Avatara’s van Maha-Vishnu en Maha-Siva
De boeddhisten hebben altijd met klem ontkend
dat hun Boeddha,
zoals door de brahmanen wordt beweerd, een avatara van Vishnu was,
in dezelfde betekenis als een mens een incarnatie is van zijn karmische
voorouder. Ze ontkennen dit misschien ten dele omdat de esoterische
betekenis van de term ‘Maha-Vishnu’ hen niet bekend is
in zijn volle onpersoonlijke en algemene betekenis. Er is een geheimzinnig
beginsel in de natuur dat ‘Maha-Vishnu’ wordt genoemd,
dat niet de God van die naam is, maar een beginsel dat bija bevat,
het zaadje van avatarisme, of met andere woorden, de kracht is achter
en de oorzaak van zulke goddelijke incarnaties. Alle verlossers van
de wereld, de bodhisattva’s en de avatara’s, zijn de bomen
van redding die zijn opgegroeid uit het ene zaadje, de bija of ‘Maha-Vishnu’.
Of het adi-boeddha (oorspronkelijke wijsheid) of Maha-Vishnu wordt
genoemd, het is allemaal hetzelfde. Esoterisch opgevat, is Vishnu
zowel saguna als nirguna (met en zonder eigenschappen). In het eerste
aspect is Vishnu het voorwerp van exoterische verering en toewijding;
in het tweede, als nirguna, is hij het hoogtepunt van alle spirituele
wijsheid in het heelal – kortom nirvana – en heeft als
vereerders alle filosofische denkers. In deze esoterische betekenis
was de Heer Boeddha
inderdaad een incarnatie van Maha-Vishnu.
Zo is het vanuit het filosofische
en zuiver spirituele standpunt. Maar vanuit het gebied van begoocheling,
zoals men zou zeggen, of vanuit het aardse standpunt, weten degenen
die zijn ingewijd dat Hij een rechtstreekse incarnatie was van een
van de oorspronkelijke ‘zeven zonen van licht’, die men
in elke theogonie kan vinden – de dhyani-chohans, die tot taak
hebben van de ene eeuwigheid (eon) tot de andere over het spirituele
welzijn van de aan hun zorg toevertrouwde gebieden te waken.
– Uit de geschriften
die HPB heeft nagelaten en die na haar dood
zijn
uitgegeven als deel 3 van de GL; CW 14:370-1
De uiteindelijke oorsprong van een avatara bevindt
zich in een raja-zon; maar het spirituele deel van een avatara is in
werkelijkheid een straal van een god, een bewoner van ons eigen zonnestelsel;
en meer in het bijzonder is deze godheid een deel van de spirituele
zonne-essentie. In India worden deze goden die dus tot onze zon en zijn
stelsel behoren gezamenlijk aangeduid met de algemene naam Vishnu, hoewel
ze net zo goed Siva kunnen worden genoemd.
Een van de oudste mythologische hindoelegenden verhaalt
hoe Vishnu zich in de ‘wateren’ stort in de vorm van een
everzwijn en de aarde omhooghoudt op zijn slagtanden. Men kan het verhaal
vinden in enkele literaire werken van de vedische cyclus, evenals in
het Mahabharata en de Purana’s. In de oudste
vormen ervan worden de avatara’s van een godheid toegeschreven
aan Prajapati, de vader van de mensheid en van de dieren, de planten
en het hele mineralenrijk; met andere woorden aan Brahma. Latere vormen
van het verhaal, zoals die in de Purana’s voorkomen,
schrijven tien avatara’s toe aan Vishnu, de Instandhouder. Deze
strekken zich uit van de vis-avatara, via de schildpad, het everzwijn,
de leeuw, de dwerg, enz., tot Krishna, de achtste incarnatie, en zo
tot en met de tiende, die de Kalki-avatara wordt genoemd. Elke volgende
avatara in de rangorde van de wereld behoort tot een hogere graad van
wezens dan de eraan voorafgaande. De Kalki-avatara is nog niet verschenen,
en deze incarnatie vertegenwoordigt wat het westen gewoonlijk aanduidt
als de ‘komst van de Messias’ – wanneer alle onrecht
zal worden goedgemaakt en rechtvaardigheid en gerechtigheid vaste voet
op aarde zullen hebben gekregen.
Al deze legenden zijn gebaseerd op natuurfeiten,
maar ze worden in een mythologische vorm verteld, zodat ze, tenzij men
de sleutel ervoor bezit, moeilijk zijn te begrijpen. Sommige van deze
zoölogisch-mythologische figuren zijn heel interessant. In Babylonië
en Perzië bijvoorbeeld, en ook in Griekenland, was het paard het
symbool van de zon; de stier en de koe waren symbolen van de maan. Ook
in Hindoestan betekent het everzwijn dat zich in de ‘wateren’
van de ruimte stort en de aarde met zijn slagtanden optilt en haar zó
gedurende de rest van het manvantara draagt, niet alleen de fysieke
vitaliteit van het vierde gebied, maar ook de kosmische vitaliteit die
de aarde vervult en instandhoudt, geworteld als deze vitaliteit is in
het spirituele leven van de god van ons zonnestelsel.
In de twee klassen van avatara’s kunnen we
sommigen misschien betitelen als avatara’s van Maha-Vishnu, en
anderen van Maha-Siva. De volgende gedachte kan misschien helpen: mensen
verschillen onderling in karakter, sommigen zijn agressief, anderen
bedachtzaam en teruggetrokken; en weer anderen, hoewel hun werk in wezen
goed en constructief is, brengen niettemin resultaten voort door het
kwaad te vernietigen. Deze laatsten zouden we menselijke stralen of
heel ondergeschikte avatara’s van Maha-Siva kunnen noemen, want
deze mensen zijn vernietigers in de zin van vernieuwers. Andere soorten
mensen daarentegen zijn instandhouders van het goede dat al bestaat,
behoeders en beschermers ervan: ze zijn even hoog, even sterk als de
eerstgenoemde klasse en dienen een even weldadig en verheven doel in
de wereld. Deze kunnen we heel ondergeschikte avatara’s van Maha-Vishnu
noemen.
De avatara’s van Maha-Siva zijn de vernieuwers
door handeling; en de avatara’s van Maha-Vishnu zijn de instandhouders,
niet zozeer door het vernietigen van het kwaad dan wel door het goede
dat al bestaat in stand te houden en te stimuleren. Krishna was een
avatara van Vishnu, terwijl Jezus, uit het zeer weinige dat we van hem
weten, volgens mij een avatara van Siva was; en ik zou eraan willen
toevoegen dat er geen regelmatige afwisseling schijnt te zijn in de
opeenvolgende verschijningen van de avatara’s van Siva en Vishnu.
In één essentieel opzicht hadden de
oude brahmanen gelijk om Gautama de Boeddha als een van de avatara’s
van Vishnu te beschouwen. In een nog moeilijker te doorgronden betekenis
zouden we de Heer Boeddha misschien een avatara van Siva kunnen noemen.
Niettemin kan men hem zien als een gedeeltelijke incarnatie van dat
aspect van het leven van ons zonnestelsel dat de hindoes Vishnu noemen
– een van de drie elementen van het hart van de zon. Esoterisch
gezien is Vishnu geen persoonlijke god maar een geïndividualiseerde
godheid, een van de hoogste drie van ons zonnestelsel, die de top of
kroon vormen van de etherische zon; de andere twee zijn Brahma en Siva.
De vereniging van een groot en edel mens met een
kosmische godheid is de soort avatara die de Boeddha Gautama was: hij
had zich spiritueel en verstandelijk zo hoog ontwikkeld dat hij door
een enorme wilsinspanning en aspiratie met zijn bewustzijn tot in het
hart van de Vishnu-energie van ons zonnestelsel kon reiken, en daarna
die goddelijke energie kon ‘neertransformeren’ naar zijn
medemensen. Deze gedachte is een prachtige sleutel. Hier is een mens
met eeuwen en eeuwen karma achter zich, bestemd om eeuwen en eeuwen
toekomstig spiritueel karma te hebben, en die altijd opklimt op het
evolutiepad naar nog verhevener toppen van verwerkelijking en zelfs
op dit moment in staat is om met een uiterste inspanning van zijn buddhische
wezen omhoog te reiken en zich met de Vishnu-energie te verbinden.
Bron
van het Occultisme, blz. 549-51
© 2006 Theosophical
University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag