Bron van het occultisme / G. de Purucker

Een moderne presentatie van de oude universele wijsheid
gebaseerd op
De Geheime Leer van H.P. Blavatsky

geredigeerd door Grace F. Knoche

isbn 9070328720, gebonden, bestel boek

Uit deze uitgave mag alleen met toestemming van de uitgever
iets worden overgenomen.

© 2006   Theosophical University Press Agency, Den Haag

 

 

   
      Inhoudsopgave     

 

Het stille, smalle pad


Alle esoterische scholen hebben onderwezen dat de werkelijke basis van hun bestaan was: ‘Mens, ken uzelf!’ Zo is het altijd geweest en de sleutel daartoe is op verschillende manieren te vinden; door na te denken over het lijden dat het persoonlijke bewustzijn ondergaat voor het zich uit de ingewikkelde doolhof van zelfzucht heeft bevrijd; op een meer exoterisch vlak ook door de majestueuze literatuur te bestuderen, het werk van het verstand, het hart en de ziel van de zieners en wijzen uit alle tijdperken; en wat het allerbelangrijkste is, door liefde voor anderen en een volkomen zelfvergetelheid aan te kweken. Daarin ligt het mysterie van boeddhaschap, van het christus-zijn: het vergeten van zichzelf, het opgaan in een alomvattende, onbeperkte en onbegrensde liefde voor al wat is.

Sommigen denken dat het pad van spirituele ontwikkeling ver weg ligt achter de bergen van de toekomst, bijna onbereikbaar, terwijl er in werkelijkheid een betrekkelijk smal grensgebied ligt tussen het gewone leven en dat wat door de neofiet of chela wordt geleid. Het verschil ligt in essentie in iemands zienswijze en niet in metafysische afstand. Het is hetzelfde verschil dat bestaat tussen iemand die in de macht van de verleiding komt en er daarna de slaaf van wordt en een ander die de verleiding met succes weerstaat en er meester over wordt.

Iedereen kan het pad betreden als zijn wil, zijn toewijding en verlangens erop zijn gericht anderen meer te dienen. De enige dingen die hem verhinderen deze grootse stap te doen zijn zijn opvattingen, zijn psychische en mentale vooroordelen, die hem een vertekend beeld geven. We zijn allen aan het leren, we hebben allen illusies. Zelfs de mahatma’s en adepten hebben illusies, zij het van een heel subtiele en verheven aard, die hen verhinderen nog hoger te gaan – en dit is een van de redenen dat ze zo meedogend zijn tegenover hen die hetzelfde pad proberen te betreden dat zij in het verleden met succes zijn gegaan.

De snelste manier om deze illusies te overwinnen is door ze van hun wortel te ontdoen, en die wortel is zelfzucht in haar talrijke vormen. Zelfs het verlangen naar vooruitgang, als het alleen de eigen vooruitgang betreft, berust op zelfzucht, die op haar beurt haar eigen subtiele en krachtige maya’s schept. Daarom zal elk streven om te slagen, tenzij het van ieder persoonlijk element is gezuiverd, onvermijdelijk mislukken, want de weg van innerlijke groei is zelfvergetelheid, het opgeven van persoonlijke ambities en verlangens van welke aard ook, en een onpersoonlijk dienaar worden van al wat leeft.

Maar wel moet worden opgemerkt dat het doel van het ware occultisme niet is ‘discipelen voort te brengen’ of weerbarstig menselijk materiaal om te zetten in mensen die alleen hun eigen vooruitgang nastreven. Het doel is veeleer onze onvolmaakte menselijke natuur zo om te vormen, dat ze eerst edeler van aard wordt en tenslotte goddelijk – en wel door de zeer oude en traditionele methoden van onderricht en discipline, die al eeuwenlang zijn erkend en gevolgd.

Chelaschap is een visie waaruit overtuiging en gericht handelen voortvloeien. Alle regels voor ethisch gedrag waarover men in de grootse literatuur van de oude filosofieën en ook in de theosofische geschriften kan lezen, zijn eenvoudig krachtige middelen om de aspirant te helpen zich van zelfzucht te zuiveren. De ware ethiek is ongeschreven; ze staat dus niet bloot aan dogmatisme en kan niet gemakkelijk worden overheerst door conventionele opvattingen of misvattingen van hen die alleen over woorden debatteren en twisten. In wezen is het uiterst eenvoudig, want de mooiste en meest omvattende waarheden zijn altijd de eenvoudigste. Er zijn ogenblikken dat ik mijn pen opzij leg en tegen mezelf zeg: laten we het alleen hebben over eenvoudige waarheden die kinderen met hun onbedorven aard en hun direct en snel vermogen tot waarneming kunnen vatten. Het is moeilijk om een kind voortdurend te bedriegen. Maar wanneer er wordt gezegd dat de neofiet de kinderstaat moet herwinnen, betekent dat niet kinderlijkheid of domheid! Wat we nodig hebben is het hart van een kind – dat vertrouwt, dat intuïtief en wakker is.

Training van het intellect is erg waardevol en heel nuttig, maar te worden als een ‘kind’ is voor de mens de moeilijkste les. Het hersenverstand is een goed instrument wanneer het wordt geleid en geoefend, maar het is een tiran wanneer het zijn eigen oogmerken en impulsen kan volgen, want het is altijd zelfzuchtig; zijn inzicht is noodzakelijkerwijs beperkt tot de maalstroom van het lagere en begrensde gebied van het manasische bewustzijnscentrum van de persoonlijkheid. In de hogere natuur ligt het hogere begripsvermogen, en alleen dat kan de innerlijke betekenis van de leringen doorgronden. Het lagere denken kan enig succes boeken in het verstandelijk begrijpen ervan, maar alleen indien het wordt geholpen door het innerlijke begripsvermogen. Een mens kan heel oprecht zijn, heel verlangend om te weten, volkomen bereid om te experimenteren en te onderzoeken, en toch kan de buddhische luister totaal ontbreken. Het enige bewijs of iemand geschikt is wordt door de mens zelf geleverd. Als het licht van buddhi schijnt, zelfs al is het maar een vluchtige flikkering, dan is dat voldoende. Dan heeft die mens het esoterische recht om te weten.

Zelfoverwinning is het pad van groei. Deze eenvoudige woorden omvatten de hele waarheid. Het is een langzame groei, zoals bij alle belangrijke dingen het geval is; en om te slagen moet de mens zichzelf ontplooien. Er is geen ander pad dan dat van innerlijke ontwikkeling, er is geen gemakkelijke weg: hij die zich niet kan beheersen in het dagelijks leven en niet weet wie of wat hij is, kan de gebeurtenissen en ervaringen niet beheersen die zich onvermijdelijk voordoen voor ieder die, zelfs al is het in geringe mate, erin slaagt die ‘zeer smalle poort’ te naderen.

Het is een vreemde paradox: als men meester over zichzelf wil worden, moet men volkomen onzelfzuchtig zijn en toch moet men volkomen zichzelf zijn. Het lagere zelf moet worden uitgeschakeld – niet gedood, maar uitgeschakeld, dat wil zeggen naar binnen teruggetrokken en opgenomen in het hogere zelf. Want het hogere zelf is ons essentiële of werkelijke zijn, en het lagere zelf is daarvan slechts een straal – bezoedeld, bij wijze van spreken onrein geworden, omdat het zich hecht aan deze wereld met haar ontelbare begoochelingen.

De mensen die het gemakkelijkst worden bedrogen zijn zij die het meest door maya worden omhuld; en dat zijn vaak zij die zogenaamd wereldwijs zijn. U kunt een adept niet bedriegen, omdat hij de poging tot bedrog onmiddellijk zou doorzien; en de reden is dat u hem, bij wijze van spreken, niet in het net van persoonlijke gehechtheid kunt vangen. Niets wat u zegt of doet zal hem beïnvloeden of hem tot uw gedachten aantrekken als die ook maar enigszins zelfzuchtig, niet universeel, zijn. Hij staat boven deze illusies, heeft zich daardoorheen geworsteld, heeft ze doorgrond en afgewezen. Toch voelen de meesters, zelfs vóór we dat zelf beseffen, de geringste werking van de ware chela-geest. Het beroep dat op hen wordt gedaan is zeer krachtig en daarna ontstaat snel een band van magnetische sympathie.

Laten we deze gedachtelijn doortrekken: wanneer een neofiet een weloverwogen en besliste keuze doet met de volle kracht van zijn wezen, ontsteekt hij een innerlijk licht en dat is de buddhische luister; en dit wordt, zoals gezegd, vol begrip waargenomen, nauwlettend gevolgd en met zorg omgeven door de leraren, en zo wordt hij een ‘aangenomen chela’. Hoelang blijft hij dat? Niemand wordt uitgekozen door rondreizende magiërs die door de wereld trekken en selecteren wat ze goed materiaal achten – beslist niet. De keuze ligt bij de individuele mens; hij kiest zijn pad, hij neemt zijn besluit; en als het buddhische licht wordt gezien, al is het maar een vonk, dan wordt hij aangenomen, hoewel hij misschien voorlopig zelf van dat feit niet op de hoogte is. Daarna hangt het helemaal van hemzelf af of hij al dan niet slaagt.

Het komt heel zelden voor dat iemand direct weet dat hij is aangenomen, want de normale regel is dat hij op duizenderlei manieren wordt beproefd, en deze beproevingen vloeien voort uit de gewone gebeurtenissen van het leven en de reacties van de aspirant daarop. Zodra hij echter bekend is met zijn leraar, wordt het pad zowel gemakkelijker als moeilijker – gemakkelijker door de nieuwe overtuiging dat er althans enig succes is behaald, en ook door de moed en het zelfvertrouwen die hiervan het gevolg zijn; zeer veel moeilijker omdat hij vanaf dat moment meer rechtstreeks wordt getraind en geleid, en kleine misstappen of een geringe terugval waarvoor in het begin grote toegeeflijkheid werd betoond, voortaan zeer ernstige gevolgen hebben.

Bovendien maakt geen enkele leraar zich aan zijn discipel bekend vóór deze laatste uit zijn eigen innerlijke wezen vele leerzame waarschuwingen heeft ontvangen. De reden is duidelijk: niemand wordt ooit aangenomen vóór hij daadwerkelijk door zijn eigen innerlijke god is aangenomen, dat wil zeggen voor hij zich min of meer bewust is geworden van de werking van een wonderbaarlijk mysterie in hemzelf.

Een zekere mate van vooruitgang is natuurlijk noodzakelijk voordat een dergelijke keuze kan worden gedaan; maar ieder normaal mens kan die keuze doen, omdat geest en stof in hem een min of meer stabiel evenwicht hebben bereikt. Met andere woorden, iedereen die het christuslicht in zijn denken en zijn hart kan opwekken, kan op elk moment een begin maken met chelaschap. Waar het om gaat is het offeren van het lagere zelf op het altaar; en geen menselijke kreet om hulp wordt ooit vergeefs geslaakt, als die kreet om meer licht onpersoonlijk is. De toetssteen is onpersoonlijkheid.

Laten we echter niet denken dat de woorden zelfverloochening en offer, die vaak worden gebruikt, het verlies van iets waardevols betekenen. Integendeel, in plaats van een verlies is het een niet te beschrijven winst. Het opgeven van dingen die verlagen, die iemand klein en onbeduidend maken, betekent het afwerpen van onze boeien en het verwerven van vrijheid en de rijkdommen van het innerlijke leven, en bovenal de zelfbewuste erkenning van ons essentiële één-zijn met het Al.

Men moet goed begrijpen dat deze training, die neerkomt op studie en discipline en voortkomt uit de spirituele en verstandelijke roerselen van de ziel van de leerling zelf, nooit een aantasting van of inbreuk op de rechten of plichten van zijn gezin betekent of ooit zal betekenen. Chelaschap is niet iets vreemds, iets zonderlings of excentrieks. Als dat zo was zou het geen chelaschap zijn. Het is het meest natuurlijke pad dat we kunnen proberen te volgen, want door ons te verbinden met het edelste in ons, verbinden we ons met de spirituele krachten die het heelal beheersen en leiden. Dat is een inspirerende gedachte.

Het leven van een neofiet is heel mooi en wordt steeds mooier naarmate zelfvergetelheid een steeds grotere rol in zijn leven gaat spelen. Soms is het ook heel droevig en die droefheid ontstaat door zijn onvermogen zichzelf te vergeten. Hij beseft dat hij heel, heel eenzaam is, dat zijn hart hunkert naar kameraadschap. Met andere woorden, het menselijke deel in hem verlangt naar steun. Maar het is juist de afwezigheid van deze zwakheden die iemand tot een meester van het leven maakt: het vermogen alleen te staan, rechtop en sterk onder alle omstandigheden. Maar denk nooit dat de mahatma’s een soort uitgedroogde mensen zijn, zonder menselijke gevoelens of menselijke sympathie. Het tegendeel is waar. Er is een veel actiever leven in hen dan in ons, een veel sterkere en sneller kloppende levensstroom; hun sympathieën zijn zo verruimd dat we ze zelfs niet zouden kunnen begrijpen, hoewel dat eens wel het geval zal zijn. Hun liefde omvat alles; ze zijn onpersoonlijk en daarom worden ze universeel.

Chelaschap betekent proberen de meester die in ons eigen wezen woont tevoorschijn te roepen, want hij is daar nu.

Er komt echter een tijd, als men ver genoeg is gevorderd, dat zelfs de familieplichten moeten worden opzijgezet, maar dan zullen de omstandigheden zo zijn dat dit in werkelijkheid een zegen is voor de persoon zelf en voor degene tegenover wie die plicht vroeger bestond. Maar niemand moet zich laten misleiden door de gevaarlijke leer dat hoe hoger een mens stijgt, des te minder hij door de ethische wet is gebonden. Juist het omgekeerde is waar; een ander kwaad berokkenen is nooit goed.

Bij geen enkele stap op dit verheven pad is er sprake van enige dwang van buitenaf, behalve die verheven dwang die voortkomt uit het verlangen van de ziel van de aspirant zelf om steeds verder en verder binnenwaarts en omhoog te gaan. In de beginperiode wordt elke stap gekenmerkt door het zich ontdoen van een deel van de persoonlijke boeien en onvolmaaktheden die ons op deze gebieden van de stof geketend houden. Er wordt ons herhaaldelijk en met nadruk gezegd dat de meest verheven levensregel is in ons eigen wezen een onsterfelijk mededogen aan te kweken met al wat is, waardoor we onzelfzuchtig worden en waardoor ook de monade op haar tocht tenslotte in staat is het zelf van de kosmische geest te worden, zonder dat die monade haar individualiteit verliest.

In het bovenstaande ligt het geheim van de vooruitgang: om groter te zijn moet men groter worden; om groter te worden moet men het kleinere opgeven; om in zijn denken en zijn leven een zonnestelsel te omvatten, moet men de beperkingen van de persoonlijkheid, van het louter menselijke opgeven, dat wil zeggen, men moet eraan ontgroeien en ze te boven komen. Door het lagere zelf af te leggen worden we deel van het grotere zelf van zelfloosheid. Niemand kan één enkele stap vooruit doen naar het grotere zelf, dat zijn eigen hogere natuur nu al is, vóór hij leert dat ‘leven voor zichzelf’ betekent dat men afdaalt in steeds dichtere en beperktere sferen, en dat ‘leven voor al wat is’ betekent dat zijn eigen ziel zich uitbreidt tot het grotere leven. Alle mysteries van het heelal zijn latent in ons aanwezig, al zijn geheimen liggen daar, en alle vooruitgang in esoterische kennis en wijsheid is slechts een zich ontvouwen van wat er innerlijk al is.

Hoe nietig lijken de menselijke moeilijkheden die ons zo plagen en een zo schrijnende last betekenen, als we ons denken toestaan zich met deze oneindig troostvolle werkelijkheden bezig te houden. Geen wonder dat de christelijke schrijver verklaarde dat er zelfs geen mus uit de hemel valt zonder dat het goddelijke dat weet; dat er zelfs geen haar op ons hoofd is die niet is geteld of waarvoor niet wordt gezorgd. Hoeveel meer geldt dat dan voor onszelf. Zelfs deze wereld van schijnbeelden en schaduwen is een wezenlijk en onafscheidelijk deel van het grenzeloze waaruit we voortkwamen; eens zullen we tot het goddelijke hart ervan terugkeren op de vleugels van de ervaringen die we hebben gehad, vleugels die ons over de valleien naar de verre bergtoppen van de geest zullen voeren.

 


Bron van het occultisme, blz. 16-22

© 2006  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag