Esoterische discipline
We zullen ons nu rechtstreeks bezighouden met de vraag wat echte esoterische
training is. Elke neofiet wordt al bij de aanvang geleerd dat de eerste
stap is ‘leven voor het welzijn van de mensheid’ en de tweede
het in het dagelijks leven in praktijk brengen van de ‘zes verheven
deugden’ of paramita’s. Totdat hij elk verlangen naar persoonlijk
voordeel of gewin volledig heeft opgegeven, is hij ongeschikt om zelfs
maar te proberen het pad te betreden. Hij moet beginnen voor de wereld
te leven; en wanneer zijn ziel op onpersoonlijke wijze door dit verlangen
is ontvlamd, is hij gereed om althans een eerste poging te doen.
Het belangrijkste dat de aspirant moet begrijpen
is misschien dat, al wordt het chelapad bijna altijd voorgesteld als
een sombere lijdensweg vol eindeloze zelfopoffering, dit maar een manier
is om de waarheid tot uitdrukking te brengen. In werkelijkheid is het
de meest vreugdevolle levensweg en gedragslijn die een mens zich kan
voorstellen. Toch heb ik vaak het gevoel dat de moeilijkheden om een
heel goede reden wat te veel nadruk hebben gekregen: om te verhinderen
dat mensen met persoonlijke ambities daar binnensnellen waar engelen
zich niet durven te begeven. Het is goed dat dit zo is, omdat de gevaren
van allerlei aard die de ongeoefende en wankelmoedige kandidaat voor
occulte ontwikkeling bedreigen, heel reëel zijn, en de kans dat
hij een misstap doet of zijn voeten bezoedelt in het slijk van zijn
eigen lagere natuur zo groot is, dat de gegeven waarschuwingen niet
alleen humaan zijn en ingegeven door het grootst mogelijke mededogen,
maar tevens zijn bedoeld om te wijzen op de noodzaak van discipline,
die aan elke kennismaking met de mysteriën voorafgaat.
Om het nogmaals en beknopter te formuleren: het
pad van chelaschap is er een van onuitsprekelijk geluk voor hen die
geschikt zijn het te betreden. Het betekent voortdurend leven in het
hogere deel van hun wezen, waar niet alleen wijsheid en kennis wonen,
maar waar het hart steeds groeit in mededogen en liefde tot het tenslotte
het hele universum omvat. De schoonheid ervan is inderdaad zo verheven
dat er bijna altijd opzettelijk een sluier over wordt geworpen, zodat
hij die niet op zijn hoede is, niet in de verleiding wordt gebracht
de grens te overschrijden van die gebieden waar zijn longen de ijle
en levengevende aether nog niet kunnen inademen. Al veel te lang is
onze westerse wereld, ondanks de mooie ethische leringen van haar erkende
godsdienst, vergeten dat voor een belichaamd wezen het leven van de
geest het enige leven is dat de moeite waard is en in feite een voorbereiding
betekent op een zelfbewust bestaan voorbij de poorten van de dood, zonder
verlies van krachten en vermogens.
Chelaschap houdt dus in dat men leert om zich ‘thuis’
te voelen in andere rijken dan de fysieke sfeer; en het moet duidelijk
zijn dat een ongeoefend mens zo hulpeloos zou zijn als een pasgeboren
baby, wanneer hij werd geconfronteerd met de sterk veranderde omstandigheden
die zich bij iedere stap zouden voordoen als hij plotseling naar die
andere werelden werd verplaatst.
Esoterische training is het resultaat van bijna
ontelbare eeuwen van zeer zorgvuldige studie door de grootste wijzen
en edelste intellecten die de mensheid heeft voortgebracht. Ze is geen
willekeurige studie van voorschriften die de leerling zou moeten volgen,
al wordt er wel aangenomen en van hem verwacht dat hij bepaalde regels
volgt; maar ze betekent tevens de omzetting – of conversie, in
de oorspronkelijke betekenis van dit Latijnse woord – van het
persoonlijke in het spirituele, en het opgeven van alle beperkingen
die tot het gewone leven behoren ter wille van de vermogens en krachten
en de ruimere gebieden van handelen die aan de ingewijde of adept toebehoren,
overeenkomstig de graad van zijn ontwikkeling.
Niets is zo misleidend als het bedrieglijke licht
van maya. Vaak bevatten mooie bloemen een dodelijk gif – in de
knop of in de dorens; de honing ervan betekent de dood voor de ziel.
Geen enkele chela wordt ooit toegestaan psychische vermogens te ontwikkelen
voordat daarvoor een verheven basis is gelegd door het opwekken van
de spirituele en mentale krachten en vermogens: inzicht, wilskracht,
volstrekte zelfbeheersing en een hart vol liefde voor allen. Zo is de
wet. Daarom is het de beginneling niet alleen verboden krachten die
nu latent zijn op te wekken en te gebruiken, en vermogens te activeren
die in hem nog niet werkzaam zijn, maar zelfs zij die door vroeger karma
met zulke ontluikende innerlijke vermogens zijn geboren, moeten van
het gebruik ervan afzien als ze met hun training beginnen. De reden
daarvoor is dat een dergelijke training alomvattend is, dat wil zeggen,
ieder deel van zijn natuur moet in harmonische en symmetrische relatie
tot ieder ander deel worden gebracht, vóór men het pad
veilig kan betreden.
Er komt echter een tijd dat een leerling individueel
wordt begeleid en dat hem wordt geleerd hoe hij de ziel kan vrijmaken,
zodat ze minder door het lichaam wordt gehinderd, en hoe hij zich in
alle opzichten kan verheffen, en wel door met betrekking tot zijn gewoonten,
zijn gedrag en zijn denken bepaalde regels in acht te nemen. Ten eerste,
de filosofie – iets weten over het leven in het heelal; ten tweede,
discipline; en ten derde, de mysteriën. Dat is de volgorde; tot
op zekere hoogte lopen ze parallel, hoewel elk bijzondere nadruk krijgt
als de tijd daarvoor is aangebroken.
Laten we dit iets verder uitwerken. Ten eerste,
de filosofie; ze omvat leringen en een zekere mate van discipline, terwijl
vaag wordt aangegeven, aangeduid, wat de mysteriën zijn. Vervolgens
discipline, die ook met leringen gepaard gaat, maar bovenal wordt de
neofiet geleerd hoe hij zich moet beheersen, hoe hij moet handelen en
zich moet gedragen, waarbij wat duidelijker wordt gezinspeeld op de
komende mysteriën. Dan als derde, de mysteriën, wat praktisch
occultisme wordt genoemd, en waarbij aan de leerling wordt gewerkt en
hem wordt geleerd hoe hij de geest in hem, evenals zijn vermogens, vrij
kan maken, terwijl hij intussen een nog verhevener discipline ondergaat
en met een nog verhevener filosofie kennismaakt.
Er zijn zeven graden van inwijding. De eerste drie
zijn scholen voor discipline en onderricht. De vierde is daarmee vergelijkbaar,
maar veel grootser, want daarin begint de edele cyclus van inwijdingstraining.
Het hangt uitsluitend van de mens zelf af welke vooruitgang hij boekt.
De discipel is een vrij mens, met een vrije wil, en het is zijn bestemming
een god te worden die op zelfbewuste wijze deelheeft aan het besturen
van het heelal. Hij moet daarom zijn eigen weg kiezen, maar moet ervoor
waken dat hij zich bij het uitoefenen van het goddelijk vermogen van
de vrije wil niet door zijn egoïsme, zijn zelfzuchtige neigingen,
als daarvan nog iets over is, laat meeslepen naar het pad van de linkerhand.
Er loert gevaar bij iedere stap, een gevaar dat niet buiten hem maar
in hem schuilt.*
*Er wordt vaak gevraagd welke garantie er is dat een
aspirant de leringen niet verkeerd en misschien zonder onderscheid
doorgeeft. Er is geen absolute garantie. Dat is een van de redenen
waarom de grens altijd zo nauw wordt getrokken, en waarom er op de
juiste wijze moet worden geklopt.
Eén bescherming tegen het verraden van de leringen
van de hogere graden is het feit dat de wereld ze niet zou begrijpen
en zou denken dat degene die zo de meest heilige waarheid ter wereld
verraadt, gek is. De mensen beschouwen de dingen die ze niet begrijpen
altijd als dwaasheden – hoeveel genieën heeft men in het
begin van hun carrière niet voor ten dele gek gehouden!
Een andere bescherming is dat ieder die tot een van
de hogere graden behoort, zeer goed weet dat één enkel
geval van verraad voor hem het afsnijden betekent van alle onderricht
in de toekomst, en dat elke nieuwe graad de leringen verklaart die
in de vorige zijn gegeven. Daaruit volgt dat verraad in de derde graad,
bijvoorbeeld, zou betekenen verraad van een ‘sluier’ die
zelf nog moet worden verklaard of opgetild in de vierde graad, en
zo verder bij alle volgende graden.
Daarom is discipline in elk stadium noodzakelijk
en verschilt ze slechts hierin van die welke in alle vormen van menselijke
betrekkingen geldt, dat ze de oorsprong is van die spirituele en ethische
beginselen die als richtsnoer hebben gediend voor de beschavingen van
het verleden en de volkeren die deze hebben opgebouwd. De basis van
deze discipline is zelfvergetelheid, wat hetzelfde is als onpersoonlijkheid;
en om dat te bereiken zijn andere ondergeschikte voorschriften ingevoerd
door de wijzen en zieners die de stichters van de mystieke scholen uit
vroegere tijdperken waren.
De voorschriften zijn op zichzelf eenvoudig, zo
eenvoudig dat de noviet, nog onervaren in de occulte regels, vaak teleurgesteld
is dat hij niet iets moeilijkers moet volbrengen, maar hij vergeet dat
de grootste waarheden altijd de eenvoudigste zijn. Een zo’n regel
is dat men nooit moet terugslaan, nooit wraak moet nemen; het is beter
onrecht in stilte te ondergaan. Een andere is: zichzelf nooit rechtvaardigen,
geduld hebben en het vereffenen van karma aan de hogere wet overlaten.
Nog een regel, en misschien de belangrijkste van deze discipline is
leren vergeven en leren liefhebben. Dan komt al het overige op natuurlijke
wijze, en dringt stil en ongemerkt het bewustzijn binnen; men zal de
voorschriften intuïtief leren kennen, men zal lijden geduldig verdragen,
meedogend en grootmoedig zijn.
Is het niet prachtig als men kwaad niet met kwaad
vergeldt, geen poging doet zichzelf te rechtvaardigen, als men onrecht
vergeeft en zwijgt? Men kan deze regels niet genoeg ter harte nemen;
maar ze moeten wel op onpersoonlijke wijze worden gevolgd, zodat er
geen kans bestaat dat men over echt of vermeend kwaad zal gaan tobben.
Elk knagend gevoel van onrecht zou fataal zijn en zou betekenen dat
men, op passieve wijze, juist dat doet wat – passief of actief
– vermeden dient te worden.
De reden voor het verbod zich te verdedigen tegen
aanvallen of beschuldigingen is dat het een oefening is: een oefening
in zelfbeheersing, een oefening in liefde. Want geen discipline is zo
doeltreffend als de eigen inspanning. Bovendien zal een verdedigende
houding niet alleen de buitenkant van het aurische ei verharden, maar
zal dit in alle opzichten grover doen worden; ze versterkt telkens het
lagere persoonlijke zelf en dat betekent een oefening in tegenovergestelde
richting, die neigt naar ontbinding, onrust en haat. Laat de karmische
wet haar loop hebben. Het getuigt van een bijzonder inzicht en onderscheidingsvermogen
als men zich van de doeltreffendheid van deze houding bewust wordt.
Hoe meer een mens beseft dat hij – in het licht van zijn geweten
– goed heeft gehandeld, des te kleiner en onbelangrijker wordt
het gevoel onrecht te zijn aangedaan, het verlangen kwaad met kwaad
te vergelden en de koortsige behoefte aan zelfrechtvaardiging. Dit besef
maakt vergevensgezind en wekt het verlangen om meedogend en begripsvol
te leven.
Maar laten we de regel van zelfrechtvaardiging niet
betrekken op die verantwoordelijkheden die we als rechtschapen mannen
en vrouwen misschien dienen te vervullen. Het kan duidelijk onze plicht
zijn voor een beginsel dat op het spel staat op te komen, of iemand
te hulp te snellen die op onrechtvaardige wijze wordt aangevallen. Vastberadenheid
en weigeren deel te hebben aan het kwaad getuigen van menslievendheid.
Als we, uit angst om de gevoelens van iemand te kwetsen, het kwaad dat
voor onze ogen gebeurt toelaten, waardoor we er dus aan deelhebben,
is dat een sentimentele wandaad, een morele zwakheid die tot spirituele
achteruitgang leidt. Als we echter zelf worden aangevallen, kunnen we
beter in stilte lijden. Slechts zelden is het nodig onze eigen daden
te rechtvaardigen.
Als we de aanvechting van het lagere deel in ons,
dat wil bewijzen dat ‘wij gelijk hebben’, te boven komen,
dan lijkt dat misschien een negatieve daad, maar we zullen merken dat
het een zeer positief innerlijk handelen vereist. Het is onmiskenbaar
een spirituele en mentale oefening die zelfbeheersing leert en gelijkmoedigheid
met zich meebrengt. Door ons hierin te oefenen, gaan we langzamerhand
instinctief zien wat het standpunt van de ander is. Maar ook hierin
schuilt een subtiel gevaar, want deze handelwijze kan als men haar enige
tijd trouw volgt zo aantrekkelijk worden dat men het risico loopt een
gevoel van spirituele trots op het tot nu toe behaalde succes op te
wekken en te koesteren. Dat is iets waarvoor men op zijn hoede moet
zijn en dat men uit zijn ziel moet rukken.
Ik ken mensen die zich zo inspanden en zwoegden
om goed te zijn, dat ze bij anderen een spoor achterlieten van gebroken
harten en verijdelde hoop – ellende anderen aangedaan door hun
bezeten verlangen goed te doen. Ze verlangden zo vurig ernaar vooruit
te komen dat ze vergaten menselijk te zijn. Is het verkeerd een goed
boek te lezen, gezonde lichaamsbeweging te nemen, of te genieten van
het voedsel dat we gebruiken? Natuurlijk niet. Maar als men sterk is
gehecht aan iets dat veel genoegen verschaft en men verwaarloost een
plicht, dan moet men die gehechtheid overwinnen omdat ze kwaad sticht;
het is niet langer een onschuldig genoegen, maar is een ondeugd geworden.
De remedie is eenvoudig: onszelf vergeten en doen wat we kunnen voor
het welzijn van anderen. Dan zullen we gelukkig zijn, natuurlijk en
sterk, zowel spiritueel als mentaal, en worden we gerespecteerd, maar
bovenal: we zullen onszelf respecteren.
Dit brengt ons tot de volgende gedachte: we begaan
onze ergste fouten maar zelden door onze ondeugden; en de reden is dat
als ondeugden eenmaal als zodanig zijn herkend, we er zelden door worden
beheerst; we krijgen er een afkeer van en wijzen ze af. Feitelijk ontstaan
onze ernstigste fouten, wat inzicht en beoordeling betreft, uit onze
deugden – een paradox waarvan de psychologische kracht ons steeds
duidelijker wordt naarmate we er langer over nadenken.
Dit kan worden geïllustreerd aan de hand van
de geschiedenis van het Europa uit de middeleeuwen. Ik denk dat het
niet juist is om aan te nemen dat de fanatieke monniken of kerkelijke
bestuurders die tot die afschuwelijke geloofsvervolgingen aanspoorden,
menselijke duivels waren die met opzet methoden uitdachten om lichaam
en geest van de ongelukkige medemensen die in hun handen vielen te martelen.
Wat ze deden was duivels, zonder meer onbewust duivelswerk, maar het
kwam voort uit hun deugden die, omdat ze op zo grove wijze werden misbruikt,
verachtelijke ondeugden werden. De wreedste mensen zijn gewoonlijk niet
degenen die onverschillig zijn, maar zij die worden gedreven door een
verkeerd begrepen ideaal, waarachter een misbruikte morele kracht schuilt.
Door hun deugden, die nu niet herkende ondeugden zijn geworden, schijnen
ze voor het ogenblik volkomen harteloos te zijn.
Grote denkers zoals Lao-tse hebben erop gewezen,
tot verwarring van hen die niet nadenken, dat een agressief deugdzaam
mens een ondeugdzaam mens is – een ongewone paradox, maar één
die een diepzinnig feit in de psychologie inhoudt. De werkelijk gevaarlijke
mens is niet de slechte mens, want die stoot af door zijn verstandelijke
en morele misvormdheid. Het is verkeerd begrepen en misbruikte schoonheid
die verleidt – niet alleen lichamelijke schoonheid, maar schoonheid
in een deugd die is misvormd en die verkeerd wordt aangewend. De deugd
zelf verheft ons tot de goden; en toch zijn het onze deugden die, zelfzuchtig
gebruikt, ons zo vaak tot het verrichten van onze laagste daden brengen.
Er schuilt een diepe esoterische betekenis in het
oude gebod: ‘Heb alle dingen lief, zowel de grote als de kleine.’
Haat werkt verstikkend; hij weeft sluiers om de mens, terwijl liefde
deze sluiers openscheurt, ze oplost en ons vrijheid, inzicht en mededogen
geeft. Het is als de kosmische harmonie die zich openbaart in de muziek
der sferen wanneer sterren en planeten zingen in hun baan. Liefde, onpersoonlijke
liefde, brengt ons in harmonie met het heelal, en deze eenwording met
het heelal is het hoogste en verhevenste doel van alle stadia van de
inwijdingscyclus.
Persoonlijke liefde, daarentegen, is onbarmhartig
en vaak onaantrekkelijk, want ze is gericht op één object;
ze denkt veeleer aan zichzelf dan aan de ander; terwijl onpersoonlijke
liefde zich volledig geeft en het wezen van zelfopoffering is. Persoonlijke
liefde betekent aan zichzelf denken; onpersoonlijke liefde is zelfvergetelheid
– dat is het criterium. Sentimentaliteit heeft hiermee niets te
maken; die is in feite een belemmering, want ze legt de nadruk op de
persoonlijkheid. De emotie van liefde is geen liefde; die behoort tot
de psychomentale en dierlijke kant van ons wezen. Als we geen grenzen
of beperkingen stellen aan de stroom die uit ons hart vloeit, als we
geen voorwaarden stellen aan het wel of niet uitsteken van onze beschermende
en helpende hand, zijn we als de zon die licht en warmte geeft aan allen.
En als de liefde totaal onzelfzuchtig is, is ze spiritueel helderziend,
want haar visie dringt door tot de essentie van het heelal.
Een andere goede en eenvoudige regel is om voortdurend
op een onpersoonlijke manier te denken; te proberen ons niet
te hechten aan onze dagelijkse handelingen, voorzover die zijn gericht
op enig voordeel voor onszelf. Als we ze kunnen doen als een werk van
liefde, van welke aard ze ook zijn, zijn we op een natuurlijke manier
onpersoonlijk, want we zullen door het dienen van anderen niet langer
opgaan in onszelf. Dat is de koninklijke weg naar zelfkennis, want we
kunnen het universele zelf niet worden zolang onze aandacht en ons denken
zijn geconcentreerd op het beperkte eigen ik.
Een ander prachtig voorschrift werd door de Heer
Boeddha als een van zijn meest geliefde leringen aan zijn discipelen
gegeven:
Wanneer in het denken slechte en onwaardige gedachten
opkomen, beelden van wellust, haat en verdwazing, moet de discipel
uit deze gedachten andere en waardige beelden afleiden. Heeft hij
zo andere, waardige beelden in zijn denken opgeroepen, dan zullen
de onwaardige gedachten van wellust, haat en verdwazing verdwijnen;
en omdat hij ze heeft overwonnen, wordt zijn innerlijke hart standvastig,
kalm, geconcentreerd en sterk.*
*Majjhima Nikaya, I, 288.
Dat betekent dat wanneer we door zelfzuchtige en
persoonlijke ingevingen en gedachten worden geplaagd, misschien wel
gekweld, we onmiddellijk aan het tegenovergestelde moeten denken en
dat voortdurend voor ogen houden. Als er een gedachte van haat in ons
opkomt, moeten we een beeld van genegenheid en vriendelijkheid oproepen;
als we aan het doen van kwaad denken, roep dan een grootmoedige en verheven
daad voor de geest; als een zelfzuchtige gedachte opkomt, stel u dan
voor dat u een goede daad verricht, en altijd dat u die op onpersoonlijke
wijze doet. Ik ben geneigd dit als de beste regel te beschouwen. Het
is een boeiende oefening, nog afgezien van het goede dat het met zich
meebrengt: versterking van de wil, een helderder inzicht, loutering
van de gevoelens, stimulering van de hartenkrachten en in het algemeen
het versterken en veredelen van het karakter.
Wanneer een gedachte eenmaal de geest heeft verlaten,
is het echter onmogelijk de energie waarmee we haar hebben geladen,
terug te nemen, want ze is dan al een elementaal wezen dat aan zijn
opwaartse reis begint.* Worden er echter onmiddellijk ‘neutraliserende’
gedachten van tegengestelde aard uitgezonden – gedachten van schoonheid,
van mededogen, van vergiffenis, van een verlangen om te helpen, van
aspiratie – dan smelten die twee samen en wordt het effect van
de slechte gedachten ‘onschadelijk’ gemaakt in de betekenis
die HPB gebruikt in De Stem van de Stilte (blz. 53).
*Beseffen we wel dat ieder mens de gedachte is van zijn
eigen innerlijke god – een onvolmaakte afspiegeling van die innerlijke
luister, maar niettemin een kind van de gedachten van die innerlijke
godheid – zoals ook de gedachten van evoluerende mensen levende
entiteiten zijn, embryozielen die zich ontwikkelen en voortbewegen langs
het pad van evolutionaire groei?
Ik herhaal echter: een gedachte kan nooit worden
herroepen. Het is als een daad die, eenmaal gedaan, voor altijd
is gedaan, maar niet voor altijd is afgedaan. Hoewel we door na een
slechte impuls een edele gedachte te hebben of een goede daad te verrichten,
de slechte gedachte of daad niet kunnen herroepen en ongedaan maken,
kunnen we het kwaad dat onze verkeerde gedachte of daad veroorzaakte
wel tot op zekere hoogte verzachten.
Wij mensen zijn persoonlijk precies in
die mate waarin de spirituele individualiteit verloren gaat in de stralen
van het lagere deel van onze constitutie. Als we het persoonlijke verliezen,
bevrijden we ons ware wezen uit de greep van deze onontwikkelde elementen.
Dit betekent dat de stralen die tot nu toe waren verspreid over de verschillende
atomaire entiteiten van onze lagere beginselen, worden samengebracht
– ze worden gebundeld in de individualiteit en worden zo opnieuw
ons ware zelf. ‘Hij die zijn leven vindt, zal het verliezen; en
hij die zijn leven verliest omwille van mij, zal het vinden’ (Mattheus
10:39).
Als we elk moment proberen onzelfzuchtig te zijn,
zullen we onze persoonlijke verlangens vergeten. Het is onze plicht
in onze behoeften te voorzien, maar deze vormen gewoonlijk geen belemmering
voor de geest. Als we ernaar streven onpersoonlijk te worden, zullen
we na verloop van tijd het universele bewustzijn ingaan – in deze
paar zinnen ligt het geheim en de essentie van esoterische training.
Maar laten we onze persoonlijkheid niet doden; laten we haar daarentegen
gebruiken, en daarbij de richting van haar evolutionaire neigingen zo
veranderen dat haar levenskrachten in het hogere bewustzijn van onze
individualiteit stromen. Het is een schitterende gedachte dat we naarmate
onze individualiteit toeneemt en onze persoonlijkheid afneemt, langs
de levensladder opklimmen naar een inniger individuele vereniging met
de kosmische godheid in de kern van ons zonnestelsel. Dit geldt voor
de grote aantallen wezens van de mensheid en voor elke andere entiteit
die in een vergelijkbaar evolutiestadium verkeert en die zelfbewustzijn
en de andere eigenschappen bezit die de mens tot mens maken.
Onpersoonlijk, altruïstisch en onzelfzuchtig
handelen heeft een magisch effect op onze medemensen. Als we kunnen
leren werkelijk te vergeven en lief te hebben, dan zal het verlangen
van onze ziel gericht zijn op het onzelfzuchtig dienen van de mensheid.
Niemand is te min om dat in praktijk te brengen en niemand is zo verheven
dat hij dat kan negeren. Hoe hoger de positie, des te gebiedender is
de roep van de plicht. Het kan zijn dat we helemaal alleen de wereld
moeten bevechten; maar zelfs al gaan we keer op keer ten onder, we kunnen
weer opstaan en ons herinneren dat de krachten van het heelal achter
ons en aan onze kant staan. Het hart van het zijn is met ons en we zullen
tenslotte winnen, want niets kan het subtiele en allesdoordringende
vuur van onpersoonlijke liefde weerstaan.
In de mens ligt het pad naar wijsheid: iemand die
zichzelf kent en die zijn spirituele natuur in grotere mate openbaart,
kan de bewegingen van de planeten begrijpen. Iemand die zijn innerlijke
zelf nog verder heeft ontwikkeld, kan contact hebben met die wezens
die ons zonnestelsel besturen en leiden; iemand die zijn hele wezen
nog verder heeft ontplooid, kan tot tenminste enkele van de geheimen
van de macrokosmos doordringen; en zo verder, zonder einde. Hoe hoger
de ontwikkeling, des te ruimer de visie en des te dieper het begrip.
Het pad naar het universele zelf is het pad dat ieder individu zelf
moet betreden als hij wil groeien, wil evolueren. Niemand anders kan
voor ons groeien, en we kunnen alleen groeien via de paden die de natuur
heeft uitgestippeld – de structuur van ons eigen wezen.
De mens is een mysterie: onder de oppervlakte en
achter de sluier schuilt het mysterie van het zelf, van de individualiteit,
een levensweg die zich uitstrekt tot in verre eeuwigheden. De mens is
in essentie een goddelijke energie die door sluiers wordt verhuld.
Bron
van het Occultisme, blz. 33-42
© 2006 Theosophical
University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag