werd uitgesproken. Dit woord staat altijd aan het begin van
een geschrift dat als buitengewoon heilig wordt beschouwd.
Er wordt geleerd dat als men dit woord met gesloten mond uitspreekt, waarbij
zowel de O als de M lang worden aangehouden, dit in de schedel
weerklinkt en trillingen teweegbrengt, en dat het, als de aspiraties
zuiver zijn, de verschillende zenuwcentra van het lichaam gunstig
beïnvloedt.
De brahmanen zeggen dat het ontheiligend is dit woord uit te spreken op
een plaats die niet heilig is. Ik lees nu:
Daar is deze stad van brahman [dat is, het hart en het
lichaam], en daarin het paleis, de kleine lotus (van het hart) en daarin
die kleine ether.
Het Sanskrietwoord voor ‘kleine ether’ dat Müller, de vertaler, hier niet
heeft vermeld, ongetwijfeld omdat hij niet wist hoe hij het moest vertalen,
is antarâkâs´a, een samengesteld Sanskrietwoord dat ‘binnen
het âkâs´a’ betekent. Ik lees verder:
Wat binnen die kleine ether bestaat, daarnaar moet worden
gezocht, dat moet worden begrepen. En als men hem zou zeggen: ‘Wat nu
die stad van brahman betreft, en het paleis daarin, dat wil zeggen, de
kleine lotus van het hart, en de kleine ether in het hart, wat is daarin
dat waard is ernaar te zoeken of dat moet worden begrepen?’
Dan zou hij moeten zeggen: ‘Zo groot als deze ether (de hele ruimte) is,
zo groot is die ether in het hart. Zowel hemel als aarde liggen erin besloten,
zowel vuur als lucht, zowel zon als maan, zowel bliksem als sterren; en
wat er van hem (het zelf) hier in de wereld ook is, en wat er niet is
(dat wil zeggen wat is geweest of zal zijn), dat alles ligt erin besloten.’
En als men hem zou zeggen: ‘Als al wat bestaat, ligt besloten in die stad
van brahman, alle wezens en alle begeerten (wat men zich ook maar kan
voorstellen of wensen), wat blijft er dan van over wanneer de ouderdom
haar treft en haar verstrooit of wanneer ze uiteenvalt?’
Dan zou hij moeten zeggen: ‘Door de ouderdom van het lichaam wordt dat
(de ether of het brahman daarin) niet ouder; door de dood van het lichaam
wordt dat (de ether of het brahman daarin) niet gedood. Dat (het brahman)
is de ware brahma-stad (niet het lichaam). Daarin liggen alle [ware] begeerten
besloten. Het is het zelf, vrij van zonde, vrij van ouderdom, van dood
en smart, van honger en dorst, dat niets begeert dan wat het behoort te
begeren en zich niets anders voorstelt dan wat het zich behoort voor te
stellen. Zoals hier op aarde de mensen doen wat hun wordt opgedragen en
afhankelijk zijn van het voorwerp waaraan ze gehecht zijn, of dit nu een
landstreek is of een stuk land.
‘En zoals hier op aarde wat door inspanning is verworven, vergaat, zo
vergaat wat door offers en andere op aarde volbrachte goede daden voor
de volgende wereld is verworven. Voor hen die van hier heengaan zonder
het zelf en die ware begeerten te hebben gevonden, is er in alle werelden
geen vrijheid. Maar voor hen die van hier heengaan na het zelf en die
ware begeerten te hebben gevonden, is er vrijheid in alle werelden.’ –
Op. cit., 8, 1
Beginselen
van de esoterische filosofie,
blz. 20-9
© 1998
Theosophical
University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag
|