31

Supplement

 

12 februari 1935

Uit de grenzeloze ruimte komen heelallen tot aanzijn

GdeP – In de oneindigheid komen en gaan de hiërarchieën als flitsen, als vonken van licht. Elk van die vonken betekent het einde van zichzelf als manifestatie, maar die manifestaties blijven zich eeuwig ontwikkelen. Er zijn geen absolute eindpunten, maar wel relatieve.

De grenzeloze oneindigheid kent echter geen verandering, geen tijd en geen uitgebreidheid van ruimte. Ze is er eenvoudig, van eeuwigheid tot eeuwigheid, en dat is alles wat ons denken ervan kan bevatten. Maar elk gemanifesteerd heelal dat in de schoot van de oneindigheid ontstaat, ongeacht of het groot of klein is, is een begrensd deel van het grenzeloze, juist omdat het door individualiteit wordt afgebakend en een wezen is.

Een heelal is daarom kennelijk niet de grenzeloze oneindigheid, die zelfs niet het Ene is – omdat het Ene het begin is van de numerieke ontvouwing van manifestatie – maar we moeten de grenzeloze oneindigheid beschouwen als de nul, symbolisch voorgesteld als een cirkel. Het Ene betekent het heelal, elk heelal, ons heelal, al de heelallen buiten ons heelal dat een begin heeft, dat zijn verschillende fasen of stadia van emanationele evolutie en ontwikkeling doormaakt, en wanneer het einde is bereikt, zich weer, zoals Pythagoras zei toen hij over de kosmische monade sprak, in de volslagen stilte en duisternis van de oneindigheid terugtrekt – stilte en duisternis voor ons. Volgens deze gedachtegang heeft het oneindige, dat is het grenzeloze, de onbegrensde essentie van al het universele zijn, geen begin, geen einde, geen manifestatie van zichzelf, maar het is eeuwig en altijd.

Stel u eens voor dat in de velden van de grenzeloze ruimte hier en daar heelallen als lichtvonken ontstaan. Terwijl ze ontstaan en aan hun evolutionaire ontvouwing beginnen, verdwijnen andere heelallen, ontvouwen zich en verdwijnen weer, om na verloop van tijd opnieuw te verschijnen. Bedenk daarom dat niet een of twee dit doen, maar ontelbare heelallen verspreid over de velden van de grenzeloze ruimte, zodat we het beeld hebben van de oneindigheid waarin talloze heelallen en stelsels van heelallen, en superstelsels opgebouwd uit stelsels, zich eeuwig ontwikkelen en zich weer terugtrekken. Maar de oneindigheid zelf: u kunt over de oneindigheid niet spreken als de één. U kunt niet zeggen dat de oneindigheid zich manifesteert. Het zijn alleen wezens of dingen, monaden, hoe klein ook, hoe groot ook, die deze stadia of perioden van evolutionaire ontvouwing, en van zich weer invouwen, doorlopen. De oneindigheid ondergaat zelf geen veranderingen. Als dat wel zo zou zijn, dan zou ze geen oneindigheid zijn. Alleen gemanifesteerde wezens en dingen kleden zich in de gewaden of sluiers van maya; en terwijl enkele ‘delen’ van de oneindigheid bezig zijn om zich steeds verder te ontvouwen in sluiers van maya, zijn andere delen, hier en daar verspreid in de grenzeloze velden van de ruimte, bezig om te involueren en zich uit maya te verheffen terug in de schoot van de diepte, alleen om na verloop van tijd weer tevoorschijn te komen.

Deze gedachte is heel belangrijk. De oneindigheid evolueert niet als oneindigheid. Als dat wel gebeurde, zou oneindigheid kunnen veranderen, en het is een ongerijmdheid om te spreken over een oneindigheid die verandert, want alleen dingen of wezens ondergaan wijzigingen en zijn daarom aan verandering onderhevig.

De gedachte is belangrijk, want door het verkeerd begrijpen van het feit dat het heelal eeuwig en gedurende de hele grenzeloze duur om ons heen voortdurend in beweging is en activiteit vertoont, ontstond oorspronkelijk het denkbeeld van een god, van een wezen dat schiep en dat handelde en dingen deed. De oneindigheid schept niet, en handelt ook niet, doet geen dingen, omdat dit alles beperkte werkingen zijn, en de oneindigheid kent als oneindigheid geen activiteit want ze heeft geen beperkingen. Ze is eeuwig zichzelf. Alleen dingen zijn actief. Als de oneindigheid zou handelen, zou ze een omsluitende ruimte moeten hebben, groter dan de oneindigheid, om in te handelen, wat natuurlijk dwaas is want dan zou ze niet langer de oneindigheid zijn.

De heelallen in de grenzeloze velden van de ruimte zijn talloos. Ze zijn letterlijk eeuwig bezig om te verschijnen en te verdwijnen; sommige staan hoger, andere lager, en er is geen einde noch in de richting van de hoge noch in de richting van de lage, omdat deze woorden bij maya, bij manifestatie, horen. Maar de oneindigheid op zich kunnen we alleen beschrijven als beweging zelf, niet als iets dat beweegt, maar beweging per se; als bewustzijn zelf, niet een of ander bewustzijn, maar bewustzijn als bewustzijn; en als intelligentie zelf, niet een of andere intelligentie, maar intelligentie als intelligentie.

 

12 maart 1935

De mens is een hiërarchie

Wat is het in ieder van de verschillende knopen of brandpunten van bewustzijn dat deze eerst laat groeien naar het stadium dat onmiddellijk boven zijn eigen stadium ligt en dan verder laat groeien naar het stadium onmiddellijk daarboven, en zo steeds verder, zover we weten eeuwig verder? Wat is er in elk van deze entiteiten, in een mens, dat hem in staat stelt om van binnenuit, uit zijn eigen essentie, een praktisch oneindige reeks stappen vooruit te doen?

Ieder van de monaden die gezamenlijk de constitutie van een mens vormen, wordt naarmate ze groeit meer en meer geïndividualiseerd, meer en meer een wezen op zichzelf. De mens is dus werkelijk een hiërarchie, en precies hetzelfde kan worden gezegd over de letterlijk ontelbare menigten embryomonaden of levensatomen die zijn verschillende voertuigen opbouwen op de verschillende gebieden waarop zijn monaden functioneren.

Ieder van deze samenstellende monaden is in haar eigen kern de wortelloze wortel van de oneindigheid. Waar is dan de mens in deze enorme menigte entiteiten, in deze uitgebreide verzameling embryogoden? Als we zeggen dat de mens de ziel of het tussenliggende gedeelte van zijn constitutie is, is dat juist, maar als we deze ziel of dit tussenliggende deel nauwkeuriger analyseren, zien we dat ook dit deel zich ontvouwt tot een hiërarchie, en we komen voor hetzelfde probleem te staan. Als we een bepaald centrum van deze tweede hiërarchie aanwijzen en zeggen dat dit de mens is, en dat punt van onderzoek of beschouwing dan aan dezelfde strenge analyse onderwerpen, komen we opnieuw een hiërarchie tegen. We ontdekken dus een hiërarchie binnen een hiërarchie binnen een hiërarchie, en we beseffen dat die derde hiërarchie zelf een samengestelde entiteit is; en toch is ieder van deze hiërarchieën een monade!

Hier zien we de reden waarom de grote filosofische stelsels uit India, in het bijzonder de Vedanta, zeggen dat het essentiële beginsel in elke entiteit de kosmische paramatman is, het kosmische ik-ben. Toch hebben we hier deze mayavische ego’s. Ze omringen ons overal, het heelal is uit hen gevormd, ieder levensatoom is er een in embryo. Naarmate de evolutie voortgaat, breidt het ego zijn bewustzijn steeds verder uit, en alles verliest tenslotte zijn ik-ben-ik-heid, omdat deze ik-ben-ik-heid opgaat in en gelijk wordt aan het kosmische ik-ben.

Wanneer u de mens op deze manier door het heelal heen probeert te achterhalen, waar vindt u hem dan? Dit is een van de belangrijkste, moeilijkste, subtielste en toch een van de vruchtbaarste terreinen van onderzoek.

Richt uw aandacht niet op voertuigen of namen, in de hindoe Vedanta technisch namarupa genoemd, ‘naam’ en ‘vorm’, maar beschouw de essentie van een monade als een bewustzijnspunt – niet als een lichaam, niet als een voertuig, niet als een vorm die zich uitbreidt en groeit als een ballon die steeds groter wordt – een bewustzijnspunt dat vanuit zichzelf een steeds toenemende stroom van zijn ‘zelf’ ontvouwt of emaneert: bewustzijnspunten. Zo’n bewustzijnspunt is een monade. Deze monade is eeuwig, bestaat eeuwenlang, als een atoom van parabrahman; het zelf van die monade is oneindigheid, maar toch ontvouwt ze vanuit zichzelf steeds groeiende stromen van haar bewustzijn.

Vanuit het standpunt van bewustzijn beschouwd is de mens tegenwoordig een betrekkelijk klein wezen. Naarmate hij evolueert door vanuit zichzelf steeds groeiende stromen van de in hem aanwezige dingen en wezens te laten voortvloeien of te emaneren, breidt hij zich uit, groeit hij, en wordt tenslotte een zonnestelsel en dan een heelal. Hij blijft groeien, schenkt het leven aan kind-wezens die zelf precies doen wat hun grote ouder in de oneindigheid doet. Maar het punt, het centrum dat nooit verandert, dat voor iedereen eeuwig hetzelfde is, is niet een lichaam of een voertuig of een omhulsel of een sluier of een gewaad, maar een bewustzijnscentrum, een brandpunt van bewustzijn. Dat is de monade. Zij is eeuwig. Zij is niet alleen altijd het ik-ben, maar, of dat nu wel of niet zelfbewust wordt herkend, ze is ook altijd het ik-ben-ik. Het ik-ben-ik is de begrensde vorm ervan die eeuwig zal blijven groeien, maar ze zal altijd beperkt zijn vergeleken met het meest innerlijke van het innerlijke, de parabrahman binnenin, de wortelloze wortel, het ik-ben.

Dit is precies de betekenis van de bekende uitspraak van de Heer Boeddha: ‘Er is geen blijvende ziel in de mens’. Die woorden verwijzen naar de oude, onjuiste leer dat ik een ziel ben die eeuwig of onsterfelijk is, en dat u een ziel bent die van mij verschilt en die ook onsterfelijk is. Er is niet zo’n entiteit in de mens, omdat alles groeit, zich uitbreidt, verandert, zich ontwikkelt, anders wordt dan zichzelf, en toch zijn essentiële zelfheid behoudt. Zijn essentiële zelfheid is in ons allen hetzelfde. Het beperkte ik-ben-ik blijft altijd bestaan maar met een zich steeds verruimende horizon. Het is nooit twee opeenvolgende ogenblikken hetzelfde, daarom kan het niet onsterfelijk zijn. Onsterfelijk betekent eeuwig voortdurend zoals u bent; maar hiermee in tegenstelling staat het onveranderlijke bewustzijn uitgedrukt door de woorden: ik-ben.

 

Van atomair tot galactisch bewustzijn

Onze planeet aarde is onderdeel van ons zonnestelsel. Het zonnestelsel maakt deel uit van het melkweg-heelal, gevormd uit vele zonnestelsels. Astronomen vertellen ons nu dat het aantal zonnen of zonnestelsels dat we in de melkweg zien, in de duizenden miljoenen loopt. Ons hele melkwegstelsel, alles wat ligt besloten binnen de uitgestrekte gordel van de melkweg, is één molecule in het fysieke lichaam van een entiteit die we niet kunnen kennen of herkennen of begrijpen wegens zijn enorme ruimtelijke omvang. Onze kleine aarde is een elektron in een atoom dat ons zonnestelsel is. Wij mensen leven op dit elektron. Onze melkweg is vol hiërarchieën van bewuste, quasi-bewuste, zelfbewuste, spiritueel en goddelijk bewuste wezens – goden, mensen, atomen, in de esoterische betekenis. Toch hebben deze wezens die in hun hogere bewustzijnsgebieden goddelijke gedachten hebben en ervaren, de goden, hun woonplaats in een molecule in het fysieke lichaam van een entiteit van wie de puur fysieke vorm, ruimtelijk gesproken, zo onmetelijk groot is dat wij die zelfs niet kunnen zien. We zien alleen de zonnestelsels van de melkweg waardoor we zijn omringd.

Draai nu de telescoop om, het ouderwetse model, en kijk door het brede uiteinde, met andere woorden, keer het beeld om. Onze lichamen bestaan uit cellen, die uit moleculen zijn samengesteld, opgebouwd uit atomen, die op hun beurt uit elektronen zijn opgebouwd. Wie kan zeggen op hoeveel van de elektronen van elk fysiek lichaam levende wezens zouden kunnen zijn met goddelijke of menselijke gedachten die een heelal om zich heen zien zoals wij dat om ons heen zien? Hun heelal is een enkel orgaan van ons lichaam, en hun melkweg is een enkele molecule van een cel van dat orgaan. Dit is bewustzijn, atman, niet ‘naam en vorm’ of namarupa.

Laten we proberen ons te bevrijden van onze gehechtheid aan vormen en namen; laten we liever bewustzijn volgen dan lichamen en vormen. Deze laatste geven te denken, maar wanneer u de aanwijzing heeft begrepen, zet dan vorm en naam opzij en behoud de gedachte. Ik zal zelfs een stap verder gaan. Er kunnen uitgestrekte hiërarchieën van goden zijn die in een molecule leven dat deel uitmaakt van een cel van een enkel orgaan van iemands kat, hoe dwaas dat ook klinkt, of van een mus die onder de dakrand haar nest bouwt.

Denk aan het wonder van het heelal waarin we leven. Die kat of die mus kan worden gedood, en het dode lichaam in de vlammen worden geworpen, en de moleculen en atomen ervan worden verspreid in de lucht, in het water, in de aarde. Maar dat heeft op geen enkele manier invloed op deze uiterst kleine wezens. Ze zijn volkomen veilig.

Richt uw gedachten nu op ons en onze melkweg. Dit galactische kosmische wezen zou door een catastrofe van onvoorstelbare omvang kunnen worden getroffen. We zouden er niets of weinig van merken. De zonnestelsels, de atomen van de melkweg, zouden waarschijnlijk eenvoudig beginnen aan hun omzwervingen zoals de levensatomen die ons lichaam ieder ogenblik binnengaan en verlaten, en die levensatomen dragen hun last van legers van wezens met zich mee. Ik herhaal: We moeten ons denken bevrijden van de magie, van de maya, van namen en vormen, namarupa, de grootste begoocheling van bewustzijn, en proberen bewustzijn per se te begrijpen. U kunt bewustzijn alleen begrijpen door bewustzijn tot rust te brengen, niet door namen en gedachten te denken, maar door het bewustzijn te betreden, het te zijn. Bijvoorbeeld, u kunt het leven niet begrijpen als u het alleen opvat als een naam of een vorm. U moet levend zijn om het leven te voelen, erin en ervan te zijn, het leven te zijn, vóór u zelfs maar kunt bevatten wat het betekent. Hetzelfde geldt in nog hogere mate voor bewustzijn. Bewustzijn heeft geen omvang. Het zal de ruimte vullen, een atoom vullen, en dingen die onvergelijkelijk veel kleiner zijn dan een van onze atomen van de scheikunde. Het heeft geen afmetingen, omdat het geen vorm, geen gedaante, geen rupa, heeft. Het behoort tot de arupa-wereld. Nu begrijpen we de betekenis van het woord arupa, vormloos. Alle entiteiten hebben ‘vormen’. Maar als we ze willen begrijpen, moeten we de rupa’s of vormen van ons heelal vergeten en binnengaan in het vormloze of arupa dat zuiver bewustzijn is. Dan kan ons denkvermogen in contact komen met het bewustzijn van deze andere wezens. We kunnen beginnen te beseffen, te begrijpen, te voelen, innerlijk te zien wat is, omdat we ons in ons bewustzijn met deze andere bewustzijnen verenigen. Het is een verbazingwekkende gedachte dat een entiteit in het uiterst kleine kan bestaan, en goddelijke gedachten kan hebben, en zelf is samengesteld uit atomen en elektronen op een nog kleinere schaal. Het geeft ons waardigheid. We hebben eerbied voor het heelal om ons heen. We hebben eerbied voor ons eigen lichaam. We behandelen niet alleen onszelf, maar ook anderen met eerbied. Wat een schitterend mysterie!

 

13 augustus 1935

Dhyan-chohanische ‘mislukten’

Wat we in deze groep, hoe gevorderd ze ook is, over de planeetketens hebben bestudeerd is bij lange na niet de volledige leer daarover. Over deze ene tak van de esoterische filosofie kan veel meer worden meegedeeld.

Als we nu onze aandacht in het bijzonder richten op de klassen van monaden van een planeetketen: er zijn twaalf klassen, hoewel men gewoonlijk spreekt over tien klassen van evoluerende wezens, meestal monaden genoemd, die we willekeurig als volgt verdelen: de drie elementalenrijken, het mineralenrijk, het plantenrijk, het dierenrijk, het mensenrijk en de drie dhyan-chohanische rijken. Ze zijn alle verwant, ze hangen alle met elkaar samen. Iedere klasse volgt op de andere in spiritualiteit of ijlheid en omgekeerd in stoffelijkheid. Door evolutie klimt iedere klasse op naar en neemt de plaats in van de erboven staande klasse die op haar beurt één gebied omhoog of vooruit is gegaan. Wanneer ze in een planetair manvantara (en daarmee bedoel ik een ketenmanvantara) daarin niet slaagt is het een mislukking, eenvoudig omdat ze de plaats van de klasse onmiddellijk daarboven niet heeft bereikt en ingenomen.

Evenzo gaat het met de dhyan-chohans: indien ze niet voorbij het stadium van dhyan-chohans komen, met andere woorden verdergaan dan de drie klassen van dhyan-chohans die tot een planeetketen behoren, naar die hogere graad daarboven, voorbij de tien van onze keten, dan zijn ze ‘mislukten’. Het is geen misdaad; en het zijn juist deze ‘mislukten’ die als architecten, als spirituele toezichthouders, leiding gaan geven aan de toekomstige keten. Zie hoe zorgvuldig de grote kosmische intelligentie de dingen regelt, zodat juist die mislukten in de hoogste klassen de goden en leermeesters en lichten worden voor allen die na hen komen en lager staan dan zij, en op die manier de bouw van de toekomstige keten gaan leiden.

Vat woorden niet al te letterlijk op. Neem ideeën in u op en probeer deze ideeën in elkaar te passen, ze tot een geheel te maken, zodat u een beeld van de dingen krijgt. Al deze dingen zouden u overduidelijk worden als ik meer exact tot u kon spreken over andere delen van de leer over de planeetketens. Dat kan ik hier niet doen, maar wat al is gegeven zit vol aanwijzingen en gedachten. Probeer de beelden te visualiseren. Laat woorden slechts de dragers van gedachten zijn voor uw denken, en geen struikelblokken. Woorden zijn werkelijk zo onvolkomen om deze verheven waarheden over te dragen dat ze op hun best slechts voorthobbelen, voortstrompelen. Er zou een dhyan-chohan voor nodig zijn om woorden te kiezen die als lichtflitsen in uw denken zouden zijn.

Wij van de menselijke familie op deze keten waren op de maan mislukten omdat wij daar nog niet volledig mens waren. We waren zelfs nog niet volledig het mensenrijk binnengegaan, zodat we in die zin mislukten waren.

We zullen dhyan-chohans worden wanneer deze keten het einde van de zevende, of de twaalfde, ronde bereikt, de afsluitende ronde, het einde van het tegenwoordige ketenmanvantara. Diegenen onder ons die het halen, die de gevaarlijke periode doorkomen, zij die de ommekeer kunnen maken en opwaarts gaan wanneer het ogenblik van de keuze komt – degenen onder ons die dit zullen doen, die waarschijnlijk in de meerderheid zullen zijn, zullen aan het eind van deze keten dhyan-chohans zijn. Enkelen zullen voorbij de dhyan-chohanische ring-verder-niet komen en een hogere graad bereiken. Maar diegenen onder ons die niet verder kunnen gaan dan het dhyan-chohanschap zullen dhyan-chohanische ‘mislukten’ worden omdat ze niet verdergaan. Maar toch zullen we hoogspirituele wezens zijn.

Iedere mens op de hoogste bol van deze keten zal aan het einde van de zevende ronde een belichaamde boeddha zijn, een belichaamde dhyan-chohan, een hoogspirituele entiteit. Als we er niet in slagen zelfs dat stadium voorbij te gaan en nieuwe en verhevener sferen van kosmisch leven binnen te gaan, zullen we de ‘mislukten’ zijn die als spirituele architecten aan de karmische opbouw van de volgende keten zullen beginnen, de kind-keten van deze aardketen.

Hetzelfde gebeurt als een mens zich opnieuw belichaamt. Vóór het tussenliggende gedeelte van zijn constitutie het devachan geheel heeft verlaten en vóór hij een belichaamde mens op deze aarde is, brengt zijn geest de elementalen op de gebieden van zijn toekomstige constitutie in beweging en geeft leiding aan hen om die constitutie op te bouwen. Evenals bij de bouw van de planeetketen werken de hoogspirituele krachten door de elementalen die de lagere delen van henzelf zijn. Architecten werken met pen, papier en blauwdrukken. Het is duidelijk dat er een enorm verschil is tussen het denken van de architect en het potlood dat hij gebruikt, of het papier van de bouwtekening. Toch worden beide gebruikt, en ieder atoom van het papier of het potlood is even levend als het denken van de architect, samengesteld uit levensatomen, waarvan elk een belichaamd elementaal is.

 

10 september 1935

De verhouding tussen leraar en leerling komt overeen met de manasaputra’s die ons denkvermogen doen ontwaken

Hoe nauwer de band tussen een leerling en een leraar op hogere gebieden en door karmische lotsbestemming is, des te inniger zij in de toekomst met elkaar zijn verbonden en des te inniger, vertrouwelijker en duurzamer is de uitwisseling van gedachten, dat wil zeggen van levensatomen. Mede om deze reden heeft HPB zo duidelijk verklaard dat de verhouding tussen leraar en chela, leraar en leerling, heiliger is dan die tussen ouder en kind. Terwijl de ouders het kind zijn lichaam geven, geeft de leraar de leerling zijn ziel, doet hij de ziel ontwaken. Er worden karmische schakels gesmeed die in de eeuwigheid blijven bestaan.

Het is precies zo met de manasaputra en het individu dat hij heeft verlicht. Ze zijn daarna voor altijd met elkaar verbonden. Ze wisselen aanhoudend gedachtestromen uit. Er is een nauwe band, zo nauw zelfs dat het in zekere zin juist is te zeggen dat de manasaputra die het individu verlichtte feitelijk een deel is van de constitutie van dat individu, hoewel de manasaputra zelf zijn eigen evolutieweg volgt. Een schitterende gedachte.

Hetzelfde principe houdt groepen ego’s als families of rassen bijeen, en brengt gezamenlijke wederbelichamingen tot stand op hetzelfde moment en op dezelfde bollen – spirituele, intellectuele, psycho-astraal-vitale, fysieke aantrekkingskracht.

Het doen ontwaken van onze babydenkvermogens door de manasaputra’s aan het begin van onze menselijke periode op deze aarde bevat een groot mysterie. En toch is het zo eenvoudig. Ik zal nu proberen u een treffende illustratie hiervan te geven. De individuen van het derde wortelras die door de manasaputra’s werden verlicht waren in mentaal opzicht kinderen, want ze dachten toen op dezelfde manier als kinderen nu.

De manasaputra bevindt zich in het opgroeiende kind, maar het voertuig is nog niet gereed en reageert niet op de oproep van de innerlijke manasaputra. Wat gebeurt er dan? Het kind wordt door zijn ouders onderwezen. Zijn denken wordt gestimuleerd, wakker gemaakt, en naarmate de opvoeding door de ouders en de leraren van het kind voortgang heeft, begint het denkvermogen van het kind beetje bij beetje zelf te functioneren. Wanneer men het kind tot zijn volwassenheid geheel afgezonderd van alle andere mensen zou laten opgroeien, bijvoorbeeld op een onbewoond eiland, dan zou het normaal gesproken nooit de ontwikkeling van zijn denken, van zijn verstand, van het intellectuele bewustzijn bereiken die het verkrijgt met de hulp en liefdevolle zorg van zijn ouders die het denken in hem doen ontwaken, het intellect stimuleren, en het tot het punt brengen waar het eigen innerlijke manasaputrische vermogen van het kind begint te functioneren.

Het voorbeeld van de manasaputra die ons doet ontwaken is identiek aan wat er gebeurt tussen leraar en chela op welk gebied dan ook. Wij hebben dit allemaal meegemaakt. We kwamen allen naar deze School, onze heilige School, en verlangden naar licht. We ontvingen gedachten, onze intuïtie werd wakker gemaakt, ons intellect werd door het manasaputrische licht dat over ons werd uitgegoten gestimuleerd, hoewel ieder van ons het al in zich had. Maar de leraar hielp, kwam en gaf, en gaf van hemzelf, van haarzelf, en we namen het in ons op en werden wakker, versterkt, gestimuleerd en bezield, zoals dat ook bij een kind gebeurt. Zo daalden de manasaputra’s af uit hun sferen met hun opdracht van barmhartigheid, van mededogen, leden van de hiërarchie van mededogen en licht, om de slapende denkvermogens van de kind-mensheid te stimuleren. Ze deden hun werk, verlieten deze gebieden om naar hun eigen sferen terug te keren, en lieten een kind-mensheid achter, maar ontwaakt. Zo gaat het ook met het kind terwijl het groeit. Zijn denkvermogen wordt gestimuleerd door zijn ouders, later door zijn leraren op school, tenslotte door de manasaputra binnenin hem. Dat is het hele mysterie. Het laat opnieuw zien dat leraren nodig zijn. Als u geen leraar heeft, zult u ook vooruitgaan, maar dat zal plaatsvinden volgens de langzame, traag vloeiende stroom van natuurlijke evolutie, en u zult er eeuwen en eeuwen over doen om het punt te bereiken dat u nu bereikt door te worden gestimuleerd. Dat is het geheim.

 

10 september 1935

Devachan en nirvana

Wat is het essentiële verschil tussen nirvana en devachan in hun verschillende graden?

Devachan is de verheffing van het spiritueel beste van een persoon, en daarom is het – ook al is het spiritueel – een maya, vergankelijk, iets dat verandert, zich wijzigt, maar altijd ten goede. Anderzijds is nirvana het volledig vernietigen of uitwissen van de beperkingen van de persoon en het binnengaan in de onpersoonlijke egoïteit van het goddelijke. Daarom wordt het nirvana genoemd, ‘uitgeblazen’.

Bekijk uzelf als personen. We zijn allen menselijk. We hebben het goede en ook het slechte in ons. In onze ogenblikken van mentale en spirituele rust en meditatie valt het slechte deel van ons af, en we leven in rooskleurige gelukzaligheid omdat we, tenminste in ons denken, als mensen bewust ons best doen. Het komt overeen met het devachan, omdat het een spirituele verheffing van de persoonlijkheid is. Maar stel nu dat we aan het einde van de zevende ronde zijn gekomen. Het is duidelijk dat we dan niet langer de onvolmaakte mensen zijn die we nu zijn. Dat zal een tijdperk uit het verre verleden zijn, vergeten, uitgewist, vernietigd, ‘uitgeblazen’, afgedaan. We leven in een veel hoger deel van ons wezen, dat overeenkomt met het nirvana. Door het uitblazen hebben we niets verloren. We hebben alles gewonnen. Als een gevangene zijn boeien verbreekt en uit de duisternis in het zonlicht komt, verliest hij niets, maar wint daardoor.

 


Dialogen van G. de Purucker, blz. 839-49

© 2005  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag