De paramita’s en het verheven achtvoudige pad
In zowel de boeddhistische als de moderne theosofische literatuur is
veel geschreven over de ‘verheven deugden’ of paramita’s,
maar helaas heeft men ze te vaak alleen gezien als edele maar praktisch
onuitvoerbare gedragsregels; het zijn wel gedragsregels, maar ze zijn
meer dan dat. Het zijn in feite de regels voor het denken en handelen
die de aspirant-chela moet volgen, in het begin zo goed als
hij kan, maar later volledig, zodat zijn hele leven erdoor wordt beheerst
en verlicht. Alleen zo kan de discipel bereiken wat de Heer Boeddha
de ‘andere oever’* noemde – de spirituele gebieden
die moeten worden bereikt door de stormachtige oceaan van het menselijke
bestaan over te steken en wel op eigen spirituele, mentale en psychische
kracht, en alleen met die hulp die hem, gezien zijn vroegere karma,
kan worden verleend.
*Paramita en paragata (of het equivalent paragamin)
zijn samengestelde Sanskrietwoorden die betekenen ‘iemand die
de andere oever heeft bereikt’; paramita (de vrouwelijke vorm)
wordt gebruikt voor de verheven deugden of eigenschappen die men moet
aankweken om die oever te bereiken. Er is hier een nuanceverschil
in betekenis waarop we moeten letten: paramita houdt de gedachte in
dat men is ‘overgestoken’ en dus is ‘aangekomen’,
terwijl paragata (of paragamin) het ‘vertrek’ van deze
kant inhoudt en dus ‘heengegaan’ betekent om behouden
de andere oever te bereiken.
Een ander veelgebruikt woord in boeddhistische geschriften,
waarin het subtiele onderscheid tussen bovengenoemde termen eveneens
tot uitdrukking komt, is Tathagata, een titel die aan Gautama Boeddha
wordt gegeven. Dit is een samengesteld Sanskrietwoord dat op twee
manieren kan worden gesplitst: tatha-gata, ‘aldus heengegaan’,
dat wil zeggen, vertrokken naar en aangekomen op de andere oever;
en tatha-agata, ‘aldus aangekomen of gekomen’,
zodat de betekenis van de term Tathagata is: iemand die zowel is ‘vertrokken’
naar, als ‘aangekomen’ op de andere oever, zoals ook zijn
voorganger-boeddha’s hebben gedaan.
Het idee ‘naar de andere oever gaan’
wordt meestal gezien als iets typisch oosters, maar dit lijkt niet gerechtvaardigd,
want veel christelijke gezangen spreken over de mystieke Jordaan en
over het bereiken van de ‘oever aan de overzijde’, een opvatting
die min of meer identiek schijnt te zijn met die van het boeddhisme.
‘Deze zijde’ is het wereldse leven, het gebruikelijke of
gewone doen en laten van de mens. De ‘andere oever’ is eenvoudig
het spirituele leven, dat de betrekkelijk volkomen ontplooiing omvat
van de krachten en functies van de volledige menselijke natuur. Met
andere woorden, de ‘andere oever’ bereiken betekent één-zijn
met de innerlijke god en dus betrekkelijk volledig zelfbewust deelhebben
aan het universele leven. Alle grote religieuze en filosofische stelsels
hebben hun volgelingen nadrukkelijk geleerd dat ons ware doel is de
lessen van het gemanifesteerde bestaan te leren en vanuit deze ervaring
op te klimmen naar het kosmische leven.
Het Dhammapada (vers 85) zegt hierover:
Er zijn weinig mensen die de andere oever bereiken;
De anderen leven zich uit op deze oever.
Een kort boeddhistisch geschrift, getiteld het Prajna-Paramita-Hridaya
Sutra, of ‘Het hart of de essentie van de wijsheid van het
overgaan’, eindigt met een mooie mantra die in het oorspronkelijke
Sanskriet als volgt luidt:
Gate, gate, paragate, parasamgate, bodhi, svaha!
O wijsheid! Gegaan, gegaan, gegaan naar de andere
oever,
aangekomen op de andere oever, heil!
Wijsheid kan in dit verband worden gezien als betrekking
hebbende op de kosmische buddhi, ook wel adi-buddhi of ‘oer-wijsheid’
genoemd, en ook, in geïndividualiseerde zin, op de hoogste stille
wachter van onze planeetketen, adi-boeddha. De aangesprokene is degene
die op de andere oever is aangekomen, de triomferende pelgrim, die zelfbewust
één is geworden met de god in hem en dus erin is geslaagd
door de maya of de illusies van deze werelden van verschijnselen heen
te zien. De hoogsten die dit hebben bereikt zijn jivanmukta’s,
‘bevrijde monaden’; zij die minder hoog staan behoren tot
de verschillende rangen in de vele hiërarchieën van de hiërarchie
van mededogen.
De paramita’s, zoals HPB die in De Stem
van de Stilte (blz. 45-6) heeft gegeven, zijn als volgt:
Dana, de sleutel van barmhartigheid en onsterfelijke
liefde.
Sila, de sleutel van harmonie in woord en daad,
de sleutel die oorzaak en gevolg in evenwicht houdt en geen ruimte laat
voor de werking van karma.
Kshanti, mild geduld dat door niets kan worden verstoord.
Viraga, gelijkmoedigheid ten opzichte van genot
en leed; de illusie is overwonnen, alleen de waarheid wordt waargenomen.
Virya, de onverschrokken kracht die zich uit het
slijk van aardse leugens een weg baant naar de hoogste waarheid.
Dhyana, waarvan de gouden poort, eenmaal geopend,
de narjol [naljor] toegang geeft tot het rijk van het eeuwige sat en
de onafgebroken contemplatie daarvan.
Prajña, de sleutel hiervan maakt van de mens
een god, een bodhisattva, een zoon van de dhyani’s.
De manier waarop deze paramita’s moeten worden
beoefend, wordt goed geïllustreerd in enige passages uit het Mahayana
Sraddhotpada Sastra* dat er echter maar zes noemt, hoewel er elders
zeven worden gegeven en indien vollediger vermeld, tien:
*Vaak vertaald als ‘Het ontwaken van het geloof
in het mahayana’, maar dit geeft de betekenis van het oorspronkelijke
Sanskriet onvoldoende weer. Sraddha betekent zekerheid of vertrouwen,
gebaseerd op het ontvouwen van innerlijke ervaringen, waarvan het bewijs
zowel binnen als buiten het zelf ligt, en duidt hier op een voortgaand
proces van innerlijke ontplooiing, welke betekenis totaal ontbreekt
in het woord ‘geloof’. Wat utpada betreft, dit
heeft dezelfde betekenis van een steeds verdergaande ontvouwing, een
ontwaken van of opstijgen naar het besef of de verwerkelijking van wijsheid,
culminerend in de mystieke verzaking van de vruchten van bevrijding
en het bereiken van boeddhaschap. Dit geschrift behoort tot de Prajña-paramita-cyclus
en wordt gewoonlijk toegeschreven aan Asvaghosha, een belangrijke boeddhistische
geleerde, die in de tweede helft van de eerste eeuw n.Chr. leefde en
wiens beste werk het Mahalamkara of ‘Boek van grote heerlijkheid’
is.
Hoe moet men barmhartigheid (dana) in praktijk
brengen?
Als iemand om iets komt vragen, moeten discipelen,
voorzover ze dat kunnen, het verzoek zonder morren inwilligen en op
een wijze die hen goed doet. Als discipelen zien dat iemand in gevaar
verkeert, moeten ze met alle middelen die ze hebben proberen hem te
redden en hem een gevoel van veiligheid geven. Als iemand tot discipelen
komt en onderricht wenst in de dharma, moeten ze, voorzover ze daartoe
in staat zijn en naar hun beste inzicht, proberen hem te informeren.
En als ze deze daden van mededogen verrichten, moeten ze geen enkel
verlangen koesteren naar vergoeding, dankbaarheid, verdienste of voordeel,
of enige wereldse beloning. Ze moeten ernaar streven hun denken te
concentreren op die universele goede daden en zegeningen die voor
iedereen zonder onderscheid zijn, en door zo te handelen zullen ze
in zichzelf de hoogste volmaakte wijsheid verwezenlijken.
Hoe moet men voorschriften voor deugdzaam gedrag
(sila) in praktijk brengen?
Lekendiscipelen die een gezin hebben dienen zich
te onthouden van doden, stelen, echtbreken, liegen, dubbelhartigheid,
kwaadspreken, lichtzinnige taal, hebzucht, boosaardigheid, proberen
in de gunst te komen, en van onjuiste leringen. Ongetrouwde discipelen
moeten zich om belemmeringen te vermijden, terugtrekken uit de onrust
van het wereldse leven, en terwijl ze in eenzaamheid vertoeven die
wegen bewandelen die tot rust, matigheid en tevredenheid voeren. .
. . Ze moeten proberen zich zo te gedragen dat ze niet het voorwerp
worden van afkeuring en kritiek, en dienen door hun voorbeeld anderen
aan te sporen het kwade na te laten en het goede te doen.
Hoe moet men lankmoedige verdraagzaamheid (kshanti)
in praktijk brengen?
Als iemand door de rampen van het leven wordt getroffen,
moet hij ze niet uit de weg gaan, noch zich verongelijkt voelen. Terwijl
hij door anderen aangedaan kwaad rustig verdraagt, moet hij geen wrok
koesteren. Hij moet niet opgetogen zijn bij voorspoed, lof of aangename
omstandigheden, noch terneergeslagen bij armoede, belediging of tegenspoed.
Terwijl hij zijn gedachten geconcentreerd houdt op de diepe betekenis
van de dharma, moet hij onder alle omstandigheden in zijn denken rust
en onpartijdigheid bewaren.
Hoe moet men onverschrokken kracht (virya)
in praktijk brengen?
Men moet nooit traag worden in het doen van goede
daden. Men moet elk mentaal of fysiek lijden zien als het natuurlijke
gevolg van onwaardige daden gepleegd in vorige incarnaties, en moet
zich vast voornemen voortaan alleen die dingen te doen die in overeenstemming
zijn met een spiritueel leven. Men moet mededogen koesteren voor alle
wezens, en nooit de gedachte aan traagheid laten opkomen, maar zich
onvermoeibaar en vol enthousiasme inspannen om alle wezens goed te
doen. . . .
Hoe moet men meditatie (dhyana) in praktijk
brengen?
Verstandelijk inzicht wordt verkregen door werkelijk
te begrijpen dat alle dingen de wet van causaliteit volgen, maar op
zichzelf vergankelijk zijn en leeg van elk werkelijk zelf. Dhyana
heeft twee aspecten: het eerste aspect is een poging om nutteloze
gedachten te onderdrukken; het tweede is mentale concentratie, in
een poging deze leegte (sunyata) van bewustzijn-essentie
te beseffen. Eerst zal een beginneling deze twee afzonderlijk moeten
oefenen, maar als hij het denken gaat beheersen, zullen die twee samensmelten.
. . .
Hij moet contempleren over het feit dat hoewel alle
dingen vergankelijk en leeg zijn, ze niettemin op het fysieke gebied
een betrekkelijke waarde hebben voor hen die valse voorstellingen
koesteren; voor deze onwetenden is het lijden zeer werkelijk –
dat was het altijd en zal het altijd zijn – onmetelijk veel
leed. . . .
Door dit alles ontwaakt er in het gemoed van iedere
ernstige discipel een diep mededogen met het lijden van alle wezens,
dat hem tot onverschrokken en geestdriftige ijver en het doen van
dure geloften aanspoort. Hij besluit alles wat hij heeft en alles
wat hij is te geven voor de bevrijding van alle wezens. . . . Na deze
geloften moet de oprechte discipel te allen tijde, en voorzover zijn
kracht en geest het toelaten die daden verrichten die heilzaam zijn
voor zowel anderen als hemzelf. Of hij nu loopt, staat, zit of ligt,
hij moet vol toewijding zijn denken concentreren op wat wijs is om
te doen en wijs is om na te laten. Dit is het actieve aspect van dhyana.
Hoe kan men intuïtieve wijsheid (prajña)
in praktijk brengen?
Wanneer iemand door het trouw beoefenen van dhyana,
samadhi bereikt, staat hij boven onderscheidingsvermogen
en kennis; hij heeft het volmaakte één-zijn van bewustzijn-essentie
verwerkelijkt. Met deze verwerkelijking komt een intuïtief inzicht
in de aard van het heelal. . . . hij beseft nu het volmaakte één-zijn
van essentie, potentialiteit en activiteit in tathagataschap. . .
.
Prajñaparamita is de hoogste, volmaakte
wijsheid; haar oogst komt ongezien, zonder inspanning, spontaan; ze
doet alle zaken die schijnbaar verschillen, goede of kwade, samensmelten
tot één volmaakt geheel. . . .
Laten daarom alle discipelen, die naar de hoogste,
volmaakte wijsheid streven, die prajñaparamita is,
zich ijverig toeleggen op het volgen van de regels van het edele pad,
want alleen dat zal hen leiden naar de volmaakte verwerkelijking van
het boeddhaschap.
Om de ware aard van prajña te begrijpen en
spiritueel aan te voelen, is het noodzakelijk de opvatting
van ‘deze zijde’ op te geven en met spiritueel begrip over
te gaan naar de ‘andere oever’ (para), of de andere benaderingswijze
van de dingen. Aan ‘deze zijde’ zijn we verwikkeld in een
bewustzijnssfeer van verstandelijke analyses en bijzonderheden, die
een wereld wordt van gehechtheid en onderscheid op een lager niveau.
Wanneer we deze innerlijke ‘ommekeer’ tot stand brengen,
dit verheffen van ons bewustzijn naar de mystieke ‘andere oever’
van het zijn, dan stappen we met meer of minder succes een wereld van
bovenzinnelijke werkelijkheden binnen van waaruit we de dingen kunnen
zien in hun oorspronkelijke en spirituele eenheid, achter de maya van
de bedrieglijke sluiers van veelvormigheid; en kunnen we doordringen
tot de essentiële aard van deze werkelijkheden en ze leren kennen
zoals ze werkelijk zijn.
Deze toestand van innerlijke helderheid en nauwkeurige
spirituele en mentale waarneming verschilt zo van de vertrouwde werkingen
van ons deze-zijde-bewustzijn in onze alledaagse wereld van vergankelijke
verschijnselen, dat een ongeoefende geest deze in verband brengt met
het idee van een leegte, een vacuüm. Leegte (sunyata, om de boeddhistische
term te gebruiken) in haar ware metafysische betekenis moet echter niet
worden verward met ‘het niets’, wat een absolute ontkenning
van het ware zijn en dus vernietiging zou betekenen. Ook kan men haar
niet begrijpen door middel van de verstandelijke vermogens, maar eerder
door directe of onmiddellijke waarneming, wat tot de hoge spiritueel-mentale
toestand behoort die prajña wordt genoemd en die uitgaat boven
het mayavische onderscheid tussen zijn en niet-zijn, tussen het bijzondere
en het universele, tussen het vele en het ene.
Deze hoge toestand is inderdaad de intuïtieve
kennis en het doordringende inzicht van de geest-ziel in de mens, zijn
buddhi-manas, dat oneindig veel krachtiger en doordringender is dan
het puur verstandelijke begrijpen. Die intuïtieve kennis en dat
inzicht zijn voortdurend werkzaam in de meest verheven en universele
schuilhoeken van ons bewustzijn. Door het geleidelijk ontwaken van de
lagere mens tot volledig besef van dit spiritueel-mentale bewustzijn
– dat in zijn actieve manifestaties identiek is met prajña
– verheffen we ons uit de lagere rijken van ons bewustzijn, ontsnappen
we aan de slavernij van onwetendheid en onkunde (avidya) en bevrijden
we ons van de verschillende soorten innerlijke en uiterlijke pijn. Deze
verlossing betekent het bereiken van de hoogste verlichting en van bevrijding
(mukti). Kortom, prajña kan misschien het best worden vertaald
met intuïtie en wel die ogenblikkelijke verlichting of volledige
kennis die werkelijk goddelijk is.
In de Prajñaparamita-cyclus van
boeddhistische geschriften wordt prajña beschouwd als het leidende
beginsel van de andere paramita’s, dat naar deze verwijst als
de methode om de werkelijkheid te bereiken. Ze wordt vergeleken met
het waarnemende en begrijpende oog, dat met volmaakte helderheid van
visie de horizonnen van het leven verkent en het pad uitstippelt dat
door de aspirant moet worden gevolgd. Zonder prajña zou het de
andere paramita’s ontbreken aan een van hun hoogste elementen;
ze leidt hun voortgaande ontwikkeling, ongeveer zoals de aarde de voedingsbodem
verschaft voor de plantengroei.
Alle wezens in het heelal bezitten prajña,
hoewel ze niet zelfbewust werkt, tenzij die entiteiten in de loop van
hun evolutionaire pelgrimstocht er één mee zijn geworden.
De dieren, bijvoorbeeld bijen en mieren, hebben prajña, maar
elk zelfbewust besef daarvan ontbreekt bij hen, want het zich bewust
verenigen met prajña begint pas bij de mens – tenminste
op deze aarde. De eerste zwakke werking van prajña openbaart
zich in de mens als een streven naar verlichting, liefde en wijsheid;
ze begint te bloeien in de bodhisattva en staat in volle bloei in de
boeddha’s en christussen, wat de toestand van volmaakte verlichting
is.
De hoge chela of ingewijde die met succes het stadium
heeft bereikt waarin hij de paramita’s is geworden, waarin
zijn bewustzijn kristalhelder en relatief onbegrensd is, waarin zijn
hele wezen is afgestemd op de spirituele ziel van de mensheid en hij
zijn zelf heeft opgegeven voor de onzelfzuchtige heerlijkheid te leven
voor al wat is, wordt technisch een bodhisattva genoemd – ‘iemand
wiens essentie (sattva) de aard van wijsheid (bodhi)
heeft’. Het motief dat de ware discipel aanspoort om in zichzelf
de hoogste verlichting te verwezenlijken, is nooit persoonlijk voordeel,
hoe verheven en vergeestelijkt ook, maar de drang de hele wereld tot
zegen te zijn, alle wezens te bevrijden uit de ketenen van onwetendheid
en pijn, en in zijn hart mededogen op te wekken voor al wat leeft, zodat
ieder levend wezen na verloop van tijd de volmaakte bevrijding kan bereiken.*
*Vgl. Fo-Mu Prajñaparamita, Deel 14,
hoofdstuk ‘Over wijze mensen’.
In het Mahaprajñaparamita wordt
aan Sariputra de vraag gesteld of de bodhisattva alleen aan andere bodhisattva’s
respect verschuldigd is en niet ‘aan alle wezens in het algemeen’.
De wijze antwoordt daarop dat hij in feite ‘met hetzelfde gevoel
van zelfverloochening aan hen eerbied moet bewijzen als aan de Tathagata’s’.
Hij vervolgt dan met te zeggen:*
*Hsüan-chuang, Deel 387, hoofdstuk xii, ‘Over
ethiek’.
De bodhisattva moet op die manier een groot gevoel
van mededogen voor alle wezens opwekken en zijn geest volledig vrijhouden
van arrogantie en eigenwaan, en hij moet het gevoel hebben: ik zal
alle doeltreffende middelen gebruiken om alle levende wezens te doen
beseffen wat het belangrijkste in hen is, namelijk hun boeddha-aard
(buddhata). Door dat te beseffen worden ze allen boeddha’s,
. . .
Prajña neemt in een individuele entiteit,
zoals een mens, bijna dezelfde plaats in als adi-buddhi of mahabuddhi
in het heelal. Een van de basisregels van de esoterische wijsheid is
dat ons heelal een entiteit is; daarom kunnen we zijn individuele universele
denkvermogen of bewustzijn voorstellen als een uitgestrekte oceaan van
zelfbewuste buddhi-manasische energiepunten. Vanuit dit standpunt kan
prajña worden beschreven als het spirituele individuele bewustzijn
van ieder lid van de menigten dhyani-chohans of kosmische geesten. Als
iemand dus prajña-bewustzijn heeft verworven, heeft hij zelfbewust
contact met het buddhi-manasische denkvermogen van het wonderlijke wezen
van onze hiërarchie.
Uit het voorafgaande moet duidelijk zijn dat er
onder de leden van een hiërarchie talrijke verschillen bestaan
in de hoogte die ze hebben bereikt; er zijn graduele verschillen tussen
wat een chela heeft bereikt die aan het begin van het pad staat en een
mahatma, gevolgd door nog hoogstaandere wezens die een nog dieper besef
van prajña hebben op de ladder van groei, die zich hoger en hoger
uitstrekt tot het wonderlijke wezen wordt bereikt. De prajña
is in allen dezelfde; het verschil tussen de individuele wezens ligt
in de mate waarin ze haar tot uitdrukking hebben gebracht.
Er bestaan ook nog verschillen van andere aard,
zoals die tussen iemand die een betrekkelijke verwezenlijking van prajña
heeft bereikt en nirvana binnengaat, en een ander die hetzelfde heeft
bereikt maar afziet van nirvana. Hier ligt een belangrijk onderscheid
gebaseerd op kosmische ethiek: hij die nirvana heeft bereikt maar het
verzaakt en terugkeert om de wereld te helpen, staat moreel veel hoger
dan iemand die nirvana binnengaat voor zijn eigen geluk. Beiden hebben
de eenwording met prajña in voldoende mate bereikt om de nirvanische
toestand te verdienen, maar degene die deze toestand verzaakt, heeft
zelfbewuste verwezenlijking van prajña op een hoger buddhisch
gebied bereikt dan hij die nirvana verdient en het binnengaat.
De sleutel tot dit mysterie ligt in het feit dat
elk van de zeven beginselen van de menselijke constitutie zevenvoudig
is en daarom is ook buddhi, de zetel van prajña, zevenvoudig.
We zien dus dat degene die nirvana binnengaat, heeft bereikt wat we
kama-buddhi noemen, en niet hoger is gegaan in de graad van verwezenlijking
van prajña; terwijl de ander die nirvana verzaakte, die toestand
van buddhisch prajña heeft bereikt, die we kunnen omschrijven
als buddhi-buddhi of als manas-buddhi. De boeddha’s en mahaboeddha’s
zijn zij die verkeren in wat we de atmische toestand van buddhi kunnen
noemen – en die zich volledig en onvoorwaardelijk één
voelen met het heelal.
De genoemde zeven paramita’s bevatten de kern
van de gedragscode die ligt besloten in de vollediger reeks van tien
paramita’s, of de complete ethische tien geboden van het occultisme.
De drie aanvullende paramita’s zijn: adhishthana, upeksha, en
prabodha of sambuddhi. Van deze drie staat adhishthana, ‘onverzettelijke
moed’, niet alleen gevaren of moeilijkheden te wachten maar, indien
verlicht door de intuïtie of prajña, ‘komt ze deze
te boven’ en ‘gaat verder’. Haar natuurlijke plaats
is na virya of ‘geestkracht’. De volgende, upeksha of ‘onderscheidingsvermogen’,
houdt in het zoeken en vinden van de juiste toepassingsmethode van de
paramita’s, en de juiste plaats is na dhyana. Er worden twee namen
gegeven aan de tiende paramita: prabodha, ‘ontwaken van het innerlijke
bewustzijn’, brengt kennis en voorkennis mee en opent dus heerlijke
visioenen op het pad; en sambuddhi, ‘volledige of volmaakte verlichting
of inzicht’ of het zich bewust zijn van zijn eenheid met het spirituele,
is het toppunt of de kroon van alle. Anders gezegd, het is ‘eenwording
met buddhi’.
Door andere scholen van esoterische of min of meer
occulte training in het oosten worden er soms andere ‘deugden’
aan toegevoegd. Voorbeelden hiervan zijn satya of waarheid, en maitra
of universele vriendelijkheid of welwillendheid; maar als men ze nader
beschouwt, ziet men dat ze al in de tien paramita’s besloten liggen.
Hier kan ook worden vermeld dat er in vele delen van de wereld verschillende
stelsels van training bestaan, waarvan de meeste onbetekenend zijn,
want bij nauwkeurige analyse blijken ze meer of minder aangepaste vormen
van hathayoga te zijn, en deze zijn zoals gezegd, zelfs in het gunstigste
geval buitengewoon gevaarlijk en in het ongunstigste veroorzaken ze
krankzinnigheid of verlies van de ziel.
Kracht ontstaat door oefening; en door onze kracht
in de beproevingen en ervaringen van het dagelijks leven te oefenen,
zullen we na verloop van tijd het pad betreden. Tenzij de student innerlijke
discipline betracht, dat wil zeggen voortdurend en onafgebroken de geest
van deze tien verheven deugden of paramita’s in praktijk brengt,
als een onverbiddelijke regel voor zijn denken en handelen, dag in dag
uit, zal hij nooit in zijn pogingen slagen. Het zijn juist deze discipline,
dit oefenen van zijn wilskracht, van zijn intelligentie, en van de liefde
die zijn hart moet vervullen, die de neofiet tenslotte tot de nieuwe
of ‘tweede’ geboorte zullen brengen, waaruit de dvija, de
‘tweemaal geborene’, de ingewijde, ontstaat die tenslotte
meester wordt over leven en dood.
De lezer zou zich kunnen afvragen welk verband er
bestaat tussen de paramita’s en de ons meer vertrouwde boeddhistische
leringen die respectievelijk bekendstaan als de Vier Edele Waarheden
en het logisch daaruit voortvloeiende Achtvoudige Pad. Het verband is
zowel historisch als innerlijk, want beide bevatten dezelfde basisideeën,
die echter in de meer populaire leer zo zijn geformuleerd dat ze een
gedragscode vormen die de gewone wereldse mens kan volgen, als hij de
kwellende fouten wil vermijden die in het menselijk leven vaak worden
gemaakt en de toestand van vrede en mentale onthechting wil bereiken
die bij een goed en edel leven horen.
In het kort zijn de Vier Verheven Waarheden: ten
eerste, dat de oorzaak van het lijden en van hartzeer in ons leven voortkomt
uit gehechtheid of ‘dorst’ – trishna; ten tweede,
dat deze oorzaak kan worden weggenomen; ten derde, dat het wegvallen
van de oorzaken die menselijk verdriet voortbrengen, wordt teweeggebracht
door een leven te leiden dat de ziel bevrijdt van haar gehechtheid aan
het bestaan; en de vierde waarheid, die leidt tot het uitroeien van
de oorzaken van het lijden, is in feite het Verheven Achtvoudige Pad,
te weten: ‘juiste opvatting, juist besluit, juist spreken, juist
gedrag, juiste manier om in zijn levensonderhoud te voorzien, juiste
inspanning, juiste contemplatie, juiste concentratie’.
Dit streven werd door de Boeddha de Middenweg genoemd,
omdat het enerzijds geen zinloos of fanatiek ascetisme inhield en anderzijds
geen laksheid van beginselen en in het denken en een daaruit voortvloeiend
gedrag. Het is een gedragsregel die zoals gezegd binnen het bereik ligt
van iedere man of vrouw, geen bijzondere voorwaarden of omstandigheden
vergt en door iedereen in praktijk kan worden gebracht die ernstig ernaar
verlangt een beter leven te leiden en zijn deel wil bijdragen aan het
beëindigen van de ellende in de wereld om ons heen, waarvan ieder
meevoelend mens zich bewust is.
Men moet echter niet denken dat een chela de ethische
geboden van het Achtvoudige Pad veronachtzaamt, want dan zou men het
belang ervan niet begrijpen. In feite beoefent hij ze niet slechts,
maar hij doet dat met veel grotere concentratie van hart en geest dan
de gemiddelde mens, omdat hij tegelijkertijd met zijn hele ziel ernaar
streeft zich te verheffen tot de sublieme hoogte van de paramita’s
in overeenstemming waarmee hij zou moeten leven.
Het is misschien nodig op dit punt wat sterker de
nadruk te leggen, omdat onder sommige halfbakken mystici de totaal verkeerde
gedachte bestaat dat het tot het leven van een chela behoort de gewone
menselijke betrekkingen te negeren, er weinig rekening mee te houden
en zich te verbeelden dat hij van zijn plichten tegenover zijn medemensen,
zelfs die van wereldse aard, is bevrijd. Deze laatste veronderstelling
gaat rechtstreeks in tegen alle leringen van het occultisme.
Het beginsel achter de Vier Verheven Waarheden en
de acht daaruit voortvloeiende gedragsregels is als volgt: als de wortel
van gehechtheid – begeerte – kan worden afgesneden, wordt
de ziel daarop bevrijd, en door zich op deze wijze los te maken uit
de ketenen van begeerte die gehechtheid veroorzaken, wordt de oorzaak
van verdriet weggenomen; en de manier waarop de wortels van gehechtheid
kunnen worden afgesneden is zo te leven, dat de dorst van de ziel naar
stoffelijke dingen geleidelijk sterft. Wanneer dit gebeurt is de mens
‘vrij’ – hij is een betrekkelijk volmaakte jivanmukta
geworden, een meester over het leven. Als hij eenmaal dit stadium van
volledige onthechting heeft bereikt, is hij een bodhisattva en vanaf
dat moment wijdt hij zich geheel aan alle wezens en dingen, met een
hart vervuld van oneindig mededogen en een geest verlicht door het licht
van de eeuwigheid. Zo zal hij als bodhisattva telkens weer op aarde
verschijnen, als boeddha of als bodhisattva, of hij blijft in de onzichtbare
werelden als een nirmanakaya.
De algemene gedachte dat een bodhisattva nog slechts
één incarnatie hoeft door te maken vóór
hij een boeddha wordt, is tot op zekere hoogte juist, maar de manier
waarop die gedachte is uitgedrukt is ontoereikend. Het ideaal van zowel
de esoterische theosofie als het esoterische boeddhisme is eigenlijk
een bodhisattva, meer nog misschien dan een boeddha, omdat een bodhisattva
iemand is wiens hele wezen en streven, wiens hele werk, is goed te doen
aan alle wezens en ze veilig naar de ‘andere oever’ te brengen;
terwijl een boeddha, hoewel voor hem hetzelfde in een hogere mate geldt,
niettemin, juist door het feit van zijn boeddhaschap in het huidige
stadium van spirituele ontplooiing van de mensheid, op de drempel van
nirvana staat en gewoonlijk daar binnengaat. Het is natuurlijk heel
goed mogelijk voor een boeddha om het nirvana te weigeren en op aarde
te blijven als een bodhisattva of een nirmanakaya; en in dit laatste
geval is hij als boeddha van mededogen natuurlijk een boeddha en tegelijk
uit vrije keuze een bodhisattva.
Er kan niet nadrukkelijk genoeg worden gezegd hoe
noodzakelijk het is de innerlijke betekenis van de bodhisattva-leer
te begrijpen, omdat die de geest van de occulte leer belichaamt die
heerst in de hele cyclus van inwijdingstraining en ook in de betere
scholen van het mahayana. Men ziet direct waarom in het noordelijke
boeddhisme de bodhisattva zo hoog wordt geacht en een zo verheven plaats
inneemt in de verering door menselijke harten. Want de boeddha’s
van mededogen zijn wat ze zijn omdat zijzelf dit ideaal belichamen wanneer
ze de spiritueel zelfzuchtige gelukzaligheid van het nirvanische boeddhaschap
opgeven om in de wereld te blijven en daarvoor te werken. Zelfs heel
eenvoudige en weinig ontwikkelde mensen kunnen naar dat ideaal streven.
In toekomstige eonen moet men kiezen of men een
van de boeddha’s van mededogen wil worden of een van de pratyekaboeddha’s.
Als het moment van de keuze aanbreekt, zal die het karmische resultaat
zijn van vroegere levens, want ze vloeit voort uit de aard van het karakter,
uit de spirituele vermogens die zijn gewekt, en uit de wil die alert
is geworden en ontvankelijk voor opdrachten; dit alles zal de keuze
leiden en in feite bepalen wanneer het moment om te kiezen is aangebroken.
Daarom begint de training nu: door groot te worden in kleine dingen
leert men groot te worden in grote dingen.
Nog een laatste gedachte: het leven dat het Verheven
Achtvoudige Pad, ofwel de paramita’s, met zich meebrengt, moet
men niet met een zwaar hart leiden. Men moet het met vreugde doen. Want
ik geloof oprecht dat iedereen die deze edele regels althans tot op
zekere hoogte in praktijk brengt, daardoor een geweldige verbetering
ondergaat. Evenmin kan het ons ontgaan hoezeer een dergelijke consequente
oefening de wilskracht doet toenemen, het denken versterkt, de sympathieën
van het hart verruimt en een schitterende verlichting van de ziel teweegbrengt,
die alle tezamen in hun laatste stadia de mahatma – de ware bodhisattva
– voortbrengen.
Bron
van het Occultisme, blz. 49-60
© 2006 Theosophical
University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag