34

Antwoorden op schriftelijke vragen

 

Vr. – Ik ben tot de conclusie gekomen dat de stralen die door de reïncarnerende ego’s naar de verschillende bollen van de aardketen worden gezonden wanneer die ego’s de binnenronden doorlopen, de bewoners van de respectieve bollen zijn. Klopt dit?

GdeP – Met enig voorbehoud ten aanzien van de vorm waarin deze vraag wordt gesteld, geloof ik dat het antwoord in het algemeen bevestigend moet zijn.

Ten eerste heeft deze vraag betrekking op de binnenronden, en niet op de buitenronden, en dit moet duidelijk in gedachten worden gehouden. Ten tweede, als u zegt dat de verschillende stralen die door de reïncarnerende ego’s worden belichaamd als ze achtereenvolgens de bollen van de aardketen bereiken, ‘de bewoners zijn’ van de respectieve bollen, dan is die uitspraak gezien de feiten veel te ruim. Ik bedoel dat er andere bewoners of levende entiteiten op de verschillende bollen van de aardketen zijn die geen stralen zijn van de reïncarnerende ego’s waarover hier wordt gesproken, en van wie de stralen als ze op aarde zijn belichaamd mensen zijn.

Op onze aarde zijn er belichaamde entiteiten die mensen zijn, andere die dieren zijn, andere die tot het plantenrijk behoren, en weer andere die tot het mineralenrijk behoren, en drie andere groepen van entiteiten behoren tot de drie elementalenrijken. Dat is evenzo het geval op de andere bollen van onze keten.

Het zou juist zijn te zeggen dat de stralen die de reïncarnerende ego’s naar de verschillende bollen van de aardketen uitzenden gezamenlijk een deel van de ‘bewoners van de respectieve bollen’ vormen, maar niet alle bewoners van die bollen.

Toch geeft de vraag over het geheel genomen blijk van een intuïtief juist begrip van het proces in het algemeen. Misschien is het gemakkelijker te begrijpen wanneer men bedenkt dat onze bol D van de aardketen maar één is van een aantal bollen dat bij deze aardketen hoort, en dat ieder mens van bol D een straal is die wordt uitgezonden door ieders eigen reïncarnerende ego. Deze straal is de mens.

Nu kom ik op een punt dat van groot belang is om dit antwoord goed te kunnen begrijpen. Men zou een totaal verkeerde kijk krijgen op de werkwijze die door het reïncarnerende ego wordt gevolgd wanneer het van bol naar bol van de aardketen gaat, als men aanneemt dat het reïncarnerende ego zichzelf op iedere bol opnieuw belichaamt en daarbij in alle opzichten en zonder enige verandering van aard van bewustzijn precies dezelfde individualiteit is die het op bol D, onze aarde, of op elke andere bol is. Hoewel het in elk van de gevallen hetzelfde reïncarnerende ego is, hoort de straal die het uitzendt – een straal van bewustzijn of nauwkeuriger gezegd van bewustzijn-substantie – noodzakelijkerwijs bij, is geschikt voor, en wordt tevoorschijn geroepen door de bol van de aardketen waar zo’n straal heengaat, of waarop deze neerdaalt om zich te belichamen. Met andere woorden, elk van die stralen is een aspect of een complex van bewustzijn, dat echter uit hetzelfde reïncarnerende ego voortkomt.

Misschien kan deze vrij diepzinnige gedachte beter worden begrepen als u uzelf beschouwt zoals u hier op aarde bent en van dag tot dag leeft. Op maandag zou u heel optimistisch kunnen zijn, strijdlustig en vol verwachtingen, en in een vrolijke stemming of bewustzijnstoestand kunnen verkeren. Vrijdags verkeert u misschien in precies de tegenovergestelde stemming of bewustzijnstoestand. Deze twee aspecten of complexen van bewustzijn staan zover van elkaar als u zich maar kunt voorstellen, en toch behoren ze beide tot dezelfde persoonlijkheid, en de bewustzijnsstroom komt in elk van de gevallen uit dezelfde individualiteit voort. Als men zegt dat de mens van maandag identiek is aan de mens van vrijdag, dan is dat onwaar, want de twee bewustzijnstoestanden zijn beslist niet dezelfde.

Of neem een andere illustratie. Een man van laten we zeggen 25 tot 45 jaar oud kan een zelfzuchtig, egoïstisch, materialistisch en misschien zelfs een min of meer verdorven karakter hebben. Maar er gebeurt iets dat een complete ommekeer in zijn denken en voelen teweegbrengt. Misschien wordt hij door een grote ramp getroffen waardoor zijn kijk op het leven totaal verandert, zodat hij van zijn 45ste jaar tot zijn sterfdag een mens is met heel nieuwe ideeën in het leven; hij heeft als het ware een innerlijke bewustzijnsrevolutie doorgemaakt. Hij is nu vriendelijk, streeft ernaar onzelfzuchtig te zijn, houdt van zijn medemensen, geniet van de pracht en schoonheid van de natuur, en zijn denken wordt geheel in beslag genomen door wetenschappelijke, religieuze en filosofische ideeën die in het eerste deel van zijn leven niets voor hem betekenden. Hier hebben we twee volkomen verschillende, zelfs tegengestelde, aspecten of complexen van bewustzijn, en toch behoren beide tot dezelfde persoonlijkheid, en beide zijn uitingen van één bewustzijnsstroom die vanboven-vanbinnen of vanbinnen-vanboven komt. Zo is het ook met de stralen vanuit het reïncarnerende ego die op de verschillende bollen van de planeetketen een vorm of belichaming aannemen.

Het wordt hierdoor duidelijk dat, hoewel hetzelfde reïncarnerende ego van bol tot bol gaat en een straal vanuit zichzelf zendt om zich op elk van de bollen van de planeetketen te belichamen, elk van die stralen niettemin behoort bij, geschikt is voor, en van dezelfde aard is als de bol waarop deze zich belichaamt. Daarom zou het fout zijn te zeggen dat u of ik of wie dan ook – waarbij ieder van ons een straal van een reïncarnerend ego is, geschikt voor en behorend bij deze bol D – precies dezelfde onveranderde entiteit is die zich belichaamt op iedere andere bol van de planeetketen. In elk van de gevallen is het reïncarnerende ego hetzelfde, maar hoewel de straal die van het reïncarnerende ego uitgaat in elk van die gevallen onszelf is, is deze toch anders omdat een ander bewustzijnsstadium wordt doorgemaakt.

Het is hetzelfde reïncarnerende ego voor elk van de bollen van de planeetketen van de aarde, maar het manifesteert zich niet als een andere individualiteit maar als dezelfde individualiteit in een ander bewustzijnsstadium, of met een ander masker of persona zoals de Romeinen zouden zeggen. Met andere woorden, een andere persoonlijkheid met al de psychische, psychologische en vitaal-astrale aspecten van voorwaardelijk bestaan die iedere nieuwe persoonlijkheid met zich meebrengt, en in feite is. In een levendige droom weet een mens bijvoorbeeld dat hij datzelfde bewustzijn is, maar vaak heeft hij het gevoel dat hij voor zichzelf bijna een vreemdeling is – en beseft dat er ongekende diepten of gebieden van bewustzijn zijn, zelfs in de straal die hij is.

Vr. – Het bewustzijn van ons reïncarnerende ego is tot de aardketen beperkt. Heeft onze monade of ons spirituele ego in haar constitutie een reïncarnerend ego of een dhyan-chohan die tot ieder van de heilige planeten behoort naast degene die tot de aardketen behoort?

GdeP – Dit is een bijzonder interessante vraag. In deze vraag is, wat de gebieden van manifestatie betreft, de aandacht verschoven van de binnen- naar de buitenronden. Ik ben blij te zien dat een duidelijk onderscheid is gemaakt tussen enerzijds het reïncarnerende ego en anderzijds de spirituele monade of het spirituele ego. Het terrein en het werk van het bewustzijn van deze spirituele monade of dit ego ligt in en door het hele zonnestelsel, maar als gevolg van vroeger karma, een karma dat zelfs uit vroegere zonnekalpa’s dateert, is ze meer in het bijzonder verbonden met en gebonden aan die zeven individuele huizen van leven, die de Ouden de zeven heilige planeten noemden.

U vraagt in het kort of deze spirituele monade of dit ego een ander reïncarnerend ego uitzendt of in haar constitutie bevat dat tot ieder van de zeven heilige planeetketens behoort, naast het reïncarnerende ego dat tot de aardketen behoort. Het antwoord op deze vraag is beslist: ja. Ieder van de planeetketens van de zeven heilige planeten is het thuis, of het werkterrein, van een zich wederbelichamend ego dat een kind is van de spirituele monade, op precies dezelfde manier als het zich wederbelichamende ego van de aardketen een kind van die monade is.

Om over een reïncarnerend ego te spreken wanneer het een planeetketen zoals die van de aarde betreft, is naar alle waarschijnlijkheid een verkeerde manier van uitdrukken. Wij mensen worden in vlees belichaamd, of wij reïncarneren op deze bol D. Maar op andere planeten zijn de lichamen van de zich wederbelichamende entiteiten misschien niet uit vlees samengesteld zoals onze lichamen, maar uit ander materiaal – het zijn wel lichamen, maar geen vlees-lichamen; en hetzelfde voorbehoud moet zelfs worden gemaakt voor de andere bollen van onze eigen aardketen. Vlees hoort bij onze aarde, bij bol D van onze planeetketen. Maar belichamen de stralen van het zich wederbelichamende ego van onze planeetketen zich op bijvoorbeeld bol F of G of ook op bol A of B in voertuigen van vlees? Let er daarom goed op om de juiste termen te kiezen. Het is geheel onjuist om te spreken over een ‘gereïncarneerde bol’ of een ‘gereïncarneerde planeet’. Die monadische stralen worden inderdaad wederbelichaamd, maar niet in vlees; ze worden niet gereïncarneerd.

En zoals het bewustzijn en het werkterrein van ons reïncarnerende ego op deze bol D beperkt is tot de aardketen, zo is het bewustzijn en het werkterrein van het zich wederbelichamende ego op elke andere planeetketen, zoals een van de zeven heilige planeten, tot die planeetketen beperkt. Hier moet ik u weer attent maken op iets dat ik herhaaldelijk heb gezegd en bijna tot vervelens toe heb herhaald, zodat mijn critici zich zelfs beklagen over mijn ‘herhalingen’. Ze begrijpen niet dat ik, hoewel ik steeds herhaal en herhaal, daarmee een bedoeling heb, namelijk om bepaalde waarheden volkomen duidelijk te maken; en dat ik ondanks deze voortdurende herhalingen de grootste moeite heb om de waarheden die ik in het denken van onze studenten en van de lezers van mijn boeken en lezingen probeer in te prenten, volkomen duidelijk te maken. Literaire elegantie is heel aangenaam, maar is in mijn ogen van geen belang als ik spreek of schrijf als leraar. Ongetwijfeld zou ik, als mijn intelligentie veel groter was dan ze nu is, en mijn vermogens verder reikten, een feit eens en voor altijd in zo schitterende verhelderende bewoordingen kunnen uiteenzetten dat de gedachte zelfs trage geesten zou bijblijven, en herhaling zou dan onnodig zijn. Maar helaas heb ik dat vermogen niet en evenmin beschik ik over zo’n verbazingwekkende intelligentie; ik moet mijn uiterste best doen om de lering over te dragen precies zoals ik die heb ontvangen.

Waar ik nu naar verwijs is het feit dat elke monade is wat een ‘scheppende’ entiteit kan worden genoemd die vanuit zichzelf voortdurend stromen van kind-monaden uitzendt, en dat elk van die kind-monaden haar eigen evolutieweg volgt tot het grote consummatum est [het is volbracht] van het zonneheelal. De goddelijke monade heeft dus menigten kind-monaden, die elk een spirituele monade of een spiritueel ego is. Iedere entiteit van deze menigten spirituele monaden of ego’s, die op haar beurt een ‘scheppende’ monade is, brengt haar kind-monaden voort, stralen vanuit zichzelf, en op hun beurt doen deze kind-monaden andere menigten kind-monaden geboren worden. Op deze manier wordt de hele constitutie van de mens opgebouwd en samengesteld. De levensatomen, niet alleen van het lichaam van de mens maar van al zijn andere tussenliggende voertuigen, zijn in hun essentie zulke kind-monaden, ieder een lerende entiteit, een groeiende entiteit, een evoluerend wezen.

Daarom heeft de spirituele monade, of het spirituele ego, als haar kind-monaden talrijke zich wederbelichamende monaden of ego’s die zich in haar constitutie bevinden als de entiteiten die zich opnieuw belichamen in de verschillende planeetketens – en in ons eigen geval, als reïncarnerende ego’s, zijn ze mensen van onze aarde. De vraagstelster beperkt haar vraag echter tot de zeven heilige planeten; en de spirituele monade zendt een zich wederbelichamend ego uit naar of belichaamt zich in of op elk van deze.

Ieder van die kind-monaden begint haar levensweg in elke zonnekalpa of elk zonnemanvantara als een superspiritueel elementaal en komt, na ontelbare myriaden belichamingen of manifestaties in de verschillende rijken en gebieden en werelden van dat universele zonnestelsel, aan het einde van de kalpa tevoorschijn als een zelfbewuste godheid. Ze begint haar levensweg als een niet-zelfbewuste godsvonk, en beëindigt deze voor wat die kalpa betreft als een zelfbewuste god.

Vr. – U heeft ons gezegd dat het bewustzijn en het werkterrein van onze monade tot het hele zonnestelsel zijn beperkt. Betekent dit dat ze stralen zendt naar, en in haar constitutie een zich wederbelichamend ego heeft dat behoort tot, alle planeetketens van het zonnestelsel en niet alleen die van de zeven heilige planeten?

GdeP – Ik kan op uw vraag in het algemeen een kort maar duidelijk bevestigend antwoord geven: ja. Maar onmiddellijk daarna moet ik het nader bepalen, opdat er in uw denken geen heel subtiele misvattingen ontstaan, door het andere feit vast te stellen dat gedurende elke zonnekalpa of elk zonnemanvantara de spirituele monade, of het spirituele ego, hoewel haar bewustzijn en werkterrein het hele zonnestelsel omvatten, in het algemeen gedurende die kalpa of dat manvantara wordt beperkt tot een betrekkelijk klein aantal planeetketens waarmee ze op dat moment de meest innige en nauwe karmische banden heeft – het bijzondere geval waarnaar u verwijst betreft onze aarde, de zeven heilige planeten en de zon en de maan, samen tien in getal.

Vergeet niet dat door de Ouden vaak werd gezegd dat Vader Zon is omringd door twaalf stralen of stralenkransen, dat hij is samengesteld uit twaalf terreinen van bewustzijn-substantie. Hoe zullen we deze noemen: werelden of gebieden of bollen? Ze zijn het alle drie; en omdat de zon het hart van ons zonnestelsel is, is het duidelijk dat alle kleinere entiteiten die onder de dominerende invloed en de heerschappij van Vader Zon staan, zelf wat het bereik van hun bewustzijn betreft twaalfvoudig moeten zijn, omdat ze tot dezelfde eenheid behoren.

In mijn Beginselen van de Esoterische Filosofie, vooral in hoofdstuk 44, breng ik de astrologische correspondenties tussen de tekens, de twaalf sterrenbeelden van de dierenriem, en de zeven planeten onder de aandacht. De vijf bollen van de twaalf die in het diagram op blz. 553 van mijn Beginselen boven de horizontale lijn staan, zijn met vijf voor de mens onzichtbare planeten verbonden, waarvoor ik in dit diagram Saturnus, Venus, Jupiter, Mercurius en Mars in de plaats heb gesteld. Deze vijf bekende planeten hebben heel nauwe spirituele en psychische overeenkomsten met de vijf geheime planeten waarover ik niet méér kan zeggen; en daarom zijn ze in feite de plaatsvervangers voor de vijf onbekende planeten, die door de mens niet worden gezien en volkomen onbekend zijn aan de moderne astronomie. In ditzelfde diagram worden de zon en de maan op een vergelijkbare manier en terecht als plaatsvervangers gebruikt, omdat ze als individuele hemellichamen heel nauwe en intieme spirituele en psychische betrekkingen hebben met de twee andere geheime planeten waarvoor ze als substituten dienstdoen. Het diagram is nauwkeurig en juist en kan precies zo blijven als het is, terwijl het het verdere voordeel heeft dat de vijf superplaneten boven de horizontale lijn worden weerspiegeld in de vier lagere gebieden van de zonnekosmos. Met andere woorden, precies zoals er twaalf constellaties of tekens van de dierenriem zijn, zijn er twaalf bollen van onze planeetketen.

Vr. – Ook is ons verteld dat het bewustzijnsgebied van de innerlijke god of goddelijke monade ons thuisheelal is. Betekent dit dat er in haar constitutie evenveel monaden of spirituele ego’s zijn als planeetketens in ons eigen thuisheelal?

GdeP – Hier overschrijdt u weer de ‘ring-verder-niet’. Toch is het altijd mijn plicht een antwoord te geven op elke ernstige vraag. Daarom zeg ik dat het juiste antwoord ja is, maar u had in dit verband in plaats van ‘planeetketens’ ‘zonnestelsels’ moeten zeggen, want het bereik van een spiritueel ego is een zonnestelsel.

Misschien kunnen de volgende gedachten ertoe bijdragen om mijn noodzakelijk beperkte en ietwat vage antwoord toe te lichten. Ons thuisheelal omvat alles wat binnen de omringende zone van de melkweg besloten ligt. Daarin bevinden zich volgens recente schattingen van de astronomen ongeveer 30 miljard of meer zonnen, en onze eigen zon is maar één daarvan. Volgens de wijsheid van de goden die wij theosofie noemen, is iedere zon het kloppende hart en de scheppende geest van een zonnestelsel, zoals onze zon dat van ons stelsel is.

Omdat het terrein van het bewustzijn en de activiteit van de goddelijke monade of innerlijke god zich uitstrekt door en over ons thuis-heelal, is elk van die 30 miljard of meer zonnen – of zonnestelsels – door goddelijke, spirituele, astrale en ook fysieke banden nauw verbonden met elk zo’n innerlijke god, of goddelijke monade, of ego. Ze zijn alle leven van één leven: alle van hetzelfde leven, van hetzelfde been, hetzelfde ‘vlees’, dezelfde substantie, dezelfde oorsprong en bestemming, alle van hetzelfde fundamentele onbegrijpelijke, supergoddelijke bewustzijn of parabrahman. Terwijl het bewustzijnsgebied van een spirituele monade of ego zich over een zonnestelsel uitstrekt, doet zich nu het verbazingwekkende feit voor dat de goddelijke monade of innerlijke god als haar kinderen die zijzelf heeft ‘geschapen’, of uit haarzelf zijn voortgekomen, menigten omvat waarvan het aantal tenminste 30 miljard is; en dit is nog lang niet het totale aantal. Bovendien is elk van die spirituele monaden of ego’s nauw verbonden met haar eigen ouder-zon of ouder-ster.

Verder heeft elk zonnestelsel van ons thuisheelal nu zijn eigen respectieve aantallen planeetketens, en voor elk van die ketens is er een zich wederbelichamend ego – wat wij op aarde een ‘reïncarnerend ego’ noemen. Denk eens na over dit verbazingwekkende beeld, voor de geest geroepen vanuit de schatkamer van de werkelijkheid, en dat aan u wordt voorgelegd om eerbied voor te hebben. Hoe groots, hoe uitgestrekt en verheven zijn de onbegrensde terreinen van bewustzijn waaruit een mens voortvloeit als een nietige, zich evoluerende vonk. Het hele universum is in u, zoals ik telkens weer heb gezegd.

Vr. – Is het juist om op basis van wat u heeft geschreven, een vergelijking te maken tussen de spirituele monade, of het spirituele ego, die een zich wederbelichamend ego naar elk van de planeetketens zendt, en bijvoorbeeld het reïncarnerende ego op de aardketen dat stralen van zichzelf uitzendt naar elke bol van de aardketen?

Zoals het reïncarnerende ego van de aardketen vanuit zichzelf telkens een andere straal naar ieder van de bollen van de aardketen uitzendt, vindt hetzelfde dan plaats voor elk van de andere heilige planeten – dat het zich wederbelichamende ego van elke planeetketen een andere straal vanuit zichzelf zendt naar iedere van de afzonderlijke bollen die tot die planeetketen behoren?

GdeP – Ja, er is een heel nauwe overeenstemming, want het is niets anders dan een herhaald functioneren van het fundamentele bewustzijn dat gehoorzaamt aan de primaire wet of impuls van de kosmos. Met andere woorden, wat in het groot in de kosmos gebeurt, zal in het klein in diezelfde kosmos worden herhaald. Het spirituele ego of de spirituele monade, waarvan het bereik zich over het hele zonnestelsel uitstrekt, zendt vanuit zichzelf een zich wederbelichamend ego naar ieder van de planeetketens, en meer in het bijzonder voorzover het ons betreft, naar iedere van wat in de esoterie de zeven heilige planeetketens worden genoemd. Elk zich wederbelichamend ego dat tot een planeetketen hoort volgt precies dezelfde algemene werkwijze en zendt vanuit zichzelf een straal of bol-ego of monade die haar werkterrein heeft op de bol waarheen ze wordt gezonden en waar ze in zekere zin thuishoort.

Maar zoals ieder van deze planetaire zich wederbelichamende ego’s zijn essentiële leven ontleent aan zijn ouder, de spirituele monade of het spirituele ego, waarvan het een straal is, evenzo ontleent de straal die zich op een bol van een planeetketen belichaamt zijn essentiële of fundamentele leven aan het zich wederbelichamende ego van die planeetketen. Er is daarom een nauwe overeenkomst, en als u de werking van het ene proces begrijpt, begrijpt u ook de werking van het andere.

Vr. – In eerdere ES-bijeenkomsten heeft u erop gewezen dat het houden van huisdieren voor deze dieren schadelijk is, omdat het hun evolutie abnormaal versnelt. Kan het ook nadelig zijn voor de mens door de uitwisseling van levensatomen die er moet zijn tussen een dier en een mens die in nauw fysiek contact komen, en kunnen enkele levensatomen van dieren zich dan blijvend in de mens vestigen?

GdeP – Nee, er is geen blijvend nadeel voor de mens, omdat een levensatoom nooit in een mens kan blijven, tenzij dat levensatoom een nakomeling is van de eigen monade van de mens. Alle andere levensatomen gaan door de mens heen, en dat gebeurt voortdurend, maar blijven niet ‘permanent’ in hem. Een vraag van secundair belang is natuurlijk of een mens tijdelijk schade kan worden toegebracht door te nauw contact met een huisdier, maar hier verwijs ik alleen naar de meer rechtstreekse uitwisseling van vrij grove fysieke levensatomen die gewoonlijk naar dierenlichamen worden aangetrokken.

Om recht te doen aan alle aspecten van deze zaak moet ik eraan toevoegen dat het karakter van een mens in één opzicht werkelijk iets kan worden verzacht en vriendelijker kan worden door de genegenheid die iemand misschien heeft voor een geliefd huisdier. Er zijn veel voorbeelden van verhalen over mannen en vrouwen van wie de ene en alles goedmakende eigenschap hun liefde of genegenheid voor een huisdier was. We kunnen zeggen dat het hartenleven tenminste tot op die hoogte is ontwaakt. Hoewel dit alles waar is, moet niettemin worden onderstreept dat zowel in het algemeen als in het bijzonder het houden van huisdieren voor zowel het dier als de baas nadelig is, maar vooral voor het dier. Veel mensen zijn een beetje gevoelig op dit punt, omdat ze veel van hun dieren houden en er vaak echt gezelschap aan hebben; en iedere dierenliefhebber weet hoe dierbaar een trouwe hond kan worden.

De plicht van een theosoof, en vooral van iemand die probeert het chelaleven te leiden, staat echter lijnrecht tegenover de impulsen die het houden van huisdieren met zich meebrengen. Het voornaamste doel van een chela in zijn training is om hoofd en hart vrij te maken van specifieke en afzonderlijke gevallen van gehechtheid, en zijn leven of genegenheid, zowel als zijn mentale gerichtheid, absoluut universeel te maken. Dit doel is, zoals direct duidelijk wordt, werkelijk goddelijk. Het persoonlijke moet opgaan in het onpersoonlijke, het begrensde moet universeel worden, voordat de schitterende vermogens en krachten die latent in de mens verborgen liggen tot werkzaamheid kunnen worden geroepen. Persoonlijke beperkingen, persoonlijke genegenheden, persoonlijke liefde en persoonlijke haat – al deze, geen enkele uitgezonderd, of ze nu goed, slecht of neutraal zijn, verdichten in hoge mate de omhulsels waar de stralen van de monadische essentie doorheen gaan in de constitutie van de mens. Die persoonlijke beperkingen vergroven het weefsel van de substantie waaruit die omhulsels zijn opgebouwd, maken ze dichter en vaster. Hieruit wordt onmiddellijk duidelijk dat in plaats van uw persoonlijke gevoelens en inzichten te versterken, ze onpersoonlijk, universeel, onbeperkt moeten worden gemaakt – met andere woorden, de boeien moeten worden afgeworpen en al uw kracht worden gelegd in een poging de omhulsels of voertuigen van uw innerlijke constitutie te zuiveren en te verfijnen. Uw sympathieën moeten gaan van het persoonlijke naar het universele en uw gerichtheid moet gelijke tred houden met uw sympathieën.

Vr. – We weten dat alcohol nadelig is voor de constitutie door zijn schadelijke uitwerkingen, maar kunt u iets zeggen over het karakter of de essentiële eigenschap van alcohol waardoor hij schadelijk is?

GdeP – Alcohol is schadelijk omdat het een stof is die is afgeleid van de dood; het is een product van bederf, een aftreksel van de dood. We kunnen het beschouwen als een condensatie van maaninvloeden in een vloeistof. Zijn ongezonde zachte geur is precies dezelfde als die iemand met een gevoelige neus zou kunnen waarnemen in de buurt van bedervend vlees of rottende plantenresten. Als alcohol in het lichaam komt, heeft dit onmiddellijk een uitwerking op de hersenen en het zenuwstelsel; het bedwelmt ze en maakt ze ongevoelig. Meer in het bijzonder heeft het een gevaarlijke en ongelukkige uitwerking op de pijnappelklier en de hypofyse.

Alcoholdampen hebben op iemand die een chela-training heeft ondergaan een afschuwelijk en kwellend effect – van zowel afkeer als walging. Alcohol voedt de lagere kwalijke vlammen van het vuur van de stof, dat hoewel het zijn noodzakelijke plaats in de laagste gebieden van de stof inneemt, in feite het bezinksel van de prana’s is.

Een verstokte alcoholist die lijdt aan de verziekte toestand van de hersenen en het zenuwstelsel die delirium tremens wordt genoemd, is iemand van wie het zenuwstelsel zich door deze ziekte heeft afgestemd op soortgelijke trillingen in de laagste gebieden van het astrale licht, waardoor hij in staat is enkele van die verschrikkelijke dwaze en weerzinwekkende bewoners van de lagere gebieden van het astrale licht waar te nemen of te voelen, of zoals men zegt te zien. De normale mens van wie de zenuwweefsels niet aldus zijn gedegenereerd is niet in staat deze lagere astrale gebieden waar te nemen of zich ervan bewust te worden, omdat de normale trillingen van het zenuwstelsel boven deze gebieden liggen, en dus is er geen contact van overeenkomstige trillingen of een samenvallen van bewustzijnen.

Vr. – Betreffende kamaloka en de tweede dood zijn er een aantal punten die mij helaas nog niet duidelijk zijn. Wanneer de hogere triade zich scheidt van het kamarupa, gaat dan de hogere triade devachan in, zodat het hogere deel van het ego in devachan is en tegelijkertijd het lagere deel in kamaloka uiteenvalt; of heeft de tweede dood plaats wanneer aan het bestaan in kamaloka een einde is gekomen?

GdeP – Wanneer de hogere triade zich van het kamarupa scheidt, begint de hogere triade direct aan haar devachanische bestaan, eerst in het lagere deel ervan, dan neemt de intensiteit toe naarmate de hogere triade naar de hogere delen van devachan opstijgt. Intussen is het kamarupa dat is achtergelaten slechts een lege schil, en begint onmiddellijk daarna uiteen te vallen. De scheiding tussen de hogere triade en het kamarupa is de tweede dood. Zoals de levensenergieën het fysieke lichaam verlaten en dit daarop sterft en begint uiteen te vallen, wat de eerste dood is, zo vindt er een vergelijkbaar proces plaats in kamaloka, wanneer de hogere triade zich van het kamarupa scheidt, en dit is de tweede dood; daarna is het kamarupa een schil en begint direct uiteen te vallen.

Het hogere deel van het ego zou onmogelijk in devachan kunnen zijn op hetzelfde moment dat het lagere deel van het ego in kamaloka is. Bedenk dat het hogere deel van het ego het spirituele deel is, en dat het lagere deel van het ego de menselijke ziel is. Het is de menselijke ziel die het devachan heeft, maar ze kan het devachan niet binnengaan tot ze zich heeft verenigd met het spirituele deel van het ego; op die manier vormt ze de hogere triade en gaat devachan binnen.

Er heerst wat verwarring in uw denken die volgens mij voortkomt uit het feit dat u schijnt te denken dat de geëxcarneerde menselijke entiteit in kamaloka een menselijk bewustzijn heeft door middel van het kamarupa. Dit gebeurt alleen in zeldzame gevallen en bij zwarte magiërs of heel slechte mensen. Als de dood intreedt wordt de menselijke ziel, het laagste deel van het ego, totaal onbewust, hoewel het spirituele deel van het ego op zijn eigen gebied natuurlijk zo bewust en even volledig bewust is als het altijd is geweest. Deze toestand van volslagen onbewust-zijn van het menselijke ego dat nog is verbonden met het kamarupa, duurt enige tijd voort afhankelijk van het individu. Was het individu tijdens het leven op aarde heel spiritueel, dan is er praktisch geen menselijk bewustzijn in de kamaloka. Was de mens in het afgelopen leven op aarde heel grof en slecht, dan is er een nogal intens kamalokisch bewustzijn, omdat in dit laatste geval het menselijke ego zich kort na de dood bewust wordt dat het dood is en zich in de astrale wereld bevindt. In het geval van de gemiddelde mens die noch heel spiritueel noch heel grof en slecht is, is het bewustzijn of gevoel van in kamaloka te leven heel zwak en lijkt meer op een vage droom die aanhoudt tot de hogere triade het kamarupa afwerpt – wat de tweede dood is – en naar devachan opstijgt.

Vr. – De laatste zin van uw antwoord heeft het onderwerp voor mij verduidelijkt. Ik begrijp nu dat de tweede dood niet plaatsvindt totdat de entiteit haar verblijf of staat van bewustzijn, lang of kort al naar gelang van de situatie, in de kamaloka heeft beëindigd en dat dan, na de tweede dood, de devachanische bewustzijnstoestand begint.

GdeP – Ik zou eraan kunnen toevoegen dat het bestaan van de gemiddelde mens in kamaloka, vóór devachan begint, vóór de tweede dood plaatsvindt, ook afhangt van het individuele geval. Voor heel spirituele mensen is het verblijf in kamaloka bijzonder kort, misschien een paar maanden of weken, en in het geval van de edelste mensen misschien een paar uren of dagen. Aan de andere kant kan de gemiddelde mens een jaar of verschillende jaren in kamaloka zijn, maar dit zou voor heel gewone mensen gelden die tijdens hun vorige belichaming op aarde relatief weinig intens spirituele aspiraties hebben gehad.

Voor heel slechte mensen, heel grove en materialistische mensen, met een instinct dat sterk gehecht is aan het materiële leven, kan het verblijf in kamaloka lang duren. Er zijn gevallen bekend dat het kamalokische verblijf honderdvijftig jaar duurde vóór de tweede dood plaatsvond. Maar deze gevallen zijn uiterst zeldzaam.

De leer is heel eenvoudig. Bedenk slechts dat hoe spiritueler een mens is des te korter zijn kamalokische staat is. Hoe materiëler hij denkt des te langer duurt de kamalokische toestand. Het is altijd een kwestie van aantrekking. Kamaloka is tenslotte slechts de ‘schaduw’ van het leven op aarde.

Vr. – Over het onderwerp ‘het devachan willen bekorten’ en andere soortgelijke dingen die de meesters doen, zijn aan u vaak vragen gesteld en op een bijeenkomst werd onlangs hierover gesproken. Het komt me voor dat we de neiging hebben de moeilijkheid van dat soort daden te onderschatten, en dat we geneigd zijn ons te verbeelden dat het enige wat daarvoor nodig is, is te besluiten dat we zus en zo zullen doen, en dat het dan zal gebeuren. We kunnen een vergelijking maken met een man die arts wil worden. Zijn poging houdt niet op bij zijn voornemen, maar hij moet jarenlang hard studeren voor hij bereikt wat hij wilde bereiken. Op dezelfde manier zijn er, denk ik, vele levens van actieve dienstbaarheid aan de mensheid nodig, en aanhoudende pogingen om zichzelf te overwinnen, voordat onze wil om daden te verrichten zoals die van de meesters voldoende sterk is om ons van succes te verzekeren.

GdeP – De laatste twee zinnen zijn volkomen waar. Het zou ieder duidelijk moeten zijn dat wij om ons in spiritueel en intellectueel opzicht te kunnen verheffen naar het gebied waarop de meesters leven, incarnatie na incarnatie van absolute toewijding aan de waarheid en van trouw aan de waarheid moeten doormaken, en in absolute toewijding aan het dienen van de mensheid en in feite aan alles wat leeft. Waarheid en het verlangen al wat we hebben en zijn te leggen op het altaar van dienstbaarheid moeten ons ware wezen worden vóór we het mahatmaschap kunnen bereiken.

Ik zeg dit niet om iemand te ontmoedigen, want ik wil u allen moed inspreken. Toch zou u aan het nieuwe leven moeten beginnen, en wel direct; en wie weet wat voor vroeger karma van een schitterend en verheven type u misschien heeft dat, nu u vastbesloten uw voet op het pad heeft gezet, als een grote spirituele kracht achter u kan staan, die u aandrijft, u voortdrijft en ook de weg voor uw voeten gereedmaakt en effent.

Het is echter dwaas om aan te nemen dat een student in één leven van een gewoon mens een mahatma kan worden. Dat is eenvoudig onmogelijk. Vanaf het moment dat men voor het eerst vastberaden begint, zijn er vele incarnaties nodig, voordat het mahatmaschap wordt bereikt. Ik spreek hier natuurlijk over iemand die in dit leven voor de eerste keer in zijn karmische geschiedenis vastberaden besluit deze edelste van de menselijke doeleinden te volbrengen. Maar het is een feit dat alle ware theosofen in andere levens zijn begonnen het pad te gaan, en niemand kan zeggen hoeveel levens geleden de keus vastbesloten werd gemaakt om vooruit te gaan en toe te treden tot de gelederen van onze leraren en oudere broeders.

Het ‘bekorten van zijn devachan’ door wilskracht vormt slechts één deel van de training voor het chelaschap. Zelfs een enkel en sterk gewild besluit om het devachan te bekorten zal effect hebben, vooral als hetzelfde besluit in vroegere levens werd genomen, zodat er nu een opgehoopte energie achter de aspiratie staat. Al dat soort handelingen zijn natuurlijk moeilijk te doen, en het is dwaas de moeilijkheid ervan te onderschatten. Er is heel wat meer nodig dan ons alleen maar te ‘verbeelden’ dat we dat kunnen doen door één enkele beslissing. Om de devachanische rustperiode aanmerkelijk te bekorten vereist de geconcentreerde en onverminderde inspanning gedurende een aantal levens.

Maar hoewel ik spreek over de moeilijkheden, en u wijs op het voor de hand liggende feit dat de Olympus, de zetel van de goden, niet in één enkele stap kan worden bestegen, moet u nooit vergeten dat de tijd om te beginnen nu is, dat het moment om te kiezen nu is; en hoe eerder u definitief die keuze maakt en u met een ijzeren wil erop richt om uw doel te bereiken des te sneller zult u het bereiken.

Vr. – Als ieder mens de verantwoordelijke hiërarch is van die hiërarchie die uit zijn emanaties bestaat, wat is dan de uiteindelijke bestemming van de verschillende levensvonken die zijn geëmaneerd uit zo’n hiërarch die uiteindelijk een verloren ziel wordt en wordt vernietigd?

Hoe wordt er in de komende eonen gezorgd voor het juiste toezicht en de juiste leiding voor dat soort weeskinderen? Kan er als het ware een goddelijk systeem van adoptie zijn, misschien op een bepaalde manier zoals wordt geïllustreerd door het zich hechten aan ons zonnestelsel van planeten van buitenaf, van meteoren en kosmisch stof?

GdeP – Het is volkomen waar dat ieder mens de verantwoordelijke hiërarch is van de hiërarchie die bestaat uit de kind-monaden die op alle gebieden uit hem voortkomen. Maar men moet bedenken dat deze kind-monaden uiteindelijk zijn voortgekomen uit de essentie van zijn essentie, uit de kern van de kern van zijn wezen. Daarom is ‘ieder van de verschillende levensvonken’ of kind-monaden die uit hem voortkomen een individuele entiteit die daarna haar eigen karmische bestemming en haar eigen bijzondere pad van evolutionaire vooruitgang volgt.

Als het iemand betreft die na eeuwenlang zulke kind-monaden te hebben uitgezonden een verloren ziel wordt en wordt vernietigd, moet ik erop wijzen dat in dit geval niet de spirituele monade wordt vernietigd, maar alleen een menselijke ziel van die monade. Dus worden de ‘levensvonken’ of levensatomen of monaden die uit die mens zijn voortgekomen niet blijvend of essentieel beïnvloed door het verlies – door vernietiging – van de menselijke ziel die behoort bij de constitutie van de entiteit die deze kind-monaden had afgeworpen.

Deze kind-monaden of ‘levensvonken’ zijn nog evenzeer verbonden met de spirituele monade van hun ouder-entiteit als tevoren. En zodra deze spirituele monade vanuit zichzelf een nieuwe reïncarnerende menselijke monade ontwikkelt uit de karmische schatkamer van vroegere belichamingen, dan hechten deze kind-monaden of ‘levensvonken’ zich aan deze nieuwe reïncarnerende menselijke ziel of monade, omdat ze de sterkste banden van oorsprong hebben met zo’n nieuwe menselijke ziel uit de gemeenschappelijke karmische schatkamer.

De vraagsteller is in de war gebracht omdat hij ten onrechte heeft aangenomen dat deze ‘levensvonken’ of kind-monaden uit de menselijke ziel voortkomen. Dat is niet het geval, omdat dit voor maar een betrekkelijk klein deel van hun grote aantal geldt. Dit relatief kleine deel van de kind-monaden is nog evenzeer verbonden met de spirituele monadische essentie waaruit de menselijke verloren ziel oorspronkelijk voortkwam, als toen ze voor het eerst daaruit werden geboren.

Vergeet niet dat de menselijke constitutie samengesteld is. Er is een goddelijke monade, een spirituele monade, een menselijke monade en een astraal-vitale monade in iedere menselijke constitutie. Ieder van deze monaden is een individualiteit, hoewel ze tot één bewustzijnsstroom behoort. Iedere individualiteit heeft haar eigen hart van het hart of kern van de kern van zichzelf, die haar eigen goddelijke monade is.

Door deze laatste gedachte, gekoppeld aan wat ik zojuist verklaarde, wordt duidelijk waarom deze ‘levensvonken’ of kind-monaden van een verloren ziel maar in lichte mate worden beïnvloed door de vernietiging van slechts een deel van hun ouder.

Het ‘juiste toezicht en de juiste leiding in de komende eonen voor dat soort weeskinderen’ worden door moeder natuur zelf verschaft. In feite zijn ze geen ‘weeskinderen’ hoewel ze dat voor ons menselijk denken schijnen te zijn. In de grote schoot en in de omringende zorg van de natuur leven ze even veilig als alle andere zielen, en zijn ze even nauw verbonden met de goddelijke monade, waarvan de verloren ziel zich losmaakte, als voordat het verlies van die ziel – een deel van hun ouder – zich voordeed.

Ook in het menselijk leven is een kind dat zijn ouders heeft verloren en daardoor een wees wordt, nog altijd in leven, en is nog altijd een volledige zevenvoudige mens, omringd door moeder natuur waarvan het weeskind een onafscheidelijk deel is, en heeft nog altijd zijn eigen karmische weg achter zich en heeft zijn eigen karmische bestemming vóór zich. De dhyan-chohans zorgen automatisch voor die ‘verweesde’ levensvonken, even natuurlijk en instinctief als menselijke instellingen voor hun menselijke weeskinderen zorgen – ja, een miljoen keer zo goed.

Met het oog op het voorgaande hoeft men dus niet te spreken van een ‘goddelijk stelsel van adoptie’, omdat adoptie niet nodig is. Het is moeder natuur zelf waarvan men kan zeggen dat ze die kind-monaden of ‘levensvonken’ ‘adopteert’, om het woord van de vraagsteller te gebruiken, bijna op dezelfde manier als waarop moeder natuur zorgt voor de zaden van planten die aan de wind worden toevertrouwd of worden opgegeten door vogels die ze dan in daarvoor geschikte grond laten vallen waar ze tenslotte wortel schieten en groeien.

Vr. – Belichaamt het reïncarnerende ego, wanneer het uit de schoot van de spirituele monade tevoorschijn komt voor zijn cyclus van belichamingen op bol A, B en C van de neergaande boog en op bol E, F en G van de opgaande boog, zich als een menselijke entiteit op deze zes bollen?

GdeP – Ook deze vraag is moeilijk op een passende manier te beantwoorden zonder enkele woorden ter verklaring. Als we ‘menselijke entiteit’ opvatten als de mens zoals wij hem op onze eigen bol D, de aarde, kennen, dan is het antwoord natuurlijk nee. Maar als we een entiteit bedoelen die op alle andere bollen van onze planeetketen een positie inneemt die wat waardigheid en peil van evolutie betreft gelijkstaat aan die van de mens op bol D, dan is het antwoord ja.

De zaak wordt wat gecompliceerd want als we de zich wederbelichamende entiteit op de andere bollen van onze planeetketen ‘menselijk’ noemen, moeten we ons een voorstelling van een ‘mens’ maken die veel verhevener is omdat hij veel etherischer en dichter bij de spirituele gebieden is dan de menselijke entiteit op aarde, hoewel hij dezelfde relatieve positie op die andere bollen van onze keten inneemt als de mens op bol D.

Zelfs wat wij de ‘dieren’ zouden noemen op de andere bollen van onze planeetketen staan op bepaalde bollen – bijvoorbeeld op bol F en G – hoger dan wij mensen op deze bol D, hoewel ze relatief gezien dezelfde plaats innemen op de hiërarchische ladders van bollen F en G die ze innemen op de hiërarchische ladder van bol D, onze aarde. Zoals wij op aarde het mineralen-, planten-, dieren- en mensenrijk hebben, bestaan dezelfde rijken op alle andere bollen van onze planeetketen; maar elk rijk op de andere bollen verkeert toch, hoewel het op de hiërarchische levensladder relatief gezien dezelfde trede bezet, in een veel verhevener staat dan op bol D.

De mensen op bol F en G, bijvoorbeeld, zouden ons als menselijke goden toeschijnen, want ze zijn zoveel etherischer, ze staan zoveel hoger op de hiërarchische levensladder – niet hoger op de evolutieschaal van ontwikkeling maar op de schaal van gebieden van het zonnestelsel.

Men kan ook nauwelijks zeggen dat het zich wederbelichamende ego ‘wanneer het voortkomt uit de schoot van de spirituele monade’ zich als een ‘menselijke entiteit’ belichaamt op bijvoorbeeld bol A en B van de neergaande boog, om redenen die hierboven zijn geschetst. Die belichamingen hebben dezelfde relatieve positie op bol A en B als de menselijke entiteit op bol D; maar omdat bollen A en B veel etherischer zijn dan bol D, is de werkelijke staat of toestand van de zich belichamende stralen veel etherischer en zelfs veel spiritueler dan op bol D – maar met minder van de mentaliteit van het grove hersenverstand dan de menselijke entiteit op bol D.

Vr. – Als het reïncarnerende ego zich op de hogere bollen van de planeetketen aarde belichaamt na het voltooien van een incarnatie op bol D, in welk opzicht verschilt dan deze tocht door de hogere bollen van de tocht van de menselijke levensgolf als geheel van bol D naar de volgende en hogere bol, en zo verder?

GdeP – Het is bijzonder moeilijk deze vraag te beantwoorden. Er is natuurlijk een overeenkomst, een sterke analogie, tussen de tocht van een enkele entiteit van bol tot bol op de opgaande boog, en de tocht van de hele menselijke levensgolf van bol D naar de volgende en hogere bol, enz. Maar de tocht van de hele menselijke levensgolf vindt plaats wanneer het bol-manvantara op bol D ten einde is, en, met uitzondering van de sishta’s, alle entiteiten in elk rijk als een geheel naar de volgende bol gaan. De individuele entiteiten die op de opgaande boog van onze planeetketen van bol tot bol gaan, doorlopen, nadat ze als individualiteiten een incarnatie op bol D hebben beëindigd, de drie bollen van de opgaande boog. De straal uit het zich wederbelichamende ego die op de ene of de andere bol op de opgaande boog van onze planeetketen tot belichaming komt, moet natuurlijk in lichamen wonen van een type dat bij die bol past.

U bent hier bij een van de deuren van de oude mysterieleringen gekomen waarboven het opschrift staat: ‘Niemand zal hier binnengaan dan zij die op de juiste wijze kloppen. Klop en u zal worden opengedaan.’ Maar de volgende aanwijzing kan nuttig zijn. Het mineralenrijk van onze bol D, onze aarde, is nu in obscuratie. Toch is er een voortdurende stroom – die niet een volledige levensgolf is maar als het ware kleine stroompjes omvat – van mineraalmonaden die door bol D gaan. Deze individuele mineraalmonaden gaan van bol C naar onze bol D, en vinden belichaming in ons tegenwoordige mineralenrijk van deze bol D, en dan gaan ze verder naar bol E. Die individuele mineraalmonaden zijn de voorlopers van de grote levensgolf van mineralen die nu is belichaamd op een andere bol van onze aardketen.

Precies dezelfde algemene regel wordt gevolgd in ons eigen hogere mensenrijk wanneer de individuele eenheden van de mensheid op aarde sterven, en naar bol E, F en G gaan op de opgaande boog. Kort gezegd: ze belichamen zich in de sishta’s van de met hen corresponderende klassen die op hen wachten.

Stel me hierover alstublieft niet nog meer vragen die me in verlegenheid brengen, zoals: ‘Gezien het feit dat er op iedere bol heel weinig sishta’s zijn, en er vele duizenden mensen per dag sterven en in een jaar misschien miljoenen, waar zullen ze dan onder de sishta’s van de andere bollen genoeg lichamen vinden om als hun voertuig te dienen?’ Mijn antwoord luidt nogmaals: ‘Klop en u zal worden opengedaan.’

Vr. – Er is gezegd dat wanneer de levensgolf door bol D gaat, de andere bollen van de keten in obscuratie zijn. Hoe kan een reïncarnerend ego zich op deze andere bollen belichamen, als ze nu in obscuratie zijn?

GdeP – Er is nooit gezegd dat al ‘de andere bollen van de keten in obscuratie zijn’. Dat is onjuist. Als u bedenkt dat de menselijke levensgolf maar één is van verschillende levensgolven die gelijktijdig voortdurend door onze planeetketen cirkelen, zult u onmiddellijk inzien dat het onmogelijk is dat, wanneer bol D bijvoorbeeld actief is, alle zes andere bollen in obscuratie zijn. Ik geloof dat ik bij verschillende gelegenheden dit onderwerp heb toegelicht, of er voldoende duidelijk op heb gezinspeeld bij het beantwoorden van andere vragen.

Denk er ook aan dat geen enkele bol in obscuratie blijft tot de rondgaande levensgolf van een rijk door al de overblijvende bollen is gegaan en in de volgende ronde weer op de bol komt die ze tevoren had verlaten. Wanneer bijvoorbeeld ons mensenrijk bol D verlaat die dan in obscuratie gaat voorzover het onze menselijke levensgolf betreft, blijft bol D niet in obscuratie terwijl onze levensgolf door de bollen E, F en G gaat, dan zijn nirvana tussen twee ronden heeft, en terugkeert via bol A, B en C. Integendeel, binnen een tijd die betrekkelijk kort is vergeleken bij de lange periode van een volledig keten-manvantara, zal onze bol D uit zijn obscuratie ontwaken om de volgende binnenkomende levensgolf of familiegolf te ontvangen. Dit zal gebeuren lang vóór onze eigen menselijke levensgolf, die bol D had verlaten, haar evolutionaire loopbaan op bol E van de opgaande boog beëindigt.

Al deze tijdsperioden worden gedurende de ronden heel precies op elkaar afgestemd. Nadat een grote levensgolf een bol heeft verlaten, blijft deze bol in obscuratie gedurende een periode waarvan de lengte één tiende is van de voorafgaande periode van activiteit op die bol. Stel dat de tegenwoordige periode van activiteit op onze huidige bol D, van het begin tot het eind ervan, ongeveer 70 miljoen jaar duurt: dan zal de periode van obscuratie ongeveer zeven miljoen jaar duren, met een paar honderdduizend jaar speling.

Het zich wederbelichamende ego hoeft zich dus tijdens zijn tocht langs de bollen van een planeetketen op de opgaande boog niet het hoofd te breken – alsof het een hoofd heeft! – over het in obscuratie zijn van de bollen E, F en G. Het is duidelijk dat het zich wederbelichamende ego een bol in obscuratie kan tegenkomen wanneer het opstijgt langs de lichtende boog, maar er wachten hem altijd passende omstandigheden om zich te belichamen, of de bol nu in obscuratie is of volledig actief.

Vr. – Is iedere belichaming of omhulling van het reïncarnerende ego op de zes (of elf) andere bollen van de aardketen als ervaring strikt analoog aan zijn incarnatie op deze planeet?

GdeP – Als ik de vraag goed begrijp, is het antwoord ja. Alle belichamingen van het zich wederbelichamende ego op de verschillende bollen vinden strikt analoog plaats, hoewel de ervaringen van de diverse stralen uit het zich wederbelichamende ego natuurlijk onderling sterk verschillen, omdat de staat van en omstandigheden op die bollen heel verschillend zijn.

Ik raad de vraagsteller ten sterkste aan dat hij zijn denken tenminste voorlopig niet in verwarring brengt door de ‘zes of elf andere bollen’ waarover hij spreekt. Als hij zijn studie beperkt tot de drie bollen van de opgaande boog, bol E, F en G van de aardketen, opgevat als een keten die maar zeven bollen bevat, zal hij na verloop van tijd gemakkelijker begrijpen wat op de hele keten van twaalf bollen gebeurt.

Iedere bol heeft zijn eigen soorten stof, zijn eigen soorten energie, en zijn eigen soorten en omstandigheden en toestanden van leven, omdat geen twee bollen van een planeetketen zich op hetzelfde identieke subgebied van het zonnestelsel bevinden.

Vr. – Heeft de monade maar één reïncarnerend ego voor elke keten die ze op haar pelgrimstocht bezoekt, of bestaan er in andere en voor ons onzichtbare werelden gelijktijdig ontelbare reïncarnerende ego’s die tot dezelfde monade behoren?

GdeP – Hier verwijst de vraagsteller kennelijk naar de buitenronden. Ten eerste is het – zoals ik zo vaak heb gezegd – onjuist te spreken van een ‘reïncarnerend ego’ als u een zich wederbelichamend ego bedoelt. Alleen als het mensen op aarde betreft die in een lichaam van vlees leven, kunnen we spreken over een ego dat incarneert, zich in vlees hult.

Ten tweede heeft iedere spirituele monade die als bereik het hele zonnestelsel heeft, een zich wederbelichamend ego voor iedere planeetketen die ze bezoekt op haar kosmische pelgrimsreis, en daarom zijn er evenveel zich wederbelichamende ego’s in zo’n spirituele monade als er planeetketens zijn. Er zijn er in feite meer, want de spirituele monade heeft sterke karmische banden met andere planeetketens dan die van de zeven heilige planeten en onze eigen aarde. Maar omdat het u enkel in de war zou brengen als ik over deze andere zich wederbelichamende ego’s zou spreken, vermeld ik ze alleen, en besteed er verder geen aandacht aan.

Ten derde geloof ik dat de vraagsteller verkeerd denkt als hij vraagt: ‘Bestaan er in andere en voor ons onzichtbare werelden gelijktijdig ontelbare reïncarnerende ego’s die tot dezelfde monade behoren?’ De zich wederbelichamende ego’s die tot een spirituele monade behoren, bestaan als het ware binnen de monade, binnen haar levenssfeer en substantie, en zijn er eeuwig mee verbonden. Ze bestaan niet los van die spirituele monade ‘in andere en voor ons onzichtbare werelden’. Natuurlijk is het waar dat alle zich wederbelichamende ego’s door verschillende werelden heengaan, zichtbare en onzichtbare, wanneer ze in de planeetketens afdalen en weer omhoogklimmen.

We moeten proberen in deze zaken onze woorden nauwkeurig te kiezen, anders zullen we elkaar voortdurend misverstaan. Het is goed mogelijk dat de vraagsteller bedoelt wat ik zojuist heb geprobeerd uit te leggen, maar zijn formuleringen zijn verwarrend.

Tenslotte wil ik hieraan nog toevoegen – en ik hoop dat het u niet nog meer in verwarring zal brengen – dat iedere spirituele monade in alle eeuwigheid een scheppend centrum is, en daarom praktisch ieder ogenblik in de duur onophoudelijk nieuwe kind-monaden geboren doet worden. Maar bij het beantwoorden van deze vraag hoeft hier met dit feit geen rekening te worden gehouden. Ik voeg deze opmerking alleen eraan toe om mijn antwoord volledig te maken.

Vr. – Als dit laatste het geval is, houdt de circulatie van de spirituele monade in de kosmos dan niet slechts een overdracht in van het bewustzijn binnen zichzelf, waarbij het deelheeft aan de eigenschappen van het hele universum, zoals de monade daaraan deelheeft, en niet een werkelijke verandering van plaats van bol naar bol en van planeet naar planeet?

GdeP – Dit is een typisch westerse vraag. Het westerse denken zweeft altijd in verwarring tussen abstract bewustzijn en belichaamd bewustzijn, en schijnt het heel moeilijk te vinden om onderscheid te maken tussen die twee, hoewel er in de zaak zelf geen verwarring zou moeten zijn, en in feite niet is. Natuurlijk is er een ‘overdracht van bewustzijn’, maar die overdracht van bewustzijn houdt door de hier gebruikte woorden juist in dat er een werkelijke verandering van substantie en van energie is, en deze woorden betekenen een werkelijk gaan van gebied naar gebied, of om nauwkeuriger te zijn, van bol naar bol, van planeet naar planeet. Een verandering van bewustzijn zou niet mogelijk zijn als een entiteit eeuwig op één kosmisch gebied bestond; dan zou ze zich slechts bewust zijn van zichzelf. Maar omdat alle entiteiten in voortdurende en eeuwige beweging zijn, is de ‘overdracht van bewustzijn’ slechts een andere manier van zeggen van een overgaan van tenminste een deel van het bewustzijn naar verschillende toestanden of staten van zijn, naar verschillende toestanden of staten van energie, naar verschillende staten of toestanden van substantie; en dit vindt plaats van geest naar stof en dan weer van stof naar geest. Het bewustzijn wisselt en verandert alleen omdat het in opeenvolgende tijdsperioden in aanraking komt met verschillende delen van het universum, nu eens in de spirituele dan weer in de materiële sferen, en op nog andere momenten in de gebieden die tussen die twee liggen.

Maar laat ik hier een belangrijke waarschuwing geven. Het is niet de monadische essentie zelf die haar eigen gebied verlaat of ‘haar bewustzijn overdraagt’ naar de gebieden van de stof, maar ze zendt vanuit zichzelf stralen uit, ongeveer zoals de zon dat doet, en deze stralen gaan door de verschillende rijken of gebieden of sferen – en de laatstgenoemde zijn de bollen van het kosmische universum of zonnestelsel.

Vergeet niet wat Krishna in de Bhagavad Gita zegt: ‘Ik breng dit hele universum voort met een deel van mijzelf, en blijf er toch van gescheiden’ – dat is ‘erboven’ en toch ‘erin’ en het ‘omvattend’. Een mens heeft van dag tot dag een ‘overdracht van bewustzijn’, van maand tot maand, van jaar tot jaar, van de kindertijd tot de ouderdom. Iedere dag of maand of jaar of reeks van jaren heeft z’n eigen soort bewustzijn, maar toch is het overheersende of omvattende of hoogste bewustzijn van een mens gedurende zijn hele leven hetzelfde.

De westerse geest houdt van abstracties, houdt ervan abstracties tot een entiteit te maken, ze te beschouwen als concrete werkelijkheden; en deze psychische neiging of gewoonte is de oorzaak van de meeste filosofische en psychische verwarring die in het westen nu zo opmerkelijk is.

Vr. – Wat is de esoterische leer over de invloed die de planeten uitoefenen op de aarde in het algemeen en op individuele mensen in het bijzonder, vooral als dit onderwerp wordt beschouwd in het licht van de leringen over de circulaties in de kosmos?

GdeP – Uw vraag betreft een moeilijk onderwerp en vereist een uitgebreid antwoord, maar omdat een volledig antwoord te ingewikkeld zou zijn om nu uiteen te zetten, zal ik alleen op het volgende wijzen. Als we aannemen dat de hogere bollen van onze planeetketen inderdaad invloed op de mens uitoefenen, dan gebeurt dat alleen door tussenkomst van de invloed of de krachten die behoren tot de bol waarop de mens op dat moment nu eenmaal is. Dit zou duidelijk moeten zijn. Alle bollen op de neergaande boog van onze keten werken via bol D voor de mens en hebben invloed op de mens zolang hij op bol D is; en hetzelfde geldt voor de andere bollen van onze keten. Om de gedachte wat uit te breiden: de bollen A en B, of F en G hebben niet als individuen rechtstreeks invloed op onze bol D, maar alleen via de tussenliggende bollen als middelaars of overbrengers van de invloeden of krachten, ongeveer zoals elektriciteit door een stroomkring zal gaan, maar alleen via de schakels van die stroomkring. De consequentie hiervan is dat de fysieke planeten D, of bollen D, van de ene of de andere keten, de verschillende invloeden en krachten die vanuit die verschillende ketens via hun respectieve bollen D naar de aarde vloeien, over de mens uitstorten terwijl hij op deze bol D van de aardketen is.

Maar er is een secundaire lijn van invloeden of energieën die van de verschillende planeetketens naar beneden stromen en hun uitwerking hebben op bol D van de aardketen. En deze secundaire lijn loopt van de respectieve bollen van de andere ketens naar de overeenkomstige bollen van de aardketen en vandaar via de tussenliggende bollen van de aardketen naar bol D van de aardketen. Juist hier moeten de circulaties in de kosmos worden gevolgd. Deze verschillende soorten invloeden en energieën moeten gehoorzamen aan de gebruikelijke procedures van het zonnestelsel en de ‘sporen’ of ‘wegen’ volgen die al zijn gemaakt, precies zoals elektriciteit automatisch de weg van de minste weerstand volgt, of zoals bloed in het menselijk lichaam zijn omloop door de aderen en slagaderen heeft.

Deze invloeden en hun verschillende circulatiekanalen zijn werkelijk te diepzinnig om er uitvoerig over te spreken, en kunnen hier dus slechts in het kort worden behandeld. Dit hele onderwerp heeft te maken met het bestaan en de werkingen van de circulaties in de kosmos waarover ik zoveel heb gezegd, en waarvan tot nog toe zo weinig is begrepen. Het bewijst ook dat ware en werkelijke astrologie – juist omdat ze een schitterende wetenschap is, een uitgebreide en prachtige studie vormt – volkomen buiten het gezichtsveld van de tegenwoordige westerse astrologen ligt, die over de innerlijke complexiteit van hun studie werkelijk niet méér weten dan over de bewoners van Neptunus, als die er zijn.

De verwarde overblijfsels van de westerse astrologie bevatten nog enkele juiste algemene ideeën, zoals de voor de hand liggende gedachte dat de fysieke bollen van de respectieve planeetketens de dragers of voertuigen zijn van de invloeden die naar hen toevloeien en door hen heengaan. De tegenwoordige astrologen weten weinig of niets, gewoonlijk niets, van de planeetketens. Ze weten zelfs niets over de innerlijke bollen van onze eigen keten, behalve dat ze daarover af en toe een flits van intuïtie hebben. En die invloeden die ze dus intuïtief aanvoelen, beschrijven ze dan met de passende maar vage woorden ‘innerlijke invloeden’ of iets dergelijks. We moeten bedenken dat esoterische astrologie een van de studieonderwerpen was in de hogere mysteriën van oude volkeren, en zeer zorgvuldig werd beschermd op grond van de duidelijke gevaren voor het morele en intellectuele welzijn van de mens die door ontheiliging of misbruik van de leringen zouden kunnen ontstaan.

Zonder enige twijfel oefenen zowel de planeten als de zon en de maan heel krachtige invloeden uit op de mensen, niet alleen individueel als hemellichamen, maar collectief als wat men de bewuste hemelse machinerie van het zonnestelsel zou kunnen noemen. De individuele mens ondergaat deze invloeden en wordt erdoor beïnvloed, juist omdat hij een onderdeel – een radertje als het ware – in deze machinerie van het levenswiel is. Maar men moet niet vergeten dat de menselijke wil en intelligentie, juist omdat ze uit het spirituele hart van het universum voortkomen, nooit slaafs zijn onderworpen aan deze massa energieën of invloeden die op de mensen inwerken. Met andere woorden, een mens kan door zijn wil en intelligentie te gebruiken altijd met succes ingaan tegen de invloeden van de zon, de maan of de planeten. Ik herhaal het oude gezegde van de astrologie: Stellae agunt, non cogunt – de sterren zetten aan maar dwingen niet.

Vergeet ook niet dat iedere mens die op aarde wordt geboren spiritueel afkomstig is van zijn ouder-ster, en door een element in zijn constitutie bovendien heel nauw is verbonden met een van de planeten van het zonnestelsel – een van de zeven of tien heilige planeten. Deze bewering houdt niet in dat die mens geen banden heeft met de andere planeten van het zonnestelsel. Integendeel, de constitutie van iedere mens is opgebouwd uit dezelfde krachten, substanties en eigenschappen die de individuele planeten van het zonnestelsel belichamen. Maar in iedere individuele mens is een van deze planeten in zijn leven bijzonder krachtig, omdat hij in zijn constitutie naar verhouding een bijzonder grote hoeveelheid heeft van de svabhava of individuele karakteristiek van die planeet.

Vr. – In de loop van een gesprek met X over de evolutieprocessen omschreef ik de mens als een samengesteld wezen bestaande uit:

De goddelijke vlam of atman – van wie het thuis het melkwegstelsel is – of de goddelijke monade.

De spirituele monade – van wie het thuis het zonnestelsel is.

De spirituele ziel of het hogere ego – van wie het thuis de planeetketen is.

De menselijke monade of het menselijke ego – van wie het thuis bol D is.

Het kamisch-astraal-fysieke gestel.

Ik beweerde dat de spirituele ziel of het hogere ego het reïncarnerende ego is en de manasaputra of agnishvatta-pitri, dat ze blijft bestaan zolang de planeetketen blijft bestaan, dat zij dat is wat in de schoot van de spirituele monade wordt teruggetrokken en daarin tijdens de devachanische slaap rust, dat de menselijke monade of het menselijke ego – als een samengestelde entiteit, niet als een monade die natuurlijk onverwoestbaar is – maar één incarnatie duurt, en dat het aroma of de edelste essentie van dit menselijke ego door het hogere ego wordt opgenomen vóór het hogere ego in de spirituele monade wordt teruggetrokken.

X beweerde dat het zo niet kan zijn, dat de menselijke monade of het menselijke ego in de schoot van de spirituele monade zijn devachanische slaap geniet, dat de spirituele ziel of het hogere ego niet de manasaputra of zonnepitri is, en dat de menselijke monade (als een samengestelde entiteit) niet slechts één incarnatie blijft bestaan.

Met andere woorden, het schijnt me toe dat hierdoor een van de schakels in de bovengenoemde keten buiten beschouwing wordt gelaten, namelijk de spirituele ziel. Het is duidelijk dat er ergens iets niet klopt in de redenering. Mag ik vragen wie gelijk heeft, en wilt u enige toelichting geven op bovengenoemde problemen?

GdeP – Ik zal hierop een kort antwoord geven. U heeft bijna gelijk en ook X heeft bijna gelijk. Ik denk eigenlijk dat u beiden bijna hetzelfde bedoelt, maar ieder is een beetje verward in zijn gebruik van de verschillende termen: monaden, zielen en ego’s. Ik ben daarover niet echt verbaasd, want zo’n verwarring in het gebruik van woorden zal bijna onvermijdelijk optreden tot iemands fundamentele ideeën over deze ingewikkelde zaak helder en scherpomlijnd zijn.

Ten eerste is de mens als een geheel, omdat hij een samengestelde entiteit is, een verzameling monaden in verschillende graden van ontwikkeling of evolutie. Daarnaast is elk van deze monaden, juist omdat ze een monade is, praktisch onsterfelijk, dat wil zeggen ze blijft als een geïndividualiseerde eenheid bestaan zolang als het zonnestelsel duurt. De enige uitzondering hierop is de goddelijke monade, van wie de geweldig lange levensperiode gelijk is aan die van het melkwegstelsel. Niettemin is het ego dat uit de schoot van ieder van deze monaden voortkomt, op welk gebied dan ook, een entiteit die zijn perioden van waken en slapen heeft.

Dat ego heeft om zich heen zijn trillende, vitale, bewuste omhulsel, dat de ziel wordt genoemd. Het is deze ziel die, hoewel ze een levend wezen is, sterft of uiteenvalt wanneer haar respectieve tijdsperiode is verstreken. Zo duurt bijvoorbeeld de menselijke ziel maar één incarnatie, maar de menselijke monade wordt na de dood opgenomen in de schoot van het spirituele ego dat op zijn beurt wordt opgenomen in de schoot van de spirituele monade.

Het zijn dus de ‘zielen’ die sterven, maar die niettemin weer naar buiten worden gebracht of worden wedergeboren bij elke nieuwe belichaming – omdat hun respectieve levensatomen psychomagnetisch weer worden verzameld en bij elkaar worden gebracht om opnieuw de substantie van de ziel te vormen die ‘gestorven’ was en zich had verspreid. Evenzo worden de verschillende monaden teruggetrokken, ieder in de schoot van de daaropvolgende hogere monade – de gevallen verschillen afhankelijk van de individuele monaden.

U heeft niet helemaal gelijk als u zegt dat de manasaputra of agnishvatta-pitri precies dezelfde is als het reïncarnerende ego. Dit is een van de moeilijkste dingen om duidelijk uit te leggen, en het zou me een uur kosten om hierover een volkomen begrijpelijke uiteenzetting te schrijven. De manasaputra’s die in het derde wortelras incarneerden zijn niet onze menselijke ego’s maar – spiritueel-manasisch gesproken – onze manasische ouders. Onze eigen spirituele zielen of hogere ego’s, die de essentie zijn van de zich wederbelichamende ego’s, werden gestimuleerd of bezield, ieder door zijn eigen manasaputra, zijn spirituele ouder om zo te zeggen. In onze gecompliceerd samengestelde constitutie heeft die manasaputra ook nu zijn nauwe banden van bewustzijn en bestemming met het zich wederbelichamende of hogere ego, dat door hem werd verlicht en manasisch werd gestimuleerd, omdat er in elk van die gevallen nog een werkelijke monadisch-vitale schakel van bewustzijn blijft bestaan – een soort antaskarana.

Ik weet werkelijk niet hoe ik dit in een kort antwoord nog duidelijker kan maken. Enkele van de meest ingewikkelde en gecompliceerde esoterische leringen hangen met dit alles nauw samen. Ik raad u dus aan de zaak zorgvuldig te bestuderen en ingespannen te overdenken, totdat het licht vanzelf uw denken binnenstroomt, en dat zal gebeuren als u zich tot dat niveau van inzicht kunt verheffen.

X heeft gelijk als hij zegt dat de menselijke monade niet slechts één incarnatie blijft bestaan, omdat zo’n kort bestaan alleen hoort bij wat u ‘het kamisch-astraal-fysieke gestel’ noemt, met andere woorden de menselijk-dierlijke ziel. U heeft dus gelijk als u zegt dat het lagere menselijke ego, of nauwkeuriger de menselijk-dierlijke ziel, slechts één incarnatie bestaat. Toch wordt uit die menselijke of beter gezegd de menselijk-dierlijke ziel het aroma getrokken, de spirituele essentie ervan, die dan in de spirituele monade wordt verzameld op de wijze zoals HPB dat uitstekend beschrijft. Bedenk echter dat zelfs de menselijk-dierlijke ziel die maar gedurende één incarnatie leeft, toch psychomagnetisch wordt bijeengebracht – ik bedoel de levensatomen die haar vormen – wanneer de volgende incarnatie op aarde plaatsvindt, en op die manier de lagere mens van het vorige leven weer vormt voor zijn nieuwe leven; en dus wordt deze lagere mens niet alleen in staat gesteld, maar door karma ook verplicht, de zaden te oogsten die hij in zijn vorige leven had gezaaid.

U zult zien dat u en X in feite ongeveer hetzelfde bedoelen, en toch bestaat er bij ieder van u wat de termen betreft enige verwarring. Ik wil er nog aan toevoegen dat uw eigen opvattingen en die van X zoals u ze beschrijft in het algemeen juist zijn. Het is de oude en bekende moeilijkheid dat men door woorden in verwarring raakt. Dat leidt altijd tot misverstanden, die al of niet in een geest van vriendschappelijkheid zijn ontstaan.

U heeft de hiërarchie van verschillende monaden volgens mij goed weergegeven.

Tenslotte zou ieder van u een scherp onderscheid moeten maken tussen de onsterfelijke monaden, waar deze ook functioneren – in een melkweg of in een zonnestelsel, in de planeetketen of op een bol – en de respectieve hogere ego’s van die monaden; die ego’s met hun zielen zijn de respectieve zich belichamende beginselen. De zielen zijn de levende, bewuste omhulsels of sluiers waarmee de ego’s zich bekleden, precies zoals ons fysieke lichaam is wat wij volkomen terecht de ‘fysieke ziel’ zouden kunnen noemen – de levende, vibrerende, bewuste ziel van stof waarmee het menselijke ego zich op deze aarde bekleedt. Als u deze verschillen tussen monade en ego en tussen ego en ziel duidelijk voor ogen houdt, dan zult u weinig moeite hebben om hun respectieve en juiste positie in de menselijke constitutie vast te stellen.

Vr. – Zou u ons vanuit een esoterisch standpunt kunnen vertellen wat de waarde is van de gangbare ceremoniën bij begrafenisplechtigheden? Wat zou een theosoof het beste kunnen doen als hij geen rekening hoefde te houden met conventies en de gevoeligheden van vrienden en familie?

GdeP – Eerlijk gezegd geloof ik dat er geen enkele esoterische waarde ligt in ‘de gangbare ceremoniën bij begrafenisplechtigheden’. Dit betekent niet dat ik geloof dat het dode lichaam op een volkomen harteloze en cynische manier moet worden beschouwd. Integendeel, een lichaam waarin de ziel heeft gewoond van iemand van wie we hebben gehouden, of zelfs van iemand die we nooit hebben gekend, moet met kalme waardigheid en eerbied worden behandeld, waarbij we niet vergeten dat het maar een lege schil is, de lege woning van de zelfbewuste en levende geest die deze heeft verlaten.

Aan de andere kant denk ik dat veel van de ‘gangbare ceremoniën bij begrafenisplechtigheden’ door een soort psychomagnetische aantrekking ertoe bijdragen dat de geëxcarneerde entiteit, die, natuurlijk automatisch, haar best doet zich te bevrijden van de aantrekkingen van deze fysieke sfeer, aan de aarde wordt geketend. Wanneer de verwanten en vrienden in een sterfkamer bijeenzijn en er wordt gehuild en getreurd of er zijn allerlei uitingen van liefde en toewijding, en als de deugden van de dode worden opgesomd, en men stilstaat bij gebeurtenissen in zijn of haar leven – zijn al deze dingen door de sterke psychomagnetische vibraties en elementen waarmee dit gepaard gaat, werkelijk een belemmering voor het ego dat bezig is heen te gaan.

Daarom zijn die begrafenisplechtigheden niet alleen niet goed, maar heel verkeerd. Verder geloof ik dat de uitwerking op de levenden slecht is, want er ontstaat een gevoel van moedeloosheid, somberheid, zelfs van verschrikking, en het geeft aan de dood een negatieve betekenis die deze in de natuur niet heeft, want het betreft het afwerpen van het meest grove voertuig van de constitutie van de mens.

Wat het laatste deel van uw vraag betreft: het beste wat een theosoof volgens mij zou kunnen doen, vooral als hij geen rekening hoeft te houden met ‘conventies en de gevoeligheden van vrienden of familie’, is om het zo eenvoudig mogelijk te houden, als het maar in overeenstemming is met een waardige zorg en behandeling van het dode lichaam van de heengegane en geliefde ziel. In dat geval zou ik willen aanraden om onmiddellijk nadat de dood is ingetreden de ramen van de sterfkamer te openen, en in de directe omgeving zo mogelijk algehele stilte in acht te nemen, en als het avond wordt, een nachtlicht of kaars aan te steken en deze te plaatsen bij of naast het hoofd van het lichaam, waarbij er natuurlijk voor wordt gezorgd dat er geen brand kan ontstaan. Bij het hoofd van het lichaam zou er eenmaal ’s morgens en eenmaal ’s avonds na zonsondergang een wierookstokje moeten worden aangestoken, en wel iedere dag dat het lichaam er ligt vóór de crematie of begrafenis. Heeft men geen wierook, dan is het goed in de kamer geurige kruiden of grassen of een stukje hout te branden. Het doet er niet veel toe wat voor hout, maar het is beter daarvoor zo mogelijk wat geurig hout te gebruiken, bijvoorbeeld cederhout. De reden hiervoor is dat het brandende hout of de kruiden en vooral de wierook de atmosfeer zuiveren en de neiging hebben kwade en onaangename elementale krachten af te weren die altijd, nadat de ziel het lichaam heeft verlaten, tot een sterfbed worden aangetrokken. Het licht heeft min of meer hetzelfde effect dat het elementaren afweert. Deze astrale bewoners kunnen geen werkelijk kwaad doen behalve aan hen die in leven zijn, en hun aanwezigheid is ongezond. Een oude gewoonte en menselijk instinct hebben in veel gevallen de wierook of het branden van hout of kruiden vervangen door in de sterfkamer bloemen te zetten. Door de geur is dit voor korte tijd goed maar veel minder doeltreffend dan de wierook of het brandende hout, omdat de bloemen na korte tijd beginnen te verwelken, en de geur en aanwezigheid van bederf moeten worden vermeden.

Zelfs tabaksrook is een soort wierook, en het zou niet verkeerd zijn wat tabak te branden, maar ik zou dit niet aanraden want, als een familielid in de sterfkamer een sigaret zou roken – de eenvoudigste manier om tabak te gebruiken – zouden kritische familieleden of vrienden dit onmiddellijk een cynische en harteloze daad noemen, omdat ze de achterliggende gedachte niet zouden begrijpen. Maar het branden van wierook of wat geurig hout of kruiden zou voor niemand aanleiding zijn tot kritiek, en wierook is het beste middel om de atmosfeer te zuiveren.

Wat de begrafenisplechtigheid betreft, dit is iets waarover een theosoof zelf moet beslissen als het om het dode lichaam gaat van iemand van wie hij hield. Ik zou echter aanraden de ceremonie zo eenvoudig mogelijk te houden. Als hij conventies in acht moet nemen en de gevoelens van familieleden en vrienden, en het is altijd goed om dat te doen, dan zou ik aanraden dat er iets wordt voorgelezen uit een van onze devotionele boeken, misschien twee passages gescheiden door een periode van stilte van vijf of tien minuten of een kwartier of een uur, volgens de wens van degene die de ceremonie regelt. Indien dat mogelijk is, kan naar wat rustige muziek worden geluisterd, deze zou dan onmiddellijk na het tweede citaat kunnen worden gespeeld, waarmee de ceremonie wordt afgesloten.

Er is mij ook gevraagd: Is het een goed idee om in geval van crematie de as te bewaren van onze geliefden die zijn heengegaan? Er is geen bezwaar tegen behalve dat het een enigszins deprimerend effect heeft op de nabestaanden. De beste manier zou misschien zijn om, als de wet dit toestaat, de as overeenkomstig de wens van de overlevenden te verstrooien boven een mooi stuk land, of boven stromend water, of boven zee, volgens de wens van de dode of van de levenden. De Ouden waren natuurlijk zeer precies bij hun begrafenisplechtigheden en bij het bewaren van de as van de doden, maar dat kwam omdat de oude religies al voor een groot deel gedegenereerd waren, zelfs eeuwen vóór het begin van het christendom, dat dezelfde traditionele ceremoniën slechts min of meer voortzette.

Wat er ook gebeurt, het voornaamste waar men voor moet zorgen is dat er de eerste uren nadat de persoon is gestorven in de sterfkamer de grootst mogelijke stilte in acht wordt genomen. De reden is dezelfde als die waarop de meester in een van onze boeken heeft gewezen: nadat het hart voor het laatst heeft geklopt, leven de hersenen gedurende een aantal uren nog gedeeltelijk, en overzien in mentale beelden het hele panorama van het vorige leven, van het eerste tot het laatste moment van bewust bestaan dat aan de laatste ademtocht voorafging. Elk soort geluid stoort het zich terugtrekkende ego in zijn panoramische visioen van het zojuist geëindigde leven; en de slechtst denkbare verstoring is iets dat een beroep doet op het zich terugtrekkende ego door de menselijke emoties of gevoelsuitingen ervan, zoals huilen of uitingen van verdriet of spijt of leedwezen. Bewaar in de sterfkamer volkomen stilte.

 


Dialogen van G. de Purucker, blz. 952-82

© 2005  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag