Theosophical University Press Agency

Inhoudsopgave

Occultisme tegenover de occulte kunsten

[‘Occultism versus the occult arts’, Lucifer, mei 1888, blz. 173-81; CW 9:249-61]

Vaak heb ik gehoord, maar ik geloof pas nu,
Dat er onedele mensen bestaan die door krachtige magische spreuken
Natuurwetten naar hun hand kunnen zetten. – Milton

Deze maand ontvingen we verschillende brieven die aantonen dat het artikel ‘Praktisch occultisme’ in ons vorige nummer op sommige lezers diepe indruk heeft gemaakt. Zulke brieven dragen bij tot twee conclusies en versterken ze:

(a) Er zijn meer beschaafde en nadenkende mensen die in het bestaan van occultisme en magie geloven (en die twee zijn heel verschillend) dan een materialist nu zou denken; en
(b) De meeste mensen die erin geloven (onder wie veel theosofen) hebben geen duidelijk beeld van de aard van het occultisme en verwarren het met de zogenaamde occulte wetenschappen in het algemeen, waaronder de ‘zwarte kunst’.

Hun verklaringen over de vermogens die het een mens schenkt, en over hoe men die moet verwerven, zijn even verschillend als fantastisch. Sommigen denken dat er om een Zanoni te worden alleen een meester in die kunst nodig is, die de weg wijst. Anderen denken dat men slechts door het Suez-kanaal hoeft te varen en naar India te gaan om zich dadelijk tot een Roger Bacon te ontwikkelen, of misschien zelfs tot een graaf Saint-Germain. Voor velen is Margrave, met zijn eeuwige jeugd, het ideaal, en ze bekommeren zich weinig om de ziel die als prijs daarvoor werd betaald. Weer anderen menen dat de activiteiten van de ‘heks van Endor’ niets anders zijn dan occultisme, en dat wie ‘vanuit de stygische duisternis in de gapende afgrond een schim kan oproepen om naar het rijk van het licht te komen’, op grond van dit feit als een volmaakte adept moet worden beschouwd. ‘Ceremoniële magie’ – volgens de voorschriften die door Éliphas Lévi werden opgesteld – is weer een ander denkbeeldig alter-ego van de aloude filosofie van de arhats. Kortom, de prisma’s waardoor het occultisme wordt gezien door hen die niets weten van de filosofie ervan, zijn zo kleurrijk en verschillend als de menselijke fantasie zich die kan voorstellen.

Zullen deze kandidaten voor wijsheid en macht erg verontwaardigd zijn als ze ronduit de waarheid te horen krijgen? Het is niet alleen heel nuttig, maar het is bepaald noodzakelijk geworden de meesten van hen uit de droom te helpen, vóór het te laat is. Deze waarheid kan in een paar woorden worden weergegeven: Er zijn in het Westen onder de honderden enthousiastelingen die zich ‘occultisten’ noemen, nog geen half dozijn mensen die ook maar bij benadering een juist idee hebben van de aard van de wetenschap waarin ze zich willen bekwamen. Op enkele uitzonderingen na bevinden ze zich allemaal op het pad van tovenarij. Voordat ze tegen deze bewering protesteren, zouden ze enige orde moeten scheppen in de chaos die er in hun denken heerst. Laten ze eerst de ware verhouding leren kennen waarin de occulte wetenschappen tot het occultisme staan, en ook wat het verschil is tussen die twee, en dan kunnen ze verontwaardigd zijn als ze nog steeds denken gelijk te hebben. Laten ze intussen leren dat het occultisme evenzeer van de magie en andere geheime wetenschappen verschilt, als de luisterrijke zon van een nachtpitje, als de onveranderlijke geest van de mens – de weerspiegeling van het absolute, oorzaakloze en onkenbare AL – verschilt van het sterfelijke omhulsel, het menselijk lichaam.

In ons beschaafde Westen, waar de moderne talen zijn gevormd en op basis van ideeën en gedachten nieuwe woorden werden bedacht – zoals dat in iedere taal gebeurt – werden deze ideeën en gedachten steeds materialistischer in de kille atmosfeer van westers egoïsme en het najagen van aardse goederen; hoe meer dit gebeurde des te geringer werd de behoefte aan nieuwe woorden voor wat stilzwijgend als achterhaald ‘bijgeloof’ werd beschouwd. Zulke woorden pasten alleen bij ideeën waarvan men haast niet kon geloven dat een beschaafd mens ze in zijn geest zou koesteren. ‘Magie’, een synoniem voor goochelarij; ‘tovenarij’, een equivalent voor grove onwetendheid; en ‘occultisme’, het trieste overblijfsel van dwaze middeleeuwse vuurfilosofen, van de Jakob Böhme’s en de Saint-Martins, zijn termen waarvan men geloofde dat ze het hele terrein van ‘oplichterij’ meer dan voldoende bestreken. Het zijn woorden van minachting, en worden gewoonlijk alleen gebruikt voor de waardeloze overblijfselen uit de middeleeuwen en de daaraan voorafgaande perioden van heidendom. We hebben in onze taal dan ook geen woorden om het verschil en de nuance tussen zulke abnormale vermogens, of de wetenschap die tot de verkrijging ervan leidt, zo nauwkeurig te beschrijven als in oosterse talen, vooral het Sanskriet.

Wat betekenen woorden als ‘wonder’ en ‘betovering’ (woorden die per slot van rekening dezelfde betekenis hebben, omdat beide duiden op het doen van wonderbaarlijke dingen door het overtreden van de natuurwetten (!) zoals erkende autoriteiten het uitleggen) voor degenen die ze horen of uitspreken? Een christen gelooft – ondanks het ‘overtreden’ van natuurwetten – vast in wonderen, omdat deze door God via Mozes zouden zijn verricht, maar hij zal de toverkunst van de magiërs van farao óf minachtend afwijzen óf aan de duivel toeschrijven. Onze vrome vijanden brengen laatstgenoemden in verband met het occultisme, terwijl hun goddeloze tegenstanders, de ongelovigen, om Mozes en de magiërs en de occultisten lachen, en zich zouden schamen om de geringste aandacht te schenken aan zulk ‘bijgeloof’.

Dit komt allemaal doordat er geen term bestaat om het verschil uit te drukken; geen woorden die nuances weergeven en de grenslijn trekken tussen het ware en verhevene, en het dwaze en belachelijke. Laatstgenoemde betreft de theologische interpretaties die ons onderrichten over het ‘overtreden van de natuurwetten’ door mens, God, of duivel; eerstgenoemde de wetenschappelijke ‘wonderen’ en betoveringen die door Mozes en de magiërs in overeenstemming met de natuurwetten werden verricht, want beiden waren volleerd in de wijsheid van het heiligdom, dat de ‘Royal Society’ van die tijd was, en in het ware OCCULTISME. Dit laatste woord is als vertaling van guptavidya (geheime kennis) ongetwijfeld misleidend. Maar kennis van wat? Enkele Sanskriettermen kunnen ons misschien helpen.

Zelfs in de exoterische Purana’s worden vier namen gegeven (gekozen uit vele andere) voor de verschillende soorten esoterische kennis of wetenschappen. Ze zijn (1) yajñavidya1, kennis van het opwekken van occulte krachten in de natuur, door het verrichten van bepaalde religieuze ceremoniën en rituelen; (2) mahavidya, de ‘grote kennis’, de magie van de kabbalisten en van de tantrika eredienst, vaak tovenarij van de ergste soort; (3) guhyavidya, kennis van de mystieke krachten die in het geluid (ether) wonen, dus in de mantra’s (gezongen gebeden en toverspreuken), en die bepaald worden door de gebruikte ritmes en melodieën; met andere woorden een magische verrichting gebaseerd op kennis van de natuurkrachten en hun wisselwerking; en (4) atmavidya, een woord dat door de oriëntalisten eenvoudig wordt vertaald met ‘kennis van de ziel’, ware wijsheid, maar dat veel meer betekent.

1. Yajña (het offer), zeggen de brahmanen, bestaat in alle eeuwigheid, want het kwam voort uit het allerhoogste ene, waarin het sluimerde van ‘geen begin’ af. Het is de sleutel tot de TRAIVIDYA, de in drie opzichten heilige wetenschap, te vinden in de verzen van de Rig-Veda, die ons het yajus of de mysteriën van de offerdienst leren. ‘De ‘yajña’ bestaat te allen tijde als iets onzichtbaars; het lijkt op de potentiële kracht van elektriciteit in een elektriseermachine, die slechts een geschikt apparaat vereist om te worden opgewekt. Wanneer het zich heeft ontrold, zou het zich van de ahavaniya of het offervuur – waarin alle offeranden zijn geworpen – uitstrekken tot de hemel en zo een brug of ladder vormen, door middel waarvan degene die de offeranden brengt, in contact kan komen met de wereld van goden en geesten en zelfs tijdens zijn leven naar hun verblijfplaats kan opstijgen.’ (Martin Haug, Aitareya Brahmanam, 1863, deel 1, blz. 73-4.)
‘Deze yajña is weer een van de vormen van akasa, en het mystieke woord dat deze tot leven roept en dat door de ingewijde priester in gedachten wordt uitgesproken, is het verloren woord dat een impuls krijgt door WILSKRACHT.’ (Isis ontsluierd, 1:47.)

Laatstgenoemde is het enige soort occultisme dat een theosoof die bewondering heeft voor Licht op het pad en die verstandig en onzelfzuchtig is, zou moeten nastreven. Alle andere soorten zijn een of andere tak van de ‘occulte wetenschappen’, d.w.z. kunsten die op de kennis berusten van de uiteindelijke essentie van alle dingen in de natuurrijken, zoals mineralen, planten en dieren. Die kennis betreft dus dingen die tot het gebied van de stoffelijke natuur behoren, hoe onzichtbaar die essentie misschien ook is, en hoezeer ze tot nu toe ook aan de greep van de wetenschap is ontsnapt.

Alchemie, astrologie, occulte fysiologie, chiromantie bestaan in de natuur, en de exacte wetenschappen – misschien wel zo genoemd omdat ze in deze eeuw van paradoxale filosofieën het tegenovergestelde hiervan blijken te zijn – hebben al een flink aantal geheimen van bovengenoemde kunsten ontdekt. Maar helderziendheid, in India gesymboliseerd door het ‘oog van Siva’, in Japan het ‘oneindige gezicht’ genoemd, is geen hypnotisme, het onwettige kind van het mesmerisme, en kan door zulke kunsten niet worden verworven. Alle andere kan men aanleren, en de verkregen resultaten kunnen goed, slecht of neutraal zijn; maar atmavidya beschouwt ze als van geringe waarde. Ze omvat ze allemaal, en kan ze zelfs nu en dan gebruiken, maar ze doet dit met heilzame bedoelingen, na ze te hebben gezuiverd en ervoor te zorgen dat ze van elk element van egoïsme zijn ontdaan.

Laten we dit toelichten. Iedere man of vrouw kan één of alle hierboven opgesomde ‘occulte kunsten’ bestuderen zonder zich intensief voor te bereiden, en zelfs zonder een al te strenge levenswijze te volgen. Men zou het zelfs zonder een hoge morele standaard kunnen doen. Tien tegen één dat de leerling zich in het laatste geval ontpopt als een knappe tovenaar, en halsoverkop tot zwarte magie vervalt. Maar wat doet dat ertoe? De voodoo-priesters en de dugpa’s eten en drinken en lachen om de honderden slachtoffers van hun helse kunst. En dit doen de geleerde vivisectoren en de gediplomeerde ‘hypnotiseurs’ van de medische faculteiten ook; het enige verschil tussen de twee groepen is dat de voodoo-priesters en de dugpa’s bewuste, en mensen zoals Charcot en Richet onbewuste tovenaars zijn.

Beiden moeten de vruchten plukken van hun inspanningen en prestaties op het gebied van de zwarte kunst, en daarom zullen de westerse beoefenaars niet de voordelen en de vreugden ervan genieten zonder de bijbehorende straf te ondervinden en een slechte reputatie te krijgen. Nogmaals, hypnotisme en vivisectie zoals die in deze scholen worden beoefend, zijn zonder meer tovenarij, maar minus de kennis die de voodoo-priesters en dugpa’s bezitten en die geen Charcot of Richet zich in 50 jaar intensieve studie en experimentele waarneming kan eigen maken. Laten zij die met magie willen spelen, of ze haar aard begrijpen of niet, maar die de voorschriften voor leerlingen te moeilijk vinden en daarom atmavidya of occultisme opzijschuiven – het zonder deze stellen. Laat ze gerust tovenaars worden, zelfs al worden ze daardoor tien incarnaties lang voodoo-priesters en dugpa’s.

Maar de belangstelling van onze lezers zal waarschijnlijk uitgaan naar hen die onweerstaanbaar tot het occulte worden aangetrokken, maar die zich niet bewust zijn van de ware aard van wat ze nastreven, en ook niet vrij van begeerten zijn geworden, laat staan dat ze werkelijk onzelfzuchtig zijn.

Hoe staat het met deze ongelukkigen, zal men ons vragen, die aldus door tegenstrijdige krachten worden verscheurd? Het is al zo vaak gezegd dat het eigenlijk niet hoeft te worden herhaald, en bovendien is het voor iedere waarnemer overduidelijk dat, wanneer het verlangen naar het occultisme eenmaal in het hart van een mens is ontwaakt, er voor hem in de hele wereld geen hoop op vrede, geen plaats van rust en vertroosting overblijft. Hij wordt opgejaagd naar de woeste en troosteloze gebieden van het leven door een voortdurend knagende onrust die hij niet kan bedwingen. Zijn hart is te zeer vervuld van begeerte en egoïstische verlangens om door de gouden poort te kunnen gaan; in het gewone leven kan hij geen rust of vrede vinden. Moet hij dan onvermijdelijk tot tovenarij en zwarte magie vervallen en vele incarnaties lang voor zichzelf een vreselijk karma opbouwen? Is er voor hem geen andere weg?

Ons antwoord is, die is er wél. Laat hij niet streven naar meer dan hij denkt te kunnen volbrengen. Laat hij geen last op zich nemen die voor hem te zwaar is om te dragen. Laat hij, zonder ooit een mahatma, een boeddha, of een groot heilige te worden, de filosofie en de ‘wetenschap van de ziel’ bestuderen, en dan kan hij een van de bescheiden weldoeners van de mensheid worden, zonder enige ‘bovenmenselijke’ vermogens. De siddhi’s (of de vermogens van een arhat) zijn alleen voor hen die in staat zijn ‘het leven te leiden’, de vreselijke offers te brengen die zo’n training vereist, en ze stipt naar de letter te volbrengen. Laten zij direct weten en altijd onthouden dat het ware occultisme of theosofie de ‘grote verzaking van het ZELF’ is, onvoorwaardelijk en absoluut, zowel in ons denken als in ons handelen.

Het is ALTRUÏSME, en hij die het in praktijk brengt, plaatst zich daardoor buiten de gelederen van de levenden. ‘Niet voor zichzelf, maar voor de wereld leeft hij’, zodra hij zich tot dit werk heeft verbonden. Tijdens de proefjaren wordt er veel vergeven; maar zodra hij is ‘aangenomen’, moet zijn persoonlijkheid verdwijnen, en moet hij uitsluitend een goede kracht in de natuur worden. Daarna zijn er twee polen voor hem, twee paden; er bestaat geen rustpunt tussen die twee. Hij moet óf moeizaam stap voor stap opklimmen, vaak door talrijke incarnaties, zonder enige rust in devachan, langs de gouden ladder die leidt naar mahatmaschap (de arhat- of bodhisattva-toestand), óf hij laat zich na de eerste misstap afglijden, en vervalt tot dugpaschap.

Dit alles is óf onbekend óf wordt geheel buiten beschouwing gelaten. Wie in staat is om de ontwikkeling van de eerste onuitgesproken aspiraties van de kandidaten te volgen, ziet vaak dat heel vreemde voorstellingen zich stilletjes van hun geest meester maken. Bij sommigen zijn de verstandelijke vermogens zo verwrongen geraakt door vreemde invloeden, dat ze denken dat de dierlijke begeerten zo kunnen worden verfijnd en veredeld dat hun furie, kracht en vuur, om zo te zeggen, naar binnen kunnen worden geleid; dat ze in de borst van de mens kunnen worden verzameld en opgesloten tot hun energie, niet wordt verbruikt, maar op hogere en heiliger doeleinden wordt gericht: namelijk, tot hun gezamenlijke en onverbruikte kracht de bezitter daarvan in staat zal stellen het ware heiligdom van de ziel binnen te treden, om daar te staan in tegenwoordigheid van de meester – het HOGER ZELF! Om dit te bereiken, willen ze geen strijd voeren met hun begeerten, of deze vernietigen. Ze willen eenvoudig door een krachtige wilsinspanning de woeste vlammen in bedwang houden en onderdrukken, waarbij het vuur onder een dunne laag as blijft smeulen. Vreugdevol ondergaan ze de marteling van de jonge Spartaan, die in plaats van te vertrekken, toeliet dat de vos zijn ingewanden verslond. O arme verblinde zieners!

Men kan net zo goed hopen dat een troep dronken schoorsteenvegers, smerig en verhit van hun werk, kan worden opgesloten in een heiligdom dat met zuiver wit linnen is behangen, en dat ze dan, in plaats van dit te besmeuren en het door hun aanwezigheid in een hoop vuile lompen te veranderen, heer en meester van deze heilige plaats kunnen worden en ten slotte even smetteloos en zuiver als die plaats zelf weer naar buiten kunnen komen. Waarom verbeelden we ons niet dat een dozijn stinkdieren die zijn opgesloten in de zuivere atmosfeer van een gompa (klooster) daaruit kunnen komen doortrokken van de geur van allerlei soorten wierook die daar werden gebruikt? . . . Vreemde kronkels van het menselijk denken. Zou dit kunnen gebeuren? Laten we het bespreken.

De ‘meester’ in het heiligdom van onze ziel is het ‘hoger zelf’, de goddelijke geest. Ons bewustzijn daarvan is (tenminste tijdens het sterfelijke bestaan van de mens in wie het hoger zelf is opgesloten) gebaseerd op, en uitsluitend afgeleid van, het denkvermogen dat we de menselijke ziel hebben genoemd (terwijl de ‘spirituele ziel’ het voertuig is van de geest). Op haar beurt is eerstgenoemde (de persoonlijke of menselijke ziel) in haar hogere aspecten een samenstelling van spirituele aspiraties, wilsuitingen en goddelijke liefde, en in haar lagere aspecten een van dierlijke lusten en aardse begeerten die zijn verkregen door de banden met haar voertuig, waarin deze allemaal huizen. Ze is dus een schakel en een middelaar tussen het dierlijke in de mens – het hogere denken probeert dit te beteugelen – en haar goddelijke, spirituele natuur, waarheen ze wordt aangetrokken als deze de overhand heeft in haar strijd met het innerlijke dier.

Laatstgenoemde is de instinctieve ‘dierlijke ziel’ en is de broeiplaats van deze begeerten, die, zoals zojuist werd aangetoond, door sommige onvoorzichtige enthousiastelingen in slaap worden gesust in plaats van gedood, en in hun hart worden opgesloten. Hopen ze nog altijd dat ze op die manier de modder uit het riool zullen kunnen omzetten in de kristalheldere wateren van het leven? En waar, op welk neutraal terrein, kunnen die begeerten worden gevangengezet, zodat ze de mens niet beïnvloeden? De hevige begeerten van liefde en wellust zijn nog levend, en men laat ze voortbestaan in diezelfde dierlijke ziel waarin ze zijn ontstaan; want zowel de hogere als de lagere delen van de ‘menselijke ziel’ of het menselijk denken willen niets te maken hebben met zulke gevangenen, hoewel ze niet kunnen vermijden dat ze door hun nabijheid worden besmet.

Het ‘hoger zelf’ of de geest kan evenmin zulke gevoelens in zich opnemen als water zich kan vermengen met olie of met smerig vloeibaar vet. Alleen het denken – de enige schakel of middelaar tussen de aardse mens en het hoger zelf – lijdt er dus onder en verkeert voortdurend in gevaar omlaag te worden gesleurd door die begeerten die elk moment kunnen ontwaken, en in de afgrond van de materie te gronde te gaan. En hoe kan het zich ooit afstemmen op de goddelijke harmonie van het hoogste beginsel, als die harmonie wordt verbroken enkel omdat in het heiligdom in wording zulke dierlijke begeerten aanwezig zijn? Hoe kan er harmonie ontstaan en zegevieren, als de ziel wordt besmeurd en afgeleid door de onrust van de begeerten en door de aardse verlangens van de fysieke zintuigen, of zelfs van de ‘astrale mens’?

Dit ‘astrale’ wezen – het schimmige ‘dubbel’ (in zowel het dier als de mens) is niet de metgezel van het goddelijk ego maar van het aardse lichaam. Het is de schakel tussen het persoonlijk ZELF, het lagere bewustzijn van manas, en het lichaam, en is het voertuig van het voorbijgaande, niet van het onsterfelijke leven. Het dubbel volgt, zoals een door de mens geworpen schaduw, mechanisch en slaafs de handelingen en bewegingen van het lichaam, en is daarom op de stof gericht en zal zich nooit tot de geest verheffen. Alleen als de macht van de begeerten volledig is tenietgedaan, als de begeerten in de vijzel van een vastberaden wil zijn vermalen en vernietigd, wanneer niet alleen de lusten en verlangens van het vlees zijn gedood, maar ook de waardering van een persoonlijk zelf is vernietigd, en daardoor van het ‘astrale’ niets meer over is, dan pas kan de eenwording met het hoger zelf tot stand komen. Als het ‘astrale’ alleen de overwonnen mens weerspiegelt – de nog wel levende maar niet meer hunkerende, egoïstische persoonlijkheid – dan kan de stralende augoeides, het goddelijk ZELF, bewust in harmonie trillen met de beide polen van de menselijke entiteit – de gelouterde stoffelijke mens en de eeuwig zuivere, spirituele ziel – en staan in tegenwoordigheid van het MEESTER-ZELF, de christos van de mystieke gnostici, eeuwig versmolten met, opgegaan in en één met HET.1

1. Wie ertoe neigt drie ego’s in de mens te zien, laat daarmee blijken dat hij de metafysische betekenis hiervan niet kan begrijpen. De mens is een drie-eenheid, bestaande uit lichaam, ziel en geest, maar de mens is niettemin één en is beslist niet zijn lichaam. Laatstgenoemde is het eigendom van DE MENS, het vergankelijke omhulsel. De drie ‘ego’s’ zijn de drie aspecten van de mens op het astrale, het verstandelijke of psychische, en het spirituele gebied.

Hoe kan men dan denken dat iemand door de ‘nauwe poort’ van het occultisme naar binnen kan gaan als zijn gedachten dagelijks in beslag worden genomen door wereldse zaken, door het verlangen naar bezittingen en macht, door wellust, ambities en plichten die, hoe eervol ook, nog altijd van de aarde en materialistisch zijn? Zelfs de liefde voor vrouw en kinderen – de zuiverste en meest onzelfzuchtige van alle menselijke gevoelens – is een belemmering voor werkelijk occultisme. Want, of we nu als voorbeeld de heilige liefde van een moeder voor haar kind nemen, of die van een man voor zijn vrouw, zelfs in deze gevoelens schuilt, als we ze grondig onderzoeken en analyseren, nog zelfzucht in het eerste en égoisme à deux in het tweede geval. Welke moeder zou niet zonder enige aarzeling honderden of duizenden levens opofferen om dat van haar geliefde kind te redden? En welke minnaar of ware echtgenoot zou niet het geluk van alle andere mensen opofferen om aan de wens van zijn liefste te voldoen?

Men zal zeggen dat dit vanzelfsprekend is. Volgens de regels van menselijke genegenheid is dat misschien zo, maar niet volgens die van de goddelijke, alomvattende liefde. Als het hart namelijk vervuld is van een kleine groep ‘zelven’, die ons geliefd en dierbaar zijn, hoe staat onze ziel dan tegenover de rest van de mensheid? Hoeveel liefde en zorg houden we dan nog over om aan het ‘grote weeskind’ te besteden? En hoe zal ‘de stille zachte stem’ gehoord kunnen worden door een ziel die geheel in beslag wordt genomen door haar eigen bevoorrechte groep? Hoeveel ruimte is er dan nog voor de behoeften van de mensheid als geheel, waarin deze zich voelbaar zouden kunnen maken of op een snelle reactie zouden kunnen rekenen?

En toch, hij die de wijsheid van het universele denkvermogen wil ervaren, moet deze verwerven via de hele mensheid zonder onderscheid van ras, huidskleur, religie of maatschappelijke status. Ze is altruïsme, geen egoïsme, zelfs niet in de meest gewettigde en edele opvatting ervan, die de afzonderlijke eenheid ertoe kan brengen zijn kleine zelf te doen opgaan in de universele zelven. Aan dit werk en aan deze behoeften van anderen dient de ware leerling van het echte occultisme zich te wijden, als hij theo-sofie, goddelijke wijsheid en kennis wil verwerven.

De aspirant moet onvoorwaardelijk kiezen tussen een werelds of een occult leven. Het is nutteloos en zinloos om te proberen beide te verenigen, want niemand kan twee heren dienen en beiden tevredenstellen. Niemand kan zijn lichaam dienen en tegelijkertijd zijn hogere ziel, zijn plicht tegenover zijn gezin en die tegenover zijn medemensen vervullen, zonder de één of de ander zijn rechten te onthouden. Hij zal namelijk óf het oor lenen aan de ‘stille zachte stem’ en die van zijn kinderen niet horen, óf hij zal uitsluitend letten op de behoeften van laatstgenoemden en doof zijn voor de roepstem van de mensheid.

Het zou voor vrijwel iedere getrouwde man een voortdurende en wanhopige strijd zijn om het ware praktische occultisme te willen beoefenen, in plaats van de theoretische filosofie ervan, want hij zou ontdekken dat hij steeds twijfelt tussen de stem van de onpersoonlijke goddelijke liefde voor de mensheid en die van de persoonlijke aardse genegenheid. En dit kan alleen ertoe leiden dat hij zijn plicht verzuimt tegenover één van beide, of misschien tegenover alle twee. Erger nog, hij die, nadat hij zich innerlijk heeft verbonden tot het OCCULTISME, zich toch overgeeft aan aardse liefde of lusten, moet bijna onmiddellijk de gevolgen daarvan ondervinden, d.w.z. dat hij onvermijdelijk uit de onpersoonlijke goddelijke toestand zal worden neergehaald naar het lagere gebied van de stof. Zinnelijke, of zelfs mentale, zelfbevrediging heeft onmiddellijk tot gevolg dat het spirituele onderscheidingsvermogen verloren gaat; de stem van de MEESTER kan niet meer worden onderscheiden van die van zijn begeerten en zelfs niet van die van een dugpa; het goede niet van het kwade; zuivere ethiek niet van drogredeneringen. De sodomsappel neemt de prachtigste mystieke verschijningsvorm aan, maar wordt tot as in de mond en bitterheid in het hart, met als gevolg dat:

De diepte steeds dieper wordt, de duisternis steeds duisterder,
Wijsheid wordt vervangen door dwaasheid, onschuld door schuld,
Gelukzaligheid door angst, en hoop door vertwijfeling.

En als ze eenmaal een fout hebben gemaakt en zich door hun fouten laten leiden, aarzelen de meeste mensen om die fout in te zien en zakken daardoor dieper en dieper weg in het slijk. En, hoewel in de eerste plaats het motief bepaalt of er witte dan wel zwarte magie wordt beoefend, kunnen de gevolgen, zelfs van onopzettelijke, onbewuste tovenarij, niets anders dan slecht karma opleveren. Er is al genoeg gezegd om aan te tonen dat tovenarij elke vorm van slechte invloed is die op anderen wordt uitgeoefend, die daardoor lijden of andere personen laten lijden. Karma is een zware steen die in de rustige wateren van het leven wordt geworpen; en het moet steeds groter wordende kringen van rimpelingen teweegbrengen, die verder en verder gaan, bijna oneindig. Zulke teweeggebrachte oorzaken moeten gevolgen oproepen, en deze worden weerspiegeld in de rechtvaardige wetten van vergelding.

Veel hiervan kan worden voorkomen als de mensen zich niet halsoverkop in praktijken zouden storten waarvan ze noch de aard noch de betekenis begrijpen. Van niemand wordt verwacht dat hij een last draagt die zijn krachten en vermogens te boven gaat. Er zijn ‘geboren magiërs’, geboren mystici en occultisten, op grond van wat ze rechtstreeks hebben geërfd uit een reeks van incarnaties en eonen van lijden en mislukkingen. Ze zijn zogezegd bestand tegen begeerten. Geen vuur van aardse oorsprong kan een van hun zintuigen of verlangens tot een vlam aanwakkeren; geen menselijke stem kan weerklank vinden in hun ziel, behalve het luide hulpgeroep van de mensheid.

Alleen zij kunnen zeker zijn van succes, maar men zal ze slechts zelden tegenkomen. Zij kunnen door de nauwe poorten van het occultisme gaan, omdat ze geen persoonlijke bagage aan menselijke vergankelijke sentimenten meedragen. Ze hebben zich ontdaan van het gevoel van de lagere persoonlijkheid, het ‘astrale’ dier verlamd, en de gouden, maar nauwe poort wordt voor hen opengedaan. Dit geldt niet voor hen die nog verschillende incarnaties lang de last van de zonden die in vorige levens en zelfs in hun huidige leven zijn begaan, moeten dragen. Als ze niet heel voorzichtig te werk gaan, kan voor hen de gouden poort van wijsheid veranderen in de ruime poort en de brede weg ‘die tot vernietiging leidt’, en daarom zullen er ‘velen zijn die die weg inslaan’. Dit is de poort van de occulte kunsten, beoefend uit egoïstische motieven, waarbij de beteugelende en weldadige invloed van ATMAVIDYA ontbreekt.

We bevinden ons in kaliyuga en zijn noodlottige invloed is duizend keer zo sterk in het Westen als in het Oosten; vandaar dat men zo gemakkelijk ten prooi valt aan de krachten van de Eeuw van Duisternis in deze cyclische strijd, en vandaar ook de vele waanbeelden waaraan de wereld nu lijdt. Een hiervan is het betrekkelijke gemak waarmee de mens denkt de ‘poort’ van het occultisme te kunnen bereiken en de drempel ervan zonder enig groot offer te kunnen overschrijden. Het is de droom van de meeste theosofen, een droom die wordt ingegeven door het verlangen naar macht en door persoonlijk egoïsme, maar deze gevoelens kunnen hen nooit naar het begeerde doel leiden. Zoals terecht is gezegd door iemand van wie men gelooft dat hij zich voor de mensheid heeft opgeofferd – ‘Nauw is de poort, en smal de weg die naar het [eeuwige] leven leidt’,1 en daarom zullen ‘weinigen hem weten te vinden’. De poort is zo nauw dat westerlingen die deze zouden willen passeren zich angstig terugtrekken en huiverend afwenden, zodra ze over de eerste hindernissen op het pad horen.

1. Mattheus 7:14.

Laten ze hier halt houden en in hun grote zwakheid geen verdere pogingen doen. Want wee hen, als ze de nauwe poort de rug toekeren en, gedreven door hun verlangen naar het occulte, ook maar één stap zouden zetten in de richting van de brede en uitnodigende poorten van dat gouden mysterie dat zo schittert in het licht van de illusie. Het kan tot niets anders leiden dan dugpaschap, en ze zullen zich al snel blijken te bevinden op de Via Fatale van het Inferno, waar Dante boven de ingang de woorden las:

Via mij bereikt u de stad van ellende,
Via mij bereikt u het eeuwige lijden,
Via mij bereikt u de verloren zielen . . .1

1. Divina Commedia, Inferno, Canto 3.

H.P. Blavatsky: Geselecteerde artikelen, Deel 3: 1887 – 1889, blz. 364-75
isbn 9789491433191, paperback, eerste druk 2017, bestel boek

© 2017 Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag