Bron van het occultisme / G. de Purucker

Een moderne presentatie van de oude universele wijsheid
gebaseerd op
De Geheime Leer van H.P. Blavatsky

geredigeerd door Grace F. Knoche

isbn 9070328720, gebonden, bestel boek

Uit deze uitgave mag alleen met toestemming van de uitgever
iets worden overgenomen.

© 2006   Theosophical University Press Agency, Den Haag

 

 

   
      Inhoudsopgave     

 

Upapadaka- en anupapadaka-avatara’s


Er zijn in werkelijkheid twee soorten avatara’s: de upapadaka en de anupapadaka, en het onderscheid tussen deze avatarische ‘afdalingen’ blijkt uit de Sanskrietwoorden zelf. Upapadaka betekent ‘die moet volgen langs of overeenkomstig’, ‘die moet plaatsvinden’. Anupapadaka is het tegenovergestelde hiervan – ‘die niet moet volgen langs’, enz., en kan daarom worden vertaald als iemand die niet volgens een opvolgingslijn gaat of komt; het betekent dus niet een boodschapper in een reeks boodschappers die elk de fakkel van het licht aan hun opvolger doorgeven.

De upapadaka-klasse van avatara’s is in het algemeen bijna onbekend, en in de filosofische scholen van India en elders heeft men zelfs nauwelijks een vermoeden van hun bestaan, terwijl de anupapadaka vrij goed wordt begrepen als een ‘afdaling’ van een deel van een goddelijk wezen in een mens, met als doel een groots en verheven werk in de wereld te volbrengen. De upapadaka’s, die vrij zeldzaam zijn in de geschiedenis van de mens, worden zo genoemd omdat ze de svabhava van het psychische instrument waardoor de avatarische straal werkt, moeten volgen of daardoor moeten verschijnen, zoals een straal helder zonlicht die door een raam van gekleurd glas valt de kleur van het glas moet aannemen. Met andere woorden, hoewel de goddelijke straal zijn eigen svabhava heeft, ondergaan zijn uitdrukkingsvormen niettemin wijzigingen door de sterke kenmerken en de individualiteit van het psychische gestel van de Boeddha door middel waarvan hij werkt; dus zegt men dat hij upapadaka is.

De anupapadaka-avatara’s zijn veel talrijker, omdat deze klasse alle verschillende manieren omvat waarop een goddelijke straal zich in het menselijke leven manifesteert. De term anupapadaka werd door HPB vrij weergegeven als ‘zelfgeboren uit goddelijke essentie’, en dit geeft een exacte omschrijving van de aard en soort van deze klasse avatara’s in elke wereld waarin zulke manifestaties zich voordoen.

Als voorbeelden van de anupapadaka-klasse kennen we ten eerste de dhyani-boeddha’s, zelfgeboren uit de schoot van de kosmische intelligentie, en niettemin verschijnen ze door hun eigen ingeboren spirituele svabhava en drang. De diverse soorten ware logoi zijn eveneens in zekere zin anupapadaka-avatara’s, en de dhyani-boeddha’s zijn inderdaad stralen van zulke logoi, hoewel deze dhyani-boeddha’s zelf een anupapadaka-aard hebben. Als andere voorbeelden van een enigszins afwijkend type anupapadaka’s kunnen we wijzen op die vrij zeldzame gevallen van ongeëvenaarde menselijke spirituele en intellectuele genialiteit, waarin de dhyani-boeddha van de mens zelf door zijn directe straling het eigen psychische orgaan van die mens inspireert en vervult; en misschien zijn de opmerkelijkste typen van deze anupapadaka-avatarische afdalingen de manushya-boeddha’s, zoals Gautama de Boeddha.

Al deze leringen over de avatara’s zijn typisch esoterisch en werden daarom door HPB slechts aangestipt en dan gewoonlijk nog in tamelijk dubbelzinnige woorden en soms zelfs in een taal die, hoewel juist, ‘versluiert’. In haar Theosophical Glossary (blz. 44) – een postume uitgave die nooit door haarzelf werd gecorrigeerd – verklaart ze dat ‘er twee soorten avatara’s zijn: diegenen die uit een vrouw zijn geboren, en de ouderloze, de anupapadaka.’ De anupapadaka’s zijn inderdaad ‘ouderloos’, want ze zijn goddelijke stralen die ontspringen aan de schoot van de goddelijke monade en in hun diverse afdalingen omlaagstromen om hun werk in de wereld te doen door hun weerspiegelingen of vertegenwoordigers op aarde – dat wil zeggen, hun eigen menselijke voertuig. Veel zeldzamer zijn de gevallen van de upapadaka’s die ‘uit een vrouw zijn geboren’; en juist hier zit de versluiering, want ieder mens die een anupapadaka-avatara is, moet wat het fysieke lichaam betreft, natuurlijk door een lichaam werken dat uit een vrouw is geboren.

Waar het hier om gaat is dat de upapadaka-avatara’s werkelijk ‘scheppingen’ zijn van goddelijke en verheven witte magie. Sankaracharya was er één, en Jezus eveneens; en alleen deze twee al, met hun sterk verschillende kenmerken, laten zien dat de upapadaka’s van elkaar verschillen.

Het brede spectrum van de anupapadaka-klasse omvat al de verschillende individuen die vanuit zichzelf een straal door hun eigen lagere constitutie zenden. Ze omvatten dus het hele scala dat reikt van de dhyani-boeddha’s en logoi omlaag tot die grote mannen en vrouwen die allen geïnspireerd worden door hun innerlijke god. Er zijn in de geschiedenis heel veel voorbeelden van avatara’s die anupapadaka zijn, en in de religie en filosofie worden ze vaak genoemd. We kunnen de lange reeks van ware manushya-boeddha’s noemen, waarvan Gautama er één was. Tsong-kha-pa uit Tibet, die in de veertiende eeuw n.Chr. leefde, was ook een soort lagere anupapadaka-manushya-boeddha. Krishna is nog een voorbeeld van een anupapadaka-avatara.

De ‘wederkomst’ van Christus – niet van Jezus maar van de christus-geest – doelt op het algemeen voorkomende geloof dat adi-boeddha of de christos, de logos, zich van tijd tot tijd in de wereld manifesteert. Met andere woorden, de ‘wederkomst’ is eenvoudig een nieuwe openbaring van de logos, de christos. Zoals Krishna zegt in de Bhagavad-Gita:*

*Hoofdstuk 4, sloka’s 7-8.

Wanneer, o afstammeling van Bharata, plichtsgevoel afneemt – onrecht heerst – dan straal ik mijzelf inderdaad uit.

Voor het behoud van de rechtvaardigen, de vernietiging van de boosdoeners, en om het plichtsgevoel te vestigen, word ik van eeuw tot eeuw geboren.

Hier geeft Krishna, het typische voorbeeld van een avatara in Hindoestan, te kennen dat hij op verschillende tijden in de gemanifesteerde wereld verschijnt als een avatarische kracht aan het begin van de neergaande of verstoffelijkende cyclussen in het menselijk bestaan. Hij sprak in zijn hoedanigheid van een van de goden die ons heelal bezielen en kracht geven. Uit de strekking van deze leringen blijkt duidelijk dat vele goden avatarische manifestaties kunnen hebben en ook hebben. Degene die als de goddelijke essentie in Krishna was, kan zich vele keren eerder als avatara hebben gemanifesteerd en zal zich ongetwijfeld weer manifesteren; en dezelfde godheid die door Jezus werkte, moet in het verleden een goddelijke straal in andere mensen hebben gezonden, dat wil zeggen, in andere avatarische entiteiten, en zal dat weer doen.

In een bepaald opzicht zou de innerlijke god van ieder mens, die een vonk is van de kosmische geest, hetzelfde kunnen zeggen als wat aan Krishna wordt toegeschreven. Voor de gemiddelde mens van nu, geteisterd als hij is door de stormen van het lot omdat hij geen spiritueel houvast heeft, zou het een manifestatie zijn die op die van een avatara lijkt, indien zijn innerlijke god – het hart van zijn reïncarnerende ego – zich min of meer onafgebroken zou uitdrukken door zijn bewustzijn en dus door zijn fysieke hersenen. Wanneer zoiets gebeurt, hebben we een boeddha – iemand die geen gewoon mens meer is, maar iemand die is verheerlijkt.

Een boeddha is iemand die in de loop van eeuwen door zelfgeleide evolutie de god in hem tevoorschijn heeft gebracht. Terwijl hij werkt voor al wat leeft, vordert hij gestaag naar het goddelijke; en deze volledige zelfopoffering van de mens, van de meest verheven soort die we ons kunnen voorstellen, maakt een boeddha tot zo’n heilig en verheven wezen. Daarom wordt in de esoterische filosofie iedere boeddha van mededogen zelfs hoger geacht dan een avatara. Maar wat rang betreft staat een avatara niettemin hoger. Rangorde moeten we niet verwarren met evolutionaire ontwikkeling. Niets op aarde staat in evolutie hoger dan de boeddha’s van mededogen, want zij zijn de belichaming van wijsheid en liefde zelf. Zij zijn het die de beschermmuur om de mensheid vormen.

Een avatara is een zeer verheven gebeurtenis in de spirituele geschiedenis van de mensheid – het is als het verschijnen van een groots licht voor een esoterisch en prachtig doel; maar het licht komt en gaat, terwijl een boeddha zijn edele werk eeuwig, eindeloos voortzet. Maar men kan ze eigenlijk niet vergelijken. De boeddha helpt bij de komst van een avatara. Beiden komen op cyclische momenten: de avatara’s gewoonlijk aan het begin van een neergaande cyclus, de boeddha’s bij het begin van zowel opgaande als neergaande cyclussen.

De dhyani-boeddha’s zijn allen anupapadaka; toch waren zijzelf (of we er nu zeven, tien of twaalf beschouwen) goddelijke avatarische stralen van de adi-boeddha, de logos, die in mystieke boeddhistische geschriften Avalokitesvara wordt genoemd. Avalokitesvara zelf is dus de synthese of oorsprong van de dhyani-boeddha’s die daaruit emaneren, en is bovendien een grootse logoïsche avatara van de anupapadaka-klasse.

Iedere boeddha is, als manifestatie van de spirituele emanatie van een dhyani-boeddha, in zekere zin een anupapadaka-avatara. Telkens wanneer een mens zich verenigt met zijn innerlijke god, ook al is het maar een ogenblik, wordt hij tijdens die korte periode een anupapadaka-avatara – zelfgevormd of zelfgeboren. Hij wordt dat niet noodzakelijkerwijs door inwijding, noch door een daad van witte magie zoals de andere klasse van avatara’s. Om dezelfde reden kan men van iedere boeddha zeggen dat hij een anupapadaka is, een zelfgeboren avatara, omdat hij is verbonden met de dhyani-boeddha, de hemelse boeddha. Hij wordt tijdelijk het voertuig of kanaal waardoor deze hemelse boeddha, zijn eigen innerlijke god, zich betrekkelijk volledig manifesteert. In zo’n geval werkt er in de boeddha meer dan alleen zijn eigen spirituele ego.

Elders heb ik gezegd dat alle manushya-boeddha’s, de boeddha’s van een ras, de vertegenwoordigers of weerspiegelingen op aarde zijn van hun respectieve dhyani-boeddha. De innerlijke god van Sakyamuni, die Gautama de Boeddha wordt genoemd, is bijvoorbeeld een uitstraling van Amitabha, de dhyani-boeddha, en de innerlijke individuele boeddha of innerlijke god van Tsong-kha-pa is een uitstraling van dezelfde Amitabha. Dit feit alleen al toont de zeer intieme of persoonlijke relatie tussen Gautama de Boeddha en Tsong-kha-pa. Ik citeer hier de opmerkelijke passage uit De Geheime Leer (1:139-40), die rechtstreeks betrekking heeft op dit onderwerp:

Esoterisch zijn er echter zeven dhyani-boeddha’s, van wie er tot nu toe maar vijf zich hebben gemanifesteerd en er twee nog moeten komen in het zesde en het zevende wortelras. Ze zijn om zo te zeggen de eeuwige prototypen van de boeddha’s die op deze aarde verschijnen, van wie ieder zijn speciale goddelijke prototype heeft. Zo is bijvoorbeeld Amitabha de dhyani-boeddha van Gautama Sakyamuni en manifesteert zich door middel van deze, telkens wanneer deze grote ziel op aarde incarneert, zoals hij deed in Tsong-kha-pa. Zoals Avalokitesvara, de synthese van de zeven dhyani-boeddha’s, de eerste boeddha (de logos) was, zo is Amitabha de innerlijke ‘god’ van Gautama, die in China Amita(-Boeddha) wordt genoemd. Ze zijn, zoals Rhys Davids terecht zegt, ‘de glorierijke tegenhangers in de mystieke wereld, vrij van de verlagende omstandigheden van dit stoffelijke leven’, van elke aardse sterfelijke boeddha – de bevrijde manushi-boeddha’s die als taak hebben om de aarde in deze ronde te besturen. Ze zijn de ‘boeddha’s van contemplatie’ en zijn allen anupadaka (ouderloos), d.i. zelfgeboren uit goddelijke essentie.

Elk van deze zeven dhyani-boeddha’s is de spirituele gids of manu voor een van de zeven bollen van onze planeetketen, en tijdens elke ronde op elk zo’n bol zijn de manushya-boeddha’s die respectievelijk in de zeven wortelrassen van een bol verschijnen, allen de anupapadaka-‘weerspiegelingen’ van de dhyani-boeddha van die bol.

Er is in bepaalde kringen op een dweperige en oppervlakkige manier heel wat geschreven over de komst van de volgende boeddha, die overal door de boeddhisten in de loop van de cyclische tijden wordt verwacht en die ze Maitreya hebben genoemd – een Sanskrietwoord dat vertaald kan worden als de Vriendelijke. Wanneer de Boeddha-Maitreya precies zal verschijnen is alleen aan de mahatma’s zelf bekend, en aan hen die hoger staan dan zij; maar dat zal zeker nog vele duizenden jaren duren. De reden hiervoor is tweeledig: (a) de Boeddha-Maitreya zal in zijn volledig gemanifesteerde kracht de ras-boeddha zijn van het zevende wortelras op deze bol in deze vierde ronde; en (b) een lagere ras-boeddha verschijnt in elk van de zeven grote onderrassen van een wortelras; en daarom zal de Boeddha-Maitreya, die als de volgende buddhische avatarische manifestatie onder de mensen wordt verwacht, die speciale lagere manushya-boeddha zijn, ‘Maitreya’ genoemd, die aan het einde, of het zevende en laatste deel, van ons huidige grote onderras zal verschijnen en dus aan het begin van het volgende grote onderras – en dit ligt vele, vele duizenden jaren in de toekomst.

 


Bron van het occultisme, blz. 543-8

© 2006  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag