32

Bijeenkomst op 28 februari 1932

 

GdeP – Vrienden, ik ben gereed om uw vragen te beantwoorden.

Vr. – Zou u ons antwoord willen geven op een steeds terugkerende vraag over de geleidelijke biologische opklimming van dier tot mens: waar verkreeg de mens zijn lichaam?

GdeP – U zult het antwoord vinden in mijn Mens en Evolutie.

Vr. – Deze vraag komt steeds bij mij op: elk fysiek voertuig moet zijn kiemcel hebben, en een plaats waar deze is ontkiemd. Wat het fysieke lichaam betreft dat de mens heeft ontwikkeld: waar is dit voor het eerst ontkiemd?

GdeP – Bedoelt u het eerste of het tweede of het derde wortelras?

Vr. – Er moet een schoot zijn voor het ontkiemen van elke kiemcel. En als er geen mensen waren om in zo’n schoot te voorzien, waar kwam die schoot dan uit voort?

GdeP – In de eerste plaats, het eerste wortelras in deze vierde ronde op deze bol had geen schoot, want in die lang vervlogen tijden was de mensheid niet in geslachten verdeeld. De menselijke schoot zoals we die nu kennen is een biologisch-fysiologische ontwikkeling die behoort bij de grover wordende en zich verdichtende lichamen die in het derde wortelras ontstonden. U zou het eerste wortelras fysiek gesproken kunnen beschouwen als een astraal of wolkachtig ras van wezens, zacht, zoals boter, ongeveer zoals een kwal, maar nog etherischer: geleiachtig, boterachtig, maar van geweldige omvang. Als u een ‘mens’ van het eerste wortelras over ons terrein zou kunnen zien gaan, zou zijn lichaam u voorkomen als een dichte wolkenmassa, bijna vormloos; en toch zou het eivormig zijn, en lijken op een wolkenmassa die over het land rolde, ruim dertig meter hoog. Maar binnenin die wolk bevond zich, als het psychomagnetische hart ervan, de levende kern. Het doet er niet toe hoe groot die kern was. Hij zou de omvang van een atoom kunnen hebben gehad. Maar die levende kern ervan, het hart ervan, zou door en over het lichaam kunnen dwalen, zich heen en weer bewegend, waarheen die kern op een of ander moment door aantrekking ook werd geleid. Dit kan u een beeld geven van het eerste wortelras in zijn fysieke verschijning in deze vierde ronde. Maar ondanks zijn eivormige gedaante zou u een bijzondere steeds wisselende gelijkenis opmerken met de lichaamsbouw van de mens zoals die nu bestaat.

De mensheid op deze planeet aan het begin van respectievelijk de eerste en de tweede ronde zou volgens mij beter worden beschreven door het woord ‘wolkachtig’. Tijdens deze vierde ronde zou de substantie van het eerste wortelras dikker zijn dan mist of een wolk; ze zou meer lijken op de substantie van een kwal, maar nog etherischer. Dit fysieke wezen kan het beste als voorbeeld dienen om een idee te krijgen van de lichaamssubstantie van dat eerste wortelras.

De eerste stadia van de menselijke kiem, wanneer deze is bevrucht, lijken wat de fysieke verschijningsvorm betreft op de fysieke dichtheid van de lichamen van het eerste wortelras op deze vierde bol in de vierde ronde – geleiachtig, zacht. En precies zoals de foetus zich verhardt en vlees wordt, zo verdichtte het eerste wortelras zich tot het tweede, verhardde zich tot het derde en nam een meer vaste vorm aan in het vierde wortelras. Wij hebben nu in dit vijfde wortelras lichamen die minder grof, minder dik, minder dicht zijn dan die van de mensen van het vierde wortelras. We zijn al bezig terug te keren tot de lichamelijke dichtheid van het derde wortelras. Ik verwijs naar de lichamen van de mensen aan het einde van het derde wortelras. Ons vlees is nu zacht en bijna geleiachtig.

Vr. – Het is de biologen tegenwoordig duidelijk dat er geen aanwijzingen zijn voor wederzijdse betrekkingen tussen het menselijke ras en de dierenrassen, maar alleen voor een overeenkomstige ontwikkeling volgens één plan.

GdeP – Laat ik mijn vorige gedachtegang afmaken vóór ik inga op uw laatste vraag. Alle organen van het menselijke lichaam zijn de voortbrengselen van evolutie, maar werden door de mensheid van het derde wortelras niet eerder ontwikkeld dan in de laatste perioden daarvan. Het vroegste derde wortelras had, zoals ook daaraan voorafgaand het tweede en het eerste wortelras, als zodanig geen organen – geen organen die duidelijker waren ontwikkeld dan die van een kwal. De structuur van het lichaam was aan het begin van het derde wortelras vezelig; en rondom deze vezelachtige structuur begonnen zich, zelfs aan het einde van het tweede wortelras, wat u zenuwcentra zou kunnen noemen te verdichten en te vormen, of tenminste wat men nu waarschijnlijk zenuwknopen zou noemen. Deze verdikkingen van de vezelige substantie van het lichaam, het eerste begin van de structuur van zenuwen en organische centra, zouden later de organen en de zenuwknopen worden, maar waren oorspronkelijk als vlekken in het lichaam die min of meer een vaste plaats behielden.

Dit is heel moeilijk te beschrijven omdat ons denken zo gekristalliseerd is rond beelden van het menselijk lichaam en zijn organen zoals deze nu zijn. Alle organen of structurele elementen in het menselijk lichaam – of welk ander lichaam ook – zijn uiteindelijk afgeleid van de energieën in en de structuur van het aurische ei, en zijn daarom een neerslag uit het aurische ei op het fysieke gebied. Onze menselijke lichamen zijn zelfs nu verdichtingen van en uit het aurische ei.

Uit de lichamen van het tweede wortelras en het vroegste deel van het derde wortelras werden vitale cellen afgeworpen, zoals de mens tegenwoordig voortdurend cellen uit zijn lichaam afstoot of afwerpt. Gewoonlijk is hij zich daarvan niet bewust, maar als voorbeelden die aangeven wat ik bedoel kunnen we de huidschilfers noemen, de verschillende uitscheidingsproducten van het lichaam, die alle slechts verzamelingen zijn van levende of dode cellen. Al deze voorbeelden geven in algemene zin weer wat er aan het begin van het derde wortelras en aan het einde van het tweede wortelras gebeurde.

Nadat deze vitale levende cellen het ouderlichaam hadden verlaten zoals de sporen van een plant, volgde ieder zijn evolutionaire ontwikkeling en bracht natuurlijk zijn eigen soort voort. Omdat de mens alle evolutiestadia die de mensheid in andere ronden heeft doorlopen, in zich heeft opgeslagen en vastgelegd, begonnen deze levende cellen – elk een individualiteit, een groeiende entiteit – na het verlaten van het ouderlichaam, hun eigen pad van ontwikkeling te volgen, waardoor de mens allerlei diersoorten voortbracht, vogelsoorten en reptielsoorten, enz. Vele honderden van deze soorten stierven tenslotte uit. Ze werden op het verkeerde moment geboren, en konden daarom niet blijven leven. Ze hebben zich misschien gedurende enkele generaties voortgeplant, en daarna verdwenen ze, omdat ze niet geschikt waren voor de omstandigheden waarin ze werden geboren. Het was een geval van het overleven van de geschiktsten.

Maak een scherp onderscheid tussen de zoogdiersoorten die oorspronkelijk op de boven beschreven wijze uit de mens voortkwamen, en alle soorten levende wezens die lager staan dan de zoogdieren, zoals de vogels, de reptielen, de insecten, de weekdieren, de vissen, enz. Laatstgenoemde soorten waren in de tweede en in de derde ronde uit de ‘menselijke’ evolutiestroom afgeworpen, en vele soorten daarvan bestaan ook nu nog. Maar de zoogdieren zijn op deze bol tijdens de vierde ronde uit de menselijke evolutiestroom afgeworpen.

Enkele van de soorten die uit de mensheid in de vierde ronde werden afgeworpen plantten in de loop van de eeuwen hun eigen soort voort, en zetten hun respectieve onafhankelijke evolutielijnen voort – waarbij iedere familie haar eigen bijzondere evolutieweg volgde – en brachten tenslotte, hoewel vele eeuwen geleden, de verschillende submenselijke zoogdiersoorten voort die nu bestaan.

Iedere zoogdiersoort begon, nadat hij uit de menselijke levensstroom was voortgekomen, zich wat zijn evolutie betreft te specialiseren volgens zijn eigen ontwikkelingslijn, door de svabhavische impulsen of drang in zichzelf te volgen. Het gevolg van al deze verschillende evolutionaire specialisaties in ontwikkeling is dat de huidige dieren, die geëvolueerde voortbrengsels zijn uit een heel primitief beginstadium van de zoogdieren, verder van de oorspronkelijke vormen zijn geëvolueerd dan de menselijke soort zich daarvan heeft ontwikkeld. Hoewel de menselijke soort zich eveneens heeft ontwikkeld, behoudt deze meer van de primitieve eigenschappen en kenmerken van de oorspronkelijke ‘menselijke’ ouder dan de nu bestaande zoogdieren.

Ter illustratie zou ik hieraan nog een paar woorden kunnen toevoegen. De menselijke vader stort bij de voortplantingsdaad een grote hoeveelheid zaadcellen uit, die elk potentieel een mens zijn, maar van deze menigte dringt slechts één de eicel binnen, bevrucht deze, en brengt de bevruchte kiem voort die tot het menselijke kind uitgroeit. De rest van de menigte levenskiemen sterft eenvoudig. Dit is een illustratie van wat ik enige ogenblikken geleden heb gezegd: uit het grote aantal levenscellen die door het derde wortelras werden afgeworpen, stierven ontelbare menigten al bij het begin van hun bestaan.

U zou kunnen vragen: ‘Hoe plantten deze tweede en derde wortelrassen zich overeenkomstig hun soort voort? Met andere woorden, waarom brachten de talloze menigten van afgeworpen levenscellen de zoogdiersoorten voort, terwijl enkele slechts wat toen de ‘menselijke’ soort was voortbrachten? Het antwoord is dat sommige van de cellen die waren afgeworpen door de individuen van het latere derde wortelras door een begin van manasaputrisch leven werden overschaduwd en geïnspireerd. Op die manier brachten ze wat de typisch menselijke evolutielijn werd voort, en plantten zich daarna overeenkomstig hun soort voort zoals het menselijke zaad dat nu doet. Als de cellen in mijn lichaam, die nu vele eeuwen lang onderworpen zijn aan mijn overheersende ego, niet ondergeschikt zouden zijn – zoals het geval was aan het eind van het tweede en bij het begin van het derde wortelras – dan zou elke cel, een stukje huid bijvoorbeeld, een stukje nagel van een vinger, elke cel die nu zou worden afgeworpen het begin kunnen zijn van een eigen evolutielijn die zou uitlopen op een nieuw soort entiteit. Maar deze cellen kunnen dat nu niet. Ze worden in toom gehouden doordat in de menselijke constitutie het manasaputrische egoïsche vuur krachtig ging overheersen. De cellen moeten nu strikt het heersende stempel volgen van de mentaal-psychische gewoonten, van de aangeboren gewoonten, een stempel dat in de loop van de eeuwen door herhaling ijzersterk is geworden, zodat die cellen nu niet meer uit hun innerlijke svabhavische eigenschappen nieuwe soorten kunnen voortbrengen. Ze kunnen alleen hun eigen huidige soort voortbrengen, en alleen dan wanneer ze tot een geheel zijn verenigd in de organische entiteit die mijn lichaam is. Met andere woorden, de individuele vitale, evolutionaire activiteiten van die cellen zijn nu latent, in obscuratie.

Toch is ieder levensatoom van mijn lichaam – en een cel van de huid is een uitgebreide verzameling van zulke levensatomen – een groeiende entiteit, en nadat het al de talloze tussenliggende stadia heeft doorlopen, zal het zich in de komende eonen tot een mens ontwikkelen.

U ziet hoe ingewikkeld het antwoord op uw vraag is, en toch is het eenvoudig als u de basisgedachte heeft begrepen.

Vr. – Er is iets dat mij niet geheel duidelijk is – de bewering dat de cellen afgeworpen door het tweede wortelras hun eigen soort voortbrachten, als ze in leven bleven, maar dat ze later niet hun eigen soort voortbrachten, maar een lagere soort – de lagere zoogdieren.

GdeP – Wat bedoelt u? Ik kan u niet volgen.

Vr. – Ik had het over de soorten lager dan de mens. Ik heb begrepen dat ze eens de mens voortbrachten, die tot hun eigen klasse, tot hun eigen soort, behoort.

GdeP – Dat deden de kiemcellen altijd; dat is het enige wat ze konden voortbrengen – ieder alleen zijn eigen soort.

Vr. – Ik heb begrepen dat de lagere zoogdieren, die lager dan de mens staan, het product zijn van de afgeworpen cellen van de eerste mensen.

GdeP – Ja, de zoogdieren lager dan de mens zijn de geëvolueerde resultaten van de primitieve zoogdiercellen die door de eerste mensen werden afgeworpen.

Vr. – Ik trok daaruit de conclusie dat de voortplantingsmethode van het tweede wortelras precies bestond uit het afwerpen van zulke levenscellen.

GdeP – Er is hier sprake van een verwarring. De rondtrekkende levende kern, het hart of de levenskiem waarover ik u zojuist zei dat deze zich door en over het lichaam bewoog en geen vaste plaats had omdat er toen nog geen werkelijke organen waren, was de reproductie van het monadische centrum, het hart van de menselijke soort, op wat toen het fysieke gebied was. De cellen die uit dit rondtrekkende mens-hart of uit deze menselijke levende kern voortkwamen, brachten overeenkomstig hun soort de nieuwe ‘menselijke’ lichamen van die vroege periode voort, maar dat deden alleen de cellen die door deze rondtrekkende levende kern of dit hart werden afgeworpen. De cellen die werden afgeworpen uit het omringende lichaam of de soma brachten de zoogdiersoorten voort, of stierven werkelijk bij miljoenen.

De mens bracht niet alleen alle zoogdieren voort, maar was ook de oorspronkelijke ouder van alle levende wezens lager dan de zoogdieren, zoals de vogels, de reptielen, de vissen, de insecten, enz. Op welke manier gebeurde dat? Deze lagere wezens werden niet voortgebracht uit de menselijke levensstroom in deze vierde ronde. In de tweede en derde ronde werden de oorspronkelijke primitieve voorouders van deze nu bestaande lagere wezens voortgebracht uit cellen die tijdens de tweede en derde ronde door de evoluerende ‘menselijke’ stroom waren afgeworpen – als u die levensstroom in die tijd ‘menselijk’ kunt noemen. Op soortgelijke wijze werden de zoogdieren in deze vierde ronde uit de menselijke levensstroom voortgebracht.

Alle diersoorten die lager staan dan de zoogdieren gingen dus in deze vierde ronde op deze aarde aan de mens vooraf, omdat ze op aarde de sishta’s waren van hun respectieve levensstromen die ontstonden in de tweede en de derde ronde. In de vierde ronde kwamen de zoogdieren daarentegen later dan de mens.

De mens, de menselijke levensstroom – die bijzondere levensstroom die het menselijke geslacht is – is dan ook de oudste, de meest primitieve soort op deze aarde, in feite op de planeetketen, met uitzondering natuurlijk van de drie klassen van dhyan-chohans die wat evolutionaire ontwikkeling betreft boven de mens staan.

Vr. – De ontbrekende schakel tussen vogels en zoogdieren zal door de wetenschap dus niet worden gevonden?

GdeP – Hoe meer de wetenschappers weten over de evolutionaire opvolging van de verschillende soorten, des te meer verbazen ze zich over dit feit: in plaats dat er een volkomen geleidelijk verlopende ladder of een doorlopende reeks van schakel na schakel bestaat, van de reptielen naar de vogels, van de vogels naar de zoogdieren, verschijnen er plotselinge, verrassende nieuwigheden in de geologische lagen – nieuwe wezens verschijnen als het ware uit het niets. De geoloog kan het bestaan nagaan van verschillende families of soorten, met wijzigingen, gedurende een aantal eeuwen; dan verdwijnen die soorten, en een nieuwe orde van entiteiten, een nieuw stelsel van levende wezens verschijnt in de rotsen. De reptielen, bijvoorbeeld, verdwijnen zo plotseling dat veel geologen spreken over een algehele catastrofe of wereldramp, die de hele aarde betrof. Voorzover de geologen weten waren de dinosaurussen ooit de heren van de aarde. In het Mesozoïcum verdwenen ze plotseling, en ze werden opgevolgd door nieuwe wezens, waaronder op reptielen lijkende vogels zoals de archaeopteryx. Maar de werkelijke reptielen waren kennelijk overal op aarde op vrijwel hetzelfde moment verdwenen, alsof ze plotseling uit hun bestaan waren weggevaagd; en dan verschijnt even plotseling een nieuw soort wezens.

Vergeet niet dat het derde wortelras aan het begin van het Mesozoïcum op het hoogtepunt van zijn grootste bloei was, ja zelfs in het Trias van die periode. Men kan in feite zeggen dat het eerste wortelras in het pre-Secundair leefde en daarom kan in ieder geval het begin van het eerste wortelras vrijwel zeker in het Perm worden geplaatst. De zoogdieren beginnen hun heersende positie op aarde in te nemen vóór het Kwartair, ongetwijfeld in het Krijt of zelfs in de Jura; men moet namelijk bedenken dat de zoogdieren aan het einde van het derde wortelras in grote aantallen begonnen te verschijnen, en dit was in het Trias en de Jura. De esoterische leer zegt niet dat alle zoogdieren na de mens kwamen, maar leert beslist dat de hogere zoogdieren dit deden, hoewel er zoogdierachtige voorlopers waren vóór de scheiding van de geslachten, ongeveer op het punt halverwege het derde wortelras. Het is bijzonder moeilijk onze esoterische chronologie van de rassen en hun evolutie nauwkeurig te laten overeenkomen met de geologische tijdperken, omdat de huidige geologen het niet allen eens zijn over de lengte in jaren die hun geologische tijdperken hebben geduurd.

Tenslotte moet men ook bedenken dat de sedimentatie op deze aarde, bol vier van de planeetketen, in deze vierde ronde begon tussen de 300 en 320 miljoen jaar geleden, dus vele miljoenen jaren vóór het verschijnen van het eerste wortelras op deze bol D, onze aarde.

Het prille begin, de oorspronkelijke verschijning, van de zoogdieren vond plaats vóór dat van de vissen, in de vorm van kleine zoogdieren, heel kleine wezens, niet veel groter dan een muis, en toch onmiskenbaar zoogdieren. Dit is gemakkelijk te verklaren door het feit dat ze de evolutionaire voorlopers waren, de eerste pogingen van de natuur, en daarom waren ze als komende gebeurtenissen die hun schaduw vooruitwerpen. Deze kleine zoogdieren verschenen als de eerste voorzichtige pogingen in de evolutie om wat eeuwen later op aarde de overheersende soort zou worden, voort te brengen.

Vr. – Bedoelt u misschien de amoebe?

GdeP – Nee. Ik denk hierbij aan een diertje waarvan onlangs in een geologische laag een fossiel is ontdekt. Men zegt dat het enigszins lijkt op een spitsmuis, en het is een zoogdier. Het werd als een fossiel gevonden, niet in de vroegste gesteenten, maar toch vóór de eigenlijke reptielen verschenen.

Vr. – Is dat in de vierde ronde?

GdeP – Dat zou het geval kunnen zijn geweest, of geheel aan het einde van de derde ronde, toen de zoogdieren voor het eerst begonnen te verschijnen.

Vr. – Is hierbij sprake van enige individuele verantwoordelijkheid?

GdeP – Uw vraag is niet duidelijk. Ethische verantwoordelijkheid speelt alleen een rol wanneer er een zelfbewuste evoluerende ziel is, en die wordt tegenwoordig alleen bij de mensen aangetroffen. Het dier heeft nog slechts een zwak schijnsel daarvan. Het heeft geen besef van verantwoordelijkheid voor wat het doet. Een hond, bijvoorbeeld, zal beseffen dat hij iets verkeerds heeft gedaan; hij zal zijn staart intrekken en janken, maar hij heeft niet een gevoel voor ethische verantwoordelijkheid zoals een mens dat heeft. Hij is eraan gewend geraakt te weten dat als hij iets verkeerds doet, er iets zal gebeuren, bijvoorbeeld slaag krijgen of streng toegesproken worden. Toch is er een begin, een zwak schijnsel, van een niet-ontwikkeld ethisch gevoel. Zelfs dat vindt u niet bij een vis. Een vis staat zo laag op de evolutieladder dat hij geen enkel gevoel voor verantwoordelijkheid heeft, en ongeveer het enige wat u een vis kunt leren is door een beroep te doen op zijn eetlust of zijn gewoonten – hij leert dat hij gevoed zal worden als hij op een bepaald moment naar de oppervlakte van het reservoir komt. Maar er is hier geen sprake van een ethisch gevoel of een geweten.

Vr. – In een hond moet dus een bepaald aspect van karma zijn ontwikkeld.

GdeP – Wat voor soort karma: ethisch karma of fysiek karma? Fysiek karma bestaat zelfs in een atoom. Ik geloof niet dat men kan zeggen dat iets dat lager staat dan de zelfbewuste mens, of een andere zelfbewuste entiteit, met echt ethisch karma kan worden belast. Als er geen ethisch gevoel of begrip is, is er ook geen ethische verantwoordelijkheid.

Vr. – Maar in de hiërarchie waartoe zij behoren, van waaruit de impulsen neerdalen . . .

GdeP – In het geval van een individu?

Vr. – Bij de lagere dieren. Bijvoorbeeld een vis; hij behoort tot een hiërarchie. Hoger in die hiërarchie is de bron van bepaalde impulsen die neerdalen om het lagere wezen tot verdere ontwikkeling aan te sporen.

GdeP – Bedoelt u als een individu of als een soort?

Vr. – Als soort èn als individu – een beetje, op de een of andere manier; een impuls daalt uit de hogere delen van de hiërarchie af naar het lagere wezen.

GdeP – Ik begrijp niet goed waar het in uw vraag om gaat, hoewel de algemene strekking ervan misschien duidelijk genoeg is.

Vr. – Een vis, bijvoorbeeld, heeft een innerlijke god, evenals een mens die heeft, maar de innerlijke god is in de vis in het geheel niet gemanifesteerd. In de mens begint deze godheid zich te manifesteren. Voor de vissen wordt evengoed gezorgd door wat men de dhyan-chohans van de vissen zou kunnen noemen, als dat er voor de mensheid wordt gezorgd, maar alleen in de hogere delen.

GdeP – In de leiders, de spirituele leiders, van de vissen op aarde is er evenveel en zelfs meer verantwoordelijkheid dan in de individuen van de menselijke soort. En in de innerlijke god van de mens is er een groter spiritueel-ethische verantwoordelijkheid dan de mens kent of tot uitdrukking kan brengen. In de hogere innerlijke constitutie van de vis of van een mier of van een bij, wezens die op deze aarde zwakke uitdrukkingsvormen zijn van een innerlijke god, is er als individuen dezelfde hoge ethische verantwoordelijkheid.

Vr. – Hoe konden deze laatstgenoemden ‘architecten’ of ‘bouwers’ worden genoemd?

GdeP – De architecten werken door middel van de bouwers; de werkers werken door middel van de lichamen.

Vr. – Was er dan geen grote morele verantwoordelijkheid verbonden aan het voortbrengen van mensapen en andere apen?

GdeP – Zover het de mensen van de vroegste menselijke wortelrassen aangaat, is het antwoord nee, omdat de manasaputra’s die het spiritueel-ethische begrip verschaffen nog niet waren geïncarneerd. Als u kunt zeggen dat een kind van bijvoorbeeld twee of drie jaar moreel verantwoordelijk is omdat het toevallig een pistool in handen heeft, de trekker overhaalt en z’n vader doodschiet, dan kunt u zeggen dat het late tweede en het vroege derde wortelras verantwoordelijk waren. Maar niemand zou zeggen dat een kind moreel verantwoordelijk is voor het per ongeluk doodschieten van zijn vader. Het weet eenvoudig niet beter; het is niet ethisch verantwoordelijk. Dus lag er in de bestialiteit met de lagere zoogdieren waarmee het derde wortelras zich in het begin inliet – dieren die dat derde ras zelf had voortgebracht – geen bewust ethische verantwoordelijkheid; zij wisten werkelijk niet, of beter gezegd, beseften niet, wat ze deden. Het late tweede en het vroege derde wortelras waren net als kleine kinderen nu: ze leefden in een intellectuele slaap; ze hadden een soort halfbegrijpend bewustzijn zoals een klein kind dat nu heeft, maar geen ontwaakt en functionerend denkvermogen. De manasaputra’s waren niet geïncarneerd, en dus waren de individuen van dat vroege ras wat hun innerlijke vermogens betreft te vergelijken met kleine kinderen van nu.

Maar in het vierde wortelras, en zelfs aan het einde van het derde wortelras, toen er ethische verantwoordelijkheid was omdat de manasaputra’s waren geïncarneerd, en toen betrekkelijk onontwikkelde individuen van het vierde wortelras de bestialiteit van de mensen van het derde wortelras herhaalden met bepaalde aapsoorten, toen was er echte ethische verantwoordelijkheid. Het product van deze tweede reeks van beestachtige daden waren de mensapen – de antropoïden. In dit geval was er beslist sprake van verantwoordelijkheid; precies zoals wanneer een man of vrouw zich overgeeft aan een beest; bij die daad van bestialiteit zou er een volledig besef van ethische verantwoordelijkheid zijn. Maar in deze tijd staat de natuur geen gevolgen van zo’n daad toe, omdat de psychische grenzen tussen de twee levensstromen, de menselijke en de dierlijke, te ver van elkaar afstaan.

Vr. – Natuurlijk duldt de natuur nu niet dat daaruit enig nageslacht voortkomt; maar de menselijke soort stond toen heel dicht bij de grenslijn waar gemeenschap mogelijk was, omdat ze nakomelingen konden krijgen en die ook kregen.

GdeP – Ze stonden om de volgende reden dicht bij de grenslijn waar gemeenschap mogelijk was: de zoogdieren met wie ze omgingen waren de afstammelingen van de nakomelingen van hun eigen lichamen in het voorafgaande of derde wortelras. De psychische barrière die nu tussen de beide specifieke groepen bestaat had zich nog niet gevormd. De zoogdieren van de hogere graden stonden toen zo dicht bij de menselijke soort dat gemeenschap vrucht kon dragen. Maar denk eraan dat de ‘mensheid’ van het derde wortelras bij hun bestialiteit niet wisten, of beter gezegd beseften, wat ze deden.

Vr. – Begrijp ik het goed dat maar een klein deel van de vroege mensheid die beestachtige dingen deed, of werd dit door iedereen gedaan?

GdeP – Het gebeurde eenvoudig. Onder de entiteiten van het late tweede en het vroege derde wortelras waren zij die nu de hoogste rassen van mensen zijn en ook de mahatma’s en de halfgoden, die in die tijd werkelijk volledig bewust en verantwoordelijk waren. Zij waren de menselijke goden en leiders, de volkomen zelfbewuste mensen, zelfs toen. Natuurlijk hadden ze met die daden niets te maken. Intuïtief vermeden ze dat soort dingen. Ze voelden zich er niet toe aangetrokken. Ze wisten heel goed wat ze deden. Maar de grote meerderheid van de mensen in die tijd – en we kunnen hen alleen ‘mensen’ noemen omdat we de afstammelingen van hen zijn – waren geen mensen in onze betekenis van het woord, dat wil zeggen denkende, zelfbewuste entiteiten; ze waren als kleine kinderen – de grote meerderheid van de mensen kon dat soort dingen hebben gedaan. Ik verwijs hier natuurlijk naar het tweede en het vroege derde wortelras. In het vierde wortelras was de verantwoordelijkheid natuurlijk volledig en compleet.

Vr. – Maar toen de manasaputra’s in hen waren geïncarneerd?

GdeP – Toen de manasaputra’s in hen incarneerden, werden ze zelfbewust, en zoals een klein kind opgroeit van drie tot veertien of vijftien jaar, beseften ze toen wat er was gebeurd.

Vr. – Deed het eerste zwakke schijnsel van de manasaputra’s zich voor bij individuen van het tweede en derde wortelras?

GdeP – Ja, dat heb ik u al verteld. Voorzover er zelfbewustzijn was, was er ethische verantwoordelijkheid.

Vr. – Zelfbewustzijn is dus hetzelfde als het begin van de incarnatie van de manasaputra’s?

GdeP – Inderdaad, omdat de incarnatie van de manasaputra’s zelfbewustzijn met zich meebracht. Een klein kind heeft geen geweten, heeft geen ethisch gevoel van verantwoordelijkheid. Maar naarmate het opgroeit – bestudeer het van maand tot maand – kunt u het dagen van zelfbewustzijn zien, het begin van het denken. Naarmate de maanden verstrijken wordt het meer en meer een mens. De manasaputra incarneert zelfs nu in ieder menselijk kind op precies dezelfde wijze als toen, maar het gebeurt nu veel sneller. De incarnatie van de manasaputra’s was niet iets dat in een handomdraai plaatsvond. Er waren eeuwen voor nodig.

Vr. – Incarneerden de manasaputra’s toen in de hele mensheid of gebeurde dat aanvankelijk in een soort sishta’s, die zichzelf voortbrachten en de mensheid vormden, terwijl de anderen uitstierven?

GdeP – De entiteiten waarover we hebben gesproken waren eerst de sishta’s, en de incarnatie daarna van de manasaputra’s betrof eenvoudig het binnenstromen van ego’s die hierheen kwamen vanuit de derde ronde. Dat was de incarnatie van de manasaputra’s; zoals tegenwoordig bij de reïncarnatie van de mens ieder klein kind de incarnatie is van zijn eigen manasaputra, zijn reïncarnerende ego, in een nieuw lichaam. In sommige kleine kinderen incarneert het reïncarnerende ego, of de manasaputra, sneller dan in andere, en dan zeggen we dat dit een voorbeeld is van een voorlijk kind. In andere gevallen vergt de incarnatie van het reïncarnerende ego, of de manasaputra, meer tijd, en dan zeggen we: ‘Dat kind is nogal traag.’

Vr. – Ik begrijp het niet helemaal. Daar was dit hele ras, en bestond het uit mensen?

GdeP – Ze waren sishta’s.

Vr. – Moesten ze allen als sishta’s worden beschouwd, zodat de manasaputra’s overal konden reïncarneren?

GdeP – In het prille begin van de vierde ronde waren de sishta’s heel gering in aantal; maar ‘komende gebeurtenissen werpen hun schaduw vooruit’. Ze begonnen de impuls te voelen van het binnenstromen van ego’s uit de derde ronde, die van bol C naar deze bol D kwamen. Met elke nieuwe kleine impuls begonnen de sishta’s in de lichamen zich krachtiger voor te bereiden om lichamen te verschaffen voor de komende stroom van zich weer belichamende ego’s of manasaputra’s. Toen het daarvoor geschikte moment aanbrak, waren er daardoor miljoenen sishta’s in plaats van, laten we zeggen, een paar duizend. Toen begon ieder van de binnenkomende manasaputra’s onder deze sishta’s het lichaam uit te kiezen dat het meest met hem verwant was door karmische bestemming, en begon het beetje bij beetje te overschaduwen, maar geleidelijk steeds meer naarmate de eeuwen voortschreden; zoals het binnenkomende denkvermogen of reïncarnerende ego beetje bij beetje in een groeiend kind reïncarneert, iedere dag iets meer, één straal van bewustzijn meer, één vezel van denken meer, terwijl het neerdaalt en de fysieke zintuigcentra beroert – de hersenen en het hart.

Bedenk ook dat de eerste manasaputra’s om te incarneren de dierlijke lichamen van de sishta’s namen, en daarom die uitverkoren soort, of dat ‘ras’, voortbrachten waarover ik enkele ogenblikken geleden sprak als zij die als eersten menselijk bewustzijn verkregen. Zij waren wat nu de mahatma’s zijn en de menselijke halfgoden. Dat waren de pioniers, als het ware de ‘eerste zwaluwen voor de nieuwe lente’. Dan begonnen de incarnerende manasaputra’s of ego’s uit de vorige ronde in een steeds toenemende stroom te komen, en ieder moest zijn voertuig kiezen, precies zoals het reïncarnerende ego nu wordt aangetrokken tot de familie waarmee hij karmisch, psychomagnetisch, het meest verwant is; en stukje bij beetje werd de mensheid, van een ras van halfbewuste en quasi-slapende voertuigen, zelfbewust.

Vergeet niet dat naarmate de sishta’s van een kleine groep uitgroeiden tot een groot aantal – gedreven door de binnenkomende impuls – en zich ontwikkelden tot het eerste wortelras, en toen het eerste wortelras het tweede wortelras werd, en daarna het derde wortelras het tweede wortelras opvolgde, het zelfbewustzijn gestaag toenam, al gebeurde dit bijzonder langzaam. Ongeveer halverwege of in het laatste deel van het derde wortelras waren de menselijke voertuigen goed genoeg voorbereid om de binnenkomende manasaputra’s te ontvangen, niet langer als slechts overschaduwende stralen, maar als werkelijke incarnaties. Vanaf die tijd werd de mensheid werkelijk menselijk – werkelijk denkende, zelfbewuste wezens. Maar enkele van deze menselijke voertuigen waren in hun evolutie zozeer achtergebleven dat de incarnatie van de manasaputra’s in hen pas plaatsvond aan het begin van het vierde wortelras. Zij waren onontwikkeld en ontaard, de primitieve volkeren van het vierde wortelras, die de tweede daad van bestialiteit verrichtten en de mensapen voortbrachten.

Vr. – Waren zij degenen die weigerden te incarneren?

GdeP – Zij waren het van wie HPB in haar Geheime Leer zegt dat ze weigerden te incarneren: ‘Geen geschikte rupa’s [of vormen] voor ons!’ Ze waren door evolutie minder gereed dan de pioniers; ze waren niet voldoende geëvolueerd. Maar zij die het hoogst waren ontwikkeld, de hoogste van de manasaputra’s, zagen en wisten wat hun karmische plicht en bestemming was, en begonnen daarom onmiddellijk te incarneren en brachten op die manier dat deel van de mensheid voort dat nu uit de mahatma’s en de menselijke halfgoden bestaat.

Vr. – Welke rol speelden de nirmanakaya’s en de boeddha’s in dit evolutiestadium?

GdeP – Zij kwamen pas in actie toen het ras zelfbewustzijn had verworven. Ze zijn echter de leiders, de allereerste pioniers. Leiders is het juiste woord: zij die de voorhoede vormen, die vooropgaan, die de weg bereiden, die het pad vinden of kiezen – die altijd de eersten zijn. Bij het bestuderen van dit nogal ingewikkelde onderwerp uit die nu vergeten geschiedenis moet u echter bedenken dat er zelfs vanaf het eerste begin van het eerste wortelras enkelen waren, de uitverkorenen onder de manasaputra’s, die de leiders en hoofden waren van de sishta’s als geheel. Deze hoofden of leiders waren de bewakers, opzichters, beschermers van de opkomende menselijke levensstroom van deze vierde ronde.

Vr. – U zei dat de vissen voortbrengselen zijn uit vroegere ronden, uit de eerste en de tweede ronde.

GdeP – Waarschijnlijk de tweede.

Vr. – Dus verkeerde de bol intussen in obscuratie.

GdeP – Tussen de ronden, inderdaad.

Vr. – Omdat hij in obscuratie was, was er dus geen leven, behalve latent.

GdeP – Er leven altijd sishta’s, die leiding geven, zelfs tijdens de obscuraties.

Vr. – Dat is juist wat ik niet begreep, dat deze sishta’s, zelfs al was de bol in obscuratie, toch leefden en zich voortdurend voortplantten.

GdeP – Het mineralenrijk is nu slechts een geheel van sishta’s; daarom is het betrekkelijk stil en rustig. Wanneer het mineralenrijk opnieuw zijn impuls tot leven krijgt, zou u, als u het zou kunnen zien, niet alleen heel verbaasd zijn, maar waarschijnlijk zou u zeggen: ‘Lieve hemel, in wat voor geheimzinnige en eigenaardige wereld ben ik terechtgekomen?’ U zou zien dat gesteenten leven en uit zichzelf bewegen. De plantenwereld bestaat nu overwegend uit levende sishta’s. Maar als u had geleefd in een tijd dat de planten de ‘meesters van de aarde’ waren, zou u gedurende dat bijzondere tijdperk zien dat de planten de meest fantastische dingen deden: planten die tegen elkaar aan leunen, zich buigen naar voorbijgaande entiteiten en proberen hun bladeren om hen heen te werpen, zoals u dat zelfs nu ziet bij de venusvliegenvanger. U zou vreemde dingen zien gebeuren. De vegetatie zou onvergelijkelijk weelderig zijn, alles één massa plantengroei die zich bijna gedraagt als quasi-zelfbewuste levende wezens. Op een heel kleine schaal gebeurt dat zelfs nu nog in de tropen. Ook veel van de lagere dieren zijn nu slechts sishta’s – bijvoorbeeld de insecten, de vissen en de schaaldieren. U zou het helemaal niet leuk vinden als u alleen op aarde zou leven in een tijd dat bijvoorbeeld de reptielen of de kreeften hun bloeitijd doormaakten! U zou heel alert moeten zijn om uit hun buurt te blijven!

Bovendien zijn de dieren, zelfs de zoogdieren – behalve de mensapen – nu bezig sishta’s te worden, en dat gebeurt inderdaad nogal snel. Steeds meer verliezen ze, niet zozeer hun levenskrachten, maar hun vechtlust. Ze worden steeds rustiger en sterven langzaam uit, en tenslotte blijven alleen hun sishta’s over.

Wanneer de mensheid naar de volgende bol van onze planeetketen gaat, zullen de mensenrassen in verval zijn geraakt, verdord door ouderdom; hun vechtlust zal zijn verdwenen. U ziet voorbeelden hiervan zelfs bij volkeren die hun bloeiperiode op aarde hebben gehad. Hun energie schijnt af te nemen, en het ras of volk verliest zijn kracht, en het blijft nog gedurende enkele honderden of misschien een paar duizend jaar bestaan in een soort latente staat, waarin bijvoorbeeld de Grieken in de Middeleeuwen verkeerden en waarin de Spanjaarden tot op zekere hoogte zelfs nu verkeren na het hoogtepunt van hun sociale en politieke macht een paar honderd jaar geleden. De Noord-Amerikaanse indianen zijn een goed voorbeeld van een ras dat daarentegen uitsterft.

De menselijke sishta’s zullen natuurlijk nog mensen zijn, maar ze zullen, relatief gezien, heel rustige ego’s zijn, want hoewel ze leven en reïncarneren, en de hoogsten van de mensheid zijn, zullen ze in een soort rustperiode verkeren die eeuwen duurt. De natuur houdt hen in de loop van de eeuwen in leven voor haar toekomstige doeleinden als mensen die wachten op de binnenkomst van de nieuwe stroom van manasaputra’s in de vijfde ronde.

Vr. – Houden ze vast aan de gewoonten van die tijd?

GdeP – Welke gewoonten? Gewoonten wisselen iedere paar honderd jaar. Toch kan ik antwoorden door te zeggen: Ja, tot op zekere hoogte. Het is heel moeilijk een zo vage vraag te beantwoorden. Het hangt af van de planeetketen; het hangt af van de bol, van de graad van evolutie die de bol heeft bereikt.

Ik kan me voorstellen dat, wanneer de mensheid als geheel naar de volgende bol gaat, de sishta’s van deze bol van de vierde ronde, de aarde, in grote lijnen gelijk zullen blijven aan wat we tegenwoordig primitieve volkeren noemen, maar van een bijzonder gevorderd en spiritueel en ook intellectueel type – een soort eeuw van Saturnus waarin onschuld en zondeloosheid in hoge mate zullen overheersen. Ze zouden eeuwenlang leven als een quasi-slapend, volkomen gelukkig, maar niet strijdlustig soort mensen. Zij die het op zich nemen sishta’s te worden brengen een van de grootste offers, omdat ze – tenminste tijdelijk – hun eigen evolutie doelbewust opgeven. Dit is de buddhische geest – ze geven doelbewust hun eigen evolutie met de menselijke levensgolf gedurende een deel van de volgende ronde op om hier op aarde gereed te zijn om het zaad te zijn voor de menselijke levensgolf wanneer deze in de vijfde ronde terugkeert. Wanneer de levende manasaputrische vuren weer in hen komen, wanneer de nieuwe instroom van ego’s komt, dan zullen de sishta’s beginnen te ‘ontwaken’. Ze zullen opnieuw strijdlustig worden en zich snel ontwikkelen; ze zullen eraan beginnen om beschaving te brengen. Ze zullen iets edelers opbouwen dan men ooit tevoren heeft gekend. En op deze bol, de aarde, zal een nieuwe ronde zijn begonnen.

U kunt niet zeggen dat ze als sishta’s minderwaardige mensen zijn. Kijk naar het verloop van de Griekse geschiedenis als een voorbeeld in het klein. Bedenk wat een schitterende beschaving de Grieken in Athene en elders hadden bereikt. Denk aan de grootse literatuur die ze voortbrachten. Kijk naar wat ze bereikten; ze gaven ons zelfs veel van onze normen en waarden. Maar bedenk wat er later van hen is geworden. Ze leefden verder, en nu beginnen ze weer iets prachtigs te worden. Ze beginnen aan een opgaande fase van een kleine rascyclus. Maar in de tijd dat ze in een toestand bleven die u met sishta’s zou kunnen vergelijken, waren ze toch mensen. Ze hadden hun steden, maar deze hadden geen betekenis voor de wereldgeschiedenis. De golf van krachtige activiteit was naar andere delen van de aarde gegaan; of om het anders te stellen, voor andere volkeren van de mensheid was de tijd aangebroken. De sishta’s van het ras dat karmisch bestemd was om de decadente beschavingen van de landen rond de Middellandse Zee omver te werpen waren de barbaren uit het noorden. Als sishta’s ontvingen ze de nieuwe instroom van leven, trokken naar het zuiden, overwonnen de volkeren die in het Middellandse-Zeegebied leefden, en brachten tenslotte de moderne Europese beschaving voort. Neem de hindoes uit vorige eeuwen, of de Chinezen, en veel van de Aziatische volkeren: ze zijn allemaal in obscuratie geweest; ze waren op kleine schaal menselijke sishta’s en zijn dat in sommige opzichten nog steeds.

Enkele rassen sterven geheel uit of worden opgenomen in nieuwe menselijke volkeren, zoals bij de Egyptenaren, de Grieken en de Romeinen gebeurde. De reden dat ze volledig verdwijnen is dat ze heel oude rassen waren. De Egyptenaren kwamen voort uit volkeren van het vierde wortelras. Ze vermengden zich met of gingen op in de nieuwe volkeren uit het oosten en bleven leven als Kopten.

Vr. – Is het juist dat wanneer HPB in De Geheime Leer spreekt over pralaya, of over kleinere pralaya’s, ze die term soms gebruikt wanneer ze in feite obscuratie bedoelt?

GdeP – Het is mogelijk. Ik zal geen nee zeggen; het is altijd mogelijk dat termen verkeerd worden gebruikt door onoplettendheid of misschien omdat men ingewikkelde feiten vanuit een ander standpunt beziet. Maar ik denk dat uw opmerking in enkele gevallen gerechtvaardigd zou kunnen zijn. Ik weet dat het in De Geheime Leer een aantal keren voorkomt dat het woord pralaya wordt gebruikt, terwijl ik er zeker van ben dat obscuratie daar als een gelijkwaardige term had kunnen worden gebruikt. Er zijn echter bepaalde redenen die deze gevallen volkomen rechtvaardigen, omdat zeer diepe obscuraties bijna gelijkstaan aan pralaya zelf, bijna een volledige dood zijn. Toch zijn beide heel verschillend.

Maar ik wil over de sishta’s het volgende zeggen, en dit is heel belangrijk. Onder de menselijke sishta’s die overblijven wanneer de menselijke levensgolf naar de volgende bol gaat, zullen er altijd enkele zijn die het heldere licht van beschaving levend houden; en deze zijn de hoogste. Ze zijn alles wat wij kennen ver vooruit. Het is een bepaalde groep meesters, de hoogste ingewijden, de chefs, die de hele tijd over de menselijke sishta’s waken: hen onderwijzen en leren, zorgen dat ze hun rol kunnen blijven vervullen naarmate de eeuwen voortschrijden, door nu en dan hun denken te voeden met de zaden van beschaving om zo het licht brandende te houden, zodat de sishta’s op geen enkel moment beneden een bepaald niveau komen.

Vr. – Is er tussen twee ronden dan werkelijk iets dat we als pralaya kunnen beschouwen? Maar zijn er ook sishta’s op een hoger gebied die niet zijn onderworpen aan wat er tijdens een obscuratie plaatsvindt?

GdeP – Ja, er zijn sishta’s op ieder gebied – sishta’s op aarde en op iedere bol, en op ieder gebied van het zonnestelsel. Net als onder de mensen zijn er sishta’s onder de goden, de dieren, de planten en in het mineralenrijk. Sishta’s zijn er overal, omdat iedere klasse van entiteiten haar opgang heeft, haar hoogtepunt, haar neergang, haar sishta-stadium, en dan weer een opgang. Zo gaat de natuur te werk: een werkwijze die overal één gemeenschappelijke, fundamentele wet volgt. Maar om het eerste deel van uw vraag te beantwoorden, u heeft het helemaal verkeerd als u aanneemt dat er op de bollen pralaya’s zijn tussen twee ronden. Pralaya betekent dood en ontbinding, en u ziet direct het verschil tussen een pralaya en een obscuratie. Een mens is in obscuratie als hij slaapt, maar hij komt in de pralaya van zijn lagere beginselen wanneer hij sterft.

Vr. – Zijn de nirmanakaya’s in zekere zin sishta’s?

GdeP – Voorzover het mensen betreft, zou u hen geen sishta’s kunnen noemen. Maar er zijn sishta-nirmanakaya’s die de leraren zijn van de sishta-mensheid.

Vr. – We spreken over de mahapralaya wanneer alles is ontbonden.

GdeP – Ja, dat is van toepassing op het zonnestelsel, of zelfs op de hele planeetketen.

Vr. – Betekent dat woord alles meer dan onze hele kosmos die in de melkweg ligt besloten?

GdeP – In dit geval zou het betekenen alles wat wordt beïnvloed door de universele mahapralaya – dat wil zeggen, alles binnen de melkweg.

Vr. – Is er een universeel mahapralaya dat van toepassing is op de gehele oneindigheid?

GdeP – Nee, natuurlijk niet, want dat zou betekenen dat de oneindigheid ophield te bestaan, wat absurd is.

Vr. – Want, als die er zou zijn, zouden ook de sishta’s daardoor worden getroffen, en waar zouden de zaden zijn voor de volgende periode van manifestatie?

GdeP – Een pralaya of een manvantara, hoe groot ook, is iets heel beperkts vergeleken bij de oneindigheid. Daaruit volgt dat hoe groot een stelsel misschien ook is, of het nu een planeetketen, een zonnestelsel, een melkweg of tien miljoen melkwegen betreft, er altijd de omringende, omvattende oneindigheid is, die geen grens heeft, maar eenvoudig eindeloosheid is. Het is duidelijk dat deze geen pralaya kan ondergaan, omdat als ze dat deed, de oneindigheid begrensd zou zijn – wat absurd is. Ze is dat wat elk menselijk begripsvermogen te boven gaat, omdat het menselijk begripsvermogen eindig is. Ik zou de oneindigheid nooit een ‘entiteit’ noemen.

Vr. – HPB spreekt over ruimte als een entiteit.

GdeP – Ja, maar alleen de ruimte van een melkweg, of de ruimte van tien miljoen melkwegen. Maar daar voorbij is altijd de grenzeloze oneindigheid – grenzeloos, zonder beperking.

Vr. – Is het niet beter om uitdrukkingen zoals in de Bhagavad Gita te gebruiken: ‘een deel van zichzelf’?

GdeP – Ja, maar daar wordt verwezen naar de belichaming van een god, of de incarnatie van een mahatma, of van een boeddha, of van een mens. Bijvoorbeeld een straal uit mijn eigen innerlijke god brengt mij voort en toch blijft mijn innerlijke god van mij gescheiden, en ik ben maar een ‘deel van mijzelf’. De ‘Krishna’ in mij is op zijn eigen gebied, toch brengt hij mij voort. De Krishna van de melkweg brengt de melkweg voort als een entiteit, maar blijft apart, ervan gescheiden. De zon zendt een straal uit, maar blijft ervan gescheiden en verschillend.

Vr. – Oneindigheid is onuitputtelijk.

GdeP – Onuitputtelijk is nauwelijks het woord: het is dat. In dit verband werd nooit een verhevener woord gezegd dan het aanwijzend voornaamwoord dat.

Vr. – Wanneer het leven begint te ontwaken, moeten er binnen deze wereld die in pralaya was sishta’s zijn geweest, niet alleen erbuiten, zodat zelfs de grootste en meest volledige pralaya nog levende wezens zou hebben die in een soort slaaptoestand verkeren en niet in een staat van ontbinding. Klopt dat?

GdeP – In het algemeen is dat juist. Deze sishta’s zijn met al het andere verdwenen in de pralaya, maar blijven nog als sishta’s op de innerlijke gebieden bestaan, en zijn daarom de levenszaden. U moet ervoor oppassen om het woord pralaya niet verkeerd te gebruiken. Sishta’s op elk gebied kunnen op dat gebied alleen in obscuratie blijven bestaan. Wanneer dat gebied in de pralaya verdwijnt, blijven zelfs de sishta’s niet bestaan op het gebied dat is verdwenen – wat absurd zou zijn. Neem onze eigen melkweg: als de tijd daarvoor aanbreekt, zal hij verdwijnen, maar in de abstracte ruimte die nu is gevuld met wat u de melkweg noemt, blijven de verborgen levenszaden achter, de spirituele sishta’s van die melkweg.

Vr. – Zijn ze bewust of onbewust?

GdeP – Het hangt ervan af wat u onder deze woorden verstaat. In het geval van de mensheid op deze bol zullen ze bewust zijn. Als het sishta’s van het mineralenrijk betreft, zijn ze niet bewust, ze slapen. Wanneer het de goden betreft, zullen de sishta’s goddelijk bewust zijn, en alleen sishta’s vergeleken met wat ze op het hoogtepunt en in de bloei van hun evolutie waren.

Vr. – Hebben bij die nieuwe ontwaking de andere melkwegen van de ruimte iets te maken met het begin daarvan?

GdeP – Absoluut, alle melkwegen zijn nauw met elkaar verbonden, want elke melkweg is een belichaamde ziel, zoals mijn ziel dat is. Gezamenlijk vormen ze het fysieke lichaam of voertuig van een superkosmische entiteit die in nog grootser ruimten van de oneindigheid leeft.

Vr. – HPB zegt in De Geheime Leer duidelijk dat ze hun eigen soort opnieuw voortbrengen.

Vr. – Zou men deze sishta’s niet kunnen opvatten als levensessenties op de vormloze gebieden van het vorige manvantara? Wanneer u de sishta’s zaden noemt, is men geneigd te denken aan het zaad van een stoffelijk atoom.

GdeP – De sishta’s vertegenwoordigen zowel de stoffelijke als de andere aspecten. De psychische sishta van een reïncarnerende entiteit, bijvoorbeeld, is dat bijzondere levensatoom of die levenskiem die, wanneer de tijd daarvoor aanbreekt, zijn weg zal vinden naar een vrouwelijk lichaam en bevrucht zal worden en het nieuwe lichaam zal voortbrengen van het reïncarnerende ego. Dat ene bijzondere levensatoom is de sishta van het individuele lichaam.

Vr. – Als we het vermogen hadden ontwikkeld om te kunnen waarnemen, zouden we de hele wereld en alles wat erin gebeurt kunnen zien.

GdeP – Ja, dat is zo.

Vr. – Alles wat u heeft gezegd is een poging ons inzicht te geven in het proces van de incarnatie van de manasaputra’s, en in min of meer hetzelfde proces dat plaatsvindt bij de incarnatie van een menselijke ziel in een lichaam.

GdeP – Die processen zijn in principe hetzelfde.

Vr. – Ik weet niet of het volgende beeld juist is: dat deze cel, dit levensatoom dat een zaadcel wordt, die ene die bevrucht en zich tot een lichaam ontwikkelt, een monade is, een monadisch levensatoom in een veel vroeger stadium, en behoort tot een menigte die een hogere staat van monaden vormt, zodat geleidelijk nieuwe monaden incarneren in dit lichaam met hogere monaden, zoals officieren in een leger steeds hogere graden hebben tot aan de generaal toe.

GdeP – Als ik u goed begrijp, klopt die gedachte bijna precies. En als u die volgt, zult u zien hoe verreikend de uitspraak van de Heer Boeddha was in zijn laatste woorden: ‘Broeders, de mens is een samengestelde entiteit; breng uw eigen verlossing tot stand.’ De mens is een leger van monaden; hij is een menigte; hij is een kosmos; hij is verbonden met het hoogste en verbonden met het laagste; en al die monaden werken met elkaar samen. Zo is de structuur van de constitutie van de mens, met aan de top de spirituele ‘generaal’ en met als laagste rang de psychofysieke soldaat die ik ben, of die u bent. De ‘generaal’ is de innerlijke god.

Het is een werkelijke openbaring als u deze gedachte begrijpt, en een sleutel om veel dingen te begrijpen. Ik heb hier vijf kwartier gesproken. Laten we de bijeenkomst besluiten.

[Luiden van de gong. Stilte.]

 


Dialogen van G. de Purucker, blz. 850-71

© 2005  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag