Bron van het occultisme / G. de Purucker

Een moderne presentatie van de oude universele wijsheid
gebaseerd op
De Geheime Leer van H.P. Blavatsky

geredigeerd door Grace F. Knoche

isbn 9070328720, gebonden, bestel boek

Uit deze uitgave mag alleen met toestemming van de uitgever
iets worden overgenomen.

© 2006   Theosophical University Press Agency, Den Haag

 

 

   
      Inhoudsopgave     

 

De paramita’s en het verheven achtvoudige pad


In zowel de boeddhistische als de moderne theosofische literatuur is veel geschreven over de ‘verheven deugden’ of paramita’s, maar helaas heeft men ze te vaak alleen gezien als edele maar praktisch onuitvoerbare gedragsregels; het zijn wel gedragsregels, maar ze zijn meer dan dat. Het zijn in feite de regels voor het denken en handelen die de aspirant-chela moet volgen, in het begin zo goed als hij kan, maar later volledig, zodat zijn hele leven erdoor wordt beheerst en verlicht. Alleen zo kan de discipel bereiken wat de Heer Boeddha de ‘andere oever’* noemde – de spirituele gebieden die moeten worden bereikt door de stormachtige oceaan van het menselijke bestaan over te steken en wel op eigen spirituele, mentale en psychische kracht, en alleen met die hulp die hem, gezien zijn vroegere karma, kan worden verleend.

*Paramita en paragata (of het equivalent paragamin) zijn samengestelde Sanskrietwoorden die betekenen ‘iemand die de andere oever heeft bereikt’; paramita (de vrouwelijke vorm) wordt gebruikt voor de verheven deugden of eigenschappen die men moet aankweken om die oever te bereiken. Er is hier een nuanceverschil in betekenis waarop we moeten letten: paramita houdt de gedachte in dat men is ‘overgestoken’ en dus is ‘aangekomen’, terwijl paragata (of paragamin) het ‘vertrek’ van deze kant inhoudt en dus ‘heengegaan’ betekent om behouden de andere oever te bereiken.

Een ander veelgebruikt woord in boeddhistische geschriften, waarin het subtiele onderscheid tussen bovengenoemde termen eveneens tot uitdrukking komt, is Tathagata, een titel die aan Gautama Boeddha wordt gegeven. Dit is een samengesteld Sanskrietwoord dat op twee manieren kan worden gesplitst: tatha-gata, ‘aldus heengegaan’, dat wil zeggen, vertrokken naar en aangekomen op de andere oever; en tatha-agata, ‘aldus aangekomen of gekomen’, zodat de betekenis van de term Tathagata is: iemand die zowel is ‘vertrokken’ naar, als ‘aangekomen’ op de andere oever, zoals ook zijn voorganger-boeddha’s hebben gedaan.

Het idee ‘naar de andere oever gaan’ wordt meestal gezien als iets typisch oosters, maar dit lijkt niet gerechtvaardigd, want veel christelijke gezangen spreken over de mystieke Jordaan en over het bereiken van de ‘oever aan de overzijde’, een opvatting die min of meer identiek schijnt te zijn met die van het boeddhisme. ‘Deze zijde’ is het wereldse leven, het gebruikelijke of gewone doen en laten van de mens. De ‘andere oever’ is eenvoudig het spirituele leven, dat de betrekkelijk volkomen ontplooiing omvat van de krachten en functies van de volledige menselijke natuur. Met andere woorden, de ‘andere oever’ bereiken betekent één-zijn met de innerlijke god en dus betrekkelijk volledig zelfbewust deelhebben aan het universele leven. Alle grote religieuze en filosofische stelsels hebben hun volgelingen nadrukkelijk geleerd dat ons ware doel is de lessen van het gemanifesteerde bestaan te leren en vanuit deze ervaring op te klimmen naar het kosmische leven.

Het Dhammapada (vers 85) zegt hierover:

Er zijn weinig mensen die de andere oever bereiken;
De anderen leven zich uit op deze oever.

Een kort boeddhistisch geschrift, getiteld het Prajna-Paramita-Hridaya Sutra, of ‘Het hart of de essentie van de wijsheid van het overgaan’, eindigt met een mooie mantra die in het oorspronkelijke Sanskriet als volgt luidt:

Gate, gate, paragate, parasamgate, bodhi, svaha!

O wijsheid! Gegaan, gegaan, gegaan naar de andere oever,
aangekomen op de andere oever, heil!

Wijsheid kan in dit verband worden gezien als betrekking hebbende op de kosmische buddhi, ook wel adi-buddhi of ‘oer-wijsheid’ genoemd, en ook, in geïndividualiseerde zin, op de hoogste stille wachter van onze planeetketen, adi-boeddha. De aangesprokene is degene die op de andere oever is aangekomen, de triomferende pelgrim, die zelfbewust één is geworden met de god in hem en dus erin is geslaagd door de maya of de illusies van deze werelden van verschijnselen heen te zien. De hoogsten die dit hebben bereikt zijn jivanmukta’s, ‘bevrijde monaden’; zij die minder hoog staan behoren tot de verschillende rangen in de vele hiërarchieën van de hiërarchie van mededogen.

De paramita’s, zoals HPB die in De Stem van de Stilte (blz. 45-6) heeft gegeven, zijn als volgt:

Dana, de sleutel van barmhartigheid en onsterfelijke liefde.

Sila, de sleutel van harmonie in woord en daad, de sleutel die oorzaak en gevolg in evenwicht houdt en geen ruimte laat voor de werking van karma.

Kshanti, mild geduld dat door niets kan worden verstoord.

Viraga, gelijkmoedigheid ten opzichte van genot en leed; de illusie is overwonnen, alleen de waarheid wordt waargenomen.

Virya, de onverschrokken kracht die zich uit het slijk van aardse leugens een weg baant naar de hoogste waarheid.

Dhyana, waarvan de gouden poort, eenmaal geopend, de narjol [naljor] toegang geeft tot het rijk van het eeuwige sat en de onafgebroken contemplatie daarvan.

Prajña, de sleutel hiervan maakt van de mens een god, een bodhisattva, een zoon van de dhyani’s.

De manier waarop deze paramita’s moeten worden beoefend, wordt goed geïllustreerd in enige passages uit het Mahayana Sraddhotpada Sastra* dat er echter maar zes noemt, hoewel er elders zeven worden gegeven en indien vollediger vermeld, tien:

*Vaak vertaald als ‘Het ontwaken van het geloof in het mahayana’, maar dit geeft de betekenis van het oorspronkelijke Sanskriet onvoldoende weer. Sraddha betekent zekerheid of vertrouwen, gebaseerd op het ontvouwen van innerlijke ervaringen, waarvan het bewijs zowel binnen als buiten het zelf ligt, en duidt hier op een voortgaand proces van innerlijke ontplooiing, welke betekenis totaal ontbreekt in het woord ‘geloof’. Wat utpada betreft, dit heeft dezelfde betekenis van een steeds verdergaande ontvouwing, een ontwaken van of opstijgen naar het besef of de verwerkelijking van wijsheid, culminerend in de mystieke verzaking van de vruchten van bevrijding en het bereiken van boeddhaschap. Dit geschrift behoort tot de Prajña-paramita-cyclus en wordt gewoonlijk toegeschreven aan Asvaghosha, een belangrijke boeddhistische geleerde, die in de tweede helft van de eerste eeuw n.Chr. leefde en wiens beste werk het Mahalamkara of ‘Boek van grote heerlijkheid’ is.

Hoe moet men barmhartigheid (dana) in praktijk brengen?

Als iemand om iets komt vragen, moeten discipelen, voorzover ze dat kunnen, het verzoek zonder morren inwilligen en op een wijze die hen goed doet. Als discipelen zien dat iemand in gevaar verkeert, moeten ze met alle middelen die ze hebben proberen hem te redden en hem een gevoel van veiligheid geven. Als iemand tot discipelen komt en onderricht wenst in de dharma, moeten ze, voorzover ze daartoe in staat zijn en naar hun beste inzicht, proberen hem te informeren. En als ze deze daden van mededogen verrichten, moeten ze geen enkel verlangen koesteren naar vergoeding, dankbaarheid, verdienste of voordeel, of enige wereldse beloning. Ze moeten ernaar streven hun denken te concentreren op die universele goede daden en zegeningen die voor iedereen zonder onderscheid zijn, en door zo te handelen zullen ze in zichzelf de hoogste volmaakte wijsheid verwezenlijken.

Hoe moet men voorschriften voor deugdzaam gedrag (sila) in praktijk brengen?

Lekendiscipelen die een gezin hebben dienen zich te onthouden van doden, stelen, echtbreken, liegen, dubbelhartigheid, kwaadspreken, lichtzinnige taal, hebzucht, boosaardigheid, proberen in de gunst te komen, en van onjuiste leringen. Ongetrouwde discipelen moeten zich om belemmeringen te vermijden, terugtrekken uit de onrust van het wereldse leven, en terwijl ze in eenzaamheid vertoeven die wegen bewandelen die tot rust, matigheid en tevredenheid voeren. . . . Ze moeten proberen zich zo te gedragen dat ze niet het voorwerp worden van afkeuring en kritiek, en dienen door hun voorbeeld anderen aan te sporen het kwade na te laten en het goede te doen.

Hoe moet men lankmoedige verdraagzaamheid (kshanti) in praktijk brengen?

Als iemand door de rampen van het leven wordt getroffen, moet hij ze niet uit de weg gaan, noch zich verongelijkt voelen. Terwijl hij door anderen aangedaan kwaad rustig verdraagt, moet hij geen wrok koesteren. Hij moet niet opgetogen zijn bij voorspoed, lof of aangename omstandigheden, noch terneergeslagen bij armoede, belediging of tegenspoed. Terwijl hij zijn gedachten geconcentreerd houdt op de diepe betekenis van de dharma, moet hij onder alle omstandigheden in zijn denken rust en onpartijdigheid bewaren.

Hoe moet men onverschrokken kracht (virya) in praktijk brengen?

Men moet nooit traag worden in het doen van goede daden. Men moet elk mentaal of fysiek lijden zien als het natuurlijke gevolg van onwaardige daden gepleegd in vorige incarnaties, en moet zich vast voornemen voortaan alleen die dingen te doen die in overeenstemming zijn met een spiritueel leven. Men moet mededogen koesteren voor alle wezens, en nooit de gedachte aan traagheid laten opkomen, maar zich onvermoeibaar en vol enthousiasme inspannen om alle wezens goed te doen. . . .

Hoe moet men meditatie (dhyana) in praktijk brengen?

Verstandelijk inzicht wordt verkregen door werkelijk te begrijpen dat alle dingen de wet van causaliteit volgen, maar op zichzelf vergankelijk zijn en leeg van elk werkelijk zelf. Dhyana heeft twee aspecten: het eerste aspect is een poging om nutteloze gedachten te onderdrukken; het tweede is mentale concentratie, in een poging deze leegte (sunyata) van bewustzijn-essentie te beseffen. Eerst zal een beginneling deze twee afzonderlijk moeten oefenen, maar als hij het denken gaat beheersen, zullen die twee samensmelten. . . .

Hij moet contempleren over het feit dat hoewel alle dingen vergankelijk en leeg zijn, ze niettemin op het fysieke gebied een betrekkelijke waarde hebben voor hen die valse voorstellingen koesteren; voor deze onwetenden is het lijden zeer werkelijk – dat was het altijd en zal het altijd zijn – onmetelijk veel leed. . . .

Door dit alles ontwaakt er in het gemoed van iedere ernstige discipel een diep mededogen met het lijden van alle wezens, dat hem tot onverschrokken en geestdriftige ijver en het doen van dure geloften aanspoort. Hij besluit alles wat hij heeft en alles wat hij is te geven voor de bevrijding van alle wezens. . . . Na deze geloften moet de oprechte discipel te allen tijde, en voorzover zijn kracht en geest het toelaten die daden verrichten die heilzaam zijn voor zowel anderen als hemzelf. Of hij nu loopt, staat, zit of ligt, hij moet vol toewijding zijn denken concentreren op wat wijs is om te doen en wijs is om na te laten. Dit is het actieve aspect van dhyana.

Hoe kan men intuïtieve wijsheid (prajña) in praktijk brengen?

Wanneer iemand door het trouw beoefenen van dhyana, samadhi bereikt, staat hij boven onderscheidingsvermogen en kennis; hij heeft het volmaakte één-zijn van bewustzijn-essentie verwerkelijkt. Met deze verwerkelijking komt een intuïtief inzicht in de aard van het heelal. . . . hij beseft nu het volmaakte één-zijn van essentie, potentialiteit en activiteit in tathagataschap. . . .

Prajñaparamita is de hoogste, volmaakte wijsheid; haar oogst komt ongezien, zonder inspanning, spontaan; ze doet alle zaken die schijnbaar verschillen, goede of kwade, samensmelten tot één volmaakt geheel. . . .

Laten daarom alle discipelen, die naar de hoogste, volmaakte wijsheid streven, die prajñaparamita is, zich ijverig toeleggen op het volgen van de regels van het edele pad, want alleen dat zal hen leiden naar de volmaakte verwerkelijking van het boeddhaschap.

Om de ware aard van prajña te begrijpen en spiritueel aan te voelen, is het noodzakelijk de opvatting van ‘deze zijde’ op te geven en met spiritueel begrip over te gaan naar de ‘andere oever’ (para), of de andere benaderingswijze van de dingen. Aan ‘deze zijde’ zijn we verwikkeld in een bewustzijnssfeer van verstandelijke analyses en bijzonderheden, die een wereld wordt van gehechtheid en onderscheid op een lager niveau. Wanneer we deze innerlijke ‘ommekeer’ tot stand brengen, dit verheffen van ons bewustzijn naar de mystieke ‘andere oever’ van het zijn, dan stappen we met meer of minder succes een wereld van bovenzinnelijke werkelijkheden binnen van waaruit we de dingen kunnen zien in hun oorspronkelijke en spirituele eenheid, achter de maya van de bedrieglijke sluiers van veelvormigheid; en kunnen we doordringen tot de essentiële aard van deze werkelijkheden en ze leren kennen zoals ze werkelijk zijn.

Deze toestand van innerlijke helderheid en nauwkeurige spirituele en mentale waarneming verschilt zo van de vertrouwde werkingen van ons deze-zijde-bewustzijn in onze alledaagse wereld van vergankelijke verschijnselen, dat een ongeoefende geest deze in verband brengt met het idee van een leegte, een vacuüm. Leegte (sunyata, om de boeddhistische term te gebruiken) in haar ware metafysische betekenis moet echter niet worden verward met ‘het niets’, wat een absolute ontkenning van het ware zijn en dus vernietiging zou betekenen. Ook kan men haar niet begrijpen door middel van de verstandelijke vermogens, maar eerder door directe of onmiddellijke waarneming, wat tot de hoge spiritueel-mentale toestand behoort die prajña wordt genoemd en die uitgaat boven het mayavische onderscheid tussen zijn en niet-zijn, tussen het bijzondere en het universele, tussen het vele en het ene.

Deze hoge toestand is inderdaad de intuïtieve kennis en het doordringende inzicht van de geest-ziel in de mens, zijn buddhi-manas, dat oneindig veel krachtiger en doordringender is dan het puur verstandelijke begrijpen. Die intuïtieve kennis en dat inzicht zijn voortdurend werkzaam in de meest verheven en universele schuilhoeken van ons bewustzijn. Door het geleidelijk ontwaken van de lagere mens tot volledig besef van dit spiritueel-mentale bewustzijn – dat in zijn actieve manifestaties identiek is met prajña – verheffen we ons uit de lagere rijken van ons bewustzijn, ontsnappen we aan de slavernij van onwetendheid en onkunde (avidya) en bevrijden we ons van de verschillende soorten innerlijke en uiterlijke pijn. Deze verlossing betekent het bereiken van de hoogste verlichting en van bevrijding (mukti). Kortom, prajña kan misschien het best worden vertaald met intuïtie en wel die ogenblikkelijke verlichting of volledige kennis die werkelijk goddelijk is.

In de Prajñaparamita-cyclus van boeddhistische geschriften wordt prajña beschouwd als het leidende beginsel van de andere paramita’s, dat naar deze verwijst als de methode om de werkelijkheid te bereiken. Ze wordt vergeleken met het waarnemende en begrijpende oog, dat met volmaakte helderheid van visie de horizonnen van het leven verkent en het pad uitstippelt dat door de aspirant moet worden gevolgd. Zonder prajña zou het de andere paramita’s ontbreken aan een van hun hoogste elementen; ze leidt hun voortgaande ontwikkeling, ongeveer zoals de aarde de voedingsbodem verschaft voor de plantengroei.

Alle wezens in het heelal bezitten prajña, hoewel ze niet zelfbewust werkt, tenzij die entiteiten in de loop van hun evolutionaire pelgrimstocht er één mee zijn geworden. De dieren, bijvoorbeeld bijen en mieren, hebben prajña, maar elk zelfbewust besef daarvan ontbreekt bij hen, want het zich bewust verenigen met prajña begint pas bij de mens – tenminste op deze aarde. De eerste zwakke werking van prajña openbaart zich in de mens als een streven naar verlichting, liefde en wijsheid; ze begint te bloeien in de bodhisattva en staat in volle bloei in de boeddha’s en christussen, wat de toestand van volmaakte verlichting is.

De hoge chela of ingewijde die met succes het stadium heeft bereikt waarin hij de paramita’s is geworden, waarin zijn bewustzijn kristalhelder en relatief onbegrensd is, waarin zijn hele wezen is afgestemd op de spirituele ziel van de mensheid en hij zijn zelf heeft opgegeven voor de onzelfzuchtige heerlijkheid te leven voor al wat is, wordt technisch een bodhisattva genoemd – ‘iemand wiens essentie (sattva) de aard van wijsheid (bodhi) heeft’. Het motief dat de ware discipel aanspoort om in zichzelf de hoogste verlichting te verwezenlijken, is nooit persoonlijk voordeel, hoe verheven en vergeestelijkt ook, maar de drang de hele wereld tot zegen te zijn, alle wezens te bevrijden uit de ketenen van onwetendheid en pijn, en in zijn hart mededogen op te wekken voor al wat leeft, zodat ieder levend wezen na verloop van tijd de volmaakte bevrijding kan bereiken.*

*Vgl. Fo-Mu Prajñaparamita, Deel 14, hoofdstuk ‘Over wijze mensen’.

In het Mahaprajñaparamita wordt aan Sariputra de vraag gesteld of de bodhisattva alleen aan andere bodhisattva’s respect verschuldigd is en niet ‘aan alle wezens in het algemeen’. De wijze antwoordt daarop dat hij in feite ‘met hetzelfde gevoel van zelfverloochening aan hen eerbied moet bewijzen als aan de Tathagata’s’. Hij vervolgt dan met te zeggen:*

*Hsüan-chuang, Deel 387, hoofdstuk xii, ‘Over ethiek’.

De bodhisattva moet op die manier een groot gevoel van mededogen voor alle wezens opwekken en zijn geest volledig vrijhouden van arrogantie en eigenwaan, en hij moet het gevoel hebben: ik zal alle doeltreffende middelen gebruiken om alle levende wezens te doen beseffen wat het belangrijkste in hen is, namelijk hun boeddha-aard (buddhata). Door dat te beseffen worden ze allen boeddha’s, . . .

Prajña neemt in een individuele entiteit, zoals een mens, bijna dezelfde plaats in als adi-buddhi of mahabuddhi in het heelal. Een van de basisregels van de esoterische wijsheid is dat ons heelal een entiteit is; daarom kunnen we zijn individuele universele denkvermogen of bewustzijn voorstellen als een uitgestrekte oceaan van zelfbewuste buddhi-manasische energiepunten. Vanuit dit standpunt kan prajña worden beschreven als het spirituele individuele bewustzijn van ieder lid van de menigten dhyani-chohans of kosmische geesten. Als iemand dus prajña-bewustzijn heeft verworven, heeft hij zelfbewust contact met het buddhi-manasische denkvermogen van het wonderlijke wezen van onze hiërarchie.

Uit het voorafgaande moet duidelijk zijn dat er onder de leden van een hiërarchie talrijke verschillen bestaan in de hoogte die ze hebben bereikt; er zijn graduele verschillen tussen wat een chela heeft bereikt die aan het begin van het pad staat en een mahatma, gevolgd door nog hoogstaandere wezens die een nog dieper besef van prajña hebben op de ladder van groei, die zich hoger en hoger uitstrekt tot het wonderlijke wezen wordt bereikt. De prajña is in allen dezelfde; het verschil tussen de individuele wezens ligt in de mate waarin ze haar tot uitdrukking hebben gebracht.

Er bestaan ook nog verschillen van andere aard, zoals die tussen iemand die een betrekkelijke verwezenlijking van prajña heeft bereikt en nirvana binnengaat, en een ander die hetzelfde heeft bereikt maar afziet van nirvana. Hier ligt een belangrijk onderscheid gebaseerd op kosmische ethiek: hij die nirvana heeft bereikt maar het verzaakt en terugkeert om de wereld te helpen, staat moreel veel hoger dan iemand die nirvana binnengaat voor zijn eigen geluk. Beiden hebben de eenwording met prajña in voldoende mate bereikt om de nirvanische toestand te verdienen, maar degene die deze toestand verzaakt, heeft zelfbewuste verwezenlijking van prajña op een hoger buddhisch gebied bereikt dan hij die nirvana verdient en het binnengaat.

De sleutel tot dit mysterie ligt in het feit dat elk van de zeven beginselen van de menselijke constitutie zevenvoudig is en daarom is ook buddhi, de zetel van prajña, zevenvoudig. We zien dus dat degene die nirvana binnengaat, heeft bereikt wat we kama-buddhi noemen, en niet hoger is gegaan in de graad van verwezenlijking van prajña; terwijl de ander die nirvana verzaakte, die toestand van buddhisch prajña heeft bereikt, die we kunnen omschrijven als buddhi-buddhi of als manas-buddhi. De boeddha’s en mahaboeddha’s zijn zij die verkeren in wat we de atmische toestand van buddhi kunnen noemen – en die zich volledig en onvoorwaardelijk één voelen met het heelal.

De genoemde zeven paramita’s bevatten de kern van de gedragscode die ligt besloten in de vollediger reeks van tien paramita’s, of de complete ethische tien geboden van het occultisme. De drie aanvullende paramita’s zijn: adhishthana, upeksha, en prabodha of sambuddhi. Van deze drie staat adhishthana, ‘onverzettelijke moed’, niet alleen gevaren of moeilijkheden te wachten maar, indien verlicht door de intuïtie of prajña, ‘komt ze deze te boven’ en ‘gaat verder’. Haar natuurlijke plaats is na virya of ‘geestkracht’. De volgende, upeksha of ‘onderscheidingsvermogen’, houdt in het zoeken en vinden van de juiste toepassingsmethode van de paramita’s, en de juiste plaats is na dhyana. Er worden twee namen gegeven aan de tiende paramita: prabodha, ‘ontwaken van het innerlijke bewustzijn’, brengt kennis en voorkennis mee en opent dus heerlijke visioenen op het pad; en sambuddhi, ‘volledige of volmaakte verlichting of inzicht’ of het zich bewust zijn van zijn eenheid met het spirituele, is het toppunt of de kroon van alle. Anders gezegd, het is ‘eenwording met buddhi’.

Door andere scholen van esoterische of min of meer occulte training in het oosten worden er soms andere ‘deugden’ aan toegevoegd. Voorbeelden hiervan zijn satya of waarheid, en maitra of universele vriendelijkheid of welwillendheid; maar als men ze nader beschouwt, ziet men dat ze al in de tien paramita’s besloten liggen. Hier kan ook worden vermeld dat er in vele delen van de wereld verschillende stelsels van training bestaan, waarvan de meeste onbetekenend zijn, want bij nauwkeurige analyse blijken ze meer of minder aangepaste vormen van hathayoga te zijn, en deze zijn zoals gezegd, zelfs in het gunstigste geval buitengewoon gevaarlijk en in het ongunstigste veroorzaken ze krankzinnigheid of verlies van de ziel.

Kracht ontstaat door oefening; en door onze kracht in de beproevingen en ervaringen van het dagelijks leven te oefenen, zullen we na verloop van tijd het pad betreden. Tenzij de student innerlijke discipline betracht, dat wil zeggen voortdurend en onafgebroken de geest van deze tien verheven deugden of paramita’s in praktijk brengt, als een onverbiddelijke regel voor zijn denken en handelen, dag in dag uit, zal hij nooit in zijn pogingen slagen. Het zijn juist deze discipline, dit oefenen van zijn wilskracht, van zijn intelligentie, en van de liefde die zijn hart moet vervullen, die de neofiet tenslotte tot de nieuwe of ‘tweede’ geboorte zullen brengen, waaruit de dvija, de ‘tweemaal geborene’, de ingewijde, ontstaat die tenslotte meester wordt over leven en dood.

De lezer zou zich kunnen afvragen welk verband er bestaat tussen de paramita’s en de ons meer vertrouwde boeddhistische leringen die respectievelijk bekendstaan als de Vier Edele Waarheden en het logisch daaruit voortvloeiende Achtvoudige Pad. Het verband is zowel historisch als innerlijk, want beide bevatten dezelfde basisideeën, die echter in de meer populaire leer zo zijn geformuleerd dat ze een gedragscode vormen die de gewone wereldse mens kan volgen, als hij de kwellende fouten wil vermijden die in het menselijk leven vaak worden gemaakt en de toestand van vrede en mentale onthechting wil bereiken die bij een goed en edel leven horen.

In het kort zijn de Vier Verheven Waarheden: ten eerste, dat de oorzaak van het lijden en van hartzeer in ons leven voortkomt uit gehechtheid of ‘dorst’ – trishna; ten tweede, dat deze oorzaak kan worden weggenomen; ten derde, dat het wegvallen van de oorzaken die menselijk verdriet voortbrengen, wordt teweeggebracht door een leven te leiden dat de ziel bevrijdt van haar gehechtheid aan het bestaan; en de vierde waarheid, die leidt tot het uitroeien van de oorzaken van het lijden, is in feite het Verheven Achtvoudige Pad, te weten: ‘juiste opvatting, juist besluit, juist spreken, juist gedrag, juiste manier om in zijn levensonderhoud te voorzien, juiste inspanning, juiste contemplatie, juiste concentratie’.

Dit streven werd door de Boeddha de Middenweg genoemd, omdat het enerzijds geen zinloos of fanatiek ascetisme inhield en anderzijds geen laksheid van beginselen en in het denken en een daaruit voortvloeiend gedrag. Het is een gedragsregel die zoals gezegd binnen het bereik ligt van iedere man of vrouw, geen bijzondere voorwaarden of omstandigheden vergt en door iedereen in praktijk kan worden gebracht die ernstig ernaar verlangt een beter leven te leiden en zijn deel wil bijdragen aan het beëindigen van de ellende in de wereld om ons heen, waarvan ieder meevoelend mens zich bewust is.

Men moet echter niet denken dat een chela de ethische geboden van het Achtvoudige Pad veronachtzaamt, want dan zou men het belang ervan niet begrijpen. In feite beoefent hij ze niet slechts, maar hij doet dat met veel grotere concentratie van hart en geest dan de gemiddelde mens, omdat hij tegelijkertijd met zijn hele ziel ernaar streeft zich te verheffen tot de sublieme hoogte van de paramita’s in overeenstemming waarmee hij zou moeten leven.

Het is misschien nodig op dit punt wat sterker de nadruk te leggen, omdat onder sommige halfbakken mystici de totaal verkeerde gedachte bestaat dat het tot het leven van een chela behoort de gewone menselijke betrekkingen te negeren, er weinig rekening mee te houden en zich te verbeelden dat hij van zijn plichten tegenover zijn medemensen, zelfs die van wereldse aard, is bevrijd. Deze laatste veronderstelling gaat rechtstreeks in tegen alle leringen van het occultisme.

Het beginsel achter de Vier Verheven Waarheden en de acht daaruit voortvloeiende gedragsregels is als volgt: als de wortel van gehechtheid – begeerte – kan worden afgesneden, wordt de ziel daarop bevrijd, en door zich op deze wijze los te maken uit de ketenen van begeerte die gehechtheid veroorzaken, wordt de oorzaak van verdriet weggenomen; en de manier waarop de wortels van gehechtheid kunnen worden afgesneden is zo te leven, dat de dorst van de ziel naar stoffelijke dingen geleidelijk sterft. Wanneer dit gebeurt is de mens ‘vrij’ – hij is een betrekkelijk volmaakte jivanmukta geworden, een meester over het leven. Als hij eenmaal dit stadium van volledige onthechting heeft bereikt, is hij een bodhisattva en vanaf dat moment wijdt hij zich geheel aan alle wezens en dingen, met een hart vervuld van oneindig mededogen en een geest verlicht door het licht van de eeuwigheid. Zo zal hij als bodhisattva telkens weer op aarde verschijnen, als boeddha of als bodhisattva, of hij blijft in de onzichtbare werelden als een nirmanakaya.

De algemene gedachte dat een bodhisattva nog slechts één incarnatie hoeft door te maken vóór hij een boeddha wordt, is tot op zekere hoogte juist, maar de manier waarop die gedachte is uitgedrukt is ontoereikend. Het ideaal van zowel de esoterische theosofie als het esoterische boeddhisme is eigenlijk een bodhisattva, meer nog misschien dan een boeddha, omdat een bodhisattva iemand is wiens hele wezen en streven, wiens hele werk, is goed te doen aan alle wezens en ze veilig naar de ‘andere oever’ te brengen; terwijl een boeddha, hoewel voor hem hetzelfde in een hogere mate geldt, niettemin, juist door het feit van zijn boeddhaschap in het huidige stadium van spirituele ontplooiing van de mensheid, op de drempel van nirvana staat en gewoonlijk daar binnengaat. Het is natuurlijk heel goed mogelijk voor een boeddha om het nirvana te weigeren en op aarde te blijven als een bodhisattva of een nirmanakaya; en in dit laatste geval is hij als boeddha van mededogen natuurlijk een boeddha en tegelijk uit vrije keuze een bodhisattva.

Er kan niet nadrukkelijk genoeg worden gezegd hoe noodzakelijk het is de innerlijke betekenis van de bodhisattva-leer te begrijpen, omdat die de geest van de occulte leer belichaamt die heerst in de hele cyclus van inwijdingstraining en ook in de betere scholen van het mahayana. Men ziet direct waarom in het noordelijke boeddhisme de bodhisattva zo hoog wordt geacht en een zo verheven plaats inneemt in de verering door menselijke harten. Want de boeddha’s van mededogen zijn wat ze zijn omdat zijzelf dit ideaal belichamen wanneer ze de spiritueel zelfzuchtige gelukzaligheid van het nirvanische boeddhaschap opgeven om in de wereld te blijven en daarvoor te werken. Zelfs heel eenvoudige en weinig ontwikkelde mensen kunnen naar dat ideaal streven.

In toekomstige eonen moet men kiezen of men een van de boeddha’s van mededogen wil worden of een van de pratyekaboeddha’s. Als het moment van de keuze aanbreekt, zal die het karmische resultaat zijn van vroegere levens, want ze vloeit voort uit de aard van het karakter, uit de spirituele vermogens die zijn gewekt, en uit de wil die alert is geworden en ontvankelijk voor opdrachten; dit alles zal de keuze leiden en in feite bepalen wanneer het moment om te kiezen is aangebroken. Daarom begint de training nu: door groot te worden in kleine dingen leert men groot te worden in grote dingen.

Nog een laatste gedachte: het leven dat het Verheven Achtvoudige Pad, ofwel de paramita’s, met zich meebrengt, moet men niet met een zwaar hart leiden. Men moet het met vreugde doen. Want ik geloof oprecht dat iedereen die deze edele regels althans tot op zekere hoogte in praktijk brengt, daardoor een geweldige verbetering ondergaat. Evenmin kan het ons ontgaan hoezeer een dergelijke consequente oefening de wilskracht doet toenemen, het denken versterkt, de sympathieën van het hart verruimt en een schitterende verlichting van de ziel teweegbrengt, die alle tezamen in hun laatste stadia de mahatma – de ware bodhisattva – voortbrengen.

 


Bron van het occultisme, blz. 49-60

© 2006  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag