Upapadaka- en anupapadaka-avatara’s
Er zijn in werkelijkheid twee soorten avatara’s: de upapadaka
en de anupapadaka, en het onderscheid tussen deze avatarische ‘afdalingen’
blijkt uit de Sanskrietwoorden zelf. Upapadaka betekent ‘die
moet volgen langs of overeenkomstig’, ‘die moet plaatsvinden’.
Anupapadaka is het tegenovergestelde hiervan – ‘die
niet moet volgen langs’, enz., en kan daarom worden vertaald
als iemand die niet volgens een opvolgingslijn gaat of komt; het betekent
dus niet een boodschapper in een reeks boodschappers die elk de fakkel
van het licht aan hun opvolger doorgeven.
De upapadaka-klasse van avatara’s is in het
algemeen bijna onbekend, en in de filosofische scholen van India en
elders heeft men zelfs nauwelijks een vermoeden van hun bestaan, terwijl
de anupapadaka vrij goed wordt begrepen als een ‘afdaling’
van een deel van een goddelijk wezen in een mens, met als doel een groots
en verheven werk in de wereld te volbrengen. De upapadaka’s, die
vrij zeldzaam zijn in de geschiedenis van de mens, worden zo genoemd
omdat ze de svabhava van het psychische instrument waardoor de avatarische
straal werkt, moeten volgen of daardoor moeten verschijnen, zoals een
straal helder zonlicht die door een raam van gekleurd glas valt de kleur
van het glas moet aannemen. Met andere woorden, hoewel de goddelijke
straal zijn eigen svabhava heeft, ondergaan zijn uitdrukkingsvormen
niettemin wijzigingen door de sterke kenmerken en de individualiteit
van het psychische gestel van de Boeddha door middel waarvan hij werkt;
dus zegt men dat hij upapadaka is.
De anupapadaka-avatara’s zijn veel talrijker,
omdat deze klasse alle verschillende manieren omvat waarop een goddelijke
straal zich in het menselijke leven manifesteert. De term anupapadaka
werd door HPB vrij weergegeven als ‘zelfgeboren uit goddelijke
essentie’, en dit geeft een exacte omschrijving van de aard en
soort van deze klasse avatara’s in elke wereld waarin zulke manifestaties
zich voordoen.
Als voorbeelden van de anupapadaka-klasse kennen
we ten eerste de dhyani-boeddha’s, zelfgeboren uit de schoot van
de kosmische intelligentie, en niettemin verschijnen ze door hun eigen
ingeboren spirituele svabhava en drang. De diverse soorten ware logoi
zijn eveneens in zekere zin anupapadaka-avatara’s, en de dhyani-boeddha’s
zijn inderdaad stralen van zulke logoi, hoewel deze dhyani-boeddha’s
zelf een anupapadaka-aard hebben. Als andere voorbeelden van een enigszins
afwijkend type anupapadaka’s kunnen we wijzen op die vrij zeldzame
gevallen van ongeëvenaarde menselijke spirituele en intellectuele
genialiteit, waarin de dhyani-boeddha van de mens zelf door zijn directe
straling het eigen psychische orgaan van die mens inspireert
en vervult; en misschien zijn de opmerkelijkste typen van deze anupapadaka-avatarische
afdalingen de manushya-boeddha’s, zoals Gautama de Boeddha.
Al deze leringen over de avatara’s zijn typisch
esoterisch en werden daarom door HPB slechts aangestipt en dan gewoonlijk
nog in tamelijk dubbelzinnige woorden en soms zelfs in een taal die,
hoewel juist, ‘versluiert’. In haar Theosophical Glossary
(blz. 44) – een postume uitgave die nooit door haarzelf werd gecorrigeerd
– verklaart ze dat ‘er twee soorten avatara’s zijn:
diegenen die uit een vrouw zijn geboren, en de ouderloze, de anupapadaka.’
De anupapadaka’s zijn inderdaad ‘ouderloos’, want
ze zijn goddelijke stralen die ontspringen aan de schoot van de goddelijke
monade en in hun diverse afdalingen omlaagstromen om hun werk in de
wereld te doen door hun weerspiegelingen of vertegenwoordigers op aarde
– dat wil zeggen, hun eigen menselijke voertuig. Veel zeldzamer
zijn de gevallen van de upapadaka’s die ‘uit een vrouw zijn
geboren’; en juist hier zit de versluiering, want ieder mens die
een anupapadaka-avatara is, moet wat het fysieke lichaam betreft, natuurlijk
door een lichaam werken dat uit een vrouw is geboren.
Waar het hier om gaat is dat de upapadaka-avatara’s
werkelijk ‘scheppingen’ zijn van goddelijke en verheven
witte magie. Sankaracharya was er één, en Jezus eveneens;
en alleen deze twee al, met hun sterk verschillende kenmerken, laten
zien dat de upapadaka’s van elkaar verschillen.
Het brede spectrum van de anupapadaka-klasse omvat
al de verschillende individuen die vanuit zichzelf een straal door hun
eigen lagere constitutie zenden. Ze omvatten dus het hele scala dat
reikt van de dhyani-boeddha’s en logoi omlaag tot die grote mannen
en vrouwen die allen geïnspireerd worden door hun innerlijke
god. Er zijn in de geschiedenis heel veel voorbeelden van avatara’s
die anupapadaka zijn, en in de religie en filosofie worden ze vaak genoemd.
We kunnen de lange reeks van ware manushya-boeddha’s noemen, waarvan
Gautama er één was. Tsong-kha-pa uit Tibet, die in de
veertiende eeuw n.Chr. leefde, was ook een soort lagere anupapadaka-manushya-boeddha.
Krishna is nog een voorbeeld van een anupapadaka-avatara.
De ‘wederkomst’ van Christus –
niet van Jezus maar van de christus-geest – doelt op het algemeen
voorkomende geloof dat adi-boeddha of de christos, de logos, zich van
tijd tot tijd in de wereld manifesteert. Met andere woorden, de ‘wederkomst’
is eenvoudig een nieuwe openbaring van de logos, de christos. Zoals
Krishna zegt in de Bhagavad-Gita:*
*Hoofdstuk 4, sloka’s 7-8.
Wanneer, o afstammeling van Bharata, plichtsgevoel
afneemt – onrecht heerst – dan straal ik mijzelf inderdaad
uit.
Voor het behoud van de rechtvaardigen, de vernietiging
van de boosdoeners, en om het plichtsgevoel te vestigen, word ik van
eeuw tot eeuw geboren.
Hier geeft Krishna, het typische voorbeeld van een
avatara in Hindoestan, te kennen dat hij op verschillende tijden in
de gemanifesteerde wereld verschijnt als een avatarische kracht aan
het begin van de neergaande of verstoffelijkende cyclussen in het menselijk
bestaan. Hij sprak in zijn hoedanigheid van een van de goden die ons
heelal bezielen en kracht geven. Uit de strekking van deze leringen
blijkt duidelijk dat vele goden avatarische manifestaties kunnen hebben
en ook hebben. Degene die als de goddelijke essentie in Krishna was,
kan zich vele keren eerder als avatara hebben gemanifesteerd en zal
zich ongetwijfeld weer manifesteren; en dezelfde godheid die door Jezus
werkte, moet in het verleden een goddelijke straal in andere mensen
hebben gezonden, dat wil zeggen, in andere avatarische entiteiten, en
zal dat weer doen.
In een bepaald opzicht zou de innerlijke god van
ieder mens, die een vonk is van de kosmische geest, hetzelfde kunnen
zeggen als wat aan Krishna wordt toegeschreven. Voor de gemiddelde mens
van nu, geteisterd als hij is door de stormen van het lot omdat hij
geen spiritueel houvast heeft, zou het een manifestatie zijn die op
die van een avatara lijkt, indien zijn innerlijke god – het hart
van zijn reïncarnerende ego – zich min of meer onafgebroken
zou uitdrukken door zijn bewustzijn en dus door zijn fysieke hersenen.
Wanneer zoiets gebeurt, hebben we een boeddha – iemand die geen
gewoon mens meer is, maar iemand die is verheerlijkt.
Een boeddha is iemand die in de loop van eeuwen
door zelfgeleide evolutie de god in hem tevoorschijn heeft gebracht.
Terwijl hij werkt voor al wat leeft, vordert hij gestaag naar het goddelijke;
en deze volledige zelfopoffering van de mens, van de meest verheven
soort die we ons kunnen voorstellen, maakt een boeddha tot zo’n
heilig en verheven wezen. Daarom wordt in de esoterische filosofie iedere
boeddha van mededogen zelfs hoger geacht dan een avatara. Maar wat rang
betreft staat een avatara niettemin hoger. Rangorde moeten we niet verwarren
met evolutionaire ontwikkeling. Niets op aarde staat in evolutie hoger
dan de boeddha’s van mededogen, want zij zijn de belichaming van
wijsheid en liefde zelf. Zij zijn het die de beschermmuur om de mensheid
vormen.
Een avatara is een zeer verheven gebeurtenis in
de spirituele geschiedenis van de mensheid – het is als het verschijnen
van een groots licht voor een esoterisch en prachtig doel; maar het
licht komt en gaat, terwijl een boeddha zijn edele werk eeuwig, eindeloos
voortzet. Maar men kan ze eigenlijk niet vergelijken. De boeddha helpt
bij de komst van een avatara. Beiden komen op cyclische momenten: de
avatara’s gewoonlijk aan het begin van een neergaande cyclus,
de boeddha’s bij het begin van zowel opgaande als neergaande cyclussen.
De dhyani-boeddha’s zijn allen anupapadaka;
toch waren zijzelf (of we er nu zeven, tien of twaalf beschouwen) goddelijke
avatarische stralen van de adi-boeddha, de logos, die in mystieke boeddhistische
geschriften Avalokitesvara wordt genoemd. Avalokitesvara zelf is dus
de synthese of oorsprong van de dhyani-boeddha’s die daaruit emaneren,
en is bovendien een grootse logoïsche avatara van de anupapadaka-klasse.
Iedere boeddha is, als manifestatie van de spirituele
emanatie van een dhyani-boeddha, in zekere zin een anupapadaka-avatara.
Telkens wanneer een mens zich verenigt met zijn innerlijke god, ook
al is het maar een ogenblik, wordt hij tijdens die korte periode een
anupapadaka-avatara – zelfgevormd of zelfgeboren. Hij wordt dat
niet noodzakelijkerwijs door inwijding, noch door een daad van witte
magie zoals de andere klasse van avatara’s. Om dezelfde reden
kan men van iedere boeddha zeggen dat hij een anupapadaka is, een zelfgeboren
avatara, omdat hij is verbonden met de dhyani-boeddha, de hemelse boeddha.
Hij wordt tijdelijk het voertuig of kanaal waardoor deze hemelse boeddha,
zijn eigen innerlijke god, zich betrekkelijk volledig manifesteert.
In zo’n geval werkt er in de boeddha meer dan alleen zijn eigen
spirituele ego.
Elders heb ik gezegd dat alle manushya-boeddha’s,
de boeddha’s van een ras, de vertegenwoordigers of weerspiegelingen
op aarde zijn van hun respectieve dhyani-boeddha. De innerlijke god
van Sakyamuni, die Gautama de Boeddha wordt genoemd, is bijvoorbeeld
een uitstraling van Amitabha, de dhyani-boeddha, en de innerlijke individuele
boeddha of innerlijke god van Tsong-kha-pa is een uitstraling van dezelfde
Amitabha. Dit feit alleen al toont de zeer intieme of persoonlijke relatie
tussen Gautama de Boeddha en Tsong-kha-pa. Ik citeer hier de opmerkelijke
passage uit De Geheime Leer (1:139-40), die rechtstreeks betrekking
heeft op dit onderwerp:
Esoterisch zijn er echter zeven dhyani-boeddha’s,
van wie er tot nu toe maar vijf zich hebben gemanifesteerd en er twee
nog moeten komen in het zesde en het zevende wortelras. Ze zijn om
zo te zeggen de eeuwige prototypen van de boeddha’s die op deze
aarde verschijnen, van wie ieder zijn speciale goddelijke prototype
heeft. Zo is bijvoorbeeld Amitabha de dhyani-boeddha van Gautama Sakyamuni
en manifesteert zich door middel van deze, telkens wanneer deze grote
ziel op aarde incarneert, zoals hij deed in Tsong-kha-pa. Zoals Avalokitesvara,
de synthese van de zeven dhyani-boeddha’s, de eerste boeddha
(de logos) was, zo is Amitabha de innerlijke ‘god’ van
Gautama, die in China Amita(-Boeddha) wordt genoemd. Ze zijn, zoals
Rhys Davids terecht zegt, ‘de glorierijke tegenhangers in de
mystieke wereld, vrij van de verlagende omstandigheden van dit stoffelijke
leven’, van elke aardse sterfelijke boeddha – de bevrijde
manushi-boeddha’s die als taak hebben om de aarde in deze ronde
te besturen. Ze zijn de ‘boeddha’s van contemplatie’
en zijn allen anupadaka (ouderloos), d.i. zelfgeboren uit goddelijke
essentie.
Elk van deze zeven dhyani-boeddha’s is de
spirituele gids of manu voor een van de zeven bollen van onze planeetketen,
en tijdens elke ronde op elk zo’n bol zijn de manushya-boeddha’s
die respectievelijk in de zeven wortelrassen van een bol verschijnen,
allen de anupapadaka-‘weerspiegelingen’ van de dhyani-boeddha
van die bol.
Er is in bepaalde kringen op een dweperige en oppervlakkige
manier heel wat geschreven over de komst van de volgende boeddha, die
overal door de boeddhisten in de loop van de cyclische tijden wordt
verwacht en die ze Maitreya hebben genoemd – een Sanskrietwoord
dat vertaald kan worden als de Vriendelijke. Wanneer de Boeddha-Maitreya
precies zal verschijnen is alleen aan de mahatma’s zelf bekend,
en aan hen die hoger staan dan zij; maar dat zal zeker nog vele duizenden
jaren duren. De reden hiervoor is tweeledig: (a) de Boeddha-Maitreya
zal in zijn volledig gemanifesteerde kracht de ras-boeddha
zijn van het zevende wortelras op deze bol in deze vierde ronde; en
(b) een lagere ras-boeddha verschijnt in elk van de zeven grote onderrassen
van een wortelras; en daarom zal de Boeddha-Maitreya, die als de volgende
buddhische avatarische manifestatie onder de mensen wordt verwacht,
die speciale lagere manushya-boeddha zijn, ‘Maitreya’ genoemd,
die aan het einde, of het zevende en laatste deel, van ons huidige grote
onderras zal verschijnen en dus aan het begin van het volgende grote
onderras – en dit ligt vele, vele duizenden jaren in de toekomst.
Bron
van het Occultisme, blz. 543-8
© 2006 Theosophical
University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag