Theosophical University Press Agency

Inhoudsopgave

Vraag 8

Sri Sankaracharya – over wanneer hij leefde en over zijn leer

[‘Question 8: Sri Sankaracharya’s date and doctrine’, The Theosophist, september 1883, blz. 304-10; CW 5:176-97]

Het is altijd moeilijk het jaartal van een specifieke gebeurtenis in de oude geschiedenis van India precies vast te stellen; en deze moeilijkheid wordt nog aanzienlijk groter door de speculaties van de Europese oriëntalisten. Hun werk op dit gebied vergrootte slechts de verwarring die al bestond in volkslegenden en overleveringen die vaak waren veranderd of aangepast om aan de behoeften te voldoen van sekten die het onderling oneens waren. De oorzaken die tot dit resultaat hebben geleid kunnen volledig worden vastgesteld als men de veronderstellingen onderzoekt waarop die speculaties zijn gebaseerd.

De geschriften van deze oriëntalisten worden vaak gekenmerkt door onvoldoende kennis van de Indiase literatuur, filosofie en religie, en van de overleveringen van de hindoes, en door minachting voor de opvattingen van hindoeschrijvers en -pandits. Heel vaak worden feiten en jaartallen door die schrijvers overgenomen uit de geschriften van hun voorgangers of tijdgenoten en neemt men zonder eigen nader onderzoek aan dat ze correct zijn. Zelfs als de ene schrijver zijn twijfel uitspreekt over de nauwkeurigheid van een jaartal, citeert zijn opvolger vaak datzelfde jaartal alsof het een vaststaand feit zou zijn. Op het ene onjuiste jaartal wordt het andere onjuiste jaartal gebaseerd, en de ene verkeerde conclusie wordt vaak getrokken op basis van een andere die al even ongegrond en onlogisch is. Als we een door die schrijvers gegeven jaartal willen controleren, moeten we dus de hele door hen geconstrueerde Indiase chronologie aan een nauwkeurig onderzoek onderwerpen. Vóór we hun opvattingen onderzoeken over wanneer Sankaracharya heeft geleefd, is het handig om enkele van de bovengenoemde veronderstellingen op te sommen.

1. Veel van deze schrijvers zijn niet volledig vrij van de vooroordelen die zijn ontstaan door de verderfelijke leer dat deze wereld maar 6000 jaar oud is, en die al dan niet correct uit de Bijbel is afgeleid. Daarmee zeg ik niet dat een van deze schrijvers deze leer nu serieus zou willen verdedigen, maar niettemin heeft ze grote invloed op het denken van christelijke schrijvers gehad toen ze de beweringen van de Aziatische chronologie gingen onderzoeken. Indien men aan een of andere gebeurtenis in de oude geschiedenis van Egypte, India of China een ouderdom van 5000 of 6000 jaar toekent, kan men er zeker van zijn dat die schrijvers dat onmiddellijk verwerpen zonder enig onderzoek naar de waarheid van die bewering.

2. Ze zijn beslist niet van plan te erkennen dat enig deel van de Veda teruggaat tot een periode die aan de Pentateuch voorafgaat, ook al worden daarvoor bewijzen aangevoerd die een onpartijdige onderzoeker zonder christelijke vooroordelen wél zouden overtuigen. De uiterste grens van de Indiase oudheid wordt door hen dus vastgesteld op basis van het Oude Testament, en door hen wordt in feite aangenomen dat alle boeken van de hele vedische en Sanskrietliteratuur, en dus ook bijna alle gebeurtenissen van de Indiase geschiedenis, noodzakelijkerwijs moeten worden gedateerd in de periode tussen het jaartal van het Oude Testament en heden.

3. Vaak neemt men zonder reden aan dat elke filosofische of metafysische passage in de Veda’s moet worden beschouwd als een latere inlassing, en dat alle boeken die een filosofisch onderwerp behandelen na de tijd van Boeddha of na het begin van de christelijke jaartelling moeten zijn geschreven. Beschaving, filosofie en wetenschap ontstonden volgens deze schrijvers in de zes of zeven eeuwen die aan onze jaartelling voorafgingen toen de mensheid zich voor het eerst in de laatste 4000 of 5000 jaar langzaam uit ‘de diepten van brute dierlijkheid’ verhief.

4. Ook wordt aangenomen dat het boeddhisme na Gautama Boeddha is ontstaan. Een eerder bestaan van het boeddhisme, het jainisme en de arhat-filosofie wordt verworpen als een absurd en belachelijk verzinsel van de boeddhisten, enz., die daarmee hebben geprobeerd aan hun religie een eerbiedwaardige ouderdom te verlenen. Als gevolg van deze onjuiste veronderstelling wordt over elk hindoeboek dat naar de leringen van de boeddhisten verwijst, gezegd dat het na de tijd van Gautama Boeddha moet zijn geschreven. Zo is bijvoorbeeld Weber van mening dat Vyasa, de schrijver van de Brahma-sutra’s, deze heeft geschreven in de 5de eeuw n.Chr. Dit is voor de meeste hindoes echt een opzienbarende onthulling.

5. Telkens als de hindoegeschriften of -overleveringen werken over verschillende onderwerpen aan een en dezelfde auteur toeschrijven, wordt vaak, en in de meeste gevallen schijnbaar zonder enige reden, aangenomen dat die werken moeten worden beschouwd als het product van verschillende schrijvers. Door deze werkwijze hebben ze twee Badarayana’s (Vyasa’s), twee Patañjali’s en drie Vararuchi’s ontdekt. We zullen niet beweren dat in alle gevallen dezelfde naam ook dezelfde persoon betreft, maar we moeten tegen zulke veronderstellingen wel bezwaar maken als ze niet door enig bewijs worden gesteund, en alleen dienen om een vooropgezette mening te steunen of een stokpaardje te berijden.

6. Vaak proberen die schrijvers de chronologie van de gebeurtenissen van de Indiase geschiedenis vast te stellen door middel van de verschillende stadia in de groei of ontwikkeling van de Sanskriettaal en de Indiase literatuur. De tijd die voor die ontwikkeling nodig is, wordt vaak op dezelfde manier geschat als die waarop geologen de tijd bepalen voor het geleidelijk tot stand komen van de verschillende lagen van de aardkorst. We kunnen echter geen goede methode ontdekken waarmee die berekeningen zijn gemaakt. Het is onjuist om aan te nemen dat de ontwikkeling van de ene taal dezelfde tijd nodig heeft als die van een andere binnen dezelfde grenzen. Met de specifieke kenmerken van het volk dat een taal gebruikt, moet zorgvuldig rekening worden gehouden als men zulke berekeningen wil maken. Even belangrijk is de geschiedenis van dat volk. Iedereen die Max Müllers schattingen van de zo geheten sutra-, brahmana-, mantra- en kanda-perioden onderzoekt, kan vaststellen dat hij aan deze overwegingen geen aandacht schenkt. De perioden die hij aan deze vier ‘sruti’s’ van de vedische literatuur toekent, zijn puur willekeurig.

We hebben op deze tekortkomingen in de geschriften van de Europese oriëntalisten gewezen om onze lezers te laten zien dat men niet altijd op de conclusies van deze schrijvers kan vertrouwen als het gaat om de datering van de oude Indiase geschiedenis.

Als we de verschillende citaten en overleveringen onderzoeken die de Europese oriëntalisten selecteren om vast te stellen wanneer Sankaracharya heeft geleefd, moeten we vooral opletten of er wordt verwezen naar de allereerste Sankaracharya die de Advaita-leer ontwikkelde, of naar een van zijn volgelingen die adhipati’s (hoofden) werden van de verschillende matha’s (tempels) die door hem en zijn opvolgers werden gesticht. Veel advaiti mathadipati’s die hem opvolgden, in het bijzonder die van de Sringeri-matha, waren mensen van grote faam en waren in hun tijd in heel India heel bekend. Vaak wordt naar hen verwezen met de algemene benaming Sankaracharya, en daarom maakt men bij het verwijzen naar een van deze mathadipati’s snel de fout te denken dat het op Sankaracharya zelf slaat.

Het lijkt erop dat Barth, wiens mening over het geboortejaar van Sankaracharya door ‘een Engels lid van de TS’ wordt geciteerd, in tegenstelling tot het jaar dat in Sinnetts Esoteric Buddhism wordt genoemd, het onderwerp niet zorgvuldig heeft onderzocht. Hij onderbouwt het gegeven jaartal niet, en vermeldt zelfs niet het bestaan van andere bronnen en overleveringen die een datering geven die in strijd is met het door hem aangenomen jaar. Het jaartal dat hij aan Sankaracharya toeschrijft, staat in een onopvallende voetnoot op blz. 89 van zijn The Religions of India, en luidt:

Sankaracharya wordt meestal in de achtste eeuw geplaatst, misschien moeten we eerder de negende zeggen. De betrouwbaarste overlevering zegt dat hij werd geboren op de 10de van de maand madhava (april-mei) van het jaar 788 n.Chr. Andere overleveringen plaatsen hem echter in de 2de en in de 5de eeuw. De schrijver van Dabistan daarentegen plaatst hem helemaal aan het begin van de 14de.

Barth heeft beslist ongelijk als hij zegt dat Sankaracharya meestal in de achtste eeuw wordt geplaatst. Er zijn evenveel overleveringen die hem in een eeuw v.Chr. als die hem in een eeuw n.Chr. plaatsen, en uit wat volgt blijkt dat het bewijsmateriaal ten gunste van de eerste opvatting de overhand heeft.

Men kan niet ontkennen dat de meeste oriëntalisten over dit onderwerp geen duidelijke eigen mening hebben. Max Müller schijnt nooit aandacht aan dit onderwerp te hebben geschonken. Monier-Williams neemt eenvoudig het jaartal van Wilson over, en Weber schijnt op dezelfde autoriteit te vertrouwen zonder enige moeite te doen om de zaak zelf nader te onderzoeken. Waarschijnlijk is Wilson de enige oriëntalist die het onderwerp met enige zorg heeft onderzocht, en hij erkent eerlijk dat ‘de periode waarin Sankara heeft geleefd niet precies kan worden vastgesteld’.1

1. Essays and Lectures chiefly on the Religion of the Hindus, deel 1, blz. 200-1.

Onder deze omstandigheden is de boven geciteerde noot van Barth beslist misleidend. Hij licht zijn lezers niet in waar hij de genoemde overlevering heeft gevonden, en welke redenen hij heeft om aan te nemen dat ze betrekking heeft op de eerste Sankaracharya, en dat het ‘de betrouwbaarste overlevering’ is. Als deze zaak nog een open vraag is, had Barth niet een bepaald jaartal mogen aannemen, als hij niet bereid is dat te onderbouwen en goede argumenten daarvoor aan te voeren. De andere overleveringen waarnaar verwezen wordt, kunnen het gezag van de overlevering waarop vertrouwd wordt, natuurlijk niet versterken. De bewoordingen van de genoemde voetnoot doen het echter voorkomen alsof alle bronnen en overleveringen met betrekking tot dit onderwerp erbij zijn gehaald, terwijl in feite de belangrijkste buiten beschouwing zijn gelaten, zoals hierna zal worden aangetoond. In andere delen van het boek van Barth zijn geen argumenten te vinden ter ondersteuning van het aan Sankara toegekende jaartal, maar er komen enkele losse passages in voor die men hetzij kan opvatten als conclusies uit de genoemde bewering of als bewijzen ervoor, en die we in verband hiermee moeten onderzoeken.

Barth heeft enig verband ontdekt tussen het verschijnen van Sankara in India en het begin van de boeddhistenvervolgingen, die hij in de 7de en 8ste eeuw schijnt te plaatsen. Op blz. 89 van zijn boek spreekt hij over ‘het grote offensief tegen het boeddhisme, dat in de 7de en 8ste eeuw in de Dekkan werd ingezet door de scholen van Kumarila en Sankara’; en op blz. 135 zegt hij dat de ‘volgelingen van Kumarila en Sankara, georganiseerd in gewapende orden, zich hebben opgeworpen als fanatieke verdedigers van de orthodoxie’. De kracht van deze beweringen wordt echter aanmerkelijk verzwakt door de opmerkingen van de schrijver (blz. 89 en 134) over het ontbreken van enig spoor van vervolging van boeddhisten door Sankara in de tot nu toe onderzochte authentieke documenten, en over de absurditeit van de legenden waarin hij wordt afgeschilderd als de vernietiger van de boeddhisten van de Himalaya tot Kaap Comorin.

Om Sankara en Kumarila in bovenstaande citaten in een adem te noemen is volkomen belachelijk. Bijna iedere hindoe weet dat de aanhangers van de Purva Mimamsa (Kumarila gaf toelichting op de Sutra’s) de grootste en bitterste tegenstanders waren van Sankara en zijn leer, en Barth schijnt helemaal niets te weten over de aard van Kumarila’s opvattingen en de Purva Mimamsa en over de strekking en het doel van Sankara’s Vedanta-filosofie. Het is onmogelijk te zeggen welke bewijzen de schrijver heeft voor de bewering dat het grote offensief tegen de boeddhisten in de 7de en 8ste eeuw is begonnen en dat Sankara het op gang bracht. Er zijn enkele passages in zijn boek die erop wijzen dat deze periode niet als juist kan worden beschouwd. Hij zegt o.a. op blz. 135 dat de boeddhisten al in de tijd van Asoka met vervolgingen zijn begonnen.

Als dat het geval was, dan is het heel verbazingwekkend dat de orthodoxe hindoes zich bijna tien eeuwen lang rustig hebben gehouden zonder wraak te nemen op hun vijanden. Het politieke overwicht van de boeddhisten dat ze tijdens Asoka’s regeerperiode hadden verworven, duurde niet erg lang, en de hindoes hadden voor en na het begin van onze jaartelling de steun van zeer machtige koningen. Bovendien zegt de schrijver op blz. 132 van zijn boek dat het boeddhisme in de 7de eeuw in verval was, en het is onwaarschijnlijk dat de reactie tegen de boeddhisten zou beginnen in een tijd dat hun religie al in een staat van verval verkeerde. Geen enkele grote religieuze leraar of hervormer zou zijn tijd en energie verspillen aan het afbreken van een religie die al in puin ligt.

Maar welke bewijzen zijn er dat Sankara zich ooit hiermee heeft beziggehouden? Als het hoofddoel van zijn prediking was om een reactie tegen het boeddhisme op te wekken, dan zou hij ons ongetwijfeld enkele geschriften hebben nagelaten met het specifieke doel om kritiek op de leringen daarvan te leveren en de gebreken ervan aan het licht te brengen. In zijn eigen werken zinspeelt hij daarentegen niet eens op het boeddhisme. Hoewel hij een vruchtbaar schrijver was, is er in de hele reeks van zijn geschriften geen enkele passage te vinden over de boeddhisten of hun leer, afgezien van een paar opmerkingen over een theorie over de aard van gewaarwording die door sommige boeddhisten werd verdedigd, en die zijn te vinden in zijn commentaar op de Brahma-sutra’s; en het inlassen daarvan in zijn commentaar was nodig door de zinspelingen in de sutra’s die hij toelichtte. Omdat volgens ons deze Brahma-sutra’s door Vyasa zelf zijn samengesteld (en niet door een denkbeeldige Vyasa uit de 5de eeuw n.Chr., het product van Webers levendige fantasie), hebben de zinspelingen die daarin voorkomen betrekking op het boeddhisme dat bestond vóór de komst van Gautama Boeddha. Uit deze weinige opmerkingen blijkt duidelijk dat Sankaracharaya niets te maken had met de vervolging van boeddhisten. We kunnen hier enkele passages uit Wilsons voorwoord van de eerste uitgave van zijn Dictionary, Sanskrit and English citeren, om onze opmerkingen te steunen. Over het verband tussen Sankara en de vervolging van boeddhisten schrijft hij:

Hoewel het volksgeloof de oorsprong van de vervolging van boeddhisten aan Sankaracharya toeschrijft, hebben we in dit geval enige reden de juistheid daarvan te betwijfelen. Het vriendelijke karakter van deze hervormer, die wordt beschreven als altijd zachtaardig en verdraagzaam, ondersteunt deze gedachte niet, en als ik me baseer op mijn eigen beperkte kennis van de Vedanta-werken en de meer overtuigende verklaringen van Rammohan Roy, die ik van hem mag citeren, dan is er in zijn geschriften, die allemaal nog bestaan, geen spoor te vinden dat hij betrokken was bij enige vervolging; het doel van die geschriften was niet om de boeddhisten of enige andere denkrichting te corrigeren, maar het weerleggen van elke leer behalve de zijne, en de hervorming van de vierde religieuze orde.

Vervolgens merkt hij op:

Het is een algemene misvatting aan hem (Sankara) de vervolging toe te schrijven. Hij schijnt zich helemaal niet met dat afschuwelijke werk te hebben beziggehouden, noch is hij in het bijzonder met een van de boeddhisten in discussie gegaan.

Uit het voorgaande blijkt dat de periode van Sankara niet kan worden vastgesteld op basis van het begin van de vervolging van de boeddhisten, zelfs al zou het mogelijk zijn om te bepalen wanneer deze begon.

Barth schijnt enig verband te hebben ontdekt tussen de filosofische stelsels van Sankara, Ramanuya en Anandatirtha, en de Arabische kooplieden die in de eerste eeuwen van de hidzjra naar India kwamen, en hij heeft ongetwijfeld alle recht op de eer die hij krijgt voor de originaliteit van deze ontdekking. Indien dit mysterieuze occulte verband tussen de Advaita-filosofie en de Arabische handel – waarnaar hij op blz. 212 van zijn boek verwijst – iets meer is dan een verzinsel van zijn fantasie, kan het van enige betekenis zijn voor de vraag die we hier bespreken. De enige reden die hij ter ondersteuning van zijn theorie geeft, is echter – naar mijn mening – waardeloos. De hindoes hebben in het leven van de Boeddha een uitstekend voorbeeld gehad van een grootse religieuze beweging onder leiding van één enkele leraar, en ze hoefden de avonturen van de Arabische profeet niet te kopiëren. In het boek van Barth vinden we nog een passage die enig verband houdt met het jaartal van Sankara. Hij schrijft op blz. 207:

De Siva, bijvoorbeeld, die aan het begin van het toneelstuk Sakuntala wordt aangeroepen, en die tegelijk God, priester en offergave is, en van wie het lichaam het heelal is, is een Vedanta-denkbeeld. Deze constatering schijnt men te vergeten, als men beweert – wat soms gebeurt – dat alle Vedanta-groeperingen beginnen bij Sankara.

Maar deze constatering schijnt eveneens vergeten te worden, als men beweert, zoals oriëntalisten zoals Barth soms doen, dat Sankara in een latere periode leefde dan de schrijver van Sakuntala.

Uit het voorafgaande wordt duidelijk dat de mening van Barth over wanneer Sankara heeft geleefd heel onbevredigend is. Omdat Wilson het onderwerp met enige zorg en aandacht schijnt te hebben onderzocht, moeten we nu zijn opvatting bespreken en zien in hoeverre deze op goede bewijzen berust. Bij zijn poging, die op niets uitliep, om te bepalen wanneer Amara Sinha leefde, moest hij proberen vast te stellen wanneer Sankara leefde. Daarom komen zijn opmerkingen over die periode voor in zijn voorwoord van de eerste uitgave van zijn Dictionary, Sanskrit and English. We zullen hier nu enkele fragmenten uit dit voorwoord weergeven die betrekking hebben op ons onderwerp en deze van commentaar voorzien. Wilson schrijft het volgende:

Over de geboortedatum van Sankara bestaat eenzelfde onenigheid als over alle opmerkelijke gebeurtenissen in de geschiedenis van de hindoes. De Kudali-brahmanen, die een organisatie vormen die zijn stelsel volgt en onderwijst, verklaren dat hij ongeveer 2000 jaar geleden leefde. Sommige verslagen plaatsen hem rond het begin van de christelijke jaartelling, andere in de derde en vierde eeuw daarna. Een manuscript dat de geschiedenis van de koningen van Konka behandelt (in de verzameling van kol. Mackenzie) maakt hem tot tijdgenoot van Tiru Vikrama Deva Chakravarti, heerser van Skandapura in Dekkan in 178 n.Chr. In Sringeri, gelegen aan de rand van de westelijke Ghats, nu in het district Mysore, waar hij een school zou hebben gesticht die nog steeds bestaat, en van waaruit hij leiding begon te geven aan de Smarta-brahmanen van het schiereiland, verklaren ze dat hij 1600 jaar geleden leefde. Volgens de algemene overlevering leefde hij 1200 jaar geleden. De Bhoja Prabandha beschouwt Sankara als een van haar vooraanstaande figuren, en omdat hij een tijdgenoot was van koning Bhoja, leefde hij acht à negen eeuwen geleden. De volgelingen van Madhvacharya in Tuluva schijnen geprobeerd te hebben deze tegenstrijdige gegevens met elkaar in overeenstemming te brengen door te veronderstellen dat hij drie keer geboren is. Eerst in Sivuli in Tuluva, ongeveer 1500 jaar geleden, dan in Malabar enkele eeuwen later, en ten slotte in Padukachaitra in Tuluva, niet meer dan 600 jaar geleden. De laatste periode is blijkbaar bedoeld om eer te bewijzen aan hun eigen stichter, die toen leefde en die Sankara in een verondersteld dispuut zou hebben verslagen. De Vaishnava-brahmanen van Madurai zeggen dat Sankara verscheen in de 9de eeuw van Salivahana of de 10de eeuw van onze tijdrekening. Dr. Taylor denkt dat we niet ver naast de waarheid zitten als we aannemen dat hij ongeveer 900 jaar geleden leefde, en Colebrooke denkt 1000 jaar geleden. Dit is ook de periode waarmee mijn vriend Rammohan Roy, een ijverig onderzoeker van Sankara’s werken en filosoof-leraar van zijn leer, het eens is, en hij concludeert ‘op basis van een berekening van de spirituele generaties van Sankara’s volgelingen vanaf die tijd tot op heden, dat hij tussen de 7de en 8ste eeuw n.Chr. schijnt te hebben geleefd’. Deze periode komt overeen met de beweringen die dr. Buchanan heeft gehoord op zijn reis door Sankara’s geboortestreek, Malabar, en stemt overeen met de verklaring van de Kerala Utpatti, een werk met historische en statistische gegevens over datzelfde gebied, waarin, volgens Duncans citaten eruit, staat dat het reglementeren van de kasten door deze filosoof ongeveer 1000 jaar vóór 1798 plaatsvond. Tegelijkertijd moet worden opgemerkt dat een manuscript met een vertaling van hetzelfde werk, in het bezit van kol. Mackenzie, vermeldt dat Sankara werd geboren in het midden van de 5de eeuw, of 1300 à 1400 jaar geleden. Dit wijkt sterk af van de bewering van Duncan, maar het verschil is niet zo belangrijk, omdat het manuscript, hetzij door vertaling of door tekortkomingen van het origineel, veel duidelijke fouten bevat, en dus niet betrouwbaar is. De meeste bronnen spreken dus alles welbeschouwd ten gunste van een periode van ongeveer tien eeuwen geleden en ik ben geneigd deze schatting te aanvaarden en Sankara te plaatsen aan het einde van de 8ste en het begin van de 9de eeuw van onze jaartelling.

We willen nog een paar bronnen aan de lijst van Wilson toevoegen, voor we commentaar geven op bovenstaand citaat.

In een werk genaamd The Biographical Sketches of Eminent Hindu Authors, in 1860 in Bombay uitgegeven door Janardana Ramachandraji, wordt beweerd dat Sankara 2500 jaar geleden heeft geleefd, en volgens sommige mensen 2200 jaar geleden. De kronieken van de Kumbakonam-matha geven een reeks van 66 mathadipati’s vanaf Sankara tot op heden, en tonen aan dat hij meer dan 2000 jaar geleden heeft geleefd.

De Kudali-matha, waarnaar Wilson verwees, die een vertakking is van de Sringeri-matha, geeft dezelfde periode aan als deze, omdat hun overleveringen identiek zijn. Hun berekening is betrouwbaar voor zover ze berust op de jaartallen die worden vermeld op de samadhi-plekken (vergelijkbaar met een grafmonument) van de opeenvolgende guru’s van de Sringeri-matha, en ze leiden ons naar het begin van onze jaartelling.

Wilson geeft geen duidelijke informatie over de aard, oorsprong of betrouwbaarheid van de verslagen die Sankara in de 3de of 4de eeuw n.Chr. plaatsen of rond het begin van onze jaartelling. Ook is niet duidelijk of de geschiedenis van de koningen van Konka onmiskenbaar slaat op de allereerste Sankaracharya. Deze overleveringen spreken Wilsons conclusies tegen, en het is onduidelijk waarom hij hun getuigenis in twijfel trekt. Wilson vergist zich als hij beweert dat de Sringeri-matha aanneemt dat Sankara 1600 jaar geleden leefde. We hebben het verslag van de Sringeri-matha al even genoemd, en dat verslag is precies hetzelfde als dat van de Kudali-brahmanen. Dat dit zo is hebben we vastgesteld bij de vertegenwoordiger van de Sringeri-matha in Madras, die onlangs een lijst heeft uitgegeven van alle vroegere leraren van deze matha met hun jaartallen. Verder kunnen we niet inzien volgens welke algemene overlevering Sankara ongeveer 1200 jaar geleden leefde. Voor zover we weten bestaat er in India niet zo’n algemene overlevering. De meeste mensen in Zuid-India hebben tot nu toe vertrouwd op het verslag van Sringeri, en in Noord-India schijnt hierover geen algemene overlevering te bestaan; daar vindt men slechts een grote hoeveelheid elkaar tegensprekende verklaringen.

Het is echt verbazingwekkend hoe zo’n gerenommeerde oriëntalist als Wilson de dichter die Sankara heet en die in de Bhoja Prabandha wordt vermeld, kan verwarren met de grote Advaita-leraar. Geen enkele hindoe zou ooit zo’n belachelijke fout maken. Het verwondert ons dat sommige Europese oriëntalisten af en toe citeren uit boeken zoals de Bhoja Prabandha, Katha Sarit Sagara, Raja Taramgini, en Pañchatantra, alsof het historische werken zijn. In een ander deel van zijn voorwoord zegt Wilson zelf dat deze Bhoja Prabandha volkomen onbetrouwbaar is, omdat sommige daarin voorkomende beweringen niet overeenstemmen met zijn eigen theorie over het jaartal van Amara Sinha, maar nu haalt hij de beweringen van dit geschrift ten onrechte aan om zijn conclusie te steunen over wanneer Sankara leefde. Consequentheid is beslist niet een van de beste kenmerken van de geschriften van de meeste Europese oriëntalisten. Over de persoon die in de Bhoja Prabandha wordt genoemd, wordt altijd gesproken als Sankara Kavi (dichter), en nergens wordt hij Sankara-acharya (leraar) genoemd, terwijl de Advaita-leraar in geen enkel hindoeboek ooit Sankara Kavi wordt genoemd.

Het is zinloos om de Madhva-overleveringen of de mening van de Vaishnava-brahmanen van Madurai over wanneer Sankara leefde, weer te geven. Volgens ons is het onmogelijk om van de Madhva’s en Vaishnava’s iets anders dan leugens te verwachten over de geschiedenis en filosofie van Sankara. Ze willen voortdurend aan de wereld bewijzen dat hun leringen al bestonden vóór de tijd van Sankara, en dat de Advaita-leer een ketterij van hun reeds bestaande orthodoxe hindoeïsme is. Daarom zeggen ze dat Sankara minder dan 1500 jaar geleden leefde.

Nergens blijkt waarom dr. Taylor denkt dat Sankara ongeveer 900 jaar geleden leefde of volgens Colebrooke ongeveer 1000 jaar geleden. Voordat de redenen voor zulke beweringen grondig zijn uitgezocht, kan men daarin geen vertrouwen stellen.

Gelukkig geeft Wilson ons wel de redenen voor de mening van Rammohan Roy. We zijn geneigd te geloven dat de berekening van Rammohan Roy gemaakt werd aan de hand van de lijst van leraren of guru’s van Sringeri, omdat dit tot nu toe de enige gepubliceerde lijst is, en omdat geen andere matha, met uitzondering misschien van de Kumbakonam-matha, een lijst met guru’s bezit die een ononderbroken reeks vormen tot op de dag van vandaag. De oude lijst die in Sringeri wordt bewaard, bevat de jaartallen waarin de verschillende leraren hebben geleefd en dus hoeven we niet op Roy’s berekening (die niet veel meer dan een schatting kan zijn) af te gaan. Omdat deze jaartallen tot nu toe nog niet zijn gepubliceerd, en Rammohan Roy alleen beschikte over een reeks namen, moest hij de periode waarin Sankara leefde achterhalen door een gemiddeld aantal jaren aan elke leraar toe te kennen. Zijn mening is daarom van geen belang als we de verklaring van de Sringeri-matha hebben, die, zoals gezegd, Sankara enige eeuwen vóór Christus plaatst. Dezelfde opmerkingen zijn van toepassing als de berekening gemaakt wordt op basis van het aantal leraren op de lijst van de Kumbakonam-matha.

Weinig belang kan worden gehecht aan de verklaringen die door enkele onbekende personen mondeling werden gedaan aan dr. Buchanan tijdens zijn reizen door Malabar; en we hoeven ons alleen bezig te houden met de conclusies die uit verklaringen in de Kerala Utpatti getrokken kunnen worden. De diverse manuscripten van dit werk vertonen verschillen in de periode die ze aan Sankaracharya toekennen; en ook al was dit niet het geval, dan is dit werk om de volgende redenen onbetrouwbaar:

1. Het is bekend dat de gebruiken in Malabar heel eigenaardig zijn. De verdedigers daarvan hebben dan ook steeds een grote rishi of een grote filosoof van India aangewezen als degene die ze heeft ingesteld. Sommigen, waarschijnlijk de meesten, van hen beweren dat Parasurama verschillende van die gebruiken in het leven heeft geroepen, en een bijzondere Smriti heeft achtergelaten als gids voor het volk van Malabar. Anderen zeggen dat Sankaracharya deze eigenaardige gebruiken heeft bekrachtigd. Het is niet moeilijk in te zien waarom deze twee figuren door hen werden uitgekozen. Volgens de Purana’s van de hindoes heeft Parasurama enige tijd in Malabar geleefd, en volgens de overlevering is Sankara in die streek geboren. Maar het is heel twijfelachtig of een van hen iets te maken heeft gehad met de eigenaardige gebruiken van die streek. In de werken van Sankara vinden we geen enkele verwijzing naar deze gebruiken. Hij schijnt al zijn aandacht te hebben gewijd aan religieuze hervorming, en het is onwaarschijnlijk dat hij ooit enige aandacht heeft besteed aan de plaatselijke gebruiken van Malabar. Hij wilde de filosofie van de oude rishi’s weer tot leven brengen, en dus is het onwaarschijnlijk dat hij de gebruiken in Malabar heeft bekrachtigd, want die zijn in strijd met de door diezelfde rishi’s in de Smriti’s vastgelegde regels; en voor zover we weten, heeft hij voor de kasten in Malabar geen geschreven voorschriften achtergelaten.

2. De beweringen in de Kerala Utpatti zijn in strijd met het verslag van Sankara’s leven in vrijwel alle Sankara-vijaya’s (biografieën van Sankara) die tot nu toe zijn onderzocht, namelijk: Vidyaranya’s Sankara Digvijaya, Chitsukhacharya’s Sankara Vijayavilasa, Brihat Sankara Vijaya, enz. Volgens deze werken heeft Sankara Malabar verlaten in zijn achtste levensjaar, en is hij naar zijn geboortedorp teruggekeerd toen zijn moeder stervende was, en is daar slechts enkele dagen gebleven. Het is moeilijk in te zien in welke periode van zijn leven hij dan de voorschriften voor de kasten in Malabar heeft gemaakt.

3. De Kerala Utpatti stelt Malabar voor als de plaats van de overwinningen van Bhattapada op de boeddhisten, en zegt dat deze leraar zich in Malabar heeft gevestigd en de boeddhisten uit dat land heeft verdreven. Alleen al deze bewering toont het fictieve karakter van de verslagen in dit boek. Volgens elk ander hindoewerk werd deze grote leraar van de Purva Mimamsa in Noord-India geboren; bijna al zijn beroemde leerlingen en volgelingen woonden in dat deel van het land, en volgens Vidyaranya stierf hij in Allahabad.

Om deze redenen kunnen we geen vertrouwen stellen in dit verslag over Malabar.

Op basis van de overleveringen en andere verslagen die we tot nu hebben onderzocht komt Wilson tot de conclusie dat Sankaracharya aan het eind van de 8ste en het begin van de 9de eeuw na Christus heeft geleefd. De verslagen van de Sringeri-, Kudali- en Kumbakonam-matha’s en de overleveringen die nu in het district Bombay gangbaar zijn, zoals blijkt uit de biografieën die in Bombay zijn gepubliceerd, plaatsen Sankara een aantal eeuwen vóór Christus. Anderzijds geven de Kerala Utpatti, de informatie die dr. Buchanan tijdens zijn reizen door Malabar heeft verkregen, en de meningen van dr. Taylor en Colebrooke eensgezind aan dat hij ongeveer 1000 jaar geleden heeft geleefd. De overige door Wilson genoemde overleveringen zijn zowel in strijd met zijn mening als met de conclusie dat Sankara vóór Christus leefde. We zullen het nu aan onze lezers overlaten om te zeggen of Wilson het recht heeft te beweren dat ‘de meeste bronnen ten gunste’ van zijn theorie spreken.

We hebben al naar de geschriften van bijna alle Europese oriëntalisten verwezen die over dit onderwerp een mening hebben gegeven; en we hoeven niet te zeggen dat nog steeds niet is vastgesteld wanneer Sankara heeft geleefd.

We moeten de meningen van de Europese oriëntalisten over wanneer Sankara heeft geleefd wel uitvoerig bespreken, omdat er waarschijnlijk geen enkele aandacht zal worden geschonken aan de opvattingen van Indiase en Tibetaanse ingewijden, als er algemeen wordt aangenomen dat het onderwerp in hun geschriften al definitief is opgelost. De adepten over wie ‘Een Engels lid van de TS’ spreekt, zijn zeker in staat enkele duistere punten in de Indiase religieuze geschiedenis op te helderen. Maar er bestaat weinig kans dat het grote publiek hun opvattingen zal aanvaarden, tenzij die worden gesteund door bewijzen die voor de buitenwereld toegankelijk zijn. Omdat het niet altijd mogelijk is zulke bewijzen te leveren, heeft het weinig zin de informatie waarover ze beschikken te publiceren vóór het publiek bereid is de ouderdom en betrouwbaarheid van hun overleveringen, het bereik van hun vermogens en de omvang van hun kennis te erkennen. Zonder zulke uiterlijke bewijzen worden hun opvattingen hoogstwaarschijnlijk als absurd en onhoudbaar verworpen, hun motieven zullen in twijfel worden getrokken en sommige mensen zijn misschien geneigd zelfs hun bestaan te ontkennen.

Door zowel hindoes als Engelsen wordt vaak gevraagd waarom deze adepten niet bereid zijn ten minste een deel van hun kennis van de natuurwetenschap bekend te maken. Maar zij die dat vragen, schijnen niet te beseffen dat de manier waarop de adepten hun kennis verwerven anders is dan de manier waarop modern wetenschappelijk onderzoek natuurfeiten vaststelt en haar wetten ontdekt. Als een adept zijn conclusies niet kan bewijzen door dezelfde manier van redeneren die in de moderne wetenschap wordt gevolgd, blijven ze voor de buitenwereld onbewezen. Het is voor hem natuurlijk niet mogelijk om in voldoende mensen die vermogens te ontwikkelen waardoor ze de waarheden van de adepten zouden inzien, en vaak is het niet mogelijk die waarheden met de gebruikelijke wetenschappelijke methode vast te stellen, tenzij alle feiten en wetten waarop hij zijn bewijsvoering baseert al door de moderne wetenschap zijn vastgesteld. Men kan van geen enkele adept verwachten dat hij zal vooruitlopen op de ontdekkingen van de eerstvolgende vier of vijf eeuwen en – tot volle tevredenheid van een ontwikkeld publiek – een belangrijke wetenschappelijke waarheid zal bewijzen, nadat hij eerst, door middel van een redenering die voor hen aanvaardbaar is, elk feit en elke natuurwet die voor dat doel nodig zijn, aan hen heeft bekendgemaakt. Bij het verstrekken van informatie over oude historische gebeurtenissen in India worden ze met soortgelijke problemen geconfronteerd.

Voordat we het exacte geboortejaar noemen dat Indiase en Tibetaanse ingewijden opgeven voor Sankaracharya, zullen we nog een paar omstandigheden vermelden waardoor dat jaartal bij benadering kan worden vastgesteld. Naar onze mening kan men vertrouwen stellen in de tot nu toe openbaar gemaakte Sankara-vijaya’s voor zover ze met elkaar overeenstemmen in hun schets van Sankara’s leven. We kunnen echter volstrekt geen vertrouwen stellen in de in Calcutta verschenen Sankara-vijaya van Anandagiri. De Calcutta-uitgave verschilt niet alleen op belangrijke punten van de handgeschreven kopieën van hetzelfde werk in Zuid-India, maar het boek is in strijd met elke andere Sankara-vijaya die tot nu toe is onderzocht. Uit de stijl en enkele uitspraken ervan blijkt duidelijk dat het niet het product was van Anandagiri, een van de vier belangrijkste leerlingen van Sankara en de commentator van zijn Upanishad-bhashya. Zo stelt het Sankara voor als de schrijver van een vers dat is te vinden in Vidyaranya’s Adhikaranaratnamala, geschreven in de 14de eeuw. Het vermeldt over Sankara dat hij twee van zijn leerlingen opdraagt de Visishthadvaita-leer en de Dvaita-leer te prediken, die lijnrecht tegenover zijn eigen leer staan. Ditzelfde boek zegt dat Sankara eropuit ging om Mandanamisra in een debat te verslaan en daarna Suresvaracharya; dit is echter de naam die Mandanamisra aannam na zijn inwijding. We hoeven hier niet op alle dwaze fouten en blunders van dat boek te wijzen. Het volstaat om te zeggen dat het volgens ons niet door Anandagiri werd geschreven, en dat het een product is van een onbekende schrijver die niet eens redelijk op de hoogte was van de Advaita-leer.

De Sankara-vijaya van Vidyaranya (of Sayanacharya, een groot commentator van de Veda’s) is ongetwijfeld de betrouwbaarste bron van informatie over de hoofdzaken in de biografie van Sankara. Dat Vidyaranya de schrijver ervan is wordt algemeen erkend; de informatie erin werd door de schrijver – zoals blijkt uit zijn eigen verklaringen – ontleend aan oude biografieën van Sankara, die toen nog beschikbaar waren. Als men de omvangrijke kennis van de schrijver in aanmerking neemt, en de mogelijkheden die hij had om materiaal voor zijn werk te verzamelen toen hij aan het hoofd stond van de Sringeri-matha, is er alle reden om aan te nemen dat zijn werk de betrouwbaarste informatie bevat. Wilson vindt dit boek echter ‘veel te dichterlijk en legendarisch’ om er gezag aan toe te kennen. We erkennen dat de stijl heel poëtisch is, maar we ontkennen het legendarische karakter ervan. Wilson heeft niet het recht het zo te noemen op grond van de beschrijving van sommige verbazingwekkende verschijnselen die door Sankara werden teweeggebracht. Waarschijnlijk zou de geleerde oriëntalist niet op dezelfde manier over het bijbelverhaal van Christus oordelen. Het is geen exclusief voorrecht van het christendom om als stichter een wonderdoener te hebben. We zullen hier uit dat werk die feiten noemen die voor ons betoog van belang zijn.

Algemeen wordt aangenomen dat iemand, genaamd Govinda Yogi, Sankara’s guru was, maar minder algemeen bekend is het feit dat die yogi niemand anders was dan Patañjali – de grote schrijver van het Mahabhashya en de Yoga Sutra’s – onder een andere naam. Een in Zuid-India nog gangbare overlevering stelt hem voor als een van de chela’s van Patañjali, maar het is twijfelachtig of die overlevering voldoende gegrond is. Uit de Sankara-vijaya van Vidyaranya (hfst. 5, vers 94-97) blijkt echter duidelijk dat Govinda Yogi en Patañjali een en dezelfde persoon waren. Volgens een gewoonte onder ingewijden – uit onheuglijke tijden – nam Patañjali de naam Govinda Yogi aan toen hij door Gaudapada werd ingewijd. Men kan niet beweren dat Patañjali door Vidyaranya als Sankara’s guru is voorgesteld, enkel om aan Sankara en zijn leringen meer gewicht te geven. Sankara wordt door de Advaiti’s als veel groter beschouwd dan Patañjali, en Vidyaranya’s bewering kan dus niets bijdragen aan Sankara’s reputatie. Bovendien zijn Patañjali’s opvattingen niet helemaal identiek met die van Sankara. Uit Sankara’s geschriften blijkt dat hij geen enkel belang hechtte aan de hathayoga-oefeningen waarover Pantañjali in zijn Yoga Sutra’s heeft geschreven. Onder zulke omstandigheden zou Vidyaranya, als hij een guru voor Sankara had kunnen uitkiezen, ongetwijfeld Vyasa zelf (die nog zou leven) hebben opgegeven. We zien daarom geen reden om aan dit feit te twijfelen. Omdat Sankara Patañjali’s chela is geweest en deze Gaudapada tot guru had, zal het jaartal van Patañjali ons helpen om dat van Sankara en dat van Gaudapada te bepalen. We kunnen hier wijzen op een fout met betrekking tot laatstgenoemde persoon op blz. 148 van Sinnetts Esoteric Buddhism. Hij wordt daar voorgesteld als de guru van Sankara. Volgens ons is aan Sinnett meegedeeld dat hij Sankara’s paramaguru was, en omdat Sinnett deze term verkeerd begreep, schreef hij dat hij Sankara’s guru was.

Oriëntalisten erkennen over het algemeen dat Patañjali vóór het begin van onze jaartelling heeft geleefd. Barth plaatst hem in de 2de eeuw v.Chr., en neemt daarbij de opvattingen van Goldstücker over, en Monier-Williams doet dat ook. Weber, die de opvattingen van alle andere oriëntalisten zorgvuldig schijnt te hebben onderzocht, komt tot de conclusie dat ‘we voorlopig tevreden moeten zijn om het jaartal waarin het bhashya werd samengesteld te plaatsen tussen 140 v.Chr. en 60 n.Chr., een resultaat dat, ondanks de onzekerheid ervan, van groot belang is gezien de beklagenswaardige toestand van de chronologie van de Indiase literatuur in het algemeen’.1

1. Albrecht Weber, The History of Indian Literature, 2de ed., 1878, blz. 224vn.

Maar zelfs deze jaartallen berusten op conclusies getrokken uit een paar onbelangrijke passages in het Mahabhashya van Patañjali. Het is altijd gevaarlijk zulke conclusies te trekken, vooral omdat in de gangbare traditie van de hindoetaalkundigen bekend is dat er enige gedeelten van het Mahabhashya verloren zijn gegaan, en de hiaten door latere schrijvers zijn aangevuld. Zelfs als we veronderstellen dat de bedoelde passages van Patañjali zelf afkomstig zijn, dan nog bevatten deze niets waaruit we kunnen vaststellen wanneer hij leefde. Zo bestaat bijvoorbeeld het verband tussen de passage ‘arunad Yavanah Saketam’ en de veldtocht van Menander naar Ayodhya van 144 tot 120 v.Chr., waar Goldstücker zich op baseert, slechts in de verbeelding. Die passage bevat niets wat onvermijdelijk op de veldtocht van Menander wijst. We denken dat Patañjali hier verwijst naar de veldtocht van Yavana’s naar Ayodhya tijdens het leven van Sagara’s vader, die in de Harivansa wordt beschreven. Deze veldtocht vond lang voor de tijd van Rama plaats, en niets wijst op een verband met Menander. Goldstückers conclusie berust op de veronderstelling dat Patañjali geen andere veldtocht van Yavana’s naar Ayodhya kende, maar uit de door Vyasa geschreven Harivansa blijkt dat dit ongegrond is. Daardoor valt de hele theorie die Goldstücker op deze zwakke basis heeft gebouwd uiteen. Uit alleen de namen van de koningen in het Mahabhashya kunnen geen conclusies worden getrokken, omdat verschillende koningen in dezelfde dynastie dezelfde naam dragen. Uit bovenstaande opmerkingen zal duidelijk zijn dat we Patañjali onmogelijk, zoals Weber heeft gedaan, niet verder terug dan 140 v.Chr. kunnen plaatsen.

Laten we nu nagaan of er door de oriëntalisten nog andere grenzen zijn vastgesteld. Omdat nog niet vaststaat wanneer Panini leefde, kan de grens niet aan de hand daarvan worden bepaald. Uit het feit dat Panini in zijn grammatica de vorming van het woord Yavanani verklaart, wordt door sommige oriëntalisten afgeleid dat Panini geleefd moet hebben na die inval van Alexander. Het is jammer dat Europese oriëntalisten veel moeite hebben gedaan om daarop theorieën te baseren, zonder de betekenis van het woord ‘Yavana’ precies na te gaan en zonder te onderzoeken wanneer de hindoes voor het eerst in aanraking kwamen met de Grieken. Het is onredelijk om zonder bewijs aan te nemen dat ze hen pas in de tijd van de inval van Alexander leerden kennen. Er zijn goede redenen om aan te nemen dat de Grieken lang vóór deze gebeurtenis bij de hindoes bekend waren. Volgens de overleveringen die bekend zijn aan de Indiase ingewijden heeft Pythagoras India bezocht, en hij wordt in Indiase astrologische werken Yavanacharya genoemd. Bovendien is het niet helemaal zeker of de oude hindoeschrijvers de term Yavana alleen maar voor Grieken gebruikten. Waarschijnlijk werd ze eerst gebruikt voor de Egyptenaren en de Ethiopiërs. Later waarschijnlijk ook voor de Alexandrijnse Grieken en vervolgens voor de Grieken, Perzen en Arabieren. Naast de Yavana-inval in Ayodhya, die in de Harivansa wordt beschreven, is er later nog een veldtocht naar India geweest door de Kala Yavana (zwarte Yavana) tijdens het leven van Krishna, die in datzelfde boek wordt beschreven. Deze veldtocht werd waarschijnlijk door de Ethiopiërs ondernomen. In elk geval is er, zover we weten, geen reden om aan te nemen dat de hindoeschrijvers pas na de inval van Alexander het woord Yavana gingen gebruiken. We kunnen geen enkele waarde hechten aan conclusies over wanneer Panini en Katyayana leefden (beiden leefden vóór Patañjali) die worden getrokken uit de verklaringen in de Katha Sarit Sagara, die niets anders is dan een verzameling sprookjes. Oriëntalisten zien nu in dat we ook geen conclusies kunnen trekken uit de verklaringen van Hsüan-tsang, en daarover hoeven we hier dus niets te zeggen. Wanneer Panini en Katyanana hebben geleefd, staat dus bij de Europese oriëntalisten nog niet vast.

Goldstücker heeft waarschijnlijk gelijk als hij beweert dat Panini vóór Boeddha heeft geleefd, en de boeddhistische verslagen komen overeen met de overlevering van de ingewijden als ze verklaren dat Katyayana een tijdgenoot van Boeddha was. Uit het feit dat Patañjali zijn Mahabhashya moet hebben samengesteld nadat Panini de Sutra’s had geschreven en nadat Katyayana zijn Varttika had geschreven, kunnen we alleen afleiden dat het na Boeddha’s geboorte werd geschreven. Maar er zijn enkele overwegingen die bijdragen tot onze conclusie dat Patañjali omstreeks 500 v.Chr. moet hebben geleefd. Max Müller plaatste de periode van de Sutra’s tussen 500 en 600 v.Chr. We zijn het met hem eens dat deze periode waarschijnlijk in 500 v.Chr. werd afgesloten, hoewel het onzeker is tot hoever ze in de Indiase oudheid teruggaat. Patañjali was de schrijver van de Yoga Sutra’s, en dit feit is tot nu toe door geen enkele hindoeschrijver in twijfel getrokken. Weber denkt echter dat de schrijver van de Yoga Sutra’s iemand anders is dan de schrijver van het Mahabhashya, maar hij geeft geen redenen aan voor die veronderstelling. We betwijfelen ten zeerste of een Europese oriëntalist ooit het verband kan ontdekken tussen de eerste ahnika van het Mahabhashya, en de werkelijke geheimen van de hathayoga die in de Yoga Sutra’s besloten liggen. Alleen een ingewijde kan de betekenis van de genoemde ahnika volledig begrijpen; en de ‘eeuwigheid van de logos’ of sabda is een van de hoofdleringen van de oude Indiase gymnosofisten, die in het algemeen hathayogi’s waren.

Sankaracharya

Sankaracharya. Geboren in 510 v.Chr.

Volgens de hindoeschrijvers was Patañjali de schrijver van drie werken, namelijk het Mahabhashya, de Yoga Sutra’s en een boek over geneeskunde en anatomie; en er is geen enkele reden de juistheid van die opvatting te betwijfelen. Daarom moeten we Patañjali in de sutra-periode plaatsen, en deze conclusie wordt bevestigd door de overleveringen van de Indiase ingewijden. Omdat Sankaracharya een tijdgenoot van Patañjali was (en zijn chela was), moet hij in diezelfde tijd hebben geleefd. We hebben hiermee aangetoond dat er geen reden bestaat om Sankara in de 8ste of 9de eeuw na Christus te plaatsen, zoals sommige Europese oriëntalisten hebben gedaan. Verder hebben we aangetoond dat Sankara een chela was van Patañjali, en dat de periode waarin hij heeft geleefd, moet worden geverifieerd aan de hand van die van Patañjali. Ook hebben we aangetoond dat noch het jaar 140 v.Chr. noch de tijd van de inval van Alexander voor hem als vroegst mogelijke tijd kan worden aangenomen, en ten slotte hebben we op enkele omstandigheden gewezen die onze opvatting ondersteunen dat Patañjali en zijn chela Sankara in de sutra-periode hebben geleefd.

Misschien kunnen we nu het exacte geboortejaar bekendmaken dat de Tibetaanse en Indiase ingewijden aan Sankaracharya toekennen. Volgens de historische gegevens die zij bezitten is hij geboren in het jaar 510 v.Chr. (51 jaar en twee maanden nadat Boeddha nirvana bereikte), en we zijn van mening dat men voldoende bewijzen voor de juistheid van dat jaartal zal kunnen vinden in India, indien de inscripties te Conjeeveram (Kanchipuram), Sringeri, Jagannatha, Benares, Kashmir en verschillende andere door Sankara bezochte plaatsen op de juiste manier worden ontcijferd. Sankara heeft Conjeeveram gebouwd, dat als een van de oudste steden in Zuid-India wordt beschouwd; en door goed onderzoek kan de ouderdom van haar bouwwerken worden bepaald. Maar ook de hier naar voren gebrachte bewijzen steunen deze opvatting van de ingewijden. Omdat Gaudapada de guru van Sankaracharya’s guru was, is de periode waarin hij leefde afhankelijk van die van Sankara; en er is alle reden om aan te nemen dat hij vóór de tijd van Boeddha heeft geleefd. Omdat dit artikel al erg lang is geworden, zullen we het nu besluiten. Onze opmerkingen over wanneer Boeddha heeft geleefd en over Sankara’s leer zullen in het volgende nummer van The Theosophist verschijnen.

– T. Subba Row


H.P. Blavatsky: Geselecteerde artikelen, Deel 2: 1882 – 1887, blz. 247-66
isbn 9789491433177, paperback, eerste druk 2016, bestel boek

© 2016 Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag