Theosophical University Press Agency

Inhoudsopgave

De drie verlangens

[‘The three desires’, Lucifer, februari 1888, blz. 476-80]

1. Dood alle ambitie.
2. Dood het verlangen naar leven.
3. Dood het verlangen naar een comfortabel bestaan.
Licht op het pad, blz. 1

De eerste drie genummerde voorschriften uit Licht op het pad schijnen nogal uiteenlopend van aard te zijn om ze in één adem te noemen. Hun betekenis, zoals ze elkaar opvolgen, is zuiver spiritueel. Ambitie is de hoogste vorm van persoonlijke activiteit die door het verstand bereikbaar is. Daar ligt iets edels in, zelfs voor een occultist. Als de onvermoeibare aspirant het verlangen om boven zijn medemensen te staan heeft overwonnen, en nagaat welke persoonlijke verlangens hij nog heeft, dan ontdekt hij vervolgens dat de dorst naar het leven hem in de weg staat. Want vóór de moeizame strijd van de ziel begint, is alles wat men gewoonlijk als verlangens beschouwt allang overwonnen, afgedaan of vergeten. Het verlangen naar leven is volledig een verlangen van de geest, en helemaal niet een van het verstand; en door het onder ogen te zien begint een mens zijn eigen ziel onder ogen te zien. Er zijn maar weinig mensen die geprobeerd hebben het onder ogen te zien, en nog geringer is het aantal dat de betekenis ervan kan vermoeden.

Het verband tussen ambitie en het verlangen naar leven is als volgt. Mensen met sterke dierlijke begeerten zijn zelden echt ambitieus. Wat men bij fysiek sterke mensen aanziet voor ambitie is maar al te vaak niets anders dan het aanwenden van een geweldige energie om een volledige bevrediging van alle fysieke verlangens te bereiken. Pure ambitie is de strijd van het verstand om de oppermacht, het aanwenden van ingeboren intellectuele kracht waardoor een mens zich boven zijn medemensen verheft. Een verfijnde en hooggestemde denker kent geen vuriger verlangen dan zich op een bijzondere manier te onderscheiden, om uit te blinken in een of andere tak van wetenschap, kunst of filosofie. Het is heel iets anders dan de dorst naar kennis, die de mens tot een eeuwige onderzoeker maakt, iemand die tot het einde toe blijft leren, welke hoogte hij ook heeft bereikt. Ambitie komt niet voort uit onzelfzuchtige liefde voor iets, maar is puur op zichzelf gericht. ‘Het is het ik dat wil weten, het ik dat zich wil verheffen, en wel door eigen kracht.’

Cromwell, ik beveel u, ontdoe u van ambitie;
Door die zonde zijn engelen gevallen.1

1. Shakespeare, Henry VIII, 3de bedrijf, 2de toneel.

Het zich een plaats verwerven, waarvoor het woord ‘ambitie’ oorspronkelijk werd gebruikt, verschilt in graad, niet van aard, met de meer abstracte betekenis die er nu gewoonlijk aan wordt toegekend. Men beschouwt een dichter als ambitieus wanneer hij schrijft om beroemd te worden. Het is waar, hij is ambitieus. Hij zoekt dan misschien niet een plaats aan het hof, maar hij streeft beslist naar de hoogste positie die hij kent. Is het denkbaar dat een groot schrijver werkelijk anoniem zou schrijven, en onbekend zou blijven? Het menselijk verstand verzet zich tegen de theorie dat Bacon de schrijver van Shakespeare’s werken zou zijn geweest, niet alleen omdat het de wereld van een grootse figuur zou beroven, maar ook omdat het van Bacon een onmens zou maken, anders dan alle andere mensen. Voor het gewone verstand is het ondenkbaar dat iemand zijn licht op zo’n zinloze manier zou verbergen.

Toch kan een occultist zich voorstellen dat een groot dichter door iemand geïnspireerd zou kunnen worden die groter is dan hijzelf, en die zich geheel afzijdig houdt van de wereld en van elk contact daarmee. Deze inspirator zou niet alleen de ambitie moeten hebben overwonnen, maar ook het abstracte verlangen naar het leven vóór hij in hoge mate door middel van een ander zou kunnen werken. Want hij zou voor altijd van zijn werk afstand doen, zodra het aan de wereld was gegeven; het zou nooit het zijne zijn. Iemand die zich kan voorstellen dat hij niets verlangt van de wereld, dat hij noch verlangt genoegen aan haar te ontlenen of haar genoegen te verschaffen, kan vaag de toestand beginnen te beseffen die de occultist heeft bereikt wanneer hij niet langer verlangt te leven. Denk niet dat dit betekent dat hij geen genoegens ervaart of die verschaft; hij doet beide, evengoed als dat hij leeft.

Een groot man die veel werkt en nadenkt, eet zijn maaltijd met plezier; hij kijkt er niet naar uit, en denkt er niet met plezier aan terug, zoals het gulzige kind of de gourmand bij uitstek. Dit is een heel materialistisch voorbeeld, maar zulke eenvoudige voorbeelden kunnen ons denken soms meer helpen dan iets anders. Uit deze analogie is gemakkelijk te zien dat een gevorderde occultist die in de wereld zijn werk heeft te doen, geheel vrij kan zijn van de verlangens waardoor hij tot de wereld zou behoren, en toch daaraan genoegens kan ontlenen en deze met rente aan haar kan teruggeven. Hij kan meer genoegens verschaffen dan hij ontvangt, omdat hij boven angst of teleurstelling staat. De dood boezemt hem geen angst in, noch is hij bang voor wat men vernietiging noemt. Hij rust op de wateren van het leven, is erin verzonken of slapend, of is bewust en staat erboven, dat maakt hem niet uit. Hij kan geen teleurstelling voelen, want hoewel elk genoegen door hem intens en diep wordt gevoeld, is het hem hetzelfde of hij of iemand anders dat genoegen ervaart. Het is puur genoegen, niet gekleurd door persoonlijke verlangens of begeerten.

Hetzelfde geldt voor wat occultisten ‘vooruitgang’ noemen – de stapsgewijze ontwikkeling van kennis. Op elke school in de wereld om ons heen is rivaliteit de grote prikkel tot vooruitgang. De occultist daarentegen kan geen stap vooruit zetten, voordat hij het vermogen heeft verworven om vooruitgang als een abstract feit te beschouwen. Op elk moment van het leven moet men dichter tot het goddelijke naderen; er moet altijd vooruitgang zijn. Maar de leerling die verlangt dat hij het zal zijn die het volgende moment vooruit zal gaan, kan gerust alle hoop daarop laten varen. Evenmin moet hij een bewuste voorkeur hebben voor de vooruitgang van een bepaald persoon of een of ander plaatsvervangend offer willen brengen. Zulke gedachten zijn in zekere zin altruïstisch, maar ze zijn in essentie karakteristiek voor een wereld waarin afgescheidenheid bestaat, en aan de vorm een opzichzelfstaande waarde wordt toegekend. De uiterlijke vorm van de mens is als een schim, alsof er geen goddelijke vonk in aanwezig is; deze vonk kan elk moment die specifieke vorm verlaten, en dan rest ons slechts een stoffelijke schaduw van de mens die we hebben gekend.

Nadat de eerste stap in het occultisme is gezet, zal het denken zich vergeefs aan vroegere denkbeelden en zekerheden proberen vast te klampen. Het is bekend dat tijd noch ruimte werkelijk bestaan, en dat ze slechts uit praktische overwegingen als werkelijkheden worden beschouwd. Hetzelfde geldt voor het uiteenvallen van de goddelijke menselijke geest in het grote aantal mensen op aarde. Een roos heeft haar eigen kleur, en een lelie weer een andere, maar waarom dit zo is, terwijl dezelfde zon en hetzelfde licht elk haar kleur geeft, kan niemand zeggen. De natuur is ondeelbaar. Ze bekleedt de aarde, en als die bekleding wordt weggerukt, wacht ze haar tijd af en bekleedt haar opnieuw wanneer er geen belemmeringen meer zijn. Ze omhult de aarde als een atmosfeer, houdt haar warm en groen, vochtig en door de zon beschenen. Op dezelfde manier omhult de geest van de mens de aarde als een vurige geest, die leeft van de natuur en haar verslindt en soms door haar wordt verslonden; maar als geheel blijft hij altijd etherischer en verhevener dan zij. Als enkeling is de mens zich van de enorme overmacht van de natuur bewust, maar zodra hij gaat beseffen dat hij tot een ondeelbaar en onverwoestbaar geheel behoort, begrijpt hij ook dat dit geheel boven de natuur staat.

Voor iemand die zelfloos genoeg is om zich van zijn eigen kleinheid en onbelangrijkheid als enkeling bewust te zijn, is de sterrenhemel een overweldigend schouwspel; de grootsheid ervan verplettert hem bijna. Maar als hij eenmaal in aanraking komt met de kracht die hij krijgt als hij beseft dat hijzelf een deel is van de menselijke geest, dan kan niets hem verpletteren hoe groots het ook is. Want als de wielen van de vijandelijke strijdwagen over zijn lichaam rijden, vergeet hij dat het zijn lichaam is, en richt hij zich weer op om in de gelederen van zijn eigen leger de strijd te hervatten. Maar deze toestand kan nooit worden bereikt of zelfs benaderd vóór zowel de laatste als de eerste van de drie verlangens is overwonnen. Ze moeten samen onder ogen worden gezien, en worden overwonnen.

Een comfortabel bestaan is in de taal van de occultisten een veelomvattende uitdrukking. Voor een neofiet is het volkomen zinloos om ontberingen te lijden of ascese te beoefenen zoals religieuze fanatici. Hij zou ten slotte aan ontberingen de voorkeur kunnen geven, en dan zouden die voor hem zijn comfortabele bestaan zijn geworden. De religieuze brahmaan verbindt zich om een ‘thuisloos’ bestaan te leiden, en vanuit het standpunt van de exoterische leer komt hij zijn gelofte na wanneer hij vrouw en kind vaarwel zegt om een rondtrekkende bedelaar te worden zonder eigen thuis om naar terug te keren. Maar alle uiterlijke vormen van religie kunnen als vormen van een comfortabel bestaan worden gezien, en de mens legt op dezelfde manier de gelofte van onthouding af als die van trouw aan een levenspartner. Het verschil tussen deze twee kanten van het leven is slechts schijnbaar.

Het thuisloze bestaan dat van een neofiet wordt geëist, is iets veel essentiëlers dan dit. Het vraagt van hem dat hij voorkeuren of verlangens opgeeft. Esoterisch gezien kan een neofiet veel thuislozer zijn als hij leeft met vrouw en kind, een eigen dak boven zijn hoofd heeft en zijn burgerplicht vervult, dan wanneer hij een zwerver of outcast zou zijn. De eerste les in het praktisch occultisme, die aan een door gelofte gebonden leerling gewoonlijk wordt gegeven, is dat hij de plichten die direct voor hem liggen moet vervullen met dezelfde mix van enthousiasme en onpartijdigheid die de neofiet zich zou toedichten indien hij de hoogte van een wereldleider had bereikt en over het lot van duizenden kon beschikken. Deze regel kan in de evangeliën en in de Bhagavad Gita worden gevonden. Het werk dat zich onmiddellijk voordoet, wat het ook is, moet in abstracte zin als plicht worden beschouwd, en men moet er niet over nadenken of het relatief belangrijk is of niet.

Deze wet kan niet worden gehoorzaamd voordat elk verlangen naar een comfortabel bestaan voor altijd is uitgeroeid. Aan de telkens terugkerende pogingen van het persoonlijk zelf om zich te doen gelden moet voor altijd een einde worden gemaakt. Die behoren evengoed tot deze wereld als het verlangen naar een bepaald banksaldo, of naar de genegenheid van een geliefde. Ze zijn evenzeer onderhevig aan de verandering die zo kenmerkend is voor deze wereld; ja, meer nog, want als iemand een neofiet wordt, betreedt hij eenvoudig een broeikas. Veranderingen, ontnuchtering, ontmoediging en wanhoop zullen zich aan hem opdringen, alsof hij erom gevraagd had; want hij wil zijn lessen vlug leren.

Als hij zich van deze kwaden ontdoet, zullen ze waarschijnlijk door andere die nog erger zijn, worden vervangen. Een hartstochtelijk verlangen naar een leven in afzondering, naar buitenzintuiglijke gewaarwording, en naar de bewustwording van zijn eigen innerlijke groei zal dan bij hem binnenstromen en de zwakke barrières die hij had opgeworpen wegspoelen. En geen enkele barrière zoals ascetisme, zoals verzaking, kortom alles wat ontkennend is, zal ook maar één enkel ogenblik aan het machtige getij van gevoelens weerstand kunnen bieden. Elke barrière bestaat uit nieuwe verlangens. Het is voor de neofiet volkomen zinloos te denken dat hij het gebied van verlangens kan verlaten. Dat kan hij niet; hij is nog een mens. De natuur moet bloemen voortbrengen, zolang ze nog de natuur is, en de menselijke geest zou zijn greep op deze vorm van bestaan volledig verliezen, als hij geen verlangens meer zou hebben.

De individuele mens kan zich niet onmiddellijk van het leven, waarvan hij een essentieel onderdeel vormt, losmaken. Hij kan alleen zijn positie daarin veranderen. De mens die met zijn verstandelijk leven zijn dierlijk leven beheerst, verandert van positie; toch leeft hij nog in het rijk van verlangens. De leerling die denkt door één enkele poging zelfloosheid te kunnen bereiken, zal als gevolg van deze ondoordachte poging ontdekken dat hij in een bodemloze put is geslingerd. Koester een nieuw soort verlangens – zuiverder, meeromvattend, edeler – en plaats zo uw voet stevig op de ladder. Pas op de laatste en hoogste sport van de ladder, bij het ingaan tot het goddelijk of mahatmisch leven, is het mogelijk zich vast te houden aan iets dat noch substantie noch bestaan heeft.

Het eerste deel van Licht op het pad is als een akkoord in de muziek; de noten moeten tegelijk worden gespeeld, hoewel elk afzonderlijk moet worden aangeslagen. Houd vast aan de nieuwe verlangens en bestudeer ze, vóór u de oude van u afwerpt; anders zal de storm u verpletteren. Zolang de mens een mens is, heeft hij een stoffelijk lichaam, en heeft hij een steuntje nodig om op te staan, een ideaal om zich aan vast te houden. Maar laat dat steuntje zo gering mogelijk zijn. Leer langzaam en voorzichtig, zoals een acrobaat, om onafhankelijker te worden. Voordat u probeert de duivel van ambitie – het verlangen naar iets buiten u, hoe edel en verheven het ook is – uit te bannen, moet u zich richten op het verlangen om het licht van de wereld in uzelf te vinden.

Voordat u probeert het verlangen naar bewust leven op te geven, moet u leren uw blik op het onbereikbare te richten, of met andere woorden op datgene waarvan u weet dat u het alleen in het onbewuste kunt bereiken. Als u weet dat uw doel dit verheven karakter draagt, dat het u nooit bewust succes zal brengen, dat het u nooit een comfortabel bestaan zal brengen, dat het u nooit in uw tijdelijke persoonlijke zelf naar een vredig toevluchtsoord of naar een plek met aangename bezigheden zal voeren, dan heeft u alle macht van de verlangens van uw lagere astrale natuur tenietgedaan. Want wat voor nut heeft het, indien u deze feiten eenmaal beseft, om nog afzondering, buitenzintuiglijke gewaarwording of groei te verlangen?

De wapenrusting van de krijger die zich opmaakt om voor u te strijden in de worsteling die in het tweede deel van Licht op het pad wordt geschetst, is als het hemd van de gelukkige man uit het oude verhaal. De koning kon van al zijn ziekten worden genezen door in dat hemd te slapen, maar toen men die ene werkelijk gelukkige man in zijn rijk had gevonden, bleek dit een bedelaar te zijn die geen angst of zorgen kende en geen hemd had. Zo is het ook met de goddelijke krijger. Niemand kan hem zijn wapenrusting ontnemen om die te gebruiken, want hij heeft er geen. De koning zou nooit het geluk van de zorgeloze bedelaar kunnen vinden.

De man van de wereld, hoe edel en ontwikkeld hij misschien ook is, wordt belemmerd door duizend gedachten en gevoelens die moeten worden opzijgeschoven voordat hij ook maar de drempel van het occultisme kan betreden. En er moet hier worden opgemerkt dat hij vooral gehinderd wordt door de wapenrusting die hij draagt, en die hem afzondert. Hij heeft persoonlijke trots en aanzien. Deze moeten wegsterven naarmate de persoonlijkheid naar de achtergrond wordt gedrongen. In het eerste deel van Licht op het pad wordt het proces beschreven waarbij dit omhulsel, of deze wapenrusting, wordt afgelegd en voorgoed afgedankt. Dan verschijnt de krijger, zonder wapenrusting, hij verdedigt niet en valt niet aan, is één met degenen die anderen kwaaddoen en hun slachtoffers, met degenen die boos zijn en degenen die hen boos maken; hij strijdt niet aan één kant, maar voor het goddelijke, het hoogste in ons allemaal.


H.P. Blavatsky: Geselecteerde artikelen, Deel 3: 1887 – 1889, blz. 282-8
isbn 9789491433191, paperback, eerste druk 2017, bestel boek

© 2017 Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag