Bron van het occultisme / G. de Purucker

Een moderne presentatie van de oude universele wijsheid
gebaseerd op
De Geheime Leer van H.P. Blavatsky

geredigeerd door Grace F. Knoche

isbn 9070328720, gebonden, bestel boek

Uit deze uitgave mag alleen met toestemming van de uitgever
iets worden overgenomen.

© 2006   Theosophical University Press Agency, Den Haag

 

 

   
      Inhoudsopgave     

 

Avatara’s van Maha-Vishnu en Maha-Siva


De boeddhisten hebben altijd met klem ontkend dat hun Boeddha, zoals door de brahmanen wordt beweerd, een avatara van Vishnu was, in dezelfde betekenis als een mens een incarnatie is van zijn karmische voorouder. Ze ontkennen dit misschien ten dele omdat de esoterische betekenis van de term ‘Maha-Vishnu’ hen niet bekend is in zijn volle onpersoonlijke en algemene betekenis. Er is een geheimzinnig beginsel in de natuur dat ‘Maha-Vishnu’ wordt genoemd, dat niet de God van die naam is, maar een beginsel dat bija bevat, het zaadje van avatarisme, of met andere woorden, de kracht is achter en de oorzaak van zulke goddelijke incarnaties. Alle verlossers van de wereld, de bodhisattva’s en de avatara’s, zijn de bomen van redding die zijn opgegroeid uit het ene zaadje, de bija of ‘Maha-Vishnu’. Of het adi-boeddha (oorspronkelijke wijsheid) of Maha-Vishnu wordt genoemd, het is allemaal hetzelfde. Esoterisch opgevat, is Vishnu zowel saguna als nirguna (met en zonder eigenschappen). In het eerste aspect is Vishnu het voorwerp van exoterische verering en toewijding; in het tweede, als nirguna, is hij het hoogtepunt van alle spirituele wijsheid in het heelal – kortom nirvana – en heeft als vereerders alle filosofische denkers. In deze esoterische betekenis was de Heer Boeddha inderdaad een incarnatie van Maha-Vishnu.

Zo is het vanuit het filosofische en zuiver spirituele standpunt. Maar vanuit het gebied van begoocheling, zoals men zou zeggen, of vanuit het aardse standpunt, weten degenen die zijn ingewijd dat Hij een rechtstreekse incarnatie was van een van de oorspronkelijke ‘zeven zonen van licht’, die men in elke theogonie kan vinden – de dhyani-chohans, die tot taak hebben van de ene eeuwigheid (eon) tot de andere over het spirituele welzijn van de aan hun zorg toevertrouwde gebieden te waken.

– Uit de geschriften die HPB heeft nagelaten en die na haar dood
           zijn uitgegeven als deel 3 van de GL; CW 14:370-1

De uiteindelijke oorsprong van een avatara bevindt zich in een raja-zon; maar het spirituele deel van een avatara is in werkelijkheid een straal van een god, een bewoner van ons eigen zonnestelsel; en meer in het bijzonder is deze godheid een deel van de spirituele zonne-essentie. In India worden deze goden die dus tot onze zon en zijn stelsel behoren gezamenlijk aangeduid met de algemene naam Vishnu, hoewel ze net zo goed Siva kunnen worden genoemd.

Een van de oudste mythologische hindoelegenden verhaalt hoe Vishnu zich in de ‘wateren’ stort in de vorm van een everzwijn en de aarde omhooghoudt op zijn slagtanden. Men kan het verhaal vinden in enkele literaire werken van de vedische cyclus, evenals in het Mahabharata en de Purana’s. In de oudste vormen ervan worden de avatara’s van een godheid toegeschreven aan Prajapati, de vader van de mensheid en van de dieren, de planten en het hele mineralenrijk; met andere woorden aan Brahma. Latere vormen van het verhaal, zoals die in de Purana’s voorkomen, schrijven tien avatara’s toe aan Vishnu, de Instandhouder. Deze strekken zich uit van de vis-avatara, via de schildpad, het everzwijn, de leeuw, de dwerg, enz., tot Krishna, de achtste incarnatie, en zo tot en met de tiende, die de Kalki-avatara wordt genoemd. Elke volgende avatara in de rangorde van de wereld behoort tot een hogere graad van wezens dan de eraan voorafgaande. De Kalki-avatara is nog niet verschenen, en deze incarnatie vertegenwoordigt wat het westen gewoonlijk aanduidt als de ‘komst van de Messias’ – wanneer alle onrecht zal worden goedgemaakt en rechtvaardigheid en gerechtigheid vaste voet op aarde zullen hebben gekregen.

Al deze legenden zijn gebaseerd op natuurfeiten, maar ze worden in een mythologische vorm verteld, zodat ze, tenzij men de sleutel ervoor bezit, moeilijk zijn te begrijpen. Sommige van deze zoölogisch-mythologische figuren zijn heel interessant. In Babylonië en Perzië bijvoorbeeld, en ook in Griekenland, was het paard het symbool van de zon; de stier en de koe waren symbolen van de maan. Ook in Hindoestan betekent het everzwijn dat zich in de ‘wateren’ van de ruimte stort en de aarde met zijn slagtanden optilt en haar zó gedurende de rest van het manvantara draagt, niet alleen de fysieke vitaliteit van het vierde gebied, maar ook de kosmische vitaliteit die de aarde vervult en instandhoudt, geworteld als deze vitaliteit is in het spirituele leven van de god van ons zonnestelsel.

In de twee klassen van avatara’s kunnen we sommigen misschien betitelen als avatara’s van Maha-Vishnu, en anderen van Maha-Siva. De volgende gedachte kan misschien helpen: mensen verschillen onderling in karakter, sommigen zijn agressief, anderen bedachtzaam en teruggetrokken; en weer anderen, hoewel hun werk in wezen goed en constructief is, brengen niettemin resultaten voort door het kwaad te vernietigen. Deze laatsten zouden we menselijke stralen of heel ondergeschikte avatara’s van Maha-Siva kunnen noemen, want deze mensen zijn vernietigers in de zin van vernieuwers. Andere soorten mensen daarentegen zijn instandhouders van het goede dat al bestaat, behoeders en beschermers ervan: ze zijn even hoog, even sterk als de eerstgenoemde klasse en dienen een even weldadig en verheven doel in de wereld. Deze kunnen we heel ondergeschikte avatara’s van Maha-Vishnu noemen.

De avatara’s van Maha-Siva zijn de vernieuwers door handeling; en de avatara’s van Maha-Vishnu zijn de instandhouders, niet zozeer door het vernietigen van het kwaad dan wel door het goede dat al bestaat in stand te houden en te stimuleren. Krishna was een avatara van Vishnu, terwijl Jezus, uit het zeer weinige dat we van hem weten, volgens mij een avatara van Siva was; en ik zou eraan willen toevoegen dat er geen regelmatige afwisseling schijnt te zijn in de opeenvolgende verschijningen van de avatara’s van Siva en Vishnu.

In één essentieel opzicht hadden de oude brahmanen gelijk om Gautama de Boeddha als een van de avatara’s van Vishnu te beschouwen. In een nog moeilijker te doorgronden betekenis zouden we de Heer Boeddha misschien een avatara van Siva kunnen noemen. Niettemin kan men hem zien als een gedeeltelijke incarnatie van dat aspect van het leven van ons zonnestelsel dat de hindoes Vishnu noemen – een van de drie elementen van het hart van de zon. Esoterisch gezien is Vishnu geen persoonlijke god maar een geïndividualiseerde godheid, een van de hoogste drie van ons zonnestelsel, die de top of kroon vormen van de etherische zon; de andere twee zijn Brahma en Siva.

De vereniging van een groot en edel mens met een kosmische godheid is de soort avatara die de Boeddha Gautama was: hij had zich spiritueel en verstandelijk zo hoog ontwikkeld dat hij door een enorme wilsinspanning en aspiratie met zijn bewustzijn tot in het hart van de Vishnu-energie van ons zonnestelsel kon reiken, en daarna die goddelijke energie kon ‘neertransformeren’ naar zijn medemensen. Deze gedachte is een prachtige sleutel. Hier is een mens met eeuwen en eeuwen karma achter zich, bestemd om eeuwen en eeuwen toekomstig spiritueel karma te hebben, en die altijd opklimt op het evolutiepad naar nog verhevener toppen van verwerkelijking en zelfs op dit moment in staat is om met een uiterste inspanning van zijn buddhische wezen omhoog te reiken en zich met de Vishnu-energie te verbinden.

 


Bron van het occultisme, blz. 549-51

© 2006  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag