Theosophical University Press Agency

Inhoudsopgave

Schijnbare ‘tegenstrijdigheden’

[‘Seeming ‘discrepancies’’, The Theosophist, juni 1882, blz. 225-6; CW 4:119-22]

Aan de redactrice van The Theosophist:

Ik heb de laatste tijd enkele avonden besteed aan het bestuderen van uw bewonderenswaardige artikel, ‘Fragments of occult truth’, dat veel meer aandacht verdient dan om het alleen maar oppervlakkig te lezen. Daarin wordt gesteld dat het overleden ego de kloof niet kan overbruggen die zijn toestand scheidt van de onze, of dat het niet kan afdalen naar onze sfeer en ons kan bereiken; dat het dingen aantrekt, maar niet kan worden aangetrokken, of, kortom, dat geen enkele geest van een overledene ons kan bezoeken.

In Isis (1:123-4) staat dat veel van de geesten die het medium subjectief controleren, menselijke ontlichaamde geesten zijn, dat of ze goed of slecht zijn grotendeels afhangt van het morele karakter van het medium, dat ze zich niet kunnen materialiseren, maar alleen ‘hun etherische weerspiegeling op de atmosferische golven projecteren’. Op blz. 125 staat: ‘Niet iedereen die dat wil kan menselijke geesten aantrekken. Een van de sterkste aantrekkingskrachten van onze overledenen is hun grote liefde voor mensen die ze op de aarde hebben achtergelaten. Deze trekt hen onweerstaanbaar geleidelijk in de stroom van het astrale licht die trilt tussen de persoon die ze toegenegen zijn en de universele ziel.’ Op blz. 419: ‘Soms, maar zelden, brengen de planeetgeesten . . . ze teweeg [subjectieve manifestaties], soms gebeurt dit door de geesten van onze overledenen, geliefde vrienden’, enz.

Uit het voorafgaande lijkt het alsof beide leringen niet eensluidend zijn, maar het kan zijn dat er zielen in plaats van geesten worden bedoeld, of dat ik de betekenis verkeerd heb begrepen.

Dergelijke moeilijke onderwerpen zijn nogal verwarrend voor westerse studenten, in het bijzonder voor iemand die, zoals ik, slechts een beginneling is, maar altijd dankbaar kennis te ontvangen van degenen die in een positie verkeren om die te geven.

Met vriendelijke groet, enz.,
Caledonische theosoof
9 januari 1882


Aantekening van de redactrice:

We zijn bang dat onze gewaardeerde broeder zowel wat er in Isis als in de ‘Fragments of occult truth’ staat, verkeerd heeft begrepen. Op de juiste manier gelezen is er geen enkele tegenspraak tussen de verklaringen in laatstgenoemde en de geciteerde fragmenten uit Isis, maar beide leringen zijn eensluidend.

Onze ‘Caledonische’ broeder denkt dat, omdat er in Isis staat dat ‘veel van de geesten die het medium subjectief controleren, menselijke ontlichaamde geesten zijn’, en in de ‘Fragments’, in de woorden van onze criticus, dat ‘het ego de kloof niet kan overbruggen die zijn toestand scheidt van de onze . . . niet kan afdalen naar onze sfeer, . . . of, kortom, dat geen enkele geest van een overledene ons kan bezoeken’ – de twee leringen met elkaar in tegenspraak zijn. We antwoorden: ‘Helemaal niet.’ We herhalen beide uitspraken, en zullen ze verdedigen. Hoewel in Isis in het inleidende hoofdstuk een poging werd gedaan het grote verschil te laten zien dat bestaat tussen de termen ‘ziel’ en ‘geest’ – de ene het overblijfsel van het persoonlijke ego, de andere de zuivere essentie van de spirituele individualiteit – moest de term ‘geest’ vaak worden gebruikt in de betekenis die de spiritisten daaraan geven, en moesten ook andere soortgelijke gebruikelijke termen worden gebruikt, omdat anders een nog grotere verwarring zou ontstaan. De betekenis van de drie zinnen die door onze vriend werden geciteerd, moet dus als volgt worden begrepen:

Op blz. 123, waar wordt gezegd dat veel van de geesten die het medium subjectief controleren, ‘menselijke ontlichaamde geesten zijn’, enz., moet het woord ‘controleren’ niet worden opgevat in de zin van een ‘geest’ die bezit neemt van het organisme van een medium; noch dat het, in alle gevallen een ‘geest’ is, want vaak is het maar een schil in haar eerste stadium van ontbinding, wanneer het grootste deel van de fysieke intelligentie en vermogens nog helder zijn en nog niet zijn begonnen te desintegreren, of te vervagen. Een ‘geest’, of het spirituele ego, kan niet afdalen naar het medium, maar het kan de geest van laatstgenoemde naar zich toe trekken, en het kan dit alleen tijdens twee intervallen doen – vóór en na de ‘kiemperiode’. Het eerste interval is de periode tussen de fysieke dood en het opgaan van het spirituele ego in die toestand die in de esoterische leer van de arhats bekendstaat als ‘bardo’. We hebben dit vertaald als de ‘kiemperiode’, en deze duurt een paar dagen tot enkele jaren, volgens het getuigenis van de adepten. Het tweede interval duurt zolang de verdiensten van het oude ego dit wezen het recht geven om de vruchten van zijn beloning te oogsten in zijn nieuwe ego. Het gebeurt nadat de kiemperiode voorbij is, en het nieuwe spirituele ego uit het oude wordt geboren zoals de legendarische feniks uit zijn as. De plaats waar eerstgenoemde verblijft, wordt door de occultisten van het noordelijke boeddhisme ‘devachan’ genoemd, waarbij het woord misschien overeenkomt met het Paradijs of het Koninkrijk van de Hemel van de christelijke uitverkorenen. Na een tijd van gelukzaligheid, evenredig aan zijn verdiensten, wordt het nieuwe persoonlijke ego gereïncarneerd in een persoonlijkheid waarbij de herinnering aan zijn vorige ego natuurlijk geleidelijk vervaagt, en hij kan niet langer ‘communiceren’ met zijn medemensen op de planeet die hij, als de persoon zoals men hem kende, voorgoed heeft verlaten. Na talloze reïncarnaties, en op tal van planeten en in verschillende sferen, zal er een moment aanbreken aan het einde van het mahayuga of de grote cyclus, dat iedere entiteit zo vergeestelijkt zal zijn dat ze, vóór haar uiteindelijke opneming in het Ene Al, de reeks van haar vroegere persoonlijke levens in volgorde zal terugzien zoals de vele dagen in het leven van een mens.

De woorden – ‘dat of ze goed of slecht zijn grotendeels afhangt van het morele karakter van het medium’ – aan het einde van de eerste geciteerde zin betekenen eenvoudig dit: het ego van een zuiver medium kan worden aangetrokken tot, en zich een moment lang magnetisch (?) verenigen met, een echte ontlichaamde geest, terwijl de ziel van een onzuiver medium slechts contact kan hebben met de astrale ziel, of ‘schil’, van de overledene. De eerste mogelijkheid verklaart die uiterst zeldzame gevallen van rechtstreeks schrift in het handschrift van de overledene, en van berichten van de hogere klasse van ontlichaamde intelligenties. We kunnen dus zeggen dat de persoonlijke ethiek van het medium een goede test is voor de echtheid van de manifestatie. Zoals door onze vriend wordt geciteerd, is ‘grote liefde voor mensen die ze op aarde hebben achtergelaten een van de sterkste aantrekkingskrachten’ tussen twee liefhebbende geesten – de belichaamde en de ontlichaamde.

Waarom zou men dan denken dat de twee leringen ‘niet eensluidend’ zijn? We kunnen er ook van worden beschuldigd dat we ons te vaag en te onzorgvuldig uitdrukken, en de vreemde taal waarin we schrijven verkeerd gebruiken, dat we te veel ongezegd laten en ten onrechte te veel rekenen op de gebrekkig ontwikkelde intuïtie van de lezer. Maar tussen de leringen in Isis en die uit de latere periode bestond nooit enig wezenlijk verschil, en dat kan ook niet, omdat beide uit een en dezelfde bron voortkomen – de ingewijde broeders.


H.P. Blavatsky: Geselecteerde artikelen, Deel 2: 1882 – 1887, blz. 24-7
isbn 9789491433177, paperback, eerste druk 2016, bestel boek

© 2016 Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag