Bron van het occultisme / G. de Purucker

Een moderne presentatie van de oude universele wijsheid
gebaseerd op
De Geheime Leer van H.P. Blavatsky

geredigeerd door Grace F. Knoche

isbn 9070328720, gebonden, bestel boek

Uit deze uitgave mag alleen met toestemming van de uitgever
iets worden overgenomen.

© 2006   Theosophical University Press Agency, Den Haag

 

 

   
      Inhoudsopgave     

 

Monaden, bewustzijnscentra


De ‘drietongige vlam’ die nooit sterft, is de onsterfelijke spirituele triade – de atma-buddhi en het manas, of beter gezegd de vrucht van het laatste, die door de eerste twee na elk aards leven is opgenomen. De ‘vier pitten’ die uitgaan en worden gedoofd, zijn de vier lagere beginselen, waaronder het lichaam. . . .

Zoals miljarden heldere vonken dansen op de wateren van een oceaan, waarboven een en dezelfde maan schijnt, zo fonkelen en dansen onze vergankelijke persoonlijkheden – de bedrieglijke omhulsels van het onsterfelijke monade-ego – op de golven van maya. Evenals de duizenden vonken, voortgebracht door de stralen van de maan, duren en verschijnen zij slechts zolang de koningin van de nacht haar glans uitstraalt over de stromende wateren van het leven: het tijdperk van een manvantara. Dan verdwijnen ze; alleen de stralen – symbolen van onze eeuwige spirituele ego’s – leven voort, weer opgegaan in en één met de moederbron, zoals tevoren.     – De Geheime Leer, 1:264-5

Elk mathematisch punt in de Ruimte is een bewustzijnscentrum, een monade – een ‘individu’, het laatste punt dat niet meer deelbaar is, het verdwijnpunt. Bedenk wat deze gedachte inhoudt. In alles om ons heen – al het materiaal in een gebouw, de substantie van al onze lichamen, de atomen, moleculen, elektronen, alle zogenaamde mathematische punten, in de lucht of in de wereld of in de omringende ruimte van de innerlijke gebieden, hoog en laag – geldt dezelfde regel, want de Ruimte is een enorme verzameling bewustzijnspunten.

We zijn omringd door zeer stoffelijke dingen, door allerlei soorten entiteiten; in onze eigen wereld, bijvoorbeeld, door scheikundige verbindingen: steen en hout, water, planten en vlees, en wat al niet. Die bestaan alle uiteindelijk uit monaden. Als we ons onderzoek steeds verder en meer binnenwaarts voortzetten, zover als we kunnen, beseffen we dat we nooit een einde bereiken; toch komt het denken tenslotte bij een steunpunt dat het een mathematisch centrum noemt, de kern van de kern van een entiteit – en dat is de monade, een spirituele individualiteit die in haar kern goddelijk is. In dit verband spraken de Ouden van de wateren van de Ruimte; elke druppel of monade daarvan komt voort uit de omringende Oceaan van bewustzijn en keert uiteindelijk daarin terug. Of, zoals de Heer Boeddha zou hebben gezegd: de ‘dauwdruppel vloeit in de stralende zee’ – om daaruit aan het begin van een toekomstig manvantara weer tevoorschijn te komen. De monas monadum, dat wil zeggen de kosmische monade, is eenvoudig de verzameling monaden waarvan ze tegelijk de ouder en het uiteindelijke doel is. Ze is op haar beurt slechts een nietige monade in een nog veel grotere superkosmische entiteit.

Hoever de geest ook in de diepten van het denken doordringt, hij zal daarin nooit méér bereiken dan een zich voortdurend uitbreidend bewustzijn van zichzelf: het uiteindelijke zelf, de innerlijke god, de atman. Dat is de monade. Dat is het blijvende individu, de spirituele individualiteit, het ondeelbare deel van ons. Het hart van de monade, haar hoogste bron van leven en intelligentie, is een goddelijke monade, de innerlijke god. Maar het woord monade wordt in algemene zin voor een verscheidenheid van bewustzijnscentra in de mens gebruikt. Er is een spirituele monade, nakomeling van de goddelijke monade; dan een menselijke monade, nakomeling van de spirituele monade; er is een vitaal-astrale monade, nakomeling van de menselijke monade. Deze vormen alle tezamen de menselijke constitutie. Elk van deze monaden, van welke graad ook, is een evoluerende entiteit. Alles wat wij als mensen zijn, ontlenen we tenslotte aan de monadische essentie die het meest innerlijke omgeeft. Onze spirituele intelligentie, onze impulsen die ons aanzetten tot edele gedachten, tot goede en broederlijke daden, de impulsen die ons hart met mededogen vervullen, de liefde die ons zo siert, de meest verheven intuïties waar onze natuur toe in staat is – ze komen alle voort uit de monade en zijn daarin geworteld. De spirituele monade, die het ‘hart’ van het reïncarnerende ego is, is zelf geworteld in de goddelijke monade of innerlijke god, het onvergankelijke deel van ons. Zonder de invloeden of stralen van de monade die ons menselijk bewustzijn binnenstromen, zouden we niet meer dan menselijke dieren zijn. De monade zou er wel zijn maar niet actief, en we zouden wel mensen zijn maar spiritueel verduisterd en niet ontwaakt.

De ziel, die evenals een monade een samengestelde entiteit is, is eenvoudig het kleed of de psychomentale sluier van een monade die juist dat stadium doormaakt van haar eeuwigdurende omzwervingen door de periodieke tijd en door de hiërarchische ruimte. Het middel waardoor deze monade zich op elk willekeurig gebied tot uitdrukking brengt, is een ziel. De ziel werkt op haar beurt door haar eigen voertuig, dat etherisch of fysiek is. Mystiek gezien kan het fysieke lichaam zelf een samengestelde monade van het fysieke gebied worden genoemd, omdat het uit mathematische punten bestaat, kleine levens of monaden voor wie de ziel de monade der monaden is van deze lichamelijke hiërarchie; terwijl de monade boven de ziel weer haar supermonade of monas monadum is.

Dit is een wonderlijk mysterie: de universele aard van bewustzijn. Het toont aan hoe verkeerd het is dat we onze gedachten laten verstarren, dat we ze in hokjes opbergen. In zaken die het bewustzijn betreffen kan men dat niet doen. We moeten onze ideeën vloeiend houden, als ether – ja, als het bewustzijn zelf! Het bewustzijn van een mens, bijvoorbeeld, bevindt zich in zijn hele lichaam, maar heeft zijn verschillende brandpunten of punten van bijzondere activiteit in de organen van het lichaam. (Het bewustzijn kan zich in een orgaan lokaliseren, of zelfs in een bepaald punt van het lichaam; maar dat kost veel energie.) Op analoge wijze zien we dat het bewustzijn van de kosmische monade universeel is, en dat wij ons allen eeuwig daarin bevinden, terwijl we voortdurend ons bewustzijn erin verruimen en uitbreiden, wat in feite betekent dat we ons bewuste zelf ontwikkelen.

Het heelal brengt zijn innerlijke krachten, vermogens en structuur tot uitdrukking door middel van afwisselende tijdperken van wereld-manifestatie en van wereld-rust. Aan het begin van ieder manvantara begint het te ontvouwen wat innerlijk aanwezig is; en wanneer dat manvantara tenslotte eindigt, zijn alle monaden van de verschillende hiërarchieën en klassen in het heelal een stap omhooggegaan op de eindeloze ladder van het kosmische leven. Als een individueel wezen beschouwd heeft een heelal dus geen begin en geen einde, afgezien van de fasen van zijn groeiproces, de tijdperken van manifestatie en pralaya – net zoals een menselijke incarnatie een bepaald begin en een bepaald einde heeft in wat we geboorte en dood noemen; maar het innerlijke, spirituele bewustzijn stroomt eeuwig door.

Een ding kan een mens nooit doen en dat is zichzelf vernietigen, omdat hij, als een individuele druppel van de kosmische zee, een individuele monade is die voortdurend, van binnenuit, als uit een artesische put, steeds toenemende stromen van bewustzijn uitstort.

Een monade begint haar evolutionaire loopbaan in elk van deze grote manvantara’s op het laagste punt. Ze kan niet ergens anders beginnen, omdat men een ladder niet kan beklimmen door aan de top te beginnen en omlaag te gaan. Zo is het ook met de monaden: ze komen een manvantara binnen bij het begin van de dingen. Ze doen dat als pure monaden en ontwikkelen geleidelijk bekleedsels van bewustzijn om zich heen die geschikt zijn voor het gebied waar ze op dat moment doorheen trekken; en deze bekleedsels bestaan uit nog minder ontwikkelde monaden, die de hoofdmonade volgen – kind-monaden, die ze in vroegere manvantara’s geboren deed worden. Maar de kern van elke monade die aan haar nieuwe mahamanvantarische evolutie begint, is een monade afkomstig uit het voorafgaande mahamanvantara.

De monaden treden dus aan het begin van het manvantara de drie elementalenrijken binnen en vervolgen hun weg langs de schaal omhoog naar de goden. Maar vanwaar komen de drie elementalenrijken? Van de monaden die het hart van elk van deze elementalen vormen. Elk wezen – god, halfgod, mens en alle submenselijke entiteiten van alle klassen – elk is in diepste wezen een monade die door dat bepaalde stadium van haar evolutie gaat. Alle impulsen hebben hun oorsprong in de monade. Alle substanties vloeien voort uit het hart van de monade. Het hele bewustzijn huist in de kern van de monade, alle gedachten ontspringen in hun diepste oorsprong aan de bewustzijnsstroom die uit haar bron opwelt.

Al deze entiteiten, van de elementalen tot de goden en zo steeds verder, zijn voertuigen die uitdrukking geven aan diverse stadia van de lange, lange evolutiereis van de monaden door ruimte en tijd. Een god is evengoed zo’n voertuig als een mens, maar van een veel edeler spirituele kwaliteit. Ook een elementaal is een voertuig van een monade. Kunnen we ooit een uiterste bereiken, een absoluut einde, door steeds dieper en dieper tot het hart van het hart van de monade door te dringen? Nooit; want haar wortel is de oneindigheid.

Bepaalde monaden waren tegen het einde van het vorige mahamanvantara al zover geëvolueerd, dat ze bij het begin van het nieuwe mahamanvantara in zijn openingsstadia weinig te leren hadden, en daarom heel snel door deze lagere stadia heen gingen. Maar hun kind-monaden, stralen van henzelf, komen bij het begin van zo’n nieuw mahamanvantara tot actieve manifestatie en moeten daarom al deze lagere stadia doorlopen als nieuwe schoolklassen van ervaring.

Elke ‘geslaagde’ monade is een monas monadum; ze zijn de gidsen en spirituele helpers van de minder ontwikkelde monaden, hun eigen kinderen die achter hen aan komen. Dat is de essentiële gedachte van de leer van de hiërarchie van mededogen.

De oude hindoes spraken van een ‘anu’, wat uiterst klein of atomair betekent; het is dus een monade in haar laagste gebieden van kosmische expressie. Wanneer we monade zeggen, denken we dan aan grootte, volume of omvang? Nee, want we beseffen intuïtief dat het een bewustzijnspunt is, een uiterst klein iets, waarvan de essentie niettemin universeel is, omdat het een druppel is van het universele bewustzijn. Een monade (letterlijk ‘één’) kan nooit worden verdeeld; ze is een individu en toch alomvattend, omdat het hart ervan de oneindigheid is. Het begin van een cirkel is ook zijn einde; zo is ook het Oneindige het ultra-uiterst-kleine. De geest of het zelf in ons vat en begrijpt die gedachte omdat hij die in zich bevat; maar het hersen-verstand, dat vasthoudt aan afmetingen, begrijpt haar niet, want het is niet voldoende geëvolueerd. Toch is zelfs het hersenverstand een nog niet ontwikkelde monade.

Daarom gaven de hindoefilosofen uit de oudheid anu de naam brahman, want brahman is zowel het universele als het ultra-uiterst-kleine. De dauwdruppel verschilt niet van de glinsterende zee, en wanneer hij terugkeert naar de bron waaruit hij voortkwam, is hij weer één met het water van zijn bron. Zo is en werkt het bewustzijn; lichamen en vormen zijn en werken niet zo. We moeten proberen in termen van bewustzijn te denken, in termen van begrip. Als we ons de monade voorstellen met fysieke afmetingen zullen we de essentiële gedachte nooit vatten, omdat we er dan beperkingen aan geven die deze niet heeft. De zin, ‘hij wordt één met het water’, betekent niet dat de monadische essentie die de dauwdruppel voortbrengt zich met het water verenigt. De dauwdruppel is het fysieke voertuig van de innerlijke monade en valt, net als onze menselijke lichamen, uiteen in zijn samenstellende delen, die in het prithivi-tattva van de natuur worden verspreid; maar de monade blijft het individu, het ondeelbare bewustzijnscentrum, en zal als het moment daarvoor aanbreekt haar levensatomen weer verzamelen en opnieuw de dauwdruppel voortbrengen die eens was en nu weer is – de ‘wederopstanding van het lichaam’, zoals de christenen het zouden formuleren.

De jivanmukta of bevrijde monade wordt dus bij het beëindigen van het manvantara weer het brahman waarvan hij oorspronkelijk als een straal uitging, maar hij verenigt zich niet eeuwig met dat brahman, want bij de aanvang van het kosmische drama van het daaropvolgende manvantara komt de monade weer tevoorschijn en begint ze haar nieuwe omzwervingen in hogere gebieden dan die waaruit ze zich vroeger heeft bevrijd als een jivanmukta.

Een van de ‘heilige sloka’s’, geciteerd in De Geheime Leer (2:87), luidt als volgt:

‘De stralende draad die onvergankelijk is en slechts in nirvana oplost, komt daaruit ongeschonden weer tevoorschijn op de dag waarop de Grote Wet alle dingen tot werkzaamheid terugroept.’

Het woord anu, het kleinst denkbare deeltje stof, heeft ongeveer dezelfde onbepaalde betekenis die het atoom heeft in het moderne filosofische en wetenschappelijke denken. Jiva betekent leven, en ook een levende entiteit. Laten we dan een term bedenken voor de ziel van een anu en die een jivanu noemen, een ‘levensatoom’, een uiterst klein leventje, de ‘ziel’ van het atoom van de scheikunde. Daarboven, als zijn ouder, zouden we een paramanu kunnen plaatsen (parama betekent oorspronkelijk, eerste van een reeks). We krijgen dan anu, het atoom; jivanu, het levensatoom; paramanu, het hoogste atoom of de atomaire monade.

De paramanu of atomaire monade blijft gedurende het hele kosmische manvantara bestaan zonder dat haar kracht vermindert of het bewustzijn eindigt. Het levensatoom of de jivanu blijft slechts een bepaalde tijdsduur bestaan binnen het kosmische manvantara. Evenals ons fysieke lichaam is de anu vergankelijker en vluchtiger. Wanneer dus een levensatoom en een anu hun einde bereiken, moet de paramanu of atomaire monade zich opnieuw belichamen, een nieuw levensatoom en een nieuwe verzameling van uiterst kleine levens aannemen om een nieuwe anu* te vormen.

*Ik gebruik hier deze Sanskrietwoorden in hun strikt etymologische betekenis, en dus op een manier die iets verschilt van het gebruik ervan in de twee hindoescholen van Atomaire Filosofie – de Nyaya en de Vaiseshika – die aan deze woorden een eigen specifieke betekenis hebben gegeven.

Zo is het ook met de mens: onze monade blijft gedurende het hele kosmische manvantara bestaan. Onze ziel of ons reïncarnerende ego, die op overeenkomstige wijze het menselijk levensatoom in ons is, blijft voor de duur van de planeetketen bestaan; maar ons lichaam bestaat slechts één aards leven. Zo krijgen we dus de analogieën: paramanu, jivanu, anu; monade, zich wederbelichamend ego, lichaam; of in het christelijke stelsel, geest, ziel en lichaam. Iedere gemanifesteerde entiteit, op hetzij innerlijke of uiterlijke gebieden, hier of elders in de onbegrensde Ruimte, is op identieke wijze samengesteld. Haar hart, de kern ervan, is een individu of een monade, een geest, een god, die zijn ziel en zijn lichamen heeft.

Wanneer we zeggen dat een paramanu het hele kosmische manvantara lang blijft bestaan, zonder vermindering van kracht of beëindiging van bewustzijn, zien we de paramanu als de monadische essentie van een atoom; maar dit houdt niet in dat deze atomaire monadische essentie, wat haar ingeboren goddelijke en spirituele vermogens en krachten betreft, even ver is geëvolueerd als de monade van een godheid. Een paramanu en een goddelijke monade zijn in essentie één; maar een paramanu is als het ware latent of slapend, vergeleken met de goddelijke monade die haar transcendente vermogens volledig tot uitdrukking brengt, en die naar alle waarschijnlijkheid de monadische essentie van een jivanmukta is.*

*De Geheime Leer, 1:675-703.

Een andere manier om de drie hoofdverdelingen van het wezen van de mens te classificeren is die volgens de drie klassen van indriya’s, zoals die in de filosofie van de hindoes worden gegeven. Ze worden beschouwd als de organen of kanalen, of beter gezegd als de instrumenten door middel waarvan het ego zich in en door zijn bewustzijnsbekleedsels tot uitdrukking brengt: de buddhindriya’s, jñanendriya’s en de karmendriya’s. Vanuit het theosofische standpunt gezien zijn de buddhindriya’s, zoals het woord buddhi aantoont, wat men de organen of middelen zou kunnen noemen van spiritueel bewustzijn, gewaarwording, gevoel en handeling; de jñanendriya’s zijn die innerlijke organen en functies van bewustzijn die betrekking hebben op de verstandelijke, mentale en psychische delen van de menselijke constitutie; terwijl de karmendriya’s hun natuurlijke plaats hebben als de astraal-vitaal-fysieke organen van gevoel en van handeling op ons gebied, zoals het oor, de huid, het oog, de tong en de neus.

Om de esoterische filosofie te begrijpen is het het beste om lichamen te vergeten en ons te bepalen tot ons essentiële bewustzijn. De fatale fout van het westerse denken in al zijn disciplines van religie, filosofie en wetenschap is dat het zich concentreert op de lichamelijke aspecten en dus op het vergankelijke, het altijd veranderende. We zijn vergeten dat we de basisbeginselen kunnen begrijpen door ons daarop te richten en ze te bestuderen; en het meest fundamentele is de goddelijke zelfheid, het essentiële bewustzijn.

 


Bron van het occultisme, blz. 299-306

© 2006  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag