Bron van het occultisme / G. de Purucker

Een moderne presentatie van de oude universele wijsheid
gebaseerd op
De Geheime Leer van H.P. Blavatsky

geredigeerd door Grace F. Knoche

isbn 9070328720, gebonden, bestel boek

Uit deze uitgave mag alleen met toestemming van de uitgever
iets worden overgenomen.

© 2006   Theosophical University Press Agency, Den Haag

 

 

   
      Inhoudsopgave     

 

De drie logoi


Er is in de esoterische filosofie misschien geen enkel punt waarover zoveel vage ideeën bestaan als over de leer betreffende de logoi. Het woord logos dat in het oude Griekse denken vaak werd gebruikt, werd door de eerste christenen overgenomen, bijvoorbeeld door Johannes van het vierde Evangelie, en door hen gebruikt zoals zij het begrepen. Logos betekende oorspronkelijk rede en kreeg ook de betekenis ‘woord’. Bepaalde richtingen in de Griekse filosofie pasten het overdrachtelijk toe op kosmische processen: in het begin was er de goddelijke rede, de goddelijke gedachte, die om haar innerlijke leven en intelligentie over te brengen een voertuig nodig had, een ‘woord’, om zichzelf door te geven. En het woord werd voortgebracht door de werking van de goddelijke rede, zoals menselijke spraak wordt voortgebracht door de werking van de menselijke rede of het menselijke denken.

Iedere hiërarchie, met andere woorden ieder gebied, heeft zijn eigen drie logoi; de ongemanifesteerde, de gedeeltelijk gemanifesteerde, en de gemanifesteerde, of de eerste, tweede en derde logos – hoewel daarvan in elk heelal een bijna onberekenbaar aantal lagere logoi als stralen bestaan, omdat het hele universum uit en in hiërarchieën bestaat die elkaar op de verschillende gebieden herhalen.

Gezien als een drievoudige eenheid gaf deze opvatting van de drie oorspronkelijke logoi aan de christenen hun heilige drie-eenheid, zij het in een wat verminkte vorm; en dezelfde opvatting gaf aan andere religieuze en filosofische stelsels uit de oudheid de drie individuen van hun respectieve triaden. De eerste logos, door HPB de ongemanifesteerde logos genoemd, is dus gelijkwaardig aan de kosmische monade van Pythagoras, de monas monadum, die voor altijd verblijft in wat voor ons stilte en duisternis is – hoewel het het meest volstrekte en volmaakte licht van de wereld is. In de archaïsche trimurti van de hindoes wordt hij voorgesteld als Brahman en in het christelijke stelsel als de Vader.

Deze eerste of ongemanifesteerde logos is het oorspronkelijke punt of de Oude van Dagen van de kabbala; en vanuit één gezichtspunt, als we het allereerste stadium beschouwen van het openingsdrama van de evolutie, is hij het oorspronkelijke zaad waaruit de hele hiërarchie van het heelal – die alle daaruit voortvloeiende hiërarchieën belichaamt – tot manifestatie komt. Deze emanatie-evolutie vindt plaats doordat de eerste logos zich bekleedt met een sluier van spiritueel licht, die tegelijkertijd kosmische intelligentie en kosmisch leven is, en de tweede of gemanifesteerde-ongemanifesteerde logos wordt, waaraan door verschillende filosofische scholen verschillende namen werd gegeven.

In het oude mystieke stelsel van Pythagoras was deze tweede logos de kosmische duade, die werd gezien als een vrouwelijke kracht of sluier van de eerste logos of de monade der monaden, terwijl er in de Griekse mythologie over werd gesproken als Gaia, de echtgenote of sluier van Ouranos of hemel, de eerste logos. Zo spraken bepaalde mystieke scholen van het oosten over de tweede logos als pradhana, de sluier van Brahman of de eerste logos; of, zoals in het esoterische boeddhisme, als alaya of mahabuddhi, wat de top of wortel is van het kosmische akasa. De oorspronkelijke christelijke opvatting van de drie-eenheid, zoals men die nog huldigt in de Orthodoxe of Griekse Kerk, beschouwde deze tweede logos als een vrouwelijke kracht die de Heilige Geest is.*

*Vgl. HPB’s artikel ‘Notes on the Gospel according to St. John’, Lucifer, februari en maart 1893; CW 11:482-503.

Deze tweede logos, de kosmische schoot van de Ruimte, die als het ware de vruchtbare en voortbrengende akker van levens of levenszaden is, bracht de derde logos voort. Hij werd gezien als de Zoon, zoals in het oorspronkelijke Grieks-christelijke stelsel, de derde persoon van de drie-eenheid, geboren uit de Heilige Geest. In het oude brahmaanse stelsel was het Siva, geboren uit de essentie van Vishnu. Nog een naam die in het vroege hindoeïsme aan deze derde logos werd gegeven was Brahma, de schepper, de reproductie van Brahman, de eerste logos, door en door middel van de intermediaire vrouwelijke kracht pradhana, de tweede logos.

Met het kosmische verschijnen van de derde logos heeft de evolutionaire ontvouwing van het heelal haar derde stadium bereikt, en daarmee begint de emanatie van de ontelbare lagere hiërarchieën, die tezamen het ingewikkelde mysterie van de veelvoudige kosmos opbouwen met al zijn met elkaar verweven activiteiten en substanties.

Door de filosofische en religieuze stelsels van de oudheid zijn aan de derde logos veel verschillende namen gegeven. De Grieken gaven deze derde of vormende logos de naam Demiourgos, een woord dat de mystieke betekenis heeft van de hoogste kosmische architect van het heelal. Diezelfde gedachte heeft altijd bij de christenen bestaan, evenals bij de tegenwoordige speculatieve vrijmetselarij, zoals blijkt uit hun titel, de Grote Architect van het Heelal. In het hindoeïsme werd een ander aspect van de derde logos Narayana of Purusha genoemd, waarvan men aannam dat hij was gewikkeld in zijn begeleidende kosmische sluier, prakriti. Narayana betekent de kosmische mens die zich in en op de wateren van de Ruimte (de kosmische wateren van Genesis) beweegt, en, tussen twee haakjes, deze kosmische wateren zijn slechts een andere naam voor de tweede logos, ofwel de uitgestrekte moederschoot van kosmische entiteiten.*

*Een ander woord dat in het archaïsche hindoeïsme aan de derde logos werd gegeven was hiranyagarbha – hiranya betekent gouden, met de inherente betekenis van hemels of oorspronkelijk of het mooiste; en garbha is een woord dat afhankelijk van de context kan worden vertaald met moederschoot of embryo of vitaal kosmisch zaad; en dit embryo bevindt zich in de moederschoot van de tweede logos en wordt soms zelf moederschoot genoemd omdat het de vruchtbare bron is van alle zaden van de hiërarchieën die eruit emaneren.

In verband met de logoi is de volgende vraag en het antwoord van Blavatsky uit Een Toelichting op de Geheime Leer (blz. 128) misschien van belang:

Vraag: Wat is het verschil tussen geest, stem en woord?

Antwoord: Hetzelfde als tussen atman, buddhi en manas, in één opzicht. Geest emaneert uit de onbekende duisternis, het mysterie waartoe niemand van ons kan doordringen. Die geest – noem hem de ‘geest van God’ of oersubstantie – weerspiegelt zich in de wateren van de Ruimte – of de nog ongedifferentieerde stof van het toekomstige heelal – en brengt daarmee de eerste trilling van differentiatie in de homogeniteit van de oerstof voort. Dat is de stem, voorloper van het ‘woord’ of de eerste manifestatie; en uit die stem emaneert het woord of de logos, dat wil zeggen, de definitieve en objectieve uitdrukking van wat tot nog toe in de diepten van de verborgen gedachte verbleef. Dat wat zich in de Ruimte weerspiegelt is de derde logos.

Hier hebben we een reeks interessante ideeën met betrekking tot de tweede logos, de stem, die in het Sanskriet in het algemeen vach of svara wordt genoemd. Beide woorden, die ‘geluid’ betekenen, of in een ander verband ‘adem’, worden in mystieke zin gebruikt voor stem – en af en toe voor woord – en er wordt een vrouwelijke eigenschap aan toegekend omdat ze de drager of moeder van de derde logos zijn.

Samenvattend: we hebben de kosmische ideatie of kosmische Vader, dat wil zeggen, de kosmische gedachte, de eerste logos. Deze omgeeft zich met en reproduceert zich in de tweede logos, die de kosmische Moeder is die de essentie van de eerste logos of het goddelijke denken in zich draagt en zich reproduceert als de derde logos, de kosmische Zoon of het Woord. We hebben dus: ten eerste – de idee; ten tweede – het geluid; ten derde – het Woord, dat de gemanifesteerde of scheppende logos van het heelal is. Daarom is vach of svara het mystieke geluid van de goddelijke scheppende activiteit, het voertuig van het goddelijke denken, waarvan het Woord of Verbum de gemanifesteerde uitdrukking is.

Wanneer we vach of svara toepassen op een mens, zien we dat in de menselijke constitutie beide woorden overeenkomen met buddhi die uit atman wordt geboren, en de atmische individualiteit uit zijn buddhische schoot reproduceert als manas. Dezelfde gedachte vindt men in verschillende tradities, bijvoorbeeld bij de kabbalisten, de oude en moderne, die over Bath Qol, de dochter van de stem, spreken. Over die Bath Qol werd gezegd dat ze de goddelijke inspiratie was die leiding gaf aan een hooggeëvolueerd mens, hetzij een profeet of een ziener; en dit duidt op het manas van de mens dat verlicht wordt door de buddhi in hem, en de straal die buddhi overbrengt is Bath Qol.

Als we onze aandacht weer richten op zaken van kosmische omvang, zien we dat het oude mystieke Hebreeuwse denken ook verwijst naar het logoïsche karakter van de goddelijke stem of het goddelijke geluid, zoals in Job (38:4-7):

Waar was u toen Ik de aarde grondvestte? Vertel het, indien u inzicht heeft.

Wie heeft haar afmetingen bepaald? U weet het immers! Of wie heeft het meetsnoer over haar gespannen?

Waarop zijn haar pijlers neergelaten? Of wie heeft haar hoeksteen gelegd terwijl de morgensterren samen zongen, en alle zonen van God jubelden?

Hier wordt duidelijk verwezen naar een zeer oude gedachte dat de wereld met al haar kosmische gebieden tot aanzijn werd gebracht door geluid, door gezang, een gedachte die we ook aantreffen bij de oude druïden en Germaanse volkeren. Hier in Job zien we dat de sterren aan het begin van het manvantara, de morgen genoemd, samen zongen en dat de zonen van God, die de godheden waren van het hoogste kosmische gebied, de werelden toen tot aanzijn riepen of zongen.

Zoals HPB schreef:

Er wordt gezegd dat ‘aan Marcus werd geopenbaard dat ‘de zeven hemelen’ . . . elk één klinker lieten horen, die samen een volledige lofzang vormden’; duidelijker gezegd: ‘het geluid daarvan, dat (uit deze zeven hemelen) omlaag werd gebracht naar de aarde, werd de schepper en vader van alle dingen die op aarde zijn’. (Zie Hippolytus, vi, 48 en King, Gnostics, blz. 200.) Wanneer de occulte manier van zeggen in eenvoudiger taal wordt omgezet, staat er: ‘Nadat de zevenvoudige logos zich had gedifferentieerd in zeven logoi of scheppende machten (klinkers), schiepen deze (de tweede logos, of het ‘geluid’) alles op aarde.’    – De Geheime Leer, 2:641

Het is opmerkelijk dat een van de betekenissen van het Sanskrietwoord svara ‘zeven’ is. Dit onthult een esoterische gedachte die de vroegste hindoeschrijvers aan dat woord toekenden: dat de kosmische svara zich ontvouwt in een reeks van zeven geluiden, waarvan elk rechtstreeks correspondeert met een van de zeven kosmische gebieden, waardoor elk gebied zijn eigen grondtoon of svabhava krijgt. Vach wordt vaak beschreven als satarupa, honderdvormig; en als in onze opvatting het geëvolueerde heelal uit tien kosmische gebieden bestaat, en elk gebied tienvoudig is, dan hebben we honderd individuele grondtonen. Zo’n tienvoudige structuur van het heelal veronderstelt als vanzelfsprekend het bestaan van het hoogste kosmische gebied van de eenheid waardoor deze is verbonden met de oneindigheid, en ook van het bestaan van het allerlaagste kosmische gebied, dat het fysieke heelal is – niet meer dan het omhulsel of de drager van alle andere – waardoor het twaalfvoudige heelal ontstaat dat door veel filosofen uit de oudheid, onder wie Plato, wordt genoemd.

Als we het bovenstaande op een zonneketen toepassen (of op een planeetketen van twaalf bollen), zien we dat elk van die ketens de manifestatie is van een logoïsche hiërarch, die haar hoogste logos is. Elk van de twaalf bollen van de zonneketen is het voortbrengsel, en in zekere zin de woning, van één van de twaalf stralen van de zonnelogos of zonnehiërarch. De analogie met de constitutie van de mens is volmaakt: onze atman is onze hoogste hiërarch, en de verschillende brandpunten in elk waarvan een monade huist, zijn de centra van de stralen die uit de atman emaneren.

Laten we onze zon als voorbeeld nemen; elk van de twaalf stralen die uit deze zonnelogos emaneren is zelf een lagere logos, die op zijn beurt, omdat hij twaalfvoudig is, de zonnestraal is die een van de heilige planeetketens leidt en bewaakt. Evenzo is elke bol van zo’n planeetketen de bijzondere woonplaats van één van de twaalf lagere stralen in elk van die lagere logoi.

De Latijnse dichter Martianus Capella sprak over de zon ‘wiens heilige hoofd is omcirkeld door tweemaal zes stralen’. Deze stralen vertegenwoordigen de tweemaal zes krachten of bollen van de zonneketen. Natuurlijk zijn er, zoals bij alle planeetketens, in werkelijkheid tien bollen en twee ‘polaire schakels’. Deze twaalf krachten van de zon zijn de twaalf krachten van de zonnelogos – de gemanifesteerde zonnegod – en natuurlijk moeten zij hun eigen werkgebied hebben en eveneens de geschikte substanties om in te werken. In feite zijn ze zelf hun eigen woning. Zoals een slak zijn eigen slakkenhuis bouwt, bouwen zij hun eigen woning met een deel van zichzelf, maar blijven niettemin ervan gescheiden; zoals de geest en de ziel van een mens gescheiden blijven van zijn lichaam: erin en toch erboven, en in ware zin niet van het lichaam. Deze twaalf krachten vertegenwoordigen en zijn in feite de twaalf gebieden van het zonnestelsel.

Een van de mystieke namen voor de zon in de oude hindoeliteratuur is dvadasatman, letterlijk twaalf-zelvig. Van Surya, de zon, wordt daarom gezegd dat hij zowel twaalfvoudig als zevenvoudig is. Deze twaalf (of zeven) zelven kunnen worden gezien als individuele logoi of, tot een eenheid verbonden, als de zonnelogos of hiërarch – zoals een straal zonlicht die is samengesteld uit de zeven kleuren van het spectrum – en worden soms aditya’s genoemd, wat geboren uit Aditi of de Ruimte betekent; en elk zo’n aditya of lagere zonnelogos is de besturende spirituele genius van zijn planeetketen en daarom zijn hiërarchische hoofd.

In De Geheime Leer (2:31vn) lezen we:

‘Zoals boven, zo ook beneden’ is het grondaxioma van de occulte filosofie. Omdat de logos zevenvoudig is, d.w.z. door heel de Kosmos verschijnt als zeven logoi in zeven verschillende vormen of, zoals geleerde brahmanen verkondigen, ‘elk van deze de centrale figuur is van een van de zeven hoofdafdelingen van de oude wijsheid-religie’; en omdat de zeven beginselen die corresponderen met de zeven verschillende toestanden van prajña of bewustzijn, in verband staan met de zeven toestanden van de stof en de zeven vormen van kracht, moet de verdeling dezelfde zijn in alles wat de aarde betreft.

Bedenk tenslotte dat de eerste logos het kosmische bewustzijn is, de top of het brahman van elke hiërarchie en deze brahmans zijn talloos in de onbegrensde Ruimte. Elk zonnestelsel is zo’n brahman op zonnestelsel-schaal; elk melkwegstelsel vertegenwoordigt of is er één op galactische schaal; en dit is ook het geval met elke planeetketen. Ieder mens heeft zijn eigen individuele brahman, het hoogste punt van zijn wezen, zijn eerste logos.

Wij zijn allen kinderen van de eerste logos, leven van zijn leven, bewustzijn van zijn bewustzijn. Hoe meer we opstijgen naar de hogere delen van ons wezen, des te meer worden we ons bewust van dit één-zijn. Toch zijn al deze kosmische brahmans, kosmische bewustzijnen, ‘eerste logoi’, de nakomelingen van het grenzeloze, ‘vonken van de eeuwigheid’, die komen en gaan in de eindeloze duur. Daarom wordt van parabrahman gezegd dat het zowel bewust als onbewust is, zich manifesterend en niet manifesterend, geest en stof, omdat het beide is en geen van beide. Het is beide, omdat het grenzeloze deze aspecten van zijn wezen in eeuwigheid geboren doet worden en ze dan weer terugontvangt – zoals de geest in ons de wortel is die ons voortbrengt, en die we toch niet zijn. We zijn slechts zijn zwakke straal, die eens in het brahman in ons, onze eerste logos, zal worden teruggetrokken. En daarin zal het gemanifesteerde wezen een tijdlang sluimeren, om dan opnieuw te verschijnen.

Zo worden werelden geboren uit de diepten van het grenzeloze en keren ze erin terug, net zoals mensen worden geboren uit het brahman in hen, uit hun aurische ei, en daarin terugkeren. Als het zonnestelsel zijn einde heeft bereikt, zullen alle wezens daarin in het grenzeloze worden teruggetrokken voor een nog hogere rust, om als logoïsche stralen weer tevoorschijn te komen wanneer een nieuw kosmisch levensdrama begint.

 


Bron van het occultisme, blz. 203-9

© 2006  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag