Meditatie en yoga
De ziel wordt sterk in de stilte, want dan is ze aangewezen op haar
eigen krachten en vermogens en leert ze zichzelf kennen. Een van de
beste manieren om snel en zeker licht te ontvangen op een probleem,
om de intuïtie te ontwikkelen, is de last van het vinden van een
oplossing niet af te schuiven op iemand van wie men denkt dat hij kan
helpen. Oplossingen zien en problemen oplossen is een kwestie van training,
van innerlijke groei. Een van de eerste regels die een neofiet wordt
geleerd is nooit een vraag te stellen voor hij ernstig en herhaaldelijk
heeft geprobeerd haar zelf te beantwoorden. Want door dat te proberen
doet hij een beroep op de intuïtie. Het is ook een oefening. Het
versterkt onze innerlijke vermogens. Vragen stellen voor we zelf hebben
geprobeerd het antwoord te vinden, betekent eenvoudig dat we op anderen
willen leunen, en dat is niet goed. Door het oefenen van onze eigen
vermogens groeien we, winnen we aan kracht en vaardigheid.
Bepaalde vragen komen echter op met een kracht die
dwingend om een antwoord vraagt. Ze zijn als de mystieke klop op de
deur van de tempel; ze vragen om meer licht, want ze komen niet uit
het brein maar uit de ziel, die het licht probeert te begrijpen dat
in haar stroomt vanuit de eeuwige bronnen van het goddelijke. Vraag
en u zult ontvangen; klop – en klop op de juiste manier –
en u zult worden opengedaan. Als het verzoek krachtig en onpersoonlijk
genoeg is, zullen zelfs de goden in de hemel reageren. Als de betrokkene
het zeer ernstig meent, zal het antwoord uit zijn innerlijk tot hem
komen van de enige inwijder die een neofiet ooit heeft.
Meditatie is een positieve geesteshouding, veeleer
een bewustzijnstoestand dan een methode of een periode van intensief
verstandelijk denken. Onze houding moet positief zijn, maar rustig;
positief als een berg van graniet en even sereen en vredig; en we moeten
de storende invloeden van het altijd actieve en koortsige intellect
vermijden en vooral onpersoonlijk zijn. Meditatie in hogere zin houdt
in dat we het bewustzijn ombuigen, dat we het denken verheffen naar
het gebied waar de intuïtie de leiding heeft en waar edele gedachten
of aspiraties thuishoren, en dat we het bewustzijn daar geconcentreerd
houden. Maar men kan ook over slechte dingen mediteren, en velen doen
dat, helaas.
Het is mogelijk voor men in slaap valt zo te mediteren
dat de ziel naar de goden opstijgt, en verfrist en versterkt wordt door
contact met die goddelijke wezens. Maar het is evengoed mogelijk te
tobben voor de slaap komt zodat, wanneer de ketenen van de waaktoestand
zijn verbroken en het brein tot zwijgen is gebracht, de ziel omlaag
wordt getrokken en degradeert en verzwakt. Men moet nooit gaan slapen
voor al het onrecht dat men is aangedaan oprecht is vergeven. Dat is
heel belangrijk, niet alleen als een veredelende gewoonte, maar ook
als een zeer noodzakelijke bescherming. Vul het hart met gedachten van
liefde en mededogen voor allen en de geest met een verheven idee en
denk daar rustig op een zuivere, onpersoonlijke wijze over na, ongedwongen
en kalm, en dan zullen alle zintuigen en het denken tot rust komen.
Eén reden voor de noodzaak van strikte onpersoonlijkheid,
zonder dat de geringste gedachte van afbrekende of moreel kwetsende
aard het hart binnendringt, zoals haat, boosheid, angst, wraak of een
ander onaangenaam product van het lagere zelf, is dat wanneer de slaap
het lichaam overvalt en het gewone hersen-bewustzijn wegzakt, de dan
bevrijde ziel automatisch de laatste richting volgt die haar werd gegeven.
De gewoonte om het denken tot rust te brengen voor men gaat slapen kan
daarom de ziel verheffen.
Mediteer voortdurend – niets is zo eenvoudig
en nuttig. Voor de meeste leerlingen is dat veel beter dan daarvoor
een vaste tijd te reserveren: rustig, aanhoudend nadenken over de vragen
die men heeft en daarmee doorgaan zelfs als de handen bezig zijn met
het dagelijkse werk en het verstand geheel in beslag wordt genomen door
andere plichten. Op de achtergrond van het bewustzijn kan toch deze
gestage onderstroom van denken aanwezig zijn. Het vormt ook een beschermend
schild bij alles wat men doet, want het omringt het lichaam met een
uit de diepere lagen van het aurische ei voortgekomen aura, die akasisch
van aard is en waar niets stoffelijks doorheen kan dringen als ze is
verdicht door de wil van iemand die weet hoe dat moet worden gedaan.
Maar zelfs in de diepste meditatie, wanneer men
alle besef van de omringende omstandigheden heeft verloren, verkeert
de geoefende chela nooit in een toestand waarin hij zijn spirituele
en mentale controle heeft verloren. Hij is steeds waakzaam, zich altijd
ervan bewust dat hij de situatie beheerst, zelfs terwijl het bewustzijn
de ontelbare aspecten van het onderwerp dat hij overpeinst de revue
laat passeren. Het is in de regel sterk af te raden in gedachten zozeer
op een ander gebied te zijn dat men een psychische of fysieke automaat
wordt.
Er zijn twee soorten meditatie: bij de eerste vormt
men zich een helder beeld van een mooie gedachte en laat men het bewustzijn
daarin doordringen; bij de tweede verplaatst men het bewustzijn naar
hogere sferen of gebieden en ondergaat en verwerkt men de ervaringen
die daardoor het bewustzijn binnenstromen. Maar als we de tanden op
elkaar klemmen, ons schrap zetten en verstandelijk blijven hameren op
een bepaalde gedachte, mediteren we helemaal niet. Als we dat doen slagen
we niet, omdat een dergelijke manier van doen slechts hersenwerk is,
dat vaak uitputtend, niet inspirerend en ongeïnspireerd is. Er
bestaat verschil tussen gewoon geconcentreerd over een onderwerp nadenken,
vooral als dat neerkomt op het gebruik van het verstand, en het zich
verdiepen in of concentreren van het bewustzijn op het volgen van het
verheffende pad waar de spirituele wil de leiding heeft.
Meditatie wil dus zeggen dat men een gedachte in
de geest vasthoudt en dat het bewustzijn ongedwongen en met vreugde
innerlijk aan deze gedachte werkt. Houd die gedachte daar vast, en laat
de geest zich ermee bezighouden. Het is niet nodig daarvoor de fysieke
of psychische wil in te schakelen. Dit is ware meditatie en is in feite
het fundamentele geheim van yoga, wat ‘vereniging’ betekent
van het denken met de onuitsprekelijke vrede, wijsheid en liefde van
de innerlijke god. Als men deze eenvoudige regel van jñanayoga
toepast, zal het na een poosje een vanzelfsprekende zaak worden, een
deel van het dagelijkse bewustzijn. Concentratie of doelgericht denken
betekent niets anders dan dat we een gedachte duidelijker voor de geest
halen en al onze aandacht daarop richten – niet met de wil, maar
ongedwongen.
Alle andere vormen van yoga die min of meer op uiterlijke
hulpmiddelen berusten, zoals lichaamshoudingen, ademhalingsoefeningen,
de stand van handen, vingers en voeten, enz., behoren tot de lagere
vormen van hathayoga en zijn niet veel meer dan krukken, omdat ze het
denken op deze uiterlijke methoden richten en afleiden van het hoofddoel
van ware yoga, namelijk dat de aandacht verschuift van uiterlijke naar
innerlijke en spirituele zaken. Daarom doen al deze vormen van lagere
yoga, die nu door de ‘leringen’ van rondtrekkende ‘yogi’s’
in het westen zo populair zijn geworden, gewoonlijk meer kwaad dan goed.
Het hathayoga-stelsel is een vijfvoudige methode
om beheersing te verkrijgen over de lagere psychische vermogens door
verschillende vormen van ascetische oefeningen, waarvoor het nodig is
dat fysieke en psychische delen van de constitutie op gewelddadige wijze
systematisch worden verlamd. De yogi bereikt dit volledig opgaan in
zichzelf door vitale processen te onderbreken en kortsluiting te veroorzaken
van bepaalde pranische energieën van zijn astraal-fysieke lichaam.
Het moet duidelijk zijn dat deze oefeningen mentaal en fysiek gevaarlijk
zijn en een belemmerende invloed hebben op de geest; daarom worden ze
door alle echte occulte scholen ondubbelzinnig afgeraden. Bepaalde vermogens
kunnen inderdaad met deze middelen worden verworven, maar, ik herhaal,
het zijn vermogens van de laagste soort die geen blijvend nut hebben
en bovendien zullen ze de spirituele vooruitgang in hoge mate belemmeren.
In dit verband schreef William Q. Judge:*
. . . er zal vooruitgang worden geboekt. Niet door
te proberen psychische vermogens aan te kweken, wat op zijn best slechts
in geringe mate kan worden verwezenlijkt, noch door zich aan het gezag
van een ander te onderwerpen, maar door de ziel te ontwikkelen en
sterker te maken. Als niet alle deugden in acht worden genomen, als
het denken geen stevige filosofische basis heeft, als men niet erkent
dat spirituele behoeften geheel losstaan van het psychische gebied,
vindt men slechts een tijdelijk vermaak in de astrale rijken, wat
tenslotte even zeker als de zon aan de hemel straalt op een teleurstelling
uitloopt.
*‘Answers to Correspondence’, december 1893;
Echoes of the Orient, 3:436.
De rajayoga- en jñanayoga-stelsels, daarentegen,
die een spirituele en mentale training omvatten in combinatie met een
liefde voor alle wezens, hebben te maken met de hogere delen van de
innerlijke constitutie – het beheersen van het fysieke en het
psychische vloeit op natuurlijke wijze voort uit het begrijpen van de
volledige zevenvoudige mens. Ware yoga beheerst en verheft het denken
en brengt zo het contact tot stand tussen het menselijke en het spirituele
bewustzijn, dat betrekkelijk universeel bewustzijn is. Het bereiken
van deze vereniging of eenwording met zijn eigen goddelijk-spirituele
essentie brengt verlichting.
In bepaalde zeer uitzonderlijke omstandigheden,
wanneer een chela in mentaal en spiritueel opzicht relatief ver is gevorderd,
maar nog een zeer ongelukkig en zwaar fysiek karma moet uitwerken, is
het op zijn plaats op beperkte schaal de hathayoga-methoden te gebruiken,
maar alleen onder toezicht van de meester zelf. Ik wil hieraan toevoegen
dat de Yoga Aforismen (of Sutra’s) van Patañjali
een hathayoga-geschrift is, maar een van de hoogste soort. De beknopte
instructies die dit kleine werkje bevat zijn aan westerse studenten
goed bekend, voornamelijk door de interpretatie van W.Q. Judge en latere
schrijvers.
Ware yoga betekent meditatie, zoals gezegd, en dat
houdt kennelijk in dat men zijn denken concentreert op een verheven
onderwerp, dat vasthoudt en erover peinst. Patañjali schreef
in zijn Sutra’s: (i, 2) Yogas-chitta-vritti-nirodhah
– ‘yoga is het tegengaan van de warrelingen van het denken’.
Dat is heel duidelijk: wanneer het altijd actieve hersenverstand, dat
als een vlinder van gedachte naar gedachte fladdert en heftige emoties
heeft, zo onder controle kan worden gebracht dat het zich op één
doel concentreert en naar een hoger verstandelijk inzicht streeft, dan
verdwijnen deze ‘warrelingen’ van het denken en wordt het
omhoogstrevende denkorgaan intens actief en intuïtief, ziet de
waarheid en maakt in feite de mens, wiens orgaan van zelfbewust denken
daarmee bezig is, tot een belichaming van wijsheid en liefde –
en dat is de ware yoga. Dan is manas, het denk-beginsel actief, en het
wendt zich als het ware omhoog in plaats van omlaag en wordt buddhi-manas
in plaats van kama-manas. Het chitta uit de Sanskrietzin, d.w.z.
het ‘denken’, wordt vervuld van wijsheid en intuïtie
en de mens die bedreven is in deze verheven spirituele oefening wordt
in feite één met de innerlijke godheid.
In de volgende sloka zegt Patañjali vervolgens:
‘dan woont de ziener in zichzelf’, wat wil zeggen dat de
mens dan een ziener wordt en in zijn spirituele zelf, de god in hem,
woont.
Wordt daarentegen het denken niet op deze manier
in toom gehouden en omhooggericht, dan ‘worden de warrelingen
(activiteit) wederzijds gelijkgesteld’, zoals de vierde sloka
zegt – een zeer beknopte uitspraak die betekent dat wanneer het
denken zich vastlegt op lagere dingen, zijn koortsige activiteiten het
hogere manas ketenen, dat daardoor tijdelijk wordt ‘gelijkgesteld’
aan zijn laagste elementen, en daardoor is men niet méér
dan een gewoon mens.
Een occult geheim in verband met het bewustzijn
is dat het de vorm aanneemt van het object dat wordt waargenomen of
waaraan wordt gedacht en zich dus vormt naar het voorwerp van beschouwing,
van welke aard dat ook is. Als het mentale beeld goddelijk is, wordt
het bewustzijn daaraan gelijk, omdat het in het goddelijke vloeit en
zich dienovereenkomstig vormt; wanneer het zich met de lagere dingen
bezighoudt wordt het daaraan gelijk, omdat het de vorm en het uiterlijk
daarvan aanneemt.*
*Dit belangrijke feit in het occultisme heeft daarom
een hoog en een laag aspect; en dit vermogen van het denken wordt door
adepten van zowel de witte als de zwarte orde gebruikt om, wanneer dat
nodig is, magische gevolgen voort te brengen. Het is niet overdreven
te zeggen dat de avesa-vermogens, het binnengaan en gebruiken van het
lichaam van een ander, zowel als hpho-wa of het vermogen om de wil en
de intelligentie naar een andere plek te projecteren, soms over ongelooflijke
afstanden, grotendeels op deze eigenschap of dit vermogen van het plastische
denkvermogen berusten.
Juist dit verlangen om te weten, niet voor zichzelf,
zelfs niet om kennis in abstracte zin, maar met het doel de kennis op
het altaar van dienstbaarheid te leggen, leidt tot esoterische vooruitgang.
Dit verlangen, deze wil om op onpersoonlijke wijze te dienen, loutert
het hart, verheldert het denken en maakt de centra van het lagere zelf
onpersoonlijk, zodat ze zich openen en zodoende wijsheid kunnen ontvangen.
Dit verlangen is de drijvende kracht, de stuwende motor, die de aspirant
vooruitbrengt, steeds hoger en hoger.
Bron
van het Occultisme, blz. 43-8
© 2006 Theosophical
University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag